Aan het hoofd dezes rapports zij het mij vergund Uwer Excellentie in gedachte te roepen, dat het Z.M. behaagd heeft bij besluit van 24 April j.l.1) No. 43 aan mij eene aanmoediging toe te kennen van 500 guldens, ‘ten einde (mij) in staat te stellen om gedurende dit jaar voort te gaan met de voorbereidende werkzaamheden tot de uitgave van het resultaat der nasporingen, door (mij) in de Archiven te Weenen en te Brussel in het belang onzer Vaderlandsche geschiedenis ondernomen’2).
De missive, waarbij Zijne Excellentie de toenmalige tijdelijke Minister van Binnenlandsche Zaken aan mijnen hooggeachten leermeester en vriend, Mr. Bake, van deze hoogst gunstige beschikking van Z.M. kennis gaf, legde mij tevens de verpligting op, voor den afloop dezes jaars ‘een omstandig rapport te doen3) met bepaalde voorstellen, indien de zaak daarvoor alsdan rijp mogt zijn, omtrent de uitgave van (mijn) werk, vergezeld van eene raming der tot dat einde noodige onkosten, ten einde alsdan in nadere overweging zou kunnen genomen worden, of en in hoeverre er termen mogten zijn, om (mij) nogmaals eene ondersteuning te verleenen tot die uitgave, of wel, indien dit alsdan noodig mogt bevonden worden, tot verdere voltooying der voorbereidende werkzaamheden.’
Het is aan deze verpligting, dat ik in dit aan Uwe Excellentie gerigte rapport naar mijn vermogen zal trachten te voldoen.
Ik neem nog de vrijheid Uwe Excellentie te doen opmerken, dat in een later schrijven bij de toezending der door Z.M. mij verleende gratificatie het onderwerp des verlangden rapports bepaald
werd tot ‘mijne bevindingen in de Archiven van Weenen en Brussel’. Wat het eerste betreft, ik had daaromtrent aan Zijne Excellentie den toenmaligen Minister van Buitenlandsche Zaken bij schrijven van 7 Mei 1846 mededeeling gedaan1); terwijl ik in April des voorledenen jaars2) de vrijheid nam aan Zijne Excellentie den toenmaligen Minister van Binnenlandsche Zaken eene omstandige memorie in te leveren omtrent den inhoud en rangschikking van het Koninklijk Archief te Brussel, de uittreksels of afschriften, welke ik daar had vervaardigd, en het doel, waarvoor ik die bestemd had of bruikbaar achtte3). Beide deze mededeelingen zijn destijds in handen gesteld van de WelEd. Gestr. H.H. Mrs De Jonge en Groen van Prinsterer, en het verheugt mij in het zekere vernomen te hebben, dat het rapport dier beide zoo uitstekend bevoegde regters voor mij zeer gunstig en welwillend is geweest. Ik had toenmaals verzocht, dat ook de aanmerkingen en bedenkingen, door die H.H. tegen het door mij geschrevene gemaakt, ter mijner kennisse mogten komen. Het is mij te meer leed, dat tot dusverre deze wensch niet is vervuld, daar ik hiervan nuttige teregtwijzingen en wenken, zoowel voor mijn onderzoek zelf, als voor de rigting, daaraan verders te geven, had verwacht.
Ik zou meenen de kostbare oogenblikken Uwer Excellentie te misbruiken, indien ik het vroeger medegedeelde hier uitvoerig herhaalde. Zij zelve zal des verkiezende uit de Archiven haars Departements daaromtrent voldoende inlichting kunnen ontvangen. Ik acht het best aan Hare bedoeling te voldoen door al het vroegere in eene korte opgave zamen te trekken en vervolgens meer in bijzonderheden verslag te geven van hetgeen ik sedert mijne laatste memorie heb bearbeid. Het eerste gedeelte van mijn rapport zal alzoo van de volgende kunnen worden afgescheiden, en voor dat gedeelte zelf zal ik eenige uitbreiding trachten te geven aan punten, welke ik aanvankelijk slechts terloops had aangeroerd.
Te Weenen verzocht en verkreeg ik toegang tot het Archief,
in de hoop, dat ik daar tot dusverre onbekende oorkonden mogt vinden, ter opheldering van de verbindtenissen, welke de Prins van Oranje had, toen hij in 1568 den togt over de Maas ter bevrijding des Vaderlands ondernam, en van de Staatkunde, door den Keizer en het Rijk ten opzigte der strijdende partijen gevolgd. Ik vond weinig of niets van 'tgeen ik gezocht had; maar wat ik noch verwacht, noch bedoeld had, vond ik: eene menigte echte en onuitgegevene bescheiden, tot de regeering van Margaretha van Parma en den aanvang der Nederlandsche beroerten betrekkelijk.
In de eerste plaats: een register, bevattende kopyen authenticq van een zestigtal brieven, door den Prins van Oranje met Margaretha van Parma gewisseld, tijdens de gewigtige zending des eersten naar Antwerpen in July, Augustus, September 1566. Die kopyen, blijkens het opschrift op bevel des Prinsen door zijnen Secretaris ten behoeve van de regeering van Antwerpen vervaardigd, hebben waarschijnelijk voor de Justificatie van deze gediend. Althans het meerendeel dier brieven vond ik sedert overgenomen in- of geannexeerd aan die Justificatie, waarvan meer dan één afschrift in het Brusselsch Archief voorhanden is. Van daar onder anderen kende ze de Heer Gachard. Hij had zich voorgesteld die brieven in zijne toenmaals voorgenomene uitgave der Correspondance de Guillaume le Taciturne het licht te doen zien. Omdat ik alle versnippering en verstrooijing van dergelijke gedenkstukken stelselmatig afkeure, stond ik hem de brieven af, welke ik meer dan hij bezat, met nog eenige, welke tot eenen anderen tijd behoorden en die ik als bijlagen tot andere oorkonden had ontmoet1). Alle zullen in het tweede deel der genoemde
verzameling eerlang het licht zien. De Heer Gachard is reeds zoo welwillend geweest, de hem hierin bewezene dienst in de voorrede van het Eerste deel p. IX opentlijk en heuschelijk te erkennen.
Naast deze tot dusverre onbekende correspondentie des Prinsen van Oranje maakte ik mij te Weenen de mij aangebodene gelegenheid ten nutte, de correspondentie van Koning Philips II met Margaretha van Parma gedurende haar bewind in de Nederlanden te doorlezen en grootendeels in haar geheel af te schrijven. Slechts uit brieven van minder algemeen belang maakte ik uittreksels, of teekende ik vlugtig het onderwerp op. Van 337 brieven, tusschen den Koning en de Landvoogdes gewisseld, heb ik kopy genomen. Zij strekken over de jaren 1563-1568. Hier is eene opheldering noodzakelijk. Toen ik eerst te Weenen kwam, was ik te dezen opzigte zonder bepaald plan. Ik maakte met het jaar 1563 een aanvang voor mijne nasporingen, omdat van dat oogenblik af, ten gevolge der bekende vereeniging der drie Heeren, onze geschiedenis eene meer sprekende kleur bekomt. Later, het is waar, heb ik betreurd niet tot eene vroegere periode te zijn afgedaald. Doch de toen verzuimde gelegenheid heb ik in het vervolg getracht te herstellen en hieronder hoop ik Uwer Excellentie mede te deelen, in hoeverre ik geslaagd ben.
Den aard dier brieven en hunne geschiedenis tot den tijd, waarop zij naar het Keizerlijk Archief werden overgebragt, heb ik in mijne vroegere memoriën verhaald1). Thans zij het mij vergund met eenige algemeene herinneringen te volstaan. Op ongelijke tusschenruimte, spaarzamer in den aanvang en zeer drok in het woelige tijdvak van 1566 en 1567, zond de Landvoogdes berigten omtrent haar bestuur en de zwarigheden, welke zich opdeden aan
den Koning. Elke briefzending splitst zich in vier of liever drie rubrieken, naar den aard van het onderwerp en overeenkomstig de drie afdeelingen van haar, mag ik het zoo noemen, Ministerie, den Staatsraad, den Geheimraad en den Raad van Financiën. De brieven en matière d'Estat zijn, gewoonlijk, twee in getal: de eerste klasse handelt over alle daden van algemeen bestuur, met uitzondering van hetgeen ter zake van den Godsdienst is gehandeld of voorgevallen. Ofschoon ook dit tot de kennisneming des Raads van State behoorde, wordt daaraan door Margaretha, regelmatig, een afzonderlijke brief toegewijd. Wat de inhoud der brieven en matière de finances was, behoeft geene opheldering. Eindelijk de brieven en matière de Conseil privé hebben betrekking tot gevraagde bevorderingen, voorgeslagene veranderingen in het personeel der beambten, opengevallen bedieningen, verlangde jaargelden, enz. Nu en dan zijn in korte brieven de bijzondere onderwerpen afzonderlijk behandeld, vooral wanneer de Landvoogdes goedvond den een of ander met eene buitengewoone aanbeveling te begunstigen.
Ik behoef niet te zeggen, dat de brieven tot de eerste rubriek behoorende die der beide andere in belangrijkheid verre overwegen. Zij zijn zeer uitvoerig en beslaan dikwijls eenige bladzijden van mijn schrift, zoodat eene enkele van deze zich nauwelijks op een vel druks zou laten bevatten.
De brieven des Konings aan de Landvoogdes zijn meer in getal, - want dikwijls (behandelt) hij de afzonderlijke punten in afzonderlijke brieven, - maar daarentegen zijn zij korter en veel minder belangrijk dan die zijner zuster. De overwegingen en beweeggronden in hare brieven aangevoerd worden er geresumeerd, en dan volgt meestal de goedkeuring harer handelwijze of eene beslissing, overeenstemmende met hare voordragt. Volgt noch goedkeuring, noch beslissing, dan treedt de Koning in geene verdere discussie; maar stelt met zijne gewoone besluiteloosheid de zaak uit tot na rijper overleg.
De brieven van Margaretha van Parma zijn in het Oostenrijksche Archief voorhanden, zooals zij door hare Secretarissen Van der Aa en Berty, nu en dan (dit heeft betrekking tot de financieele brieven) door den tresorier Schetz of den kommies Rein-
goudt, zijn geminuteerd. Alle zijn in het Fransch. De brieven des Konings zijn in originali door den Secretaris Gonçalo Perez geschreven en door Philips onderteekend. Het meest belangrijk zijn welligt de post-scripta, die de Koning in het Spaansch onder zijne handteekening kladde en die bewijzen, welke dingen hem het naast aan het hart lagen, en den maatstaf aangeven voor den ernst, waarmede hij de uitvoering van sommige besluiten begeerde.
De 337 brieven, waarvan ik voor het meerendeel kopy nam, zijn alle onuitgegeven. Slechts de brieven van Maart 1566 tot Mei 1567 zijn gecopyeerd in meer dan een register te Brussel aanwezig. Een dier registers heeft tot bron gestrekt aan Foppens bij de uitgave van zijn Supplément de Strada. Het bevindt zich thans op de Koninklijke Bibliotheek te Brussel. Een ander werd gevolgd door den Heer De Reiffenberg in zijne Correspondance de Marguerite d'Autriche (Brussel 1842). Een derde bevindt zich nog aldaar onder de Archiven des Rijks. De brieven, door Foppens en De Reiffenberg uitgegeven, zijn insgelijks grootendeels in minute en originali te Weenen voorhanden. Ik heb ze niet tot de 337 gerekend, welke ik hierboven heb vermeld1).
Van deze brieven, zoowel als van die der overige jaren, bevinden zich bovendien registers te Weenen, welke mij nu en dan behulpzaam waren, om gapingen in de correspondentie aan te vullen of onleesbare plaatsen in de minuten te ontcijferen.
Waar schuilen van de brieven van Margaretha van Parma de origineelen? waar van die van Philips de minuten? De Heer Gachard zocht die in Spanje; hij vond ze niet, maar hij deed er de overtuiging op, dat alle brieven, welke de officiële correspondentie uitmaakten, tijdens den afstand der Nederlanden aan Albertus en Isabella, naar Brussel waren overgebragt, en hij leidt daaruit de gevolgtrekking af, dat zij nog te Weenen, werwaarts sedert een groot gedeelte der Brusselsche Archiven werd vervoerd, moeten aanwezig zijn.
Ter bevestiging zijner onderstelling heb ik te Weenen het volgende gevonden. Onder andere papieren werd mij een omslag toevertrouwd, waarin een twintigtal brieven werden aangetroffen, door eenige der Nederlandsche Heeren regtstreeks aan den Koning zelven gerigt. Onder deze waren de originelen der historisch zoo beroemde brieven des Prinsen van Oranje, in vereeniging met de Graven van Hoorne en Egmont in Maart en Julij 1563 aan den Koning gezonden. Daarnevens het ontwerp van antwoord, door den Koning zelven ten behoeve van den Secretaris Erasso in het Spaansch opgesteld. De aanwezigheid van dergelijke stukken te Weenen kan niet anders verklaard worden, dan uit de overgave der oorkonden der Vlaamsche kanselarij destijds aan Albertus en Isabella geschied. Edoch wat de gevolgtrekking des Heeren Gachard betreft, zoo de gezochte originelen en minuten te Weenen aanwezig zijn, dan draagt waarschijnelijk het overigens hoogstkundige en ijverige bestuur des Keizerlijken Archiefs daarvan geene kennis. Immers is er geene reden uit te denken, waarom wel de originelen van Koning Philips en niet die van Margaretha, wel de minuten van deze en niet die van genen, voor mij zouden zijn blootgelegd.
De correspondentie te Weenen voorhanden, zoowel als de registers dier correspondentie leveren eene mij onverklaarbare gaping op van den 17en October 1565 tot 20 Maart 1566.
Tot dezelfde correspondentie behooren voorts de kopyen en originelen rakende bijzondere punten van haren inhoud, of wel brieven bij het paket des Konings en der Landvoogdesse ingesloten. Eene voorname plaats onder dergelijke stukken beslaat de briefwisseling, door Margaretha met Tisnacq, Hopperus, Mon-
tigny en Bergen of liever bijna uitsluitend met Montigny - want van zijne aankomst af was Bergen meestal krank of lijdend - gedurende hun verblijf in Spanje gevoerd. - De brieven van Hopperus hebben hare waarde, als ontbrekende aan de verzamelingen, vroeger te Besançon en in België met zoo ingespannen vlijt bijeengebragt. Op zichzelve zijn zij van geringe beteekenis en ik ben het volkomen eens met den Heer Gachard in hetgeen deze omtrent het onbeduidende van den rol, welken men dien staatsman te Madrid spelen liet, heeft gezegd in zijne onlangs uitgegevene Correspondance de Philippe II1). Onder het oog des Konings schrijvende, bij diens paket zijne brieven insluitend, zou zelfs een minder lafhartig diplomaat dan Hopperus aan zijne beschouwingen en mededeelingen den vrijen loop hebben geweigerd. - Hetzelfde geldt van de brieven van Montigny, wier historische waarde zich tot twee punten laat terugbrengen, ten eerste dat zij de bewijzen leveren, dat eene slepende krankte en geen vergift aan het leven van den Markies van Bergen een einde heeft gemaakt, ten tweeden dat de Landvoogdes zich aan de schandelijkste dubbelhartigheid schuldig maakte door Montigny steeds met eene spoedige terugkeer naar het Vaderland te vleijen, wel wetende en wel goedkeurende, hetgeen anders over hem was besloten2).
Wat ik voorts van deze brieven heb verzameld heeft gedeeltelijk zijne waarde verloren, sedert de Heer Gachard daarvan afschriften te Simancas aangetroffen en door den druk heeft bekend gemaakt. De onderlinge verhouding onzer verzamelingen is deze. In zijne uitgave der Correspondance de Philippe II zijn elf brieven opgenomen, welke ik insgelijks te Weenen had gekopyeerd. Tien brieven zijn door hem aan het licht gebragt, waarvan ik geene kennis droeg. Negentien afschriften zijn nog onder mij berustende, welke aan zijne verzameling ontbreken.
Andere stukken, die als bijlagen tot dezelfde correspondentie te beschouwen zijn, ga ik met stilzwijgen voorbij.
Ik zal mij evenmin ophouden bij een register, waarvan ik te Weenen afschrift nam en dat de correspondentie behelsde, tusschen den Koning, de Landvoogdes en den Hertog van Alva gevoerd tijdens den togt van den laatsten naar de Nederlanden en de eerste tijden van zijn verblijf aldaar. Ik heb in mijne beide vorige rapporten opgegeven, hoe merkwaardig die stukken zijn, om ons het karakter en de inzigten des Konings en den weerzin, die er tusschen den Hertog en de Landvoogdes reeds van den aanvang af bestond, te leeren kennen.
Van deze brieven, zestig in getal en alle in het Fransch ge-
schreven, is er geene enkele in de verzameling des Heeren Gachard opgenomen. Eerst onlangs heb ik ontdekt, dat ten minste een gedeelte dier briefwisseling zich in originali en in minute onder de Brusselsche archiven bevindt; maar ik heb nog geene gelegenheid gehad te onderzoeken, of die verzameling tot aanvulling kan strekken van het weinige, dat door inwendige bewijzen als aan mijn register ontbrekend is aangewezen. - Onder de bijlagen tot deze correspondentie reken ik de gewigtigste: 1o. de instructie door de Landvoogdes aan Robles medegegeven bij zijne zending naar Spanje in April 1567. 2o. die van Don Francisco d'Ybarra, door den Hertog aan de Landvoogdes afgevaardigd op het oogenblik, dat hij den Nederlandschen bodem met zijn leger had betreden1).
In de voorrede (p. XXXVIII) van zijn meermalen aangehaald werk zegt de Heer Gachard, dat hij geene aandacht geslagen (heeft) op hetgeen hij te Simancas vond van de briefwisseling, door Chantonnay, Granvelles broeder en 's Konings gezant te Weenen,
met Margaretha gevoerd. Hij vertrouwde namelijk dat, naardien die briefwisseling grootendeels ook te Besançon moet voorhanden zijn, het belangrijkste daarvan in de Papiers d'état de Granvelle zou worden in het licht gegeven. Eenigermate in strijd met dat beginsel handelde de Heer Gachard door (p. 472) den inhoud van een paar brieven des gezants mede te deelen en een derden van de Landvoogdes aan Chantonnay voor de pers te bestemmen (p. 463)1) Mijns inziens echter heeft hij wel gehandeld. Reeds bij eene vroegere memorie veroorloofde ik mij op te merken2), hoezeer Weiss de verwachtingen, die men van zijne uitgave voor onze vaderlandsche geschiedenis had mogen koesteren, heeft te leur gesteld. Ik beklaag om die reden de zorg niet, waarmede ik te Weenen de correspondentie van dien gezant gedurende het tijdvak van Margaretha van Parma heb bijeengezameld3). Mijne kopyen beginnen met Maart 1565 en eindigen met December 1567. Onder de honderd en twintig of dertig brieven door mij vereenigd bevinden zich ook de drie, door den Heer Gachard aan het licht gebragt. De briefwisseling zelve acht ik hoogst gewigtig, zoowel om ons omtrent het karakter en de staatkundige inzigten van Granvelle's meest talentvollen broeder in te lichten, als om ons het gedrag van Keizer Maximiliaan II ten opzigte der Nederlandsche aangelegenheden te leeren waardeeren. Ik wil over het laatste punt iets uitvoeriger zijn, omdat mijne overtuiging min of meer van de aangenomene meening afwijkt. Chantonnay, op wiens briefwisseling ik mij in het bijzonder beroepe, is te beter getuige, dewijl hij, waarschijnlijk niet zonder bijoogmerken, de zijde des Keizers niet verliet en hem zoowel met het leger naar Hongarije als op alle rijks- en kreitsdagen volgde.
Er is veel over Maximiliaans Protestantismus geschreven. Naast Ranke4), zijn de hoofdbewijzen daarvoor aangevoerd in
Strobels Beiträge zur Literatur besonders des sechszehnten Fahrhunderts Ier Band, IIes Stück. Alles overwogen, kan ik niet meer toegeven dan het volgende: de hooge geestbeschaving van Maximiliaan maakte hem ontvankelijk voor alles, wat destijds de hoofden in beweging hield, en daarbij koos zijn verstand die zijde, welke boven de andere in Duitschland het voorregt had van talent en geleerdheid. Met die keuze stemde vooreen oogenblik het belang des rijks overeen. De jongere lijn van Habsburg had het voordeel door Ferdinand, wiens katholyke regtzinnigheid boven alle bedenking was, met het hof van Rome en de katholyke rijksvorsten in Duitschland vrede te houden, terwijl de liberaliteit van Maximiliaan de Protestanten aan de belangen van dezen verbond. De Spaansche lijn verloor alzoo van twee zijden de kans op het rijksgebied. Karakter en overtuiging maakten Maximiliaan verdraagzaam; staatsbelang hield hem katholyk. Ranke meent dat de eerzuchtige uitzigten, welke met den dood van Don Carlos zich voor Maximiliaan openden, dezen aan de partij der kerk naauwer hebben aangesloten. Ik geloof, dat de katholyke kronijkschrijvers met meer regt Maximiliaans zoogenaamde bekeering tijdens zijne benoeming tot Roomsch-Koning stellen en haar het werk van Hosius1) noemen. De ijverig vrome Keurvorst van den Palts wist wat hij deed, toen hij zich tegen de keuze van Maximiliaan verzette, omdat hij daarvan voor zijne zaak weinig heils verwachtte. Voorzichtig regent, zacht en buigzaam van inborst, daarbij ziekelijk en vroeg afgeleefd, was hij de man niet om zich in de branding der omwenteling te wagen. Zijne eerzucht bepaalde zich tot de plaatsing van zijn talrijk nakroost en een dragelijk einde van den Turkenoorlog. Zoo wij met Ranke omstreeks 1568 bij den Keizer meer toenadering tot Spanje en het Katholicisme ontdekken, mogen wij onder de oorzaken dier verandering den dood van Christoffel van Wurtemberg niet vergeten, die den Keizer altijd ten vriend en met zijnen vasten en kloeken geest meermalen ten voogd had gestrekt.
Mijne beschouwing van Maximiliaan is niet uitsluitend gegrond op de briefwisseling van Chantonnay; maar zij is er door gewijzigd of bevestigd. Chantonnay roemt bij elke gelegenheid de
goede gezindheid des Keizers, en erkent, dat, zoo deze ter wille des Konings niet alles deed wat men van hem verlangde, hij te worstelen had met achterdochtige en naijverige Rijksvorsten, die alarm zouden roepen, zoodra men slechts eenigermate den gehaten Spanjaard de hand bood. De woelingen der Nederlanden schenen op zich zelve aan het Duitsche Rijk gunstig. Er waren er onder de Geuzen, die den band hernieuwd wenschten, welken het tractaat van Augsburg in 1548 had verscheurd. Van daar het voorbarig in April 1566 verspreidde gerucht, dat de oproerige Nederlanders 's Konings wapens van de openbare gebouwen hadden afgerukt, om er die des Keizers (voor) in plaats te stellen. De Keizer intusschen, wel verre van zulke wenschen voedsel te geven, deed al wat hij kon om ze te onderdrukken. Van het verzoekschrift der Nederlandsche kerken in Februarij 1566 aan den Keizer gezonden (zie Te Water, Verbond der Edelen. I Dl. bl. 180-181) gaf hij dadelijk den gezant kennis met de ernstige raadgeving, dat de Landvoogdes met kracht het ontglimmend vuur moest smooren, hetwelk ook het Duitsche Rijk zou kunnen aansteken. Aan den raadsheer Cobel, die bijzonderlijk in last had op den rijksdag van Augsburg (Mei, Junij 1566) den Keizer te onderhouden over eene geheime poging om de Nederlandsche Heeren rijksonmiddelbaar te verklaren, gaf hij de meest geruststellende verzekeringen. De bekende ‘Waarschouwingen’ te Antwerpen gestrooid, die hier te lande zooveel opziens en der Landvoogdes zooveel ongerustheid baarden, drongen ook tot Weenen door; maar Maximiliaan veroordeelde haren inhoud als oproerig, strijdig met de voorregten des Konings, logenachtig ten opzigte zijner eigene verklaringen en voornemens en voortgevloeid uit eene ten eenenmale valsche voorstelling van de onderlinge betrekking tusschen de Nederlanden en het Rijk. Toen hij het berigt ontving van de overeenkomst, door de Landvoogdes met de verbondene Edelen getroffen, veroordeelde hij die in de meest onbewimpelde bewoordingen. Volgens hem was daarbij ten nadeele van 's Konings regten veel meer toegegeven dan hetgeen bij den vrede van Augsburg (Religionsfrid) aan Duitschland was toegestaan, omdat die vrede slechts twee Godsdiensten erkende en daarvan aan den landsheer de keuze liet. De beperking, door de Landvoogdes
in die overeenkomst opgenomen, dat eene vergadering later zou uitmaken, welke Godsdienst zou worden aangenomen, voldeed hem niet. ‘Die zoo aandrongen op het bijeenroepen der Algemeene Staten wisten zeer goed, wat zij er van te wachten hadden, en terwijl de Religionsfrid den Rijksvorsten het regt gaf de wet van den Godsdienst aan hunne onderdanen voor te schrijven, zou thans de Koning verpligt zijn, die van de zijnen te ontvangen.’ De wervingen, door de Nederlandsche Edelen in Duitschland ondernomen, ondervonden 's Keizers aanhoudende tegenwerking. In dien geest schreef hij aan Karel IX een brief, waarin hij dien vorst roemde en aanmoedigde, omdat hij bij een scherp bevelschrift zijnen onderdanen verboden had, voor de Nederlanders de wapenen op te vatten; in dienzelfden geest waarschuwde hij den Hertog van Brunswijk, het oog te houden op de praktijken zijner ritmeesters George von Holle en Hilmar von Münchausen; schriftelijk dreigde hij dezelfde ritmeesters en mondeling de graven van Schwartzburg met straf en ongenade, zoo zij zich met de zaak der Geuzen inlieten. Voor den Koning daarentegen waren aanstonds de patenten bereid, bij welke diens wervingen binnen het Rijksgebied werden toegelaten: zelfs vaardigde hij algemeene bevelschriften (mandements) uit, waarbij alle ligtingen ten voordeele van de oproerige onderdanen des konings van Spanje als verbreking van den Rijksvrede werden beschouwd; en toen eindelijk die bevelschriften krachteloos bleken tegen den drang der omstandigheden en de verzoekingen, waarmede Graaf Lodewijk een gedeelte van het voor Gotha ontbonden Rijksleger zocht tot zich te trekken. behield de Keizer op eigen gevaar en onkosten het grootste gedeelte in dienst.
Ik moet niet verzwijgen, wat in strijd zou kunnen schijnen met het gevoelen, dat ik over Maximiliaan en diens gedrag ten opzigte der Nederlandsche beroerten heb uitgesproken. Zoowel uit andere oorkonden als uit de briefwisseling van Chantonnay blijkt namelijk ten eerste, dat de Keizer reeds vroeg zijne bemiddeling heeft aangeboden, maar dat Philips die van de hand wees; ten tweede dat, ondanks al den aandrang der Landvoogdes en van den Koning zelven, de Keizer tot het uitvaardigen dier bevel-
schriften, waarvan ik zoo even gewaagde, niet dan spade te bewegen was, en toen nog daarin een artikel opnam, hetwelk den Koning mishagen moest. Op den eersten opslag zou men uit deze omstandigheden tot sympathie des Keizers voor de Nederlanders, tot misverstand tusschen hem en den Koning kunnen besluiten. Eene nadere beschouwing der brieven van Chantonnay wederlegt het eerste vermoeden en wijzigt het laatste.
Ik heb reeds gesproken van de bescherming, welke de Nederlanders van het Rijk hoopten; ik heb gemeld, dat Cobel's zending onder anderen het doel had, die hoop te verijdelen. Bij het tractaat van 1548 waren de betrekkingen tusschen het Rijk en de Nederlanden niet scherp afgebakend. Oppermagtig in beiden was Keizer Karel en zijne uitlegging vulde aan, wat onduidelijk of onvolledig was: maar na zijnen dood had de aangewezene onzekerheid ten gevolge, dat beide partijen de voordeelen eener vereeniging voor zich eischten en de lasten dier vereeniging van zich afschoven. Bij zijn ergdenkend karakter wees Philips de bemiddeling des Keizers van de hand, en in het algemeen had hij gelijk, dat hij aan zijne binnenlandsche ongelegenheden een vorst vreemd wilde houden, met wien sommigen zijner onderdanen de vroegere betrekkingen streefden te hernieuwen. Maar innig ben ik overtuigd, dat Maximiliaan ten minste in 1566 geen heerschzuchtig oog op de Nederlanden geslagen had; de goede man was tevreden, indien slechts de Bourgondische kreits zijnen ‘Türken-Steuer’ trouw opbragt. Het is gevaarlijk eene geschiedenis te maken, die niet gebeurd is; indien ik mij echter eene gissing vergunne, dan zou, ware werkelijk Maximiliaan als scheidsman opgetreden, zijne beslissing deze geweest zijn. Hij zou de bloedplakaten tegen de Lutherschen voorloopig hebben doen opschorten, maar de Calvinisten en Doopsgezinden aan hun lot en 's Konings strengheid hebben overgelaten. Hij zou de beslissing over den Godsdienst der Nederlanden nooit aan de Staten maar aan den Koning hebben toegewezen, en daar diens keuze voor hem evenmin als voor ieder ander een raadsel kon zijn, zou hij slechts voor de Lutherschen binnen eene gegevene tijdsruimte vrijen aftogt uit de Nederlanden hebben bedongen. Zulk eene
bemiddeling zou voorzeker de bron der Nederlandsche onlusten niet hebben gestopt. Het ware nog bovendien de vraag geweest, in hoeverre de Keizer, eenmaal als bemiddelaar opgetreden, zijne eigene inzichten zou hebben kunnen volgen, in hoeverre hij zijns ondanks door den Keurvorst van Saksen en den Hertog van Wurtemberg zou zijn voortgesleept? welke belemmeringen de edele, brave maar onrustige Keurvorst van den Palts hem zou hebben in den weg geworpen. In het kort: ik acht het een geluk, dat de Keizer niet tusschenbeide gekomen is. De zaak der Nederlanden ware door zijne tusschenkomst niet gered; daarentegen ware welligt een nieuwe kamp in Duitschland opgestaan, en de land- en religievrede voor lange jaren verbroken geworden. Het waren voorzeker niet die beschouwingen, welke Philips drongen tot het verwerpen van 's Keizers voorslag, noch Margaretha tot het terughouden van 's Keizers brieven, aan den Prins van Oranje en andere groote Heeren gerigt. Beide zagen in Maximiliaan een ongeroepen mededinger naar hun gezag, meer nog, eenen vorst van hoogst verdachte beginselen, die met zijne eigene onderdanen over het Avondmaal onder beiderlei gestalten en andere inwilligingen onderhandelde.
Het punt der verlangde en steeds vertraagde verbodschriften laat zich evenzeer uit Maximiliaan's betrekkingen verklaren, zonder dat men aan zijne opregtheid behoeft te twijfelen. De Koning verlangde een algemeen verbodschrift, waardoor het dienst nemen voor de bondgenooten schending van den Rijksvrede zou worden verklaard. Maximiliaan toonde zich daartoe bereid, op deze voorwaarde slechts, dat hij als scheidsman zou mogen optreden. Ware op die wijze zijn eigen invloed in het spel gebragt, hij zou dan eenen grond hebben gehad, waarop hij de begeerde verbodschriften voor Duitschland verpligtend zou hebben kunnen maken; dan immers moest de overtreding van zijn gebod als een vergrijp aan hem als scheidsregter en aan de hoogheid des Rijks, in hem vertegenwoordigd, worden aangemerkt; zonder dit, beweerde Maximiliaan, waren zijne handen gebonden. De Duitschers hielden staande, dat zij vrij waren en het regt bezaten, daar dienst te nemen, waar zij verkozen; alleenlijk door den Lands-
vrede was dat regt beperkt; maar van dien Landsvrede had de Koning van Spanje zich zelven buitengesloten. Een bevel, door den Keizer ten gunste eener vreemde mogendheid uit loutere magtsvolkomenheid uitgevaardigd, zou als eene inbreuk op vrijheid en regt eene kreet van verontwaardiging hebben doen opgaan en des te eer overtreden zijn door de Rijksvorsten zelve, waaronder vele den Nederlanders genegen waren. Nadat Chantonnay vijf maanden lang om zulke bevelschriften had aangehouden, sloeg eindelijk de Keizer zijne bede bepaaldelijk af. Hij voegde er de reden bij in eene verzekering, welke, naar ik acht, even welgemeend als waarachtig was: ‘Que si les mandats debvoient estre de quelque effet et prouffit pour le bien des affaires du Roy, il ne se feroit tant prier ny requérir; mais tant s'en failloit que cela fut proffitable, que comme Sad. Majesté avoit tousiours dit, il nuyroit plustost et empireroit les afaires et alumeroit le feu d'advantaige, et que l'on scavoit assez combien du passé telles deffences avoient vallu.’
De Landvoogdes gaf toen de zaak op. Later, sedert Graaf Lodewijk van Nassau met verdachte oogmerken omstreeks Februarij 1567 naar Duitschland was gereisd, hernieuwde zij haar aanzoek bij den Keizer. Van dat oogenblik af worden de onderhandelingen opmerkelijk uit het oogpunt, hetwelk ik hierboven heb opgegeven. De Keizer liet zich bewegen, de mandaten werden uitgevaardigd; maar getrouw aan zijn beginsel, plaatste hij zekere overwegingen als inleiding aan het hoofd. Hij verklaarde de Nederlanders voor rebellen; maar wetende hoe men hem zou te gemoet voeren, dat de Nederlanders niet eenvoudiglijk rebellen waren, maar dat hun tegenstand in hunne Godsdienstige begrippen zijnen oorsprong had, vermeldde hij uitdrukkelijk, dat zij zich niet gedroegen overeenkomstig het Rijksverdrag, en als zoodanig niet mogten ondersteund worden door eenig lid des Rijks op de straffen, bij den Godsdienst- en Landsvrede bepaald. Overigens voegde hij er de verzekering bij, dat de Koning van Spanje niets dacht te ondernemen met den Landsvrede in strijd.
Het is der moeite waard hier eene schrede achterwaarts te doen en de woorden mede te deelen, waarmede Margaretha in Novem-
ber 1566 op de mandaten had aangedrongen (Brief der Landvoogdes aan Chantonnay van 5 November): ‘Quant est que concerne les mandatz et deffences, oultre ce que vous en peulx avoir touché par mesd. précédentes, il fault considérer, que les pays de pardeça représentent l'un des cercles de l'Empire et comme telz estimez pour membre d'icelluy, comprins en la paix publicque et capables des fruictz de l'exécution d'icelle, et tout cecy en vertu des traicté et recez, faict avec les estatz de l'empire en l'an quarante huit dernier. - Et mesmes aurez veu par la copie, que vous ay envoyé des lettres du Duc de Wurtemberg, et verrez encoires par celles du Palatin Electeur et Landgrave de Hessen allant avec cestes, comment ilz veullent baptizer les motions de pardeça et persuader au Roy de permectre en ses pays la confession Augustane, où touttesfois par la Religionfridt il est dict et ordonné, que ung chascun prince et estat peult demeurer et maintenir sa religion sans en povoir estre empesché ny par mandements ny par voyes de faict. - Et tout ce considéré et ne cerchant Sa Maté, sinon la vraye obéissance de ses subjectz, hoster tout désordre et les remectre en tranquillité et repoz par voye de doulceur, si aulcunement faire se peult sans offenser nul estat de l'empire, je ne puis sinon espérer que sa Maté. Imperiale ne vouldra faire plus de difficulté de faire publier lesdictz mandatz, comme aultresfois a esté usé en aultres choses de moindre qualité et à la requeste des Roys estrangiers.’
Ik verzoek deze verklaring van Margaretha naauwkeurig te wegen tegen en te vergelijken met de mededeeling, welke Chantonnay aan den Koning deed van de onderhandelingen, door hem met den kanselier Zazius gevoerd, vooral van het gesprek, met dezen gehouden naar aanleiding van het berigt, dat de Keizer in de uitvaardiging der mandaten volgens den hierboven opgegeven vorm had toegestemd.
Brief van Chantonnay aan Philips II van 7 Maart 1567: ‘Preguntandole yo la forma de los dichos mandados, entre otras cosas he notado que Zazio me ha dicho que en ellos se pondria que el Emperador confiava que V.M. de su parte no haria cosa que fuesse contra la paz publica. Yo le he dicho que mirasse que V.Md. nunca havia acetado la paz publica, ni el Religionsfrit, y
que aunque se concedia á los Principes, que cadauno dellos escogiesse la religion catolica, o la confession de Augusta, y que en una destos dos qual contentasse al Principe havrian de bivir los vasallos y si no, avrian de salir del estado del Principe, V.Md. en ninguno de sus Estados jamas havia venido á esta postrema parte, antes havia querido que se hazia la justitia con pena corporal. Respondiome que á esto se dezia que si V.Md. en otras cosas queria gozar las favorables del Imperio, como son estos mandatos, era menester que no se tuviesse sequestrandose de todo1). Tras muchas disputas resolviome resolutamente, que el Emperador no podia hazer los mandatos absolutos sin esto particular, el qual en effecto no tocava á los vassallos de Va Mad ni perjudicava nada, pues quantos havia en los payses baxos eran sacramentarios y no confessionistas.’
Op aandrang van Margaretha had Chantonnay eene nadere onderhandeling met den Keizer zelven: ziehier hoe deze zijne mandaten uitlegde. Brief van Chantonnay aan de Landvoogdes van 3 April 1567: ‘Dadvantage’, schrijft de gezant, ‘comme j'ay tousiours déclairé non vouloir admectre, que le Roy et ses pays fussent obligez au Religionsfrit, aussy n'est inséré aucun commandement, que le Roy le doive tenir, et pourtant l'Empereur dict comme de soymesmes, il espère que le Roy se sçaura conduire envers ses subjectz quant audict Religionsfrit comm'il conviendra. Et a semblé à l'Empereur et à ceulx de son conseil, qu'il estoit nécessaire toucher ce point, tant plus que maintenant les rebelles mectent en avant, qu'on ne leur tient ce qu'ilz prétendent leur avoir esté promis d'avoir presches. Et quant à la confession d'Auguste lad. Religionsfrit n'oblige nul prince, conte, baron ny aultre seigneur de la consentir à ses subjectz, s'il ne luy plaist; ains sont d'advis pardeça que par alléguer lad. Religionsfrit l'on délie les mains au Roy, lequel il leur semble les avoir liées par les presches sacramentaires et autres, qui sont encoires pour le jourd huy en usage, et permis en Anvers et ailleurs aux Pays-bas, et que encoires que l'Empereur touchat led, point de Religionsfrid plus ouvertement, il n'eust pas dict pourtant que le
Roy le concède, tant plus que lesd. mandatz se publient par l'Empereur et non par le Roy, combien qu'ainsil'on pourroit dire par le narré, que ceste provision est sur remonstrance du Roy: ce que aussi j'ay desbattu; mais l'on me respond, que le Prince ne le juge de remède à la partie intéressée, que ce ne soit sur sa remonstrance et querelle.’ Chantonnay gaf op zijne beurt toe, en de mandaten werden gezegeld en uitgevaardigd.
Ik moet opmerken, dat ik hier slechts Maximiliaan beoordeele, zooals hij zich aan mij voordoet bij den aanvang der Nederlandsche onlusten, niet, zooals hij was, nadat de tyranny van Alva en van zijne Spanjaarden aan al wat menschelijk was voor de Nederlanders belangstelling had ingeboezemd. Tijdens de regeering van Margaretha acht ik zijne verzekeringen van trouw aan den Koning van Spanje volkomen opregt, al gaf hij overigens een loffelijk bewijs van zijne gematigdheid, toen hij het aanzoek der Landvoogdes om Lodewijk van Nassau in 1567 in Duitschland te doen opligten en als verbreker van den landvrede teregt stellen, afwees met de verklaring: ‘qu'il ne pourroit procéder contre luy jusques à ce que par effect l'on voit les praticques, qu'il mennera en Allemaigne, dont il ne conste encoires que par suspicion et pour les troubles, qu'il pourroit avoir faict au Pays-Bas’ (volgens den boven aangehaalden brief).
Ik had gehoopt te Weenen even belangrijke bouwstoffen voor onze geschiedenis te zullen aantreffen in de briefwisseling van den gezant aan het Fransche hof, don Frances d'Alava. Ik werd te leur gesteld. De omslag, als zoodanig gemerkt, bevatte een dertigtal brieven of liever meest minuten van brieven, door de Landvoogdes afgezonden. Slechts twee brieven waren er van Alava zelven. Die allen hadden eene zeer betrekkelijke waarde; meerendeels handelen zij over grensaangelegenheden, en bevatten wederzijdsche klagten over schending van grondgebied en ongetrouwe nakoming van den vrede van Cateau-Cambresis1).
Waar zijn de meer belangrijke brieven gebleven? waar inzonderheid de rapporten van Alava zelven, die van den Koning last bekomen had in onafgebroken verstandhouding met de Land-
voogdes te treden en die te dien einde zelfs een bepaald cijfer be zat? Men verzekert mij, dat de Archiven van het Ministerie van Buitenlandsche zaken te Parijs rijk zijn aan brieven van Alava. Vullen zij de hier bestaande gapingen aan? Ik durf het niet verzekeren; maar ik vertrouw, dat hier te Brussel in de tallooze cartons der Archives du Conseil d'État et de l'Audience nog wel een en ander zal zijn op te delven. In de Archiven van Simancas ten minste schijnt de Heer Gachard geene correspondentie van Alava te hebben ontdekt. Alles wat hij mededeelt bepaalt zich tot de kopy in het Fransch van den beruchten brief van Alava aan de Landvoogdes, welke het onderwerp van de zamenkomst te Dendermonde is geweest1). Reeds vroeger heb ik mijne twijfelingen omtrent de echtheid diens briefs niet verzwegen. Thans heeft de Heer Gachard (Correspondance de Philippe II. p. 475) den vertrouwelijken brief der Landvoogdes aan den Koning openbaar gemaakt, waarbij zij verklaart nimmer zoodanig schrijven van den gezant te hebben ontvangen. Heeft zij de waarheid geschre-
ven? Ik moet opmerken, dat, hoe onvolledig de briefwisseling van Alava met Margaretha van Parma wezen moge, wij echter uit de schrale overblijfselen kunnen opmaken, dat zij nimmer dien toon van vertrouwelijkheid hebbe bereikt, welke in de brieven van Chantonnay heerschende is, noch dat zij in rijkdom van mededeelingen en staatkundige beschouwingen kan gelijk gesteld worden met die van den bisschop De la Quadra, 's konings gezant aan het Engelsche hof; een zijdelingsch bewijs misschien, dat een zoo gewigtig staatsgeheim, als hetgeen de brieven, door den Prins van Oranje aan het licht gebragt, bevatten, nimmer tusschen Margaretha van Parma en Alava zij verhandeld.
In de memorie, welke ik mij veroorloofde in 1847 aan Zijne Excellentie den toenmaligen Minister van Binnenlandsche Zaken in te leveren1), gaf ik een algemeen overzigt van den staat en de inrigting des Archiefs te Brussel. Ik moet beknoptelijk het gezegde herhalen. Hoe onwetenschappelijk ook zulk eene verdeeling zij, de verdeeling der oorkonden naar de talen, waarin zij geschreven zijn, heeft het voordeel der actualiteit en verklaart eenigermate den gang, welken mijne nasporingen mijns ondanks gedwongen zijn te volgen. Men vergunne mij derhalve èn duidelijkheids- èn gemakshalve te onderscheiden: 1o. het Fransche, 2o, het Duitsche, 3o. het Vlaamsche of, hetgeen in die dagen niet onderscheiden is, het Hollandsche gedeelte des Archiefs. Tot de eerste rubriek breng ik de weinige en schaarsche Spaansche en Italiaansche oorkonden; tot de derde hetgeen in het Platduitsch dialect der grensprovinciën, Gelderland, Overijssel en de landen van Overmaes, geschreven is.
Het eerste gedeelte is het zorgvuldigst en vlijtigst geordend: het is het belangrijkst gedeelte des Archiefs. Natuurlijk, want alle staatszaken werden in het Fransch behandeld; die taal was de officiële taal, zoowel van het hof van Brussel als van den Grooten raad van Mechelen; alle brieven en acten, zelfs die welke aan de landen en steden der dusgenoemde ‘langue thioise’ gerigt
waren, werden in het Fransch geminuteerd, en de sommaires der berigten van derwaarts werden aan den Raad van State in het Fransch voorgelegd. Ik heb bij mijne vorige memorie een afdruk gevoegd van het Rapport sur les Archives du Royaume, door den Heer Gachard in 1838 in het licht gegeven. Ik zal de vrijheid nemen hier en daar naar dit rapport te verwijzen; slechts moet ik mij de opmerking veroorlooven, dat ten gevolge van de specialiteit des auteurs dit rapport, schoon het geheel des Archiefs omvattende, echter hoofdzakelijk op het Fransch gedeelte toepasselijk is.
Het andere gedeelte is vlijtig uit alle hoeken bijeengestommeld; maar hoe rijk ook de bijeengebragte voorraad zij, een ordenende geest heeft aan de rangschikking daarvan ontbroken. Ik heb dat reeds in mijn vorig rapport aangewezen1). Onder de rubrieken: Diètes et Diétines, Correspondance d' Allemagne, Ephémerides des Secrétaires en Papiers militaires is alles zoo geclasseerd, dat noch eenige uitwendige maatstaf, noch de innerlijke gehalte der papieren eenige reden laat gissen, waarom die rangschikking zoo en niet anders is. Ik moet opmerken, dat twee onderafdeelingen op die wanorde eene uitzondering maken: de correspondentie namelijk der Roomsche keizers en die van Hertog Albrecht van Beyeren zijn met de meestmogelijke naauwkeurigheid en volledig in afzonderlijke cartons en banden vereenigd.
Het Hollandsche gedeelte is over het geheel in de hoogste mate verwaarloosd, en echter spreekt het van zelven, dat daaronder een even aanzienlijk als belangrijk gedeelte des Archiefs begrepen is. Schoon ook de regtstreeksche briefwisseling der Stadhouders met het hof in het Fransch plaats had, correspondeerden zij evenwel in de Noordelijke provincien met gewestelijke en stedelijke onderbesturen in de Landstaal. De opene brieven, voorstellen, plakkaten, enz., die van het hof zelf uitgingen, werden voor die gewesten in het Hollandsch of Vlaamsch geformuleerd. Ik behoef niet op te merken, dat zelfs voor een groot gedeelte van Brabant en Vlaanderen het Vlaamsch de heerschende taal was; maar welken regel men daaromtrent ten hove volgde, is mij niet duidelijk. Zoo vind
ik dat de Landvoogdes, toen zij ter gelegenheid van het beruchte pamphlet: Vermaninge aan de Regeerders, enz. eene nadere verklaring gaf van de door haar voorgeslagene moderatie, zij hare brieven aan de hoofdofficieren en schepenen van Brugge, Gent, Yperen, Kortrijk, Audenaarden, Dendermonde en Aalst evenals aan die der Hollandsche en Utrechtsche steden in het Vlaamsch deed opstellen. Een andermaal (October 1566) werd aan de zoogenaamde goede steden - Brussel, Kortrijk, Brugge - in het Fransch geschreven, slechts aan Leuven, Dendermonde en Aalst in het Vlaamsch. Daarentegen voor den brief, door Bor Dl. I f. 121 vso en 122 medegedeeld, vind ik op een bijliggend blad door den Audiencier de volgende verdeeling gemaakt. Fransch: Brussel, Gent, Brugge, Yperen, Oudenaarden, Belle (Bailleul), Kortrijk, Veurne, Aalst, Cassel, Mechelen, en bovendien de uitsluitend Waalsche steden; Vlaamsch of ‘langue thioise’ daarentegen waren de brieven aan de uitsluitend Hollandsche steden, daaronder begrepen Leuven en Lier. Zijn de geachte beoordeelaars, aan wie waarschijnlijk deze mijne memorie zal worden ter hand gesteld1), in staat omtrent deze onregelmatigheid mij inlichting te geven? Hoe het zij, het behoeft geene uitvoerige ontwikkeling, hoe talrijke en hoe belangrijke stukken in onze taal in het Archief alhier voorhanden zijn. Nogtans worden zij meestal verbannen uit de afzonderlijke verzamelingen, welke hier ijverig worden bijeengebragt, en worden zij in de geledigde cartons der vergetelheid overgegeven Dezelfde zucht tot verzamelen heeft echter de justificatiën van sommige Vlaamsche steden gered: om twee der voornaamste te noemen, dat is het lot van die van Antwerpen en 's Hertogenbosch geweest. Over de laatste heb ik in mijn vorig rapport gesproken2); over de eerstgenoemde zal ik hierna een en ander mededeelen.
Evenals met de Hollandsche stukken is het met de Latynsche gegaan: zij zijn als bijhangsels tot andere hoofdverzamelingen beschouwd of ter zijde geschoven; zij zijn wel niet zoo talrijk als
de Vlaamsche oorkonden, maar zij zijn toch van veel gewigt, omdat alles, wat van godsdienstigen of kerkelijken aard was, in die taal werd behandeld.
Uwe Excellentie veroorloove mij, dat ik, om als het ware den inwendigen toestand en geschiedenis des Brusselschen Archiefs bloot te leggen, de onwetenschappelijke verdeeling, welke ik boven waagde, door eene even onwetenschappelijke, maar toch zeer actueele, doe kruisen. Het is eene verdeeling naar de localiteit. Wat zich in het hoofdgebouw des Archiefs bevindt, is, behalve hetgeen nog op de zolders verschoven ligt, goed geklassificeerd en met zorg gerangschikt. Behalven de collectiën van tijd tot tijd gemaakt, behalven vele hoogst belangrijke cartulaires van onderscheiden dagteekening, behalven de liassen van den Geheimen Raad, zijn het vooral de Archiven van de Rekenkamer en van de Domeinen, waaraan dit voorregt is te beurt gevallen. Hoogst bekwame beambten, onder welke ik gaarne de Heeren Schayes en Piot met onderscheiding noem, hebben daaraan hunne kunde en vlijt besteed. De vrucht hunner werkzaamheid is de uitmuntende in het jaar 18371) uitgegeven Inventaire des Archives de la Chambre des comptes geweest, welke echter sedert door de nieuw ontdekte en bijeenverzamelde rekeningen der verbeurdverklaringen eenen aanmerkelijken aanwas heeft bekomen.
Het andere gedeelte des Archiefs heeft zijne plaats in de succursale ten huize van den Archivist, den Heer Gachard zelven. Er bevinden zich daar vele registers en oorkonden, tot de handelingen der Staten-generaal betrekkelijk, voor een gedeelte2), de ac-
ten van den Grooten raad van Mechelen, de stukken betreffende de enclaves en betwiste landstreken; eindelijk, hetgeen voor mij van bijzonder gewigt is, de dusgenaamde Archives du Conseil d'état et de l'audience. Die cartons zijn omstreeks 1400 in getal. Alle zaken, welke voor den Raad van State gebragt werden, zijn daarin vervat, de berigten van de stedehouders en andere overheden, de beslissingen daarop van den algemeenen landvoogd, de bevelen en brieven, door dezen of in zijnen naam aan genen afgezonden. Van die Archives is tijdens onze vereeniging met België een inventaris gemaakt geworden door den toenmaligen hervormden predikant van Brussel, Ds. Rijke. Die arbeid is te verdienstelijker, omdat zij uit louter liefhebberij werd ondernomen. De bezoeker van het Brusselsch Archief vindt daarin eene aanwijzing, wat hij in het algemeen in de cartons vinden kan. Maar de opsteller heeft slechts in het gros den inhoud opgeteekend en zich niet aan eene zelfstandige rangschikking gewaagd. Veel - het kon niet anders bij eenen arbeid zonder contrôle ten uitvoer gebragt - is onnaauwkeurig en onvolledig opgegeven; sedert dien tijd zijn de cartons zelve herhaaldelijk gehanteerd, doorplozen en verschikt, nieuwe stukken zijn er ingelegd, andere zijn er uitgenomen, en ik zou geenszins voor de volledigheid mijner nasporingen durven instaan, zoolang ik niet de meeste stuk voor stuk heb doorgezien.
Weinige Archivisten winnen het voorzeker van den Heer Gachard in arbeidzaamheid; niemand zal gereeder dan ik hulde doen aan de treffelijke diensten, door hem onzer geschiedenis bewezen; ik heb te dikwijls tot zijne inlichtingen mijne toevlugt genomen, om niet met dankbaarheid te erkennen, hoe verpligtend en bereidvaardig hij zich jegens mij heeft betoond. Ik bedoel dus allerminst hem een verwijt te doen, wanneer ik het betreur, dat de toegang tot de Archives de l'Audience zooveel moeijelijker dan tot de overige is. Zeker zou het den heer Gachard aan geene geschiktheid ontbreken, aan die Archieven dezelfde openbaarheid als aan de vroeger genoemde te geven; ik moet zeggen, dat hij er mede bezig is. Maar daarom kan ik echter niet onbepaald mijn zegel hangen aan het stelsel door hem gevolgd. Naar mate hij in die cartons stukken ontdekt, welke onder ééne gemeenzame rubriek kunnen worden gebragt, laat hij die in lijvige boekdeelen ver-
eenigen, als b.v. Correspondance d' Angleterre, de Rome, Dixième, Vingtième et Centième dénier, Correspondance du Comte de Meghem, d'Aremberg enz. Bij dit zamenbinden wordt echter meer op het volume dan op de volledigheid acht geslagen. Een paar proeven. Ik heb in het voorleden jaar de cartons doorlopen, die de briefwisseling met Graaf Peter Ernst van Mansfeldt bevatten. Ik stuitte eensklaps op eene gaping voor het jaar 1564. Weinig tijds daarna werden voor het Archief de nagelaten papieren van den President Roose aangekocht. Het is eene verzameling, thans in een vijftigtal lijvige boekdeelen vervat, meerendeels tot latere jaren, inzonderheid tot die der ambtsbediening van Roose betrekkelijk. Geheel onverwachts werd ik opmerkzaam gemaakt, dat zich daaronder de correspondentie van Mansfeldt bevond, juist zooals zij in de bovengemelde cartons der Audience ontbrak. Ik heb daarnaar de kopyen en uittreksels gemaakt, welke ik dienstig achtte. Intusschen die verscheidenheid van inhoud en oorsprong heeft niet verhinderd, dat het toevallig onder de nieuw aangekochte verzameling aanwezige met het overige geheel vreemdsoortige tot ééne Collection Roose is bijeengebonden, terwijl later welligt hetzelfde met de Correspondance de Mansfeldt zal geschieden, welke in dat geval de door mij aangewezene gaping zal opleveren.
Evenzoo is dezer dagen de correspondentie des Hertogs van Alva met den Graaf van Bossu ingebonden geworden. Toen het te laat was, bekwam ik een carton in handen getiteld: Différentes pièces relatives aux Troubles. Het eerste, wat mij in het oog viel, was eene vrij volledige briefwisseling des Hertogs met den Graaf van Bossu en den Heer van Wackene gedurende de jaren 1568 en 1569, even belangrijk voorzeker als het reeds ingebonden gedeelte, om ons de eerste ondernemingen en wapenfeiten der Watergeuzen te leeren kennen.
Ik heb in mijne vorige memorie van de Justificatie van 's Hertogenbosch gesproken; twee lijvige banden in folio zijn daarmede gevuld. In de laatste weken heb ik de stof voor een ten minsten even lijvig derde boekdeel ontdekt in een carton, dat met vele andere onder den algemeenen titel van: Sentences et informations pour le fait d'hérésie doorgaat.
Over het geheel zijn de laatste maanden voor mijne ontdekkingen inderdaad gelukkig geweest. Waar, vroeg men mij1) eenigen tijd geleden, zijn de acten van den Bloedraad, de verhooren, de informatiën, uit alle oorden des lands aan dit geregtshof door zijne commissarissen ingezonden, gebleven? Een verhoor van Delrio in 1577, gedeeltelijk door den baron De S. Genois in den Messager des sciences et des arts Ann. 1838 p. 465, gedeeltelijk door den Heer Gachard, Rapport sur les Archives de Lille (Bruxelles 1841) p. 252, 253 in het licht gegeven, had het vermoeden doen ontstaan, dat, tijdens de omwenteling van 1576 de leden van dien raad die zelve hadden vernietigd, om de algemeene wraakzucht te ontvlieden. Zelfs in Spanje vond de heer Gachard weinig of niets hiertoe betrekkelijk, en tot voor weinige weken bleef ik geloovig aan de hier in het Archief heerschende meening, dat die stukken niet meer bestonden. Een gelukkige inval leidde mij om de papieren na te pluizen, in een Supplément des Archives de l'Audience voorhanden onder een opschrift, dat, ik erken het, mijn vermoeden kon regtvaardigen. Ik acht mij gelukkig Uwer Excellentie thans te kunnen verzekeren, dat de Archiven van den Raad van Beroerten niet geheel zijn verloren. In een twintigtal cartons bevindt zich een groot gedeelte der vonnissen, door den Bloedraad en zijne beruchte handlangers, den provoost van het Hof, Jan Grauwels, en den Drossaard van Brabant, Jan de Greve, gewezen en door hen en den secretaris S. Prats onderteekend; voorts advisen aan den hertog, door de leden van den raad opgesteld en onderschreven, en minuten van ondervragingen van de hand van Jakob Hessels. Echte bescheiden, zoo er eenige te vinden zijn! Want zelfs de eigenhandig onderteekende verklaring der biechtvaders omtrent het uiteinde der edelen, welke in Junij 1568 als slagtoffers van Alva's gestrengheid vielen, ontbreekt hier niet2). Ik onthoud mij hier van verdere uitbreiding, omdat ik op een en
ander later zal terugkomen. Slechts dit moet ik nog aanmerken, dat de cartons, ongeveer dertig in getal en tot het deksel toe opgevuld, nog aanzienlijke gapingen opleveren; dat men evenwel in Spanje weinig daarvan zal kunnen vinden, daar de Koning zelf de informatiën, vroeger door Margaretha van Parma hem medegedeeld, tot narigt van Alva en Vargas naar de Nederlanden terugzond; dat het door Delrio vernietigde niet te vergelijken kan zijn met het nog voorhandene, en dat ik mij sterk make uit vele tot dusverre op de zolders van het Archief verschovene ongeopende kisten veel tot aanvulling te zullen kunnen bijeenbrengen.
Ik zend deze aanmerkingen voorop, niet om op het Belgisch Archief eenen blaam te werpen - weinige toch zullen er gevonden worden, welke zich evenzeer door orde en toegankelijkheid onderscheiden, - maar om Uwer Excellentie te bewijzen, dat het mijne schuld niet was, zoo nu en dan mijne beloofde en met vlijt voortgezette nasporingen geen resultaat opleverden, dat aan mijne verwachtingen voldeed, en een ander maal het toeval mij beter diende dan mijn overleg.
In mijn vorig rapport heb ik opgegeven, met welke oorkonden ik mij tot op dien tijd in het Brusselsch Archief had bezig gehouden1). Indien mijn geheugen en mijne aanteekeningen mij niet bedriegen, waren zij deze:
| 1o. | de registers hier aanwezig, welke de correspondentie van Margaretha van Parma met koning Philips behelsden, ter aanvulling van hetgeen aan mijne Weener afschriften ontbrak. |
| 2o. | de verzameling kopijen, onder toezigt van den voormaligen Archivaris Graaf de Wynandts vervaardigd en onder den titel: Troubles des Pays bas vereenigd. Zij bevat stukken, welke grootendeels, zoo men verzekert, naar Weenen zijn vervoerd, waarvan ten minste de originelen in het Brusselsche Archief niet meer zijn aan te wijzen. |
| 3o. | de talrijke foliobanden der Correspondance d' Angleterre en de oorkonden betrekkelijk de onderhandelingen te Brugge gevoerd. |
| 4o. | de cartons getiteld: Dépêches aux Princes étrangers. |
| 5o. | eene verzameling stukken, uit de nalatenschap des Heeren Lemmens te Gent aangekocht, met het opschrift: Pièces relatives aux troubles des Pays-bas voorzien. |
| 6o. | eenige cartons der Audience, waarin ik naar aanwijzing van den Inventaris oorkonden hoopte aan te treffen betreffende de oprigting der bisdommen in de Nederlanden en omtrent den staat en geschiedenis der toenmalige Nederlandsche kerk. |
| 7o. | de reeds te zamen gebragte Justificatiën der steden. Ik had toenmaals die van Doornik, 's Hertogenbosch en Romsen (Renaix) deels geëxcerpeerd, deels gekopyeerd1). Met die van Antwerpen was ik juist bezig en ik stelde mij voor achtereenvolgens de andere onder handen te nemen. |
| 8o. | een gedeelte der cartons, tot het Duitsche secretariaat behoorende, de briefwisseling met den Keizer en de Rijksvorsten, de Diètes et Diétines, de dus betitelde Affaires militaires en de Ephemeriden van den geheimschrijver Scharemberger. |
Wat No. 1 tot 5 betreft, bij het inzenden van mijn vorig rapport kon mijn arbeid als voltooid worden beschouwd. De inventarissen gaven mij geenerlei aanwijzing, waar nog welligt brieven, tusschen Margaretha en Philips gewisseld, zouden te vinden zijn. Slechts eene gelukkige greep konen kan nog mij eenen of meer in handen voeren. Zoo de titel: Dépêches aux Princes étrangers een onmetelijken omvang aanduidt - de correspondentie, met de Duitsche vorsten in het Duitsch gevoerd, behoort tot eene andere classificatie - de cartons met bovengenoemd opschrift waren uitgeput. De Correspondance d' Angleterre houdt genoegzaam op met den dood van den Bisschop van La Quadra; de brieven zijns opvolgers, don Guzman da Silva, schijnen verstrooid geraakt. Bij No. 2 en 5 vond ik mij door de willekeur der verzamelaars, die somtijds de meest ongelijksoortige stukken hadden vereenigd, beperkt. De drie laatste rubrieken moesten, deels om haren omvang, deels om de verstrooijing van haren inhoud in onderscheidene gedeelten des Archiefs, het voorwerp van aanhoudende nasporingen blijven.
Gaarne had ik het stelsel blijven volgen, dat ik bij de inzending van mijn vorig rapport als het beste had aangenomen en hetgeen
ik nog het meest redelijke zou achten, ware het dat ik als heer en meester in deze talrijke verzameling van oorkonden konde beschikken. Ik had mij namelijk voorgesteld, deels de briefwisseling van Margaretha van Parma, zooals ik die te Weenen had bijeengebragt, ten grondslag te leggen en jaar voorjaar, voor zooverre zulks doenlijk was, de daartoe betrekkelijke cartons der Audience te doorloopen; deels meende ik enkele punten, waarvan ik mij een nader onderzoek had voorbehouden, tot doel mijner nasporingen te stellen. De ondervinding heeft mij gedwongen, dit plan te wijzigen. De daartoe noodzakelijke herhaalde verplaatsing der cartons gaf mijns ondanks stof tot gemompel onder de ondergeschikte beambten. Ik heb hierboven Uwer Excellentie trachten aan te wijzen, dat de inventarissen die volledigheid en juistheid missen, welke hen tot veilige gidsen voor den bezoeker moeten maken. Eindelijk ik vond zoo dikwijls, wat ik niet gezocht had en wat ik evenwel noch kon noch mogt verwaarloozen, dat ik iedere raming, door mij a priori gemaakt, als te bekrompen behoorde te mistrouwen.
Ik behoef intusschen Uwe Excellentie niet te zeggen, hoe elke studie zijnen eigenaardigen prikkel bezit, hoe eigene inzigten, beschouwingen en in hare gevolgtrekkingen uitgesponnen opmerkingen zelfs bij den veeleer machinalen arbeid van verzamelen en afschrijven hare regten doen gelden. Ik heb mij, zooveel in mij was, getracht vrij te waren van het gevaar om in de oorkonden slechts een spiegel mijner eigene meeningen te zoeken; ik zou mij al te gelukkig achten, ware ik die klip geheel ontkomen. Aan de andere zijde moet ik openhartig erkennen, dat die oorkonden dikwijls en in vele opzigten mijn oordeel over gebeurtenissen en persoonen hebben gewijzigd en dat ik bij voorkeur die cartons doorliep en mijnen navorschingen die rigting gaf, waardoor mijne nieuwst gevormde beschouwingen door nieuwe gronden mogten worden bevestigd. Uwe Excellentie veroorloove mij, dat ik voor een oogenblik de dorre opsomming der door mij geraadpleegde stukken afbreke en mij overgeve aan eenige beschouwingen, welke als het resultaat mijner studiën kunnen gelden, en welke te gelijk zich aansluiten aan die mededeelingen, die ik in mijn vorig rapport had aangevangen.
Ik heb toen, in navolging van vele anderen en ik durf daarom zeggen: met regt, onder de oorzaken der Nederlandsche beroerten de oprigting der Bisdommen en het handhaven der plakkaten aangenomen1). Ik heb het gewaagd op te merken, dat over het geheel de juiste waardering dier maatregelen werd verwaarloosd en dat men vooral onzerzijds had nagelaten de verdediging daarvan, zooals die door Havensius, Strada en anderen was gegeven, aan te hooren of te wederleggen. Ik heb toen gezegd2), dat de werkzaamheid van Sonnius en Lindanus in het bijzonder een uitvoeriger onderzoek verdiende, en beloofd dat ik mij bevlijtigen zou de akten bijeen te brengen, waarop een billijk besluit zou kunnen worden gevestigd. Ik moet het betreuren, dat voor een groot gedeelte die nasporingen zonder vrucht zijn gebleven. De cartons door mij doorloopen waren het rijkste voor de kerkelijke aangelegenheden van Friesland. Een vijftigtal stukken, meest alle van grooten omvang, de zending van Sonnius en Lidmatius, vervolgens van Lindanus als buitengewoone commissarissen ter regeling der geestelijke aangelegenheden rakende, zijn door mij vereenigd. Men voege daarbij een tiental brieven, tusschen Aremberg en de Landvoogdes voor en in 1564 over de invoering van den bisschop in Leeuwaarden gewisseld. Ik had gehoopt over het bisdom van Groningen meerdere stukken te vinden, om den hardnekkigen kamp te dier plaatse inzonderheid tegen de nieuwe instelling; maar in de cartons, welke volgens aanwijzing van den inventaris de acten voor de kerkelijke aangelegenheden moesten bevatten, trof ik geen enkel stuk aan, dat Groningen raakte. Ik hoop echter weldra in de gelegenheid te zijn, de geheele briefwisseling des Graven van Aremberg met de Landvoogdes gevoerd te doorloopen, en ik vertrouw daaruit nadere en belangrijke narigten te zullen kunnen opdelven.
Voor Holland heb ik een zestiental stukken bijeengebragt. Zij betreffen de oprigting van het Bisdom van Haarlem, de invoering van den Bisschop, de opheffing van het klooster te 's Gravesande en de toewijzing zijner bezittingen aan het kapittel van St. Bavo,
eindelijk den ten hoogste verdachten wandel van den Bisschop zelven. Inzonderheid moet ik melding maken van twee zeer belangrijke informatiën over den staat van den godsdienst en de zeden in Holland: eene van het jaar 1565 door Lindanus aan de Landvoogdes ingeleverd, eene andere uit de eerste jaren der regeering van Alva, welke echter aan vele herinneringen en retrospective berigten rijk is. Er worden in deze laatste hevige klagten over de gematigdheid der gemeentebesturen aangeheven en als redmiddel wordt aan den Hertog de voorslag gedaan, dat de pastoor in elke gemeente bij de benoeming der regeeringsleden een drietal zal voordragen, waaruit de Landvoogd zijne keuze te doen hebbe.
Andere stukken betreffen de handelingen van den Bisschop van Brugge en de klagten, door de regeering der stad tegen zijne maatregelen zoowel als tegen die van den beruchten inquisiteur Titelman aangeheven.
Een twintigtal stukken, meestal in verschillende cartons verstrooid, en zeer enkele uit eene afzonderlijk gebondene Correspondance du Magistrat d' Anvers getrokken, geven berigt van de volharding, waarmede de burgerij dier stad zich tegen de geestelijke voogdij, waarmede zij bedreigd werd, verzette en eindelijk door hare bewonderenswaardige eendragt zelfs bij den Koning hare zegepraal doordreef. Onder de laatste stukken behoort ook eene informatie tegen den pastoor van het Kiel, welke, vroeger door Jezuitische lagen in hechtenis geraakt en uit zijn plaats verdreven, in 1566 door de bescherming van den Prins van Oranje zelven aan zijne gemeente werd hergeven. Geheele stukken uit zijne predikatiën worden in die informatie medegedeeld, en daarnaar te oordeelen moet de man tot de merkwaardigste predikers van zijn tijd hebben behoord. Aan helderheid van begrippen en opregtheid in het blootleggen zijner beginselen paart zich eene echt homiletische levendigheid, geestigheid van uitdrukking en eene voor dien tijd zeldzame zuiverheid van taal en stijl.
Voor den man, in wiens wedervaren ik het meeste belang had gesteld, Sonnius, den bekenden Bisschop van 's Hertogenbosch, heb ik bijna niets gevonden. Ik moet zelfs er aan wanhoopen, in het Archief iets over hem te zullen aantreffen. Want een der ja-
ren, waarvan ik alle documenten het volledigst heb bijeengebragt, is het jaar 1566. Het was in dit jaar, dat de Bisschop van Luik de hoofdkerk te 's Hertogenbosch deed sluiten en den nieuwbakken kerkvoogd zelven in den ban deed. Evenwel omtrent dit merkwaardig voorval is mij noch brief noch acte voorgekomen. Ik ken het alleen uit gelijktijdige gedrukte pamphletten en uit eene vlugtige mededeeling, door de Landvoogdes aan den koning gedaan.
Die resultaten - ik ben de eerste om het te erkennen - zijn onbevredigend. Er was slechts één middel om betere te verkrijgen, en dit middel was mijne toevlugt te nemen tot twee of drie handschriften, aan de Bibliothèque de Bourgogne alhier toebehoorende. Ik kon mijn voornemen niet ten uitvoer brengen. Sedert meer dan een jaar waren zij in handen van den Abt de Ram, die zich heeft voorgesteld op kosten en in naam der Commission Royale d'histoire eene geschiedenis der Bisdommen in de Zuidelijke Nederlanden uit te geven. De individualiteit diens schrijvers in aanmerking genomen, (is het niet gewaagd te voorspellen,) dat over hetzelfde onderwerp, naar dezelfde bronnen van studie, zijne en mijne inzigten zeer zouden uiteengeloopen hebben. Zijn arbeid zal, daarvan ben ik overtuigd, eene nieuwe verdediging worden van de plannen van Filips, een bijlage tot de apologiën van Strada en Havensius, eene documentering van de regten der geestelijkheid in en over België.1)
Zoo echter mijne onderzoekingen, wat de uitwendige of, zal ik het noemen, diplomatieke geschiedenis van de kerk in België (betreft), van weinig vrucht zijn geweest, ik durf daarentegen verzekeren, dat het door mij verzamelde voor de inwendige geschiedenis, d.i. voor de kennis van den toestand van godsdienst en zeden en van de betrekking, waarin die toestand tot den afval der Nederlanden stond, van veel gewigt is.
Ik moet, voor ik in bijzonderheden trede, de verklaring afleggen, dat naar mijne meening de Hervorming het beginsel en de drijfveer van de Nederlandsche omwenteling is geweest, dat in dat beginsel hare mogelijkheid en hare kracht gelegen was, dat zij voorspoedig en vruchtbaar geweest is, voorzooverre zij aan dat
beginsel vasthield, dat eindelijk de verschijnselen van die omwenteling van dat stand punt moeten beschouwd en beoordeeld worden.
Indien ik dus in dit opzigt mij geheel en al aan onzen talentvollen en scherpzinnigen geschiedkundige, den Heer Groen van Prinsterer, aansluite1), er bestaat tusschen hem en mij een verschil, waarop ik daarom alleen durf bestaan, omdat mijne meening a posteriori is en op oorkonden gegrond.
Wat was namelijk het bezielend beginsel dier Hervorming? Ik betwist het dien hooggeachten geleerde geenszins, dat in hare wording die Hervorming zich door een positief beginsel hebbe onderscheiden, dat de leer der regtvaardigmaking door het geloof bij Luther en de overige Hervormers de kern hunner beschouwing, de grond van hun handelen zij geweest, en dat de eerste bloedgetuigen, welke hier als slagtoffers van Karels plakkaten vielen, voor die leer in den dood zijn gegaan; maar ik geloof niet, dat op het oogenblik, waarop de Hervorming het sein werd van den algemeenen opstand, zij zich onder de banier van dat dogme liet brengen. Ik ben veelmeer overtuigd, dat, gedurende de eerste jaren van Philips tot op het oogenblik, waarop de Hervorming in 1567 met geweld werd onderdrukt, uitsluitend bijna hare negative zijde op den voorgrond trad: verwerping van het ritueel en de instellingen der Roomsche kerk en daartegenover volstrekte gewetensvrijheid.
Ik zou ter bevestiging mijner meening mij in de eerste plaats kunnen beroepen op die Geuzeliederen, welke, gelijk zij van de volksmeening de naive uitdrukking zijn, op deze wederkeerig eenen beslissenden invloed oefenen. Wat vindt men? Spotliederen op den overleden Paus, die God noch mensch zijnde in hemel noch in hel zijne plaats vinden kan en daarom in het vagevuur moet blijven2), - aanvallen op de monniken, bisschoppen en beelden en inzonderheid verguizingen van het door de Katholyken vereerde Sacrament, dat aldaar gewoonlijk ‘Melis de waard in de halve maan’ heet, eene spotternij, waarvan de oorsprong mij niet helder is,
tenzij hierbij aan den vorm des in tweeën gebroken ouwels zij te denken.
De Geuzenliederen waren de vrucht van de rijmers der Rederijk-kamers; maar mijne oorkonden geven tevens inlichting, in welken geest hunne overige voorstellingen waren. Ik herinner mij in de prijsverhandeling van Prof. Kops1) als thema, door eene der kamers opgegeven, de vraag gevonden te hebben (zoo mij mijn geheugen niet bedriegt):
‘Of Godts genade of 's menschen kracht
Ons zaligheydt geheel of ten deele heeft gewracht?’
Evenwel in de door mij uit de kerkelijke informatiën verzamelde berigten doen zich dergelijke leerstellige onderwerpen niet voor. Integendeel de gelaakte voorstellingen zijn beschimpingen der geestelijkheid en aanvallen op de gebruiken der kerk. Wat men van eene klucht van Priapus-broek te denken hebbe, wijst de titel aan; maar om de geestelijkheid te kwetsen, werd bij het vertoonen door de retrosijnen van Zuid-Beveland de naam en persoon van Priapus door St. Franciscus vervangen, Van betere gehalte was eene andere klucht, welke door de geestelijkheid streng vervolgd werd: de klucht van de Armen brueder kens. Hans Goedtbloedt ontvangt van zijnen meester het overschot van een kostelijk maal, met last om het aan de arme broeders (de Franciscanen) te brengen. Te huis gekomen vindt hij er zijne kinderen schreeuwende van gebrek, de verzoeking is te magtig en met zijn huisgezin doet hij zich te goed aan de keurige brokken. Het klooster, waaraan de buit ontgaan is, beklaagt zich: de zaak komt voor den regter, die Hans Goedtbloedt vrijspreekt en verklaart, dat de ware ‘arme bruederkens’ hongerende kinderen en behoeftige huisgezinnen zijn. Zelfs de beeldenstorm schijnt bij de rethorykers aanmoediging te hebben gevonden. De kamer van Brielle vertoonde het proces van St. Rochus. Een advocaat voor en tegen hem werd gehoord. De eerste verloor na een onhandig pleidooi het geding en St. Rochus werd veroordeeld en verbrand, omdat hij zich als een God had laten vereeren.
Een derden grond voor mijne meening levert de inhoud der
kerkelijke informatien op, De ketterregters vinden niet in het leerstuk der regtvaardigmaking, maar in vele andere dingen het eigentlijke kenmerk der ketterij. Reeds vroeg vindt men predikers, die de vereering der beelden aantasten1), anderen, die de verdienstelijkheid van pelgrimaadjen en de heiligheid van den ongehuwden staat loochenen; weder anderen preeken tegen de vereering van Maria of de kracht der priesterlijke absolutie; maar verre de meesten zijn verdacht, omdat zij de misse niet behoorlijk bedienen of de transsubstantiatie loochenen. Zooals met de geestelijken is het met de leeken: zelden treedt bij het geloofsonderzoek, tegen hen aangevangen, eenig dogmatisch punt op den voorgrond; het is het verbreken van de vasten, het spotten met de heilige Maagd, het niet aanbidden van het Sacrament, het nalaten van biecht en hoogtijden, het zingen van Psalmen2). Zoo men eenig leerstellig kenmerk vinden wil, het is de Calvinische of Zwinglische meening, dat Christus in het Avondmaal niet ligchamelijk tegenwoordig is.
Een ander feit. waarvoor de bovengenoemde stukken de bewijzen leveren, is de verdeeling en de onderlinge verhouding der in die dagen bestaande sekten. De eerste is die der Libertijnen, waartoe vele aanzienlijken in den lande behooren; zij onderwerpt zich aan alle kerkelijke plegtigheden en misbruiken, onder voorbehoud van er mede te lagchen; zij wordt geduld zoolang zij geenen aanstoot geeft: de ketterregters vervolgen haar niet scherpelijk, en de Libertijn maakt desgevorderd er weinig werk van, zijne vrijgeesterij te verbergen3). Naast deze partij, gering in aantal, staan
de Lutherschen; zij worden niet scherpelijk vervolgd; eene schikking met hen wordt mogelijk geacht. Zoo men van hooger hand eenige hervorming zou kunnen gedoogen, het zou eene hervorming in hunnen zin wezen. Van daar de onderscheiding, welke aan den bovengemelden predikant van 't Kiel te beurt viel, die eerst door de ketterregters uit Antwerpen verjaagd, vervolgens naar een dorp in Limburg verschoven, een jaar later, als van twee kwaden het minste, naar zijne vorige standplaats teruggeroepen werd en daar door de stedelijke regeering, zoowel als door de tijdelijke stedehouders der Landvoogdes, werd gehandhaafd. De derde partij, in alle deelen des Lands nog zeer overvloedig, hoewel meest onder de lagere standen, bijzonderlijk onder de handwerkslieden voorhanden, zijn de Doopsgezinden. Het is bedroevend te zeggen, dat zij van alle partijen gelijkelijk teruggestooten, ja vervolgd werden. Den allertalrijksten aanhang echter vormen de Calvinisten; in de kerkelijke informatiën worden vele geestelijken als Calvinisten aangewezen; bij uitsluiting behooren daartoe bijna alle dusgenaamde groenpreekers (‘graspapen’) van het jaar 1566. De kooplieden van Doornik, Antwerpen, Gend, de eerste onderteekenaars van het verbond der edelen, de talrijke meesters en doctoren in de regten, welke zich voor de Geuzen verklaarden, zijn alle, op weinige uitzonderingen na, Calvinisten. Beweeglijker, ijveriger, rijker over het geheel aan talenten en invloed, hebben zij tot voorgangers mannen als Dathenus, De Bres, Taffin en Junius, als Marnix van St. Aldegonde en Mr. Pieter de Rijke.
Het resultaat dezer feiten kan voor mij geen ander zijn dan dit, dat de Hervorming, waaruit de onlusten van 1566 zijn voortgesproten, Calvinistisch was; dat om haar te waarderen men haar vooral moet vergelijken met de bewegingen, die ten zelfden tijde Frankrijk beroerden; dat het karakter dier Hervorming hoofdzakelijk negatief en radicaal was, en dat, zoo de uiteenloopende en onvaste meeningen zich in eenig leerstuk als in haar middenpunt vereenigden, men daarvoor bij uitnemendheid het leerstuk van het Avondmaal te houden hebbe.
Op deze beschouwing leg ik deshalve te meer nadruk, omdat
zij mij den sleutel schijnt te geven voor de volgende gebeurtenissen. Eene Luthersche hervorming zou namelijk nimmer eene zoo geweldige omkeering hebben kunnen veroorzaken. Hoe streng in den aanvang ook de bloedplakkaten van Karel V tegen de Lutherschen waren gehandhaafd, hoe afkeerig ook Philips was van alles, waarover de kerk den ban had uitgesproken, het klein kuddeke had zelfs in de Nederlanden eene betrekkelijke rust kunnen genieten. Men vergete niet, dat Karel en zelfs Philips voor hunne Duitsche huurlingen Luthersche garnisoenpreekers hadden gedoogd; ja dat zelfs in 1567, nadat Noircarmes met geweld Maastricht had bedwongen, de Luthersche preek nog tot in 1568 stand hield, omdat 's Konings bevelhebber aldaar, Graaf Philips van Eberstein, tot dat kerkgenootschap behoorde. Er is meer: de Lutherschen zouden zich als vreemdelingen hebben laten beschouwen en als zoodanig onder de schuts gesteld der voorregten, welke door de traktaten aan de onderdanen van vreemde mogendheden waren toegekend. Te Antwerpen b.v. zouden zij onder de factory der Oosterlingen, te Bergen op Zoom en te Brugge onder de Engelsche natie hebben gescholen1). Op eene Luthersche hervorming waren de voorslagen berekend ter bemiddeling, in 1563 en 1564 door Balduinus en Cassander geopperd: het avondmaal onder twee gestalten, eene wijziging in de leer der regtvaardigmaking, het huwelijk der priesters, ziedaar de voorwaarden. Zoo het positieve beginsel der Hervorming op den voorgrond had gestaan, ware met eene inschikkelijkheid, waaraan de andere zijde het niet ontbreken liet, de zaak te vinden geweest; omdat het Calvinisme uitsluitend al wat negatief was in zijne banier voerde, viel er voortaan aan geene schikking te denken. Eindelijk het Luthersche
stelsel zou nimmer tot beeldenstorm hebben geleid, noch het opnemen der wapenen tegen den koning of zijne vertegenwoordigers hebben gewettigd; gelijk wij reeds vroeger aanmerkten, door de bescherming des Rijks zou misschien oogluiking voor de geloofsgenooten en in gevalle van weigering vrije aftogt voor hen uit het land bedongen zijn geworden.
Ik ben er verre van te beweeren, dat het Calvinisme niet evenzeer als het Lutheranisme eenen positieven kern en beginsel hebbe, - de geloofsbelijdenis der Nederlandsche kerken zou het tegendeel bewijzen; maar hetgeen ik beweer is, dat de negatieve zijde - d.i. al waardoor het gezag der Roomsche kerk, hare leerstellingen en inzettingen geloochend werd - juist het meest in het oog sprong en de partij het scherpst kleurde. Een voorbeeld: op het punt des Avondmaals is het Zwinglianisme veel negatiever dan het Calvinismus; en de meermalen aangehaalde informatiën hebben mij overtuigd, dat zeker het meerendeel onzer Hervormden in den strijd, welken zij tegen de ‘Paapsche misse’ voerden, de Zwingliaansche voorstelling als de eenvoudigste en handtastelijkste hebbe omhelsd. Juist in het verwerpende, in het ontbindende, in het sloopende was de sterkte van het Calvinisme gelegen: juist daardoor was de uitbreiding dier leer in de Nederlanden zoo aanmerkelijk en zoo plotseling. Al wat zich van toen af aan de Roomsche kerk onttrok, voegde zich bij die partij. En geen wonder! het Lutheranisme vorderde eene bepaalde leerstellige overtuiging, het Mennonisme een nieuwe kerkelijke plegtigheid; die het een met het ander verwierp vond in den schoot der Hervormde gemeente eene toevlugt. De Hervormde gemeente in de Nederlanden is niet zoozeer op de geloofsbelijdenis der kerken, noch op de Institutio van Calvijn gegrondvest; maar in de gemeente of liever in de menigte, welke zich tot eene gemeente vereenigde, is die geloofsbelijdenis opgenomen om een vast punt van eenigheid te gewinnen en eene blijvende banier op te steken.
Men vergunne mij nog een paar opmerkingen. In 1562 werd de eensklaps uitbrekende Hervorming te Doornik, Bergen en Valenchijn met geweld onderdrukt: gedelegeerde regters, daaronder vooral Assonleville, deden al het mogelijke om de ketterij in hare geboorte te verstikken. Wat vonden zij? Tegenover eenige
schaarsche martelaars een veel grooter aantal, dat zich aan de kerkelijke boete onderwierp en zich gereed betoonde vroegere doolingen af te zweeren: velen vooral, waarvan de strenge regters moesten getuigen, dat het simpele kwalijk onderwezene lieden waren1). Het Calvinusmus was voor drie jaren overwonnen. Van waar dat het in 1566 op nieuw zoo schrikbarender wijze de overhand nam? van waar dat volgens de verklaring van den magistraat van Doornik zelf vijf zesden der bevolking met ketterij besmet waren? van waar dat zoovelen, die vroeger boete hadden gedaan en hunne meeningen afgezworen, op nieuw als relapsi in de handen der ketterregters vielen? Ik verklaar mij de zaak aldus. Het negatieve, hetwelk den uitwendigen vorm van het Calvinismus uitmaakte, verzamelde om die leer de groote menigte; juist omdat deze naar uiteenloopende begrippen en uit verschillende oorzaken de leer der kerk verwierp, was zij even uitsporig in haar uitwendig vertoon, als onvast in haar beginsel. Anderzijds lag het aan den positieven kern der leere, dat zij na korte verdrukking op nieuw uitsproot en met hare welige takken het land overschaduwde, zonder dat de plant daarbij hare zelfstandigheid en levenskracht inboette.
De invoering der bisdommen, de hernieuwing der plakkaten, de Inquisitie zijn de drie grieven tegen Philips en Granvelle, de drie voorwendsels of oorzaken van den Nederlandschen opstand
geweest. Zoo is het van alle tijden af begrepen en voorgesteld geworden, en om van de jongste geschiedschrijvers te gewagen, zoowel de Heer Groen van Prinsterer, bij zijne uitgave der Archives de la maison d'Orange-Nassau, als de Heer Gachard bij die zijner Correspondance de Philippe II, hebben een groot gedeelte hunner voorredes aan het onderzoek en de waardeering dier drie punten toegewijd. Er bestaat eene merkwaardige overeenkomst tusschen de resultaten van beide. Zij zijn hoofdzakelijk deze: Philips deed niets, wat niet vóór hem door zijnen vader gedaan of besloten was; Granvelle was niet de uitvinder, maar de uitvoerder zijner maatregelen; eindelijk Philips handelde daarin volgens zijn geweten en zijne overtuiging. De waarheid dier beweringen te bestrijden, ware de zon loochenen op den middag; hare gevolgtrekking ligt voor de hand: in het afgetrokkene beschouwd is het regt aan de zijde van Philips en zijnen staatsdienaar. Het zou echter met de zedelijke waarde van onze omwenteling ongelukkig geschapen staan, indien deze alleen naar dat beginsel moest worden geoordeeld, indien ook hier niet de regel gold, dat het hoogste regt dikwerf het hoogste onregt is.
Wat Karel V betreft, zijne plakkaten, zijne Inquisitie waren maatregelen van voor 1556 en den vrede van Augsburg. Door dien vrede was ten langen leste in het Europesche staatsregt een nieuw beginsel opgenomen en erkend, het beginsel van gewetensvrijheid onder voorbehoud der vorstelijke regten in kerkelijke aangelegenheden. Philips had gelijk, wanneer hij staande hield niet door den Augsburgschen vrede gebonden te zijn; maar door dien vrede was echter het oude beginsel eener ééne algemeene kerk in zijne stelselmatige noodzakelijkheid verbroken en de Nederlanders mogten over onbillijkheid klagen, wanneer zij onder harder voorwaarden zuchtten dan hunne naburen. Het nieuwe stelsel had te meer geldigheid sedert het in Frankrijk een punt uitmaakte van nog onbesliste onderhandelingen, sedert men daar vrijheid en waarborgen eischte en herhaaldelijk verkreeg voor de belijdenis eener aanzienlijke minderheid; sedert ook daar de wijze, waarop de betrekking tusschen het Duitsche Rijk en de verschillende rijksleden was geregeld, als grondslag werd aangenomen voor het eenhoofdig koninkrijk en de verschillende onderdeelen daarvan:
bron, het is waar, van eindeloozen kamp, woesten burgeroorlog en jammerlijke bloedstorting, maar die eindigde met het edict van Nantes, d.i. met de zegepraal der nieuwe orde. De Nederlandsche Protestanten hunnerzijds stelden als ultimatum: regeling van den godsdienst te hunnent op den voet, waarop die in Frankrijk was geregeld geworden. Behalve Frankrijk hadden zij het voorbeeld van twee naburige landen, waar hunne godsdienst in het volkomen bezit aller staatsregten was: het Keurvorstendom Paltz en het Prinsdom van Sédan. Frankrijk daarentegen was naar de beschouwing des Konings en zijner ministers de belendende muur, die in brand stond, aan welks behoud het behoud hunner eigene zekerheid en voorregten verbonden was, en het vervolg dezes rapports zal kunnen ophelderen, wat zij in het naburige rijk door tusschenkomst en bemiddeling vermogten.
Eene andere opmerking dringt zich bij de vergelijking van Karel en Philips onwederstaanbaar aan ons op. De plakkaten van den eerste waren in aart en bedoeling preventief, voor zooverre men die tegen de Wederdoopers uitzondert, welke om hunne buitensporigheden schuldig aan (schending van) menschelijke en goddelijke majesteit waren verklaard. Overigens handhaafden zij het geloof der meerderheid tegen eene minderheid, die het scheen te willen bederven of omkeeren. Niet zonder oogmerk heb ik hierboven aangedrongen op het aantal zielen, dat voor de Calvinische belijdenis gewonnen was. Ik heb in grove omtrekken de onderlinge verhouding der toenmaals bestaande gezindheden opgegeven: het zou omslagtig maar niet moeijelijk zijn, het opgegevene tot eene statistische naauwkeurigheid te brengen, en bij eene eerste beschouwing acht ik het hoogst twijfelachtig, of wel in 1566 het Catholicisme de numerische meerderheid voor zich had. Ik verwijs naar de schrikbarende lijsten, door Marcus in zijne Sententiën van Alva medegedeeld. Men voege daarbij die van eenige steden, waar sedert het Catholicisme de overhand heeft behouden: van Doornik, Valenchijn, Antwerpen, 's Hertogenbosch, Gend1). Zoo ik wel ge-
teld heb, vind ik in ééne enkele indaging van inwooners binnen de stad van Yperen niet minder dan drie honderd drie en negentig voortvlugtigen. Eene andere lijst van Belle (Bailleul) in Vlaanderen bevatte honderd en elf beschuldigden. Eene lijst van het dorp Nieuwkerke, insgelijks in Vlaanderen, bevat twee en dertig; Merxem leverde op eene eerste lijst vier en twintig, op eene tweede elf ingedaagden; de eerste lijst van het stedeken Limburg droeg drie en dertig, de tweede drie en zestig veroordeelden. Turnhout, om geene andere plaatsen te noemen, zag op eenen enkelen dag niet minder dan acht en negentig zijner ingezetenen voor den vierschaar roepen. Hoe men ook over de waarde van het fait accompli moge denken, het oefende in de staatkunde dier dagen niet minder dan thans zijnen invloed. Hetgeen tegen eene kleine menigte strengheid zou geweest zijn, werd terrorisme in zijne toepassing op de meerderheid of op eene aanzienlijke minderheid: en de vraag drong zich op, of het beter ware, dat een beginsel dan dat een gedeelte des volks verloren ging. Philips en Granvelle beantwoordden die vraag bevestigend. De drie heeren deden het ontkennend, en zij beriepen zich hoofdzakelijk op de verbreiding en algemeenheid des kwaads om de maatregelen des gewelds onuitgevoerd te laten1).
In verband met de beide bovengenoemde punten moet ik nog op een derde opmerkzaam maken. Het is dit, dat de Nederlanders bij den aanvang der onlusten de eischen der Roomsche kerk zelfs niet als regtelijk geldig konden beschouwen. Het concilie
van Trente was toen nog niet afgeloopen: de vraag omtrent de toelating van Protestantsche godgeleerden, de vraag omtrent de regten der minderheid werd in Duitschland nog1) levendig betwist. Frankrijk betoonde herhaaldelijk overhelling, om door een nationaal concilie zijne kerkelijke onafhankelijkheid tegenover het algemeene te handhaven. Philips was de onbuigzame kampioen eener tegenovergestelde meening. Door de buitengewone zending des Groot-Priors Don Antonio de Toledo trachtte hij in Frankrijk de bijeenroeping van een nationaal concilie te voorkomen; door gunst en ongunst drong hij den Paus het Trentsche concilie door te zetten, en toen het eindelijk voor alle eeuwigheid de Roomsche kerkleer had bepaald, en al wat daarvan afweek met den ban had getroffen, liet hij die besluiten in al hunne kracht en omvang in de Nederlanden afkondigen. Maar juist zijn stelselmatig doordrijven hield eene stelselmatige oppositie wakker, en het is daarom niet te verwonderen, hoe dit concilie van Trente de som der grieven vermeerderde, welke de Nederlanders tegen hunnen opperheer in rekening bragten.
Van deze algemeene beschouwingen keer ik terug tot de meer bijzondere resultaten mijner oorkonden. Het stelsel der drie Heeren, dat de staatkunde van Granvelle verving, kenmerkte zich door eene buitengewone, door eene verdachte rekkelijkheid in het stuk van de godsdienst. Waar tusschen de stedelijke regeringen en de geestelijkheid botsing ontstond, werd de twist meestal ten nadeele van de laatste beslist. Ik laat eenige voorbeelden volgen. In 1564 beklaagde zich de regering van Brugge, dat de beruchte Inquisiteur Titelmans op eigen gezag eenige burgers dier stad voor zich had laten dagen en vatten. De vier leden van Vlaanderen ondersteunden de regering van Brugge; Titelmans beriep zich op zijnen lastbrief als Inquisiteur; de Landvoogdes stelde hem in het ongelijk. In hetzelfde jaar weigerde de Bisschop van Brugge de heilige aarde aan de Engelschen, welke daar overleden waren; en bij herhaling en door scherpe brieven van de Landvoogdes werd de Bisschop gedwongen zijn besluit in te trekken. Rollin, heer van Aymeries, leermeester der kinderen van de Prinses van Epi-
noy, werd door de grootmoeder zelve zijner kweekelingen van ketterij beschuldigd; door den invloed echter der Heeren werd het proces gesmoord. Ten zelfden jare zag zich Viglius gedwongen aan den Bisschop van Haarlem te schrijven, dat deze, om in behoorlijk bezit van zijn bisdom te geraken, andere middelen moest aangrijpen dan zich aan hem, den voorzitter wenden, ‘omdat’, schreef hij, ‘men van de zaak der bisschoppen in den Staatsraad niets meer wilde hooren.’ Het gevolg dier rekkelijkheid was, dat de ketterij zich naar alle zijden uitbreidde.
Hoe geheel anders was de staatkunde van Granvelle! Hetgeen, waaromtrent ik tot dusverre onzeker was, is mij uit nieuwe oirkonden overtuigend gebleken. Granvelle handhaafde de uitvoering der plakkaten op het strengste. Ik weet, dat de Heer Gachard eenen brief van den Kardinaal heeft medegedeeld, na zijn vertrek uit de Nederlanden aan Splinter van Hargum, Heer van Oosterwijk, geschreven, waarin hij de strengheid, hem aangewreven, loochent; waarin hij zich beroept op de door hem ten behoeve der veroordeelden aangedrongen verzoekschriften, en spreekt van de velerlei bewijzen van genade, gedurende zijne aanwezigheid in den Raad van State gegeven. (Zie Gachard l.l. p. CLXXI.) Mogen wij echter aan Granvelles latere verzekeringen geloof hechten, wanneer vooral de briefwisseling met Doornik en andere plaatsen, waar het bloed der andersdenkenden gestroomd heeft, ons overtuigt, dat door Granvelles tusschenkomst de ijver der derwaarts gezondene commissarissen is geprikkeld en hunne zeldzame mededoogendheid onvruchtbaar is gemaakt? Ik heb bij Granvelle geen enkel voorbeeld van genade of oogluiking gevonden, maar daarentegen herhaalde afwijzingen van daartoe gedane aanzoeken, en vernietigingen van in zijne oogen te zacht gevelde vonnissen.
En toch ik stem het den Heer Gachard toe: Granvelle was noch wreed van inborst noch van beginselen. Er schiet niet over dan toe te geven, dat zijn stelsel wreed was, omdat hij doorzag met welke gevaren het ingebroken Calvinismus het gezag des meesters bedreigde. Philips' fanatisme en de staatkunde van Granvelle stemden alzoo in de uitwerkselen overeen. Het gevolg was, dat de hervorming der geestelijkheid, door Philips ernstig voorgenomen, haar doel miste, en in dienst van het staatsbelang getreden, alle
zedelijke en menschelijke gewaarwordingen op het grievendst beleedigde. Het is de eeuwige vloek van alle geloofsvervolging, dat zij de besten en onschuldigsten het scherpste treft. Wij betwisten geenszins, dat Tapper, Sonnius, Lindanus, misschien zelfs Titelmans, door plakkaten, bisschoppelijk toezigt en kettergerigt het vestigen in het oog hadden eener kerk, eenig en vast in de leer, schitterend in uiterlijk voorkomen, heilig ten opzigte van den wandel van leeraars en leeken. Maar wat werd er van hunne werkzaamheid onder de leiding van lieden, zoo berispelijk van zeden als Granvelle zelf en als de bisschop van Doornik, Karel van Croy? Het concubinaat der priesters was zeker eene vlek, welke dringend zuivering vorderde; maar de regterlijke veroordeeling trof niet diegenen, welke misbruikte en bedrogene biechtelingen verstietten, maar zulke, die, uit overtuiging de heiligheid van den ongehuwden staat verwerpend, uitkwamen voor de gezellin huns levens en de regtmatige deelgenoote hunner handelingen en gedachten. De Bisschop van Haarlem, reeds vroeg aangewezen als van hoogst berispelijk gedrag, werd evenwel tot in 1569 geduld; de ergste grieve, welke de Inquisiteurs tegen hem inbragten, was deze, dat hij bij het vervolgen der ketterij te veel toegefelijkheid aan den dag legde. Meester Florisz, gewezen ketterregter te Amsterdam en overtuigd valsche getuigen te hebben bestoken, werd met voorbeeldelooze verschoonlijkheid behandeld. De deken van Ter Tholen had alle gelegenheid, om zich op de te dier plaatse regeerende familie der Reesens te wreken: vroeger door hem en op zijn aanstoken vervolgd, hadden deze zich van den hun opgedichten blaam gezuiverd: de aanstotelijke wandel daarentegen des dekens was niet gelogenstraft. Maar wat gebeurde? Alva en de Bloedraad verschenen. De deken, die steeds zijnen rang behouden en zijne veete met de Reesens voortgezet had, werd in het gelijk gesteld. De beide Reesens, burgemeester en secretaris der stad, werden na eene langdurige gevangenis gevonnisd en gedurende eenige jaren in een klooster gestoken, totdat zij van hunne regtzinnigheid bewijzen zouden hebben geleverd. Zoo weinig had de Bloedraad te hunnen laste gevonden, 't welk steek hield!
Ik heb uitvoerig mijn stelsel ontwikkeld omtrent den eigent-
lijken oorsprong der omwenteling van 1566, en ik moet opmerken, dat alle de bijzonderheden, welke ik tot staving mijner opvatting heb aangevoerd, niet uitsluitend uit de boven aangevoerde informatiën zijn geput, Ik ga over tot een uitvoerig berigt van de bronnen, welke ik sedert mijn laatste rapport heb geraadpleegd.
In de eerste plaats moet ik hier vermelden de correspondentie van Chantonnay gedurende het eerste jaar van zijn gezantschap aan het Fransche hof. Ik heb in mijn vorig berigt gesproken van de kopyen, voor meer dan vijftig jaren onder het toezigt van den toenmaligen Archivist, Graaf De Wynandts, voor de Oostenrijksche regering vervaardigd1). Wanneer ik zeg, dat de correspondentie van Chantonnay tot die kopyen behoort, kan ik er wel een: helaas! bijvoegen. Zoo toch is gebeurd, dat die kopyen zelve de zinstorendste fouten opleveren, dat de originelen verdwenen zijn, de Hemel weet werwaarts, en dat het afschrift juist daar ophoudt, waar wij het meeste regt hebben nieuwsgierig te zijn naar het vervolg. Ik heb het meerendeel dier kopyen gecopyeerd en waar ik kon bij gissing den hoogst bedorvenen tekst trachten te herstellen. Een veertigtal zeer uitvoerige brieven hebben alzoo mijne verzameling verrijkt. Ik ben er eenige rekenschap van verschuldigd.
Dadelijk na het sluiten van den vrede van Cateau-Cambresis vertrok Chantonnay naar Frankrijk met den vollen rang en waardigheid van gezant, terwijl aan den Franschen zendeling in deze gewesten geen hooger rang dan die van agent werd toegekend. Chantonnay had over de behoorlijke uitvoering van de nieuwelings getroffene overeenkomsten te waken en tevens eene zekere eenheid van stelsel tusschen de staatkunde zijns meesters en die van den magtigen nabuur en mededinger te bevorderen. Over het eerste punt zal ik niet uitvoerig zijn. Vele brieven zijn opgevuld met de onderhandelingen over de wederzijdsche regten op grensplaatsen in Luxemburg en Picardye, waarover tot in 1564 en 1565 herhaalde zamenkomsten tusschen de afgevaardigden van beide partijen werden gehouden. Eenige dier brieven geven niet zoozeer ophelderingen omtrent, als wel dagteekeningen voor het verblijf des Prinsen van Oranje als gijzelaar in Frankrijk. Ik heb niets ge-
vonden voor noch tegen de naauwe vertrouwdheid des Prinsen met Koning Hendrik II, welke de grondslag zijn moet voor de bekende mededeeling, waarvan in 's Prinsen Apologie van 1580 melding wordt gemaakt; ik heb evenmin iets gevonden van de huwelijksplannen des Prinsen met de Gravin van St. Pol, waarvan Languet (Epist. Secr. L. II p. 52) gewaagt; maar ik moet op grond dier brieven de meening bestrijden, als ware's Prinsen verblijf in Frankrijk van eenigen duur geweest. De gijzelaars vertoonden zich één oogenblik slechts en bekwamen terstond daarna verlof. Zij dienden voorts om als voorwerpen van weelde luister bij te zetten aan de feesten, waartoe de krooning van Frans II aanleiding gaf; om mij van eene hedendaagsche uitdrukking te bedienen: zij maakten daar tapisserie; men liet ze kijken aan de Staten, die daarop aandrongen om de overtuiging te hebben, dat zij door de diplomatie niet werden verschalkt.
Het andere oogpunt is belangrijker. Chantonnay, geheel en al deelgenoot van de inzigten zijns broeders en zelf staatsman van onmiskenbare bekwaamheid, had na den vrede de roeping om voor eene geheel nieuwe staatkunde in Frankrijk den weg te banen. Welke was die? Het stelsel, hetwelk opentlijk beleden en betuigd werd, luidde in de woorden van Chantonnay aldus: ‘Ayant donné nre. seigneur paix universelle, elle se doibt emploier au remède de la Chrestienneté par ung concille, lequel ne se peult tenir sans la paix universelle; car à quelque tiltre qu'il y eult maulvaise, difficilement se rendroient les partis à ung accord quant à l'acceptation du concille.’ Die staatkunde des vredes was zeker het meest in overeenstemming met het karakter van den koning zijnen meester, die, van welke gruwelen en bloedstortingen ook zijne regering vol zij geweest, voor niets minder dan voor een krijgszuchtig vorst te houden is.
Maar deze vredelievende staatkunde stiet ten gevolge der omstandigheden op herhaalde teleurstellingen. In Frankrijk vond Chantonnay reeds aanstonds eenen woeligen en bekwamen tegenstander in den Engelschen afgezant Throgmorton. Betrokken, ten minste verdacht bij alle aanslagen, tegen de Guises en den kardinaal van Lotharingen ondernomen, droeg deze door zijnen ijver bij om de breuk, welke er tusschen Engeland en de koningin van
Schotland en Frankrijk tevens, Maria Stuart, ontstaan was, te verwijden. In Frankrijk en ter zake der Schotsche aangelegenheden, waarbij Elisabeth opentlijk de zijde der opstandelingen en van hun hoofd den Graaf van Arran had gekozen, ontbond zich het eerst die vereeniging tusschen Spanje en Engeland, welke de kracht van beide in den kamp met Frankrijk had uitgemaakt.
Welke schuld had daaraan Spanje? Chantonnay verloochende de beginselen niet, waarvan wij hierboven de opentlijke betuiging hebben medegedeeld. Toen Throgmorton beweerde, dat de krijgslieden, die in de Nederlanden afgedankt werden, in Schotland onder de troepen der Koningin dienst namen, verontschuldigde Chantonnay de Landvoogdes met de onmogelijkheid, waarin zij zich bevond van op alles het oog te houden (Brief van 19 Februarij 1560). Weinig dagen later verklaarde dezelfde afgezant, dat de koning van Spanje in het belang zijner godsdienst aan den koning van Frankrijk bijstand had beloofd, en Chantonnay, die zijn programma geloochenstraft zag, wist niet wat te antwoorden. Kort te voren had Chantonnay aan zijne meesteres het volgende geschreven: ‘Le Sr. Cardinal (de Lorraine) dict - maisjem'en remets à ce qu' en est - qu' à l'ambassadeur de France Sa Maté auroit déclairé expressément et en plein conseil, que pour le chastoy des Escossois et leur rebellion allencontre leur Prince et pour remédier le faict de la religion, il offroit au Roy très-Chrestien toutes ses forces tant de Flandres que d'Espaigne, navires et aultres equippaiges, sans toutesfois vouloir permectre ny consentir, que l'on feist trouble et fascherie au royaulme et pays de la reine d'Angleterre.’
Wat Chantonnay schreef en de Kardinaal van Lotharingen beweerde, was waarachtig. In eene onderhandeling, tusschen den Hertog van Alva en den Franschen gezant te Madrid, den Bisschop van Limoges, gepleegd, had de eerste beweerd, dat de hulp en bijstand, welke hij den Franschen tegen de opstandelingen in Schotland had toegezegd, zijnen meester bijna in eene vredebreuk met Engeland hadden gebragt.
Was er derhalve voor de onderhandelingen met Frankrijk eene opentlijk erkende staatkunde, die door Chantonnay werd vertegenwoordigd, en eene andere, welke, aan het hof van Madrid
werkzaam, zich naar de hartstogten en de eischen des oogenbliks regelde? Eer wij die vraag beantwoorden, moeten wij ons nog eene aanmerking veroorlooven.
Chantonnay had in zijn, mag ik het dus noemen, programma eene zamenwerking der hoven van Spanje en Frankrijk aangekondigd, om tot eenstemmigheid des geloofs en de eindelijke regeling van de belangen der Christenheid door een algemeen concilie te geraken. Doch ook dit punt werd niet geheel aan hem overgelaten: het maakte het bepaalde onderwerp uit van de zending des Groot-Priors, Don Antonio de Toledo, naar Frankrijk in September 1560. Om dien uitslag echter voor te bereiden, was insgelijks Chantonnay werkzaam. Doordrongen als hij was van de staatkunde zijns broeders, was hij in Frankrijk de tolk diens eigene gedachten, en onze voorgedragene stellingen omtrent Granvelles onverdraagzaamheid vinden hare bevestiging in deze en dergelijke verklaringen zijns broeders: ‘M. le Cardinal (de Lorraine) a beaucoup d'ennemis et sont multipliés à cause de la relligion, en laquelle je leur aye souvent dict du commencement, que l'on y ailloit trop doulcement avecq trop de respect et à la longue, leur remectant souvent devant la fachon du Roy nostre maistre; mais jamais ilz ne se sont eschauffez, et encoires n'est faict le procès du conseillier Du Bourg (den bekenden edelen martelaar Anne du Bourg) ny ses compaignons.’
Een ander maal had Chantonnay een onderhoud met den maarschalk van St. André, die zich beklaagde over de omslagtigheid en het lankwijlige der ketterprocessen voor de gewoone regtbanken, en sprak van eene in te voeren ‘sommiere regtspleging’. Chantonnay antwoordde, zooals hij aan zijnen broeder schreef: ‘que toute sorte d'abbréviations de rigueur en ce faict de relligion estoit grandement à louer en la nécessité présente, et qu'il y failloit monstrer visaige sans acception de personnes, car c'estoit ce qui faisoit sonner le chastoy et trembler tous les subjectz’1).
Chantonnay's werkzaamheid echter bepaalde zich tot dergelijke raadgevingen. Gelijk de zaak van het concilie aan eenen buitengewoonen gezant werd opgedragen, zoo vinden wij, dat de Koning door denzelfden de verklaring liet geven, dat, ingevalle de Hugenooten het der Fransche regeering te benaauwd maakten: ‘si se quiere valer de nuestras fuerças y poder le empleeremos de tan buena gaña en ello, como lo veera con effecto, y aun si fuere menester aceder a ello con nuestra propria persona lo haremos, dexandolo en su arbitrio.’ Men kent de uitkomst. Philips zond van de zijde van Perpignan eenige troepen in Frankrijk, welke tot de overwinning der Guisen en den vrede van Amboise hebben bijgedragen1).
Hier herhaal ik de vraag of er eene politiek bestond, welke buiten het hof van Brussel en buiten Granvelle omging? Ik geloof die vraag wat het hof van Brussel betreft, met ja, voorzooverre Granvelle, met neen te moeten beantwoorden. Ik heb elders2) eenen brief van Margaretha van Parma aan den Koning medegedeeld, waarin zij hem alle gewapende inmenging in de Fransche burgertwisten ten stelligste afraadt. De brief was de uitdrukking van het gevoelen des Raads van State, die, hoezeer ook onderling verdeeld, echter bij zijne beslissingen aanzienlijke regten toekende aan de wenschen en inzigten der natie en de belangen des lands. Ook Margaretha kan bij het schrijven van dien brief opregt, al zij het ook min consequent, geweest zijn. Ik zeg: min consequent; want in katholijken ijver deed zij voorzeker noch voor ha-
ren broeder noch voor haren eersten staatsdienaar onder. Maar de een en de ander ontveinsden zich niet, dat de geweldige onderdrukking der ketterij en het op gevaar eens oorlogs bijspringen, wanneer de Fransche Hugenoterij dreigend het hoofd opstak, schakels van een en denzelfden keten waren. De stukken, door den Heer Gachard uit de Archiven van Simancas aan het licht gebragt, verdienen ook hier met oplettendheid te worden geraadpleegd. Wij vinden er een brief van de Landvoogdes aan den Koning, in Julij 1562 in denzelfden geest als de bovenaangehaalde geschreven. Wij vinden er, ik moet het erkennen, een anderen (bl. 206) van Granvelle, waarin ook hij de interventie afraadt. Zijn wij gedwongen aan zijne goede trouw te dien opzigte geloof te hechten? ik kan het naauwelijks. Ik houd het er voor, dat hij bij het schrijven van dezen brief voor de moeijelijkheden van het oogenblik zwicht, en dat hij er om geene andere reden de tegenwoordigheid des Konings zelven wenscht, dan om eene opentlijke verklaring ten voordeele der Guises en eene krachtiger inmenging in de twisten der naburen te verwerven. Immers uit de verzameling leeren wij, dat Granvelle in December deszelfden jaars bij den Koning aanhield, dat deze de katholijken in Frankrijk zou ondersteunen. De brief, door Granvelle aan 's Konings geheimschrijver Gonçalo Perez geschreven (No. LXXV bij Gachard), geeft ons de sleutel van Granvelles dubbelzinnigheid. Op het oogenblik, waarop hij den koning den veldtogt in Frankrijk afried, werd hij juist door de drie Heeren op het levendigst beschuldigd van aan het tot stand brengen eener Katholijke ligue te arbeiden (vergelijk Gachard ald. p. 207). Terwijl ik deze plaatsen aanhaal als een bewijs, hoe zelfs de geheime correspondentie uit de Archiven van Simancas eene vergelijking met andere officiële oorkonden vordert, eer men zich veiliglijk op haren inhoud mag verlaten, kan ik de overtuiging niet verzwijgen, dat Granvelle dezelfde plannen had met zijnen meester, ook wanneer hij ten opzigte van het oogenblik en de wijze der uitvoering van hem verschilde. Ik verwijs voorts ter bevestiging van mijn gevoelen naar hetgeen ik in mijn vorig rapport omtrent de krijgsligtingen van Hertog Erik van Brunswijk heb medegedeeld1). De avontuurlijke togt, welke
dezen ten langen leste tot aan de grenzen van Polen voerde, is mij onverklaarbaar, tenzij men onderstelle, dat de ligtingen van dien vorst op aanstooken zijns magtigen beschermers, Granvelle, geschied zijn, en dat deze daarmede eene afleiding bedoelde voor die Rijksvorsten, welke gewapenderhand de zaak der Hugenoten schenen te willen ondersteunen, - toerustingen, die ter eener en ter andere zijde door de gevangenis van Condé en den vrede van Amboise nutteloos zijn geworden.
Ik heb reeds boven gezegd, dat de kopyen van Chantonnay's briefwisseling, door Graaf Wijnandts bijeengebragt, zich tot de jaren 1559 en 1560 bepalen. Voor de volgende jaren heb ik slechts verstrooide en onzamenhangende brieven gevonden en mij ontbreekt dus de gelegenheid mijne beschouwingen, wat de politiek der latere jaren betreft, aan de oorkonden zelve te toetsen. Eene algemeene gevolgtrekking echter kan ik uit het bijeengebragte maken, welke, hoe onwaarschijnlijk ook, van alle zijden gestaafd wordt. Zij is deze: Granvelle, de geestelijke, de kerkvoogd, de diplomaat, volgde eene politiek, misschien niet zoozeer oorlogszuchtig als wel twistziek, - ik had bijna het Fransche woord hargneux geschreven. Zijne politiek stelde het land elk oogenblik aan het gevaar eens oorlogs bloot; de kwestiën over de grensscheiding en over de uitvoering van het verdrag van Câteau-Cambresis werden door hem met eene scherpte, eene gezetheid op het uiterste regt gedreven, welke hem herhaaldelijk zelfs met den eensdenkenden Kardinaal van Lotharingen in oneenigheid bragt; hij was het, die de Nederlanden met Denemarken in onmin hield en die opentlijk en heimelijk de vijandschap tusschen Engeland en dezen Staat voedde1). De drie Heeren daarentegen, die hem in het bestuur vervingen, schoon door geboorte, vorming en gewoonte veeleer mannen van het zwaard dan van den tabberd, huldigden
een tegenovergesteld beginsel; zij zochten de bondgenooten voor den staat te behouden, streefden naar oplossing der verschilpunten langs minnelijke schikking en deden beurtelings aan Frankrijk en Engeland inwilligingen, welke men niet dan met moeite aan Granvelle zou hebben ontscheurd.
Het is mij onmogelijk, onder eene enkele rubriek of beschouwing te brengen de lijvige bundels, die onder den titel Lettres missives door den Heer Gachard tot één zijn gebragt. Ongeveer vier honderd stukken van zeer verschillenden aard en oorsprong zijn daarin naast elkander geplaatst. Zij vangen met het jaar 1561 aan en loopen door tot het vertrek der Landvoogdes uit de Nederlanden. Van voor 1566 heb ik er zeer weinige aangetroffen, die van eenige beteekenis zijn. Met het genoemde jaar echter worden zij belangrijk. Van alle heb ik nota, van zeer vele kopy genomen. Eenige, waarvan het historisch gewigt meer bijzonderlijk in het oog valt of die tot opheldering van nog duistere feiten onzer geschiedenis kunnen strekken, zal ik achtervolgens opgeven:
1o. Te Water heeft in zijne Geschiedenis van het Verbond der Edelen Dl. I p. 326-329 de echtheid verdedigd eener voorgewende verklaring, door de Vliesridders na de inlevering van het smeekschrift aan de verbondene Edelen gedaan, waarbij zij verzekerden, dat er voortaan om het geloof geene vervolgingen meer zouden plaats grijpen. Strada had de echtheid van dat stuk betwijfeld, en de Heer Groen van Prinsterer heeft zich met zijn gevoelen vereenigd (Archives etc. T. II p. 92). Ter bevestiging van hun oordeel is, geloof ik, het volgende stuk alles afdoende.