terug  begin  verderprepost

C.F. Wurm.

Op den eersten Februarij leed het akademisch gymnasium te Hamburg een groot verlies door den dood van den hoogleeraar Christian Friedrich Wurm. Hij stierf te Reinbeck, waar hij de waterkuur beproefd had als laatste redmiddel voor zijne door aanhoudenden arbeid geschokte gezondheid. Het schijnt dat hij zijn laatste levenskracht had uitgeput in het congres, te Londen over den tol te Stade gehouden, waaraan hij als afgevaardigde van Hamburg deel nam, met al die zenuwachtige prikkelbaarheid, welke hem eigen was. Waar het vragen gold vooral van internationaal handelsregt was Wurm de eerste publicist uit Duitschland, en het was eene billijke hulde aan zijne grondige studie en ongemeene bedrevenheid, dat hij ten deze door verschillende regeringen werd geraadpleegd, zelfs door die, waarbij hij, vooral sedert zijn optreden bij het Frankfortsche parlement, onder verdenking van radicalisme lag. Wurm was in 1803 geboren en een zoon van den beroemden Wurtembergschen sterrekundige J.F. Wurm. Aanvankelijk had hij zich op de studie der godgeleerdheid toegelegd; maar spoedig verliet hij dat vak, om zich uitsluitend aan de geschiedenis en aan het staats- en volkeuregt toe te wijden. Een vierjarig verblijf in Engeland, waar hij zich taal en denkwijze zoo zeer wist eigen te maken, dat hij een tijdschrift onder den titel van the Gleaner uitgaf, droeg tot zijne

[p. 326]

ontwikkeling en rigting op eene eigenaardige en krachtige wijze bij. Vervolgens naar Hamburg verplaatst en sedert 1835 daar als leeraar in de geschiedenis werkzaam, in duurzame verbinding met mannen als Lappenberg en Waitz, legde hij zich hoofdzakelijk op de geschiedenis van de Noord- en Oostzee-kusten van Duitschland toe en op het onderzoek van hare handelsbelangen en handelsrechten. Van daar zijne geschriften: Verfassungsskizzeu der freien Hanse-Städte Lübeck, Hamburg und Bremen; zijne verhandeling: Eine deutsche Colonie (Lijfland) und deren Abfall, en hoewel zijn onderzoek bij voorkeur eene praktische strekking had, verzuimde hij den historischen grondslag zoo weinig, dat hij overal in archieven nasporingen deed ten einde het gemis der oorkonden aan te vullen, welke Hamburg bij den brand van 1842 grootendeels verloren had. Datzelfde onderzoek voerde hem naar Nederland, waar hij niet alleen met onze beste onderzoekers der geschiedenis in eene vriendschappelijke betrekking kwam, maar ook de aandacht, meer dan vroeger het geval was, vestigde op de geschiedenis onzer agenten aan de Noord- en Oostzee, inzonderheid op den geschiedschrijver L. van Aitzema, diens bronnen, en de lotgevallen van diens raadselachtigen oom Foppe van Aitzema. Aan zijne nasporingen in Nederland gedaan wijdde hij twee zijner akademische programma's toe (zie hiervoor blz. 292). Doch ook in het algemeen wijdde hij zijne pen aan de staatsregtelijke belangen van Duitschland: in de vraag over den Sondtol, het Zollverein, de Donauacte sprak hij een woord mede, dat doorgaans met nieuwsgierigheid of welgevallen werd vernomen. Aan het Staatslexicon van Rotteck en Welcker leverde hij belangrijke artikels, alle echter in den zin van een ijveraar voor Duitschlands eenheid en grootheid. Maar zijn verblijf te midden van het praktische, het materiele, het vrijgeestige Hamburg, waarde hem vrij van alle Zwabische opgewondenheid en Berlijnsche schoolschheid. De hem aangeboren luim vond daar voedsel en zijne

[p. 327]

geschriften hebben, bij alle hunne wetenschappelijke grondigheid, een vrolijken toon, die misschien vele hooge regeringen als de Godheid van Mephisto zeggen deed: der Schalk ist mir am liebsten. Tot zijne laatste werken behoort de diplomatische Geschichte der Orientalischen Frage, welke het 11e en 12e deel van bet door Brockhaus uitgegeven vervolgwerk ‘die Gegenwart’ uitmaakt. Zijne sympathie voor Nederland en zijne niet onverdienstelijke beoefening van enkele punten onzer geschiedenis noopten, in 1854, de Maatschappij der Nederlandsche letterkunde te Leiden, Wurm tot haar medelid te benoemen.

 

(Konst- en Letterhode, 1859, No. 9.)

prepostterug  begin  verder