Op den 8en Januarij overleed in den ouderdom van bijna 51 jaren de heer Antoine Guillaume Bernard Schayes. Het verlies, dat België door zijnen dood lijdt, is gelijk te stellen aan dat, hetwelk het een jaar geleden doer het overlijden van Gachet ondervond. Beiden waren de stennpilaren van de degelijke, geleerde historische studiën in België: beiden was de wetensehap om de wetenschap lief en beiden hadden karakter genoeg om den geest des onderzoeks getrouw te blijven, al voerde hen die langs weinig betreden, schaarsch uitlokkende en moeijelijke paden. Maar beiden liepen door hunne rigting uiteen en zoo Gachet den Franschman vertegenwoordigde, was en bleef Schayes de Vlaming. Geboren en opgevoed te Leuven, sedert student aldaar, vertoonde Schayes in de strekking van zijn geest, in de resultaten van zijne werkzaamheid, den Lovanist, zooals wij dien van ouds kennen. Grondige en veelomvattende geleerdheid, welke voor geene navorsching terugdeinst, klassiek op de oude manier, zonder dat het klassicisme zich tot humanisme veredelt: veel gezond oordeel bij veelomvattende kennis, maar tevens groote verachting voor tentoonspreiding van talent, voor moderne vormen, voor bevalligheid van stijl. Te midden van boekenstudie door boeken gevormd, door neiging tot de beoefening van het Romeinsche tijdvak en dat der middeleeuwen gedreven, en daarin te meer behagen scheppend, naarmate hij de vormen der nieuwere beschaving van zich stiet, was Schayes meer dan eenig ander de vertegenwoordiger der oude Belgische geleerdheid, der geleerdheid van Van Espen, van Foppens, van Ghesquière. Archaeologie en geographie waren de studiën
zijner voorkeuze en hij leverde daarvan eene uitstekende, wij mogen zeggen wereldberoemde proeve, in zijne Les Pays-Bas, avant et durant la domination Romaine, 2 vol. 1837, 8o. Reeds te 's Gravenhage had hij zich voor en omstreeks 1830 als ambtenaar bij de koninklijke bibliotheek door zijne bibliographische kennis niet onverdienstelijk gemaakt en die kennis sedert door aanhoudende praktijk vermeerderd. Overgeplaatst bij het Belgische rijks-archief, werd hem de rangschikking en katalogisering der kaarten opgedragen en de inventaire des cartes et plans, op last der regering in 1848 uitgegeven, was voor een groot gedeelte de vrucht zijner werkzaamheid. Zoowel de Belgische akademie als de Belgische regering wisten de geleerdheid van Schayes op prijs te stellen: gene door hem als haar medelid de moeijelijkste onderzoekingen op te dragen over al hetgeen het aan oudheden zoo rijke België bijna telken dage in zijnen schoot vond, deze, door voor hem bepaaldelijk het museum van oudheden te scheppen, en hem in de gelegenheid te stellen daar den rijkdom zijner wetenschap op het te zamen stellen en klassificeren van het gezondene toe te passen. Het museum van oudheden aan de Halsche poort is zijne gedachte en zijne schepping. Ondertusschen bewerkte hij voor de Collection Jamar zijne voortreffelijke Histoire de l'architecture en Belgique in 4 deelen; later hield hij zich bezig met eene uitgave van den Anonymus Ravennas, waartoe hij met zijn vriend, prof. Bock, van alle kanten de bouwstoffen verzamelde: eindelijk, toen de dood hem overviel, met eene omwerking van zijne Belgique sous les Romains, welke hij met zijne eigene ervaringen en ontdekkingen van latere dagen zou hebben verrijkt. Aan dezen arbeid is bijna de laatste hand gelegd en wij vertrouwen, dat zijne talrijke vrienden voor de uitgave daarvan zullen zorg dragen. Maar die uitgave zal te meer doen bejammeren, dat een vroegtijdige dood hem, den voor alle vorderingen zoo vatbaren Schayes, verdere ontwikkeling zal hebben benijd. Be-
krompen omstandigheden lieten hem het voor den archaeoloog zoo noodige en onmisbare reizen niet toe; eerst later was hij in de gelegenheid Italië en andere voor zijne wetenschap belangrijke gewesten te bezoeken en voorzeker zou dit eene nieuwe vlugt aan zijnen geest en aan zijne wijze van voorstelling eene aesthetische kleur hebben gegeven, welke daaraan te dikwijls ontbrak.
(Konst- en Letterbode, 1859, No. 3.)