begin  verderprepost
[p. III]

Voorbericht.

Bakhuizen van den Brink had slechts het eerste deel zijner ‘Studien en Schetsen’ in het licht gegeven, toen de dood hem verraste. Zijn vriend Potgieter nam toen de voortzetting dier uitgave op zich. Het was zijn voornemen - zoo luidde een bericht, dat aan de eerste aflevering van het tweede deel werd toegevoegd - ‘om de verschillende opstellen weer te geven zooals hij ze vond, slechts hier en daar, wat spelling en woordschikking betreft, gewijzigd in den geest des schrijvers, zooals deze zelf de uitgave van het eerste deel der Studien en Schetsen bezorgde.’

‘Ten volle overtuigd dat ieder geschrift moet worden beoordeeld naar zijne dagteekening,’ stelde hij zich voor ‘de stukken te doen voorafgaan of te doen volgen door inleiding of aanteekeningen over den tijd

[p. IV]

en den toestand waarin zij het licht zagen; eene roode draad, die gelegenheid geven zou al de bijzonderheden in te lasschen over het inwendig en het uitwendig leven des auteurs, tot eene volledige waardeering van zijnen invloed op onze letterkunde.’

Hoe breed Potgieter die taak had opgevat, daarvan strekke het tweede deel ten bewijze. Maar hij had zijn arbeid nauwelijks aangevangen toen de dood ook dezen genialen man van ons wegnam. Was het te verwonderen dat niemand zijne nalatenschap durfde aanvaarden, en dat men besluiten moest tot het eenvoudig uitgeven der overige opstellen?

Toen mijn vriend Nijhoff dit aan mij opdroeg, moest ik beginnen met eene keuze te doen. Veel toch zou de schrijver zonder twijfel zelf geen herdruk waardig gekeurd hebben. De heeren Fruin en Vosmaer hadden de welwillendheid mij bij die keuze voor te lichten. Misschien zullen sommigen van oordeel zijn dat zij te beperkt is geweest. Veel liever draag ik dat verwijt dan dat men mij beschuldigen zou door een te ruime keuze niet in den geest van den overledene te hebben gehandeld.

Met wijzigingen in spelling en woordschikking ben ik spaarzaam geweest. Bakhuizen is hoe langer hoe meer een goed stylist geworden, doch ik achtte mij niet bevoegd den stijl der vroegere opstellen geheel in den geest der latere te veranderen.

Wie eene studie wil maken van 'tgeen Bakhuizen geschreven heeft zal in de Lijst die aan dit deel is

[p. V]

toegevoegd daarvan eene zoo volledig mogelijke opgaaf vinden. De heer Vosmaer heeft zich de moeite willen getroosten om mij alles aan te wijzen wat naar zijne herinnering de Konst- en Letterbode en de Nederlandsche Spectator van onzen schrijver hebben opgenomen. Na de uitgave van het Derde deel maakte de heer J. Tideman mij opmerkzaam dat ook in het door hem in 1853 uitgegeven tijdschrift ‘Nederlandsch Athenaeum’ zich een paar uitstekende bijdragen van Bakhuizen bevonden; hoewel deze eene plaats hadden moeten vinden bij de letterkundige opstellen in het Derde deel, zal wel niemand het afkeuren dat ik ze aan de historische opstellen in het Vierde heb toegevoegd. Het verslag dat daarop volgt over de bronnen voor de geschiedenis van den opstand tegen Spanje is ontleend aan de notulen eener wetenschappelijke vereeniging in 1846 te Leiden opgericht, waarin de sprekers zelven hunne voordrachten resumeerden. Ik dank de mededeeling daarvan aan den heer Fruin.

Aan de welwillende vergunning van Z. Exc. den Minister van binnenlandsche zaken is men de openbaarmaking der verslagen over Bakhuizen's nasporingen op de Archieven te Weenen en te Brussel verschuldigd.

De heer Dr. N.J.B. Kappeyne van de Coppello te Amsterdam had de goedheid mij op mijn verzoek eene reeks van brieven, door Bakhuizen aan zijne leermeesters en vrienden Bake en Geel geschreven, toe te vertrouwen, met de vergunning om daarvan uit te geven wat ik hiertoe geschikt achtte. Die correspon-

[p. VI]

dentie is voor de kennis van den mensch Bakhuizen onschatbaar, maar wat op zijne levensomstandigheden betrekking heeft kon thans nog niet openbaar gemaakt worden. Zij behelst echter ook veel wat tot beter waardeering van den geleerde en den schrijver kan dienen. Wat de philologische kwesties betreft, die in die brieven besproken werden, de mededeeling daarvan moge ook nu nog belangrijk zijn, maar zij was in deze bundels niet op haar plaats. Dat er buitendien nog een rijke oogst overbleef mogen de uitvoerige uittreksels aan het eind van dezen bundel bewijzen. Menigeen zal met mij dankbaar zijn voor de liberaliteit waarmede de openbaarmaking daarvan werd toegestaan.

 

Leiden, October 1877.

P.A. TIELE.

prepost  begin  verder