Op den 30en December des vorigen jaars werd te Megen toevallig bij het omgraven van den grond van het kerkhof een looden doodkist ontdekt, die het stoffelijk overblijfsel bevatte der laatste gravin van Megen, welke in onze geschiedenis als zoodanig vermaard is. Te regt of te onregte, wij laten het daar; maar de rol, die zij gespeeld heeft, was van te veel beteekenis dan dat men haar overschot niet herdenken zou. Heeft niet Karel van Brimeu, 's konings stadhouder in Gelderland, de bekwame krijgsoverste die Oudewater bedwong en steeds aan het hoofd der katholijke partij ter bestrijding der Geuzen zich eervol onderscheiden heeft, toen in 1850 ook zijne begraafplaats ontdekt werd, eene waardige hulde gevonden door den gedenksteen te zijner eer gemetseld? Eer eene dergelijke hulde aan zijne nicht, de laatste gravin van Megen, te beurt valt, moeten wij herinneren, dat zij in alle opzigten het tegenbeeld van haren oom was. Dochter van George van Brimeu, was zij haren oom bij diens kinderloos overlijden in het graafschap opgevolgd. Zij huwde eerst Lancelot van Berlaimont, heer van Beauraing, die jong overleed; maar de echt katholijke omgeving, waarin zij ten ge-
volge van hare afstamming en haar huwelijk leefde, verhinderde niet dat zij eene protestante en zelfs eene der hevigste werd. Haar tweede man, Karel van Aerschot, prins van Chimay, was een tijd lang het slachtoffer van haren geloofsijver. Want zij dwong hem de zaak van zijne familie, van zijne partij, van zijn geloof te verlaten en de dienst der in vollen opstand gekomen staten te omhelzen. Later wreekte zich deze door op eene even geruchtmakende wijze zijne partij en zijne vrouw te verraden en zijne eigene veranderlijkheid te verontschuldigen door aan de nakomelingschap gedenkstukken achter te laten welke sedert door Reiffenberg onder den titel van Une existence de grand seigneur au XIVme siècle in het licht zijn gegeven. Zij vertoonen den prins van Chimay als den ijdelsten onder de ijdelen van zijn geslacht, en bevatten in de hevige uitvallen welke hij zich tegen zijne verlatene echtgenoot veroorlooft, het bewijs dat deze door bevalligheid of verstandelijke meerderheid vroeger een onweerstaanbaren invloed op hem moet hebben uitgeoefend. In allen gevalle is in die gedenkschriften veel tot haar nadeel te lezen, even als in een merkwaardig artikel van den heer P. Kuipers in de Revue numismatique Belge van 1857 sur les monnaies des Comtes de Megen. Was zij, toen zij in 1605 na een zeer avontuurlijk leven te Luik overleed, in die bisschopstad tot haar voorouderlijk geloof teruggekeerd? Wij weten het niet en hebben reden er aan te twijfelen. Doch wat ons vooral belangstelling inboezemt is de vraag der epigraphiek wat er eigenlijk op de looden doodkist te lezen staat. Wij hebben drie nummers voor ons liggen: de Noord-Brabanter, de Nieuwe Noord-Brabanter en het Handels- en Effectenblad en onze pogingen om uit die alle een behoorlijken tekst zamen te stellen zijn mislukt. Wij geven dienvolgens den Noord-Brabanter, met de varianten:
‘Dame Marie de Brimeu, duchesse de Croye (1) et d'Aerschot (2) princesse du S. Empire, de Chimay (3) portien et
hodicq (4) contesse de Megchen (5) etc. décédé (6) en Liège le 18 d'avril en cincq heures après midi.’
(1) Croi. Alg. H. en E. Bl. Lees: Croye. (2) et A'arschot. Nieuwe N. Br. waarschijnlijk et d'Aerschot. (3) Chima y N.N. Br. (4) Hortien et Podicq. A.H. en E.B. Lees: Portien et Robecq. (5) Comtesse Megchen. A.H. en E.B. Contesse Meeghen. N.N. Br. (6) décédéc. A.H. en E.B. déceédé. N.N. Br. Lees: décédée.
Alles wat ons duidelijk is, komt daarop neder dat het opschrift in gothieke of duitsche letters gesteld is, dat het jammer is opschriften urbi en orbi prijs te geven voordat zij goed gelezen zijn en dat mannen als Leemans en Janssen zich de zaak behooren aan te trekken en meer kunstbroeders in de zuidelijkste onzer provinciën aankweeken. Goede lezingen toch, wij hebben het aan de Eugubijnsche tafelen gezien, zijn de vaste grondslag voor alle betoogen over echtheid en onechtheid.
(Konst- en Letterbode, 1858, No. 4.)