terug  begin  verderprepost
[p. 309]

De beweegredenen van onzen opstand tegen Spanje.

[p. 311]

De beweegredenen van onzen opstand tegen Spanje. (1849).

In een brief van 21 Februari 1851 aan Bake1) schrijft Bakhuizen van den Brink het volgende: ‘Ik hoor u dunkt mij vragen, waar mijne geschiedenis der Inquisitie blijft, die ik laatst onderhanden had. Het is een lang verhaal, en ik vrees reeds al te zeer uw geduld te hebben vermoeid. Laat het u eens om het even zijn, hoe ik er aan kwam. Maar voor een groot jaar had ik iets na te kijken over een enkel, een klein feit van het jaar 1577. Ik keek daarvoor hier de archieven na en ik vond veel, dat mij onbekend was en ik ook bij anderen niet geboekt vond. De onderhandelingen met Don Jan hebben dit eigenaardige, dat de hitte der hartstogten ietwat bekoeld was: dat men politiseerde en reflecteerde over hetgeen vroeger met hartstogt gedreven of in de verbijstering van den krijg gedaan was. Men gaf zichzelven en anderen rekenschap van zijne grieven, van zijne verlangens, van zijne bedoelingen. Ik voor mij houd van nature niets van den oorlog: ik ben bijna een man van het vredescongres. Ik vond er genoegen in, de diplomatische sluipgangen dier tijden na te gaan, liever dan mij in het gedruisch van oproeren, slagen en stadsplunderingen te begeven. Zoo kwam de gedachte bij mij op, eens de bronnen der geschiedenis van de onderhandelingen met Don Jan (d.i.: de pacificatie van Gend, de unie van Brussel, den vrede van Marche) tot de uitbarsting van den nieuwen oorlog na te gaan: de geschiedenis in het kort van den gezamenlijken opstand der Nederlanden. Voor mijne inleiding had ik al spoedig noodig vroeger en hooger op te klimmen: ik bestudeerde dus de geschiedenis van de vredehandeling van Breda in 1575. Ik heb daarvoor twee lijvige folianten met manuscript-stukken over de onderhandelingen van

[p. 312]

Breda doorplozen. Ik begon mijne inleiding, en thans stuitte ik juist op die beschouwingen van Kluit, waarover ik hierboven sprak. Ik werkte op mijne wijze mijn gevoelen uit over de beweegredenen van onzen opstand en de redenen, die daarvoor door de daarin betrokkenen aangenomen of voorgewend werden. Onder die redenen behoorde ook de Spaansche Inquisitie.’

In deze regelen wordt de aanleiding tot het schrijven van het opstel over de Vredesonderhandelingen met Spanje, waarvan hierachter een groot gedeelte wordt medegedeeld, duidelijk uiteengezet; het doel daarvan wordt in den aanhef zelf uitvoerig behandeld. Hoewel fragment, scheen dit gedeelte van het stuk ons merkwaardig genoeg, om ook thans nog de uitgaaf te verdienen: het vormt eenigszins een geheel, al is het zeker in het oog vallend slecht gecomponeerd.

Om zijn inhoud reeds op zich zelf belangrijk, schijnt het fragment bovendien de aandacht ook om eene andere reden te verdienen: het maakt ons duidelijk, waarom de geniale schrijver, in wiens hoofd zich eene steeds toenemende, verbazingwekkende massa kennis ophoopte, er toch zoo hoogst zelden toe gekomen is, die kennis, die toch allerminst een onverwerkte massa heeten kon, in afgeronde opstellen vruchtbaar te maken voor zijn volk. Hij gaat uit om te onderzoeken, welk doel de leiders van den opstand nastreefden bij het voeren van onderhandelingen over vrede met den Spaanschen koning. Hij vindt veel belangrijks, meer dan genoeg om een boek te schrijven. Maar als hij overpeinst, welke oorzaken hebben geleid tot den opstand tegen Spanje, dan trekt allereerst de Inquisitie zijne aandacht. Hij wil, hij moet er meer van weten; hij kan niet nalaten, over deze zaak, die hem al spoedig blijkt onvoldoende bekend te zijn, een nieuw, een grondig onderzoek in te stellen. Hij verdiept er zich in; hij vindt steeds meer feiten, die de zaak in een geheel nieuw daglicht stellen; altijd meer grijpt het onderwerp hem aan. Maar hoe meer hij zich daarin verdiept, hoe verder hij zich verwijdert van zijn eigenlijk doel: de geschiedenis van de vredesonderhandelingen met Spanje.

Wij zien in ons fragment den overgang: het begint met de vredesonderhandelingen, het eindigt met de Inquisitie. Doch hoe onsamenhangend ook van inhoud, die inhoud op zich zelf schijnt ons de mededeeling ten volle te verdienen: het stuk is zwaar van studie en kennis, en al is de vorm wat verouderd, wij herkennen ook hier telkens ‘la griffe du lion.’.

[p. 313]

De beweegredenen van onzen opstand tegen Spanje.

Een oorlog, veertig jaren lang met de uiterste inspanning van krachten gevoerd door een volk, dat van nature niet oorlogzuchtig (is) en door bloedmenging (en) luchtgestel vrede en rust boven alles beminnen moet, en die oorlog tot een zegenrijken uitslag gebragt, is geen werk van menschelijke willekeur, het is een werk der Voorzienigheid. Wij spreken van een veertigjarigen oorlog, om niets te overdrijven; wat men den tachtigjarigen oorlog noemt, werd door een bestand afgebroken en sedert de hervatting naar verschillende beginselen tot een verschillend doel gevoerd. Het is waar, gedurende die veertig jaren werd de oorlog gerekt door de tusschenkomst van vreemde mogendheden en ondersteund door buitenlandschen bijstand; maar men verlieze ter andere zijde niet uit het oog, dat diezelfde oorlog, naar aanslag van de zwakheid der natie die de worsteling ondernam, en de magt des vijands met wien zij te kampen had, op niet langer dan twee jaren was berekend. Aan het einde van dit tijdperk vinden wij zeker Holland en Zeeland, kleine gewesten, die eeniglijk den last des oorlogs hadden gedragen, onmiskenbaar in hun voordeel; lag het aan de dapperheid der strijders of aan de eensgezindheid der hoofden? Volgens het tafereel, daarvan door onze geschiedschrijvers opgehangen, verdient voorzeker de eerste onze hulde en bewondering; maar de billijkheid vordert, dat wij die eigenschap evenzeer, zoo niet nog meer, in onze vijanden erkennen. En wat de eendragt betreft, helaas, de schoone spreuk werd op onze munt gestempeld, toen de magt reeds verkregen was: vóor dien tijd was zij of nergens of slechts als gevolg der nooddwang aanwezig. Was het dan de tijd, die alom het voorbeeld van geweld of noodweer gaf en geen ander gewigt in den evenaar van Europa gelden liet dan

[p. 314]

het gewigt van het zwaard? Neen, de eeuw der kleine veden was ten einde; de groote oorlogen waren door een vrede beslecht, die de toejuiching aller natiën, die de betrekkelijke uitgeputheid der voornaamste vorsten en volken bestendig maakte; er had geene bijeenkomst tusschen hunne afgezanten plaats, waar niet vrede, vrede bijna tot elken prijs, de leuze was. Was dan van de aanvoerders der strijdende partijen de één een veroveraar, een tyran, de ander een held, maar een held als Aristomenes, als Hannibal, als Sertorius, als Tzitschka, wier laatste reden in de snede van hun zwaard lag? Wij zullen meer dan eene gelegenheid hebben beider drijfveeren, beider karakter te ontwikkelen; thans antwoorden wij voorloopig, met gelijke overtuiging, op de eene en de andere vraag: neen!

Het gezegde is, dunkt ons, genoeg om de gevolgtrekking te veroorlooven, dat de geest des oorlogs een zoo uitgestrekt tijdperk niet uitsluitend heeft kunnen beheerschen. Het zwaard slaat zichzelve bot: de hartstogten verloopen door hare eigene overspanning: de wrok sterft met de beleedigden, en hunne opvolgers verliezen, met het gevoel der grieven, de oorzaken der vijandschap: de eerzucht zelve wordt meer handelbaar, naarmate het krimpen der jaren of het oprijzen van moeijelijkheden haren gezigteinder beperkt. Terwijl de schrijvers onzer natie, zoowel als die uit onze vijanden, de geschiedenis van dat tijdvak als de geschiedenis der Nederlandsche oorlogen of der oorlogen van Vlaanderen hebben beschreven, is het uit hetgeen wij aanvoerden - en wij vatten het hier kortelijk te zamen, - uit de beschouwing van het karakter der oorlogvoerende natie, van hare middelen, van haren aanvoerder, van haren tegenstander, van den tijd en de omstandigheden waaronder de oorlog plaats had, duidelijk, dat die oorlog slechts de wensch van vrede en met die wensch de pogingen om daartoe te geraken zal hebben opgewekt. Wij bezitten, nevens de geschiedenissen van onzen vrijheidsoorlog, die van de wording onzes onafhankelijken staats tamelijk volledig; eene derde geschiedenis verdient, wij hoopen om onzentwille, een grondiger onderzoek: de geschiedenis der vredesonderhandelingen gedurende dat tijdvak. Zij voegt in den trits; zonder haar is het juiste overzigt des geheels onmogelijk of onvolkomen.

[p. 315]

De geschiedenis der vredesonderhandelingen is ook uit een ander oogpunt belangrijk. Zij is niet slechts de keerzijde van de geschiedenis der Nederlandsche oorlogen, zij is daarvan een wezentlijk bestanddeel. Veel hangt in alle oorlogen van kansen af, die in niemands magt staan: groot is daaraan het aandeel der hartstogten, die, al ontmoeten zij ook elkander op het slagveld in het doel van vernieling des gemeenschappelijken vijands of van eigen zelfbehoud, desniettemin uit de verschillendste drijfveren ontstaan, zich in de verschillendste (omhulsels) kleeden en de uiteenloopendste verwachtingen opwekken. Het gedruisch van den krijg verbijstert het denkvermogen; de willekeur van de krijgswet, de prikkel der krijgsmanseer, en eene onbeschrijfbare woede, welke te midden der tooneelen van bloedvergieten en verwoesting van de zinnen zich meester maakt, storten met eenparige kracht hare slachtoffers blindelings in den dood. Eerst de gedachte van vrede wekt het nadenken en vordert van de strijdenden rekenschap, om welke reden en met welk doel zij oorlogen. Duurt de reden nog voort, is het doel nog onbereikt, dan is zeker in weerwil aller onderhandelingen, zoo men zich niet met de klank der woorden wil laten bedriegen, de vrede eene onmogelijkheid; maar zoo ter eene zijde de kalmte der onderhandelingen nieuwe toerustingen mogelijk gemaakt en de uitgeputte krachten hersteld heeft, ter andere zijde is het haar heilzaamste gevolg, dat zij voor den oorlog zelven de grenzen heeft bepaald, dat zij aan de redeneering een overwigt verschaft heeft te midden van de afwisselingen der fortuin, dat zij met één woord de theorie heeft geleverd voor hetgeen tot dusverre aan de onzekerheid der praktijk was overgelaten. Zoo ergens, dan hadden zeker de vredesonderhandelingen, wier geschiedenis wij beschrijven zullen, dien invloed, en wij aarzelen niet te verklaren, dat zij voor de wording en de geschiedenis van ons gemeenebest belangrijker geweest zijn dan misschien het oorlogvoeren zelf. Welligt was het karakter onzer voorouders van voor driehonderd jaren niet zoo verschillend van het karakter onzer tijdgenooten, als het ons in oogenblikken van moedeloosheid wel toeschijnt. Zoo min toen als heden bragt de nacht- en dagevening aan ons koud klimaat de lente aan: zoo min toen als heden werd onze harde bodem ontsloten door de eerste zonnestralen; maar

[p. 316]

ook zoo min toen als heden ontwaakte de geest onzer natie in alle zijne kracht bij het eerste doorbreken van nieuwe denkbeelden. Lang overleggen alvorens te handelen, is het erfelijk kenmerk van onzen landaard, en zoo daarmede het vasthoudend handhaven van het gedane gewoonlijk gepaard gaat, het is slechts op voorwaarde, dat de overtuiging van wel en wijsselijk te hebben gehandeld, duurzaam zijne steun vinde in duchtige redeneering. De daad zonder ernstig wikken gepleegd, de daad in overijling schoon met den besten wil bedreven, gaat òf vruchteloos voorbij òf heeft eerst dan hare volle uitwerking, wanneer zij den toets der ondervinding of van kalm nadenken heeft doorgestaan. Wanneer zich ons met de gebeurtenissen van het jaar 1576 voor oogen de vraag zal opdringen, of men toen niet op dezelfde hoogte stond, waarop men in 1566 had gestaan of ten minste had behooren te staan; of de gedurende tien jaren vergoten stroomen bloeds, jammeren zonder tal, ondergang der algemeene en bijzondere welvaart, verderf en verwoesting van staat en huisgezin, niet anders hadden geleerd, dan dat men thans als uiterste redmiddel had aan te grijpen, wat men tien jaren geleden als voorbehoedmiddel had behooren te gebruiken; wanneer zich die vraag aan ons opdringt en helaas met ja moet beantwoord worden, dan vindt de zaak hare verklaring in het karakter der Nederlanders, en de pijnlijke indruk daardoor opgewekt wordt uitgewischt door de gedachte, dat van toen af de grondslagen voor de nieuwe orde van zaken des te vaster en te onwrikbaarder waren gevestigd.

Zal de geschiedenis der vredehandelingen in den opgegeven zin als (een wezenlijk bestanddeel1) van den oorlog volledig zijn, dan vinden wij ons gedwongen kortelijk tot de beginselen van den oorlog op te klimmen.

Zooals van vele groote gebeurtenissen, is de wording onzer onafhankelijkheid van nevelen omgeven: nevelen te digter, omdat partijzucht alles in het werk stelde om hare opklaring te belemmeren. Men vergeve het ons, wanneer wij op onze beurt mistasten; maar wij doen onzen greep niet dan na langdurig overleg: het begin van den oorlog moet gesteld worden van het oogen-

[p. 317]

blik af, waarop zich twee oorspronkelijk onderscheidene partijen tot een gemeenschappelijk doel vereenigden. De partijen zijn de Nederlandsche Hervormden en de prins van Oranje, het gemeenschappelijk doel de verjaging der Spanjaarden, het tijdstip der vereeniging het begin des jaars 1568.

Wat men ook van de schending der voorregten en aloude herkomsten zegge, zeker is, dat het Nederlandsche volk daarvan gedurende de regering van Margaretha van Parma geene reden van oorlog heeft gemaakt. Op sommige punten van beklag, zooals b.v. ten opzigte van de inlijving der abdijen in Brabant, had zij inschikkelijkheid getoond; tot op het laatste oogenblik had zij opentlijk en bij advijs van haren raad op eene bijeenkomst der Staten, het eenige middel tot herstel der grieven, aangedrongen. De volksligtingen, door haar op 's konings bevel aangevangen, waren door de omstandigheden gewettigd; zij waren een maatregel van voorzorg, opdat oversten en krijgslieden buiten dienst niet door de vijanden zouden worden in het werk gesteld; zij hadden plaats in het Duitsche rijk onder de gewoone loontrekkende vorsten en legerhoofden des konings; de meeste dier wervingen werden sedert door Alva afgekeurd en ontbonden. Ook was het niet met deze vreemdelingen, dat de overwinningen van Watrelos en Lannoy en Austruweel bevochten, dat Valenchijn, Doornik, Vianen, Maestricht en 's Hertogenbosch bedwongen waren: landgenooten hadden onder aanvoerders uit de natie zelve tegen landgenooten gekampt. De buitengewoone gevolmagtigden, die zij met het onderzoek naar de oorzaken van en de schuldigen aan de voorgevallene beroerten had belast, waren Nederlanders, uit de gewesten of plaatsen waar zij onderzoek deden afkomstig; het teregt halsstarrig gehandhaafde voorregt de non evocando was over het geheel niet geschonden geworden, zoo min door hen als door de schepenbanken, welke elders met de vervolging der schuldigen belast waren, en die slechts in de uiterste gevallen een doodvonnis uitspraken en gewoonlijk zich met een openbare boete (escondit) vergenoegden. De strengheid, te Valenchijn en te Oosterweel geoefend, kwam even weinig ter laste van vreemdelingen: Nederlanders hadden krijgsregt geoefend tegen met de wapenen in de hand gevangene opstandelingen. Had die

[p. 318]

strafheid enkele verdienstelijke mannen, die alles voor de waarheid en de overtuiging huns gewetens overhadden, zooals Jonker Jan van Renesse te Utrecht, of de beide leeraars van Valenchijn, Guy de Bray en Peregrin de la Grange, getroffen, het was te betreuren; maar het was de schuld van de onrekbaarheid der wetten in eene eeuw van onverdraagzaamheid. De hooggeroemde voorregten konden zoo weinig ten voordeele der Hervormden strekken, dat de koning zich juist op de bezworene voorregten zelve beriep, ten bewijze dat de Roomsche godsdienst uitsluitend gehandhaafd en geene andere nevens die mogt geduld worden1).

Het was er verre van, dat de Hervormden met eene dergelijke opvatting zouden hebben ingestemd, en zij hadden onregt. Men kon waarborgen verlangen tegen de invoering der Inquisitie; men kon niet de herroeping der plakkaten, maar de wijziging van deze naar 's lands oude voorregten vorderen; men kon, behoudens echter het van oudsher erkende regt(der) Bisschoppen tot geloofsonderzoek, misschien gewetensvrijheid bejagen. Maar van gewetensvrijheid kon tot vrijheid van godsdienstoefening de brug door geene redenering worden gelegd. Het was intusschen die vrijheid, welke de Hervormden verlangden, en welke hun, zooals zij beweerden, door de Landvoogdes eerst toegestaan was, maar die zij later met schandelijke verbreking van haar plegtig gegeven woord hun had ontnomen. Namelijk in Augustus 1566, toen de beeldstorming over het gansche land was losgebroken, toen een hoop gewapend gepeupel de kracht der wet had verlamd en de overheden, alom door vrees en verbijstering getroffen, het zwaard der geregtigheid in hare tabbaarden verborgen, toen de hoofden der benden van ordonnantie opentlijk verklaard hadden, dat er op hunne onderhoorigen niet te rekenen viel, toen Brussel zelve van verdachte lieden vol was, gereed ten aanschouwen en ten spijt der Landvoogdesse het uiterste te wagen, had zij, doch slechts mondeling, toegestaan, dat de predikatiën ter plaatse, waar zij tot dusverre hadden plaats gehad, zouden mogen worden voortgezet, totdat de Koning bij rade der Algemeene Staten anders zou hebben besloten. De Hervormden beschouwden de verleende

[p. 319]

vrijheid van prediking als vrijheid van godsdienstoefening, en het lijdt geenen twijfel, dat op het oogenblik der inwilliging de zaak aldus begrepen was. Later kwam de onderscheiding ter bane, volgens welke de vrijheid van prediken geenszins de vrijheid van doop, avondmaal, kerkelijk huwelijk enz. in zich bevatte: onderscheiding, waaraan Margaretha waarschijnlijk zelve niet had gedacht op het oogenblik, dat men haar met het mes op de keel alles afdwong, mits slechts de orde binnen Brussel en hare eigene veiligheid behouden bleven, maar die zij gretig aangreep, zoodra zij zich sterk genoeg voelde nieuwe aanmatigingen met geweld te keer te gaan. Maar al laat zich hare goede trouw niet in allen opzigte verdedigen, de spitsvondige onderscheiding, die zij te baat nam, was tevens een bewijs, dat zij zich aan de letter des regts gebonden achtte. Bovendien, kon een besluit, haar onder het aangrimmen der volkswoede afgeperst, 's Konings regten verkorten? kon zulk een besluit als een volstrekt voorregt worden aangemerkt, zoolang overeenkomstig de bewoordingen zelve dit besluit onderworpen bleef aan de kennisneming en beraadslaging der Staten? Neen voorzeker! en te minder kon de Landvoogdes dus oordeelen, nadat de Staten, bewogen door geheime influisteringen, door angst voor de toekomst, door de buitensporigheden der Geuzen, door welke beweegredenen men wil, duidelijk genoeg te kennen gaven, tot welke partij zij neigden. Immers sedert December 1566 waren het de Staten, waarop de Hervormden het meest hadden gerekend, de Staten van Brabant en Vlaanderen, die opentlijk op de schorsing der predikatiën aandrongen; het waren de Prins van Oranje, de Graven van Egmond en Hoogstraten, vroeger de eerste verkondigers van de inwilligingen der Landvoogdes, die, deels door voordragten, deels door plakkaten, der oogluiking paal en perk stelden. Derhalve, nergens een geschreven regt, nergens een onbetwistbaar besluit, nergens een voor de toekomst beslissend verleden, waarmede de Hervormden de eischen, die zij deden, konden regtvaardigen.

Intusschen, het woord privilegiën had eene bedwelmende kracht. Toen en naderhand verstond de menigte, nu en dan opzettelijk, maar meestal ter goeder trouw, onder dat woord al wat de magt des Opperheers beperkte, al wat die der onderdanen uitbreidde.

[p. 320]

Onder voorregt verstonden de Hervormden misschien zelfs de der Landvoogdes afgedwongene vergunning, de punten hunner geheime overeenkomst, met de verbondene Edelen te St. Truyen gesloten, kortom alles, wat hun zekerheid van gewetensvrijheid (verleende) en (hen) tegen de Inquisitie en de plakkaten beveiligde. Zij wierpen zich op, de billijkheid verbiedt een ander woord te gebruiken, tot beschermers van 's lands voorregten en herkomsten; want zeker was het niet naar de ingevingen van bepaalde godsdienstige begrippen, noch naar de eenzijdige zienswijze eener godsdienstige partij, dat de groote vraag moest opgelost worden, of de privilegiën geschonden waren en wat in dit geval te doen stond.

Wat het beginsel van den oorlog betreft, wij kunnen als de hoofdoorzaak van den afval der Nederlanden geene andere dan de Hervorming en de door deze opgewekte zucht naar gewetensvrijheid opgeven. Wat men ook van het schenden der privilegiën door Philips zeggen moge, de oorsprong van den opstand en de wisselingen, welke zij onderging, kunnen slechts uit het beginsel, dat wij opgaven, verklaard worden. De Hervorming was de grondstof der beweging; de schending der privilegiën de vorm, waarin zich de gedachte verborg, het regtspunt, waarmede de Hervorming hare zaak bepleitte en eindelijk vrijspraak verwierf.

En geen wonder, dat de godsdienst zelve en hare strikte onderhouding in den rei en rang der voorregten eene plaats had verworven: de Stoel van Rome was vaak de toevlugt geweest en had volgens hare verpligtingen het meermalen moeten zijn voor de onderdanen tegen de aanmatigingen der heerschers, omdat zij de onafhankelijkste scheidsregter kon en had behooren te zijn in de twisten van volken en vorsten onderling en jegens anderen; omdat in de uiterste nood de poorten der kerk zich achter de vervolgden sloten en de woede der vervolgers daarvoor was blijven stilstaan. Intusschen de tijden waren veranderd, en dezelfde misbruiken in de kerk, welke de Hervorming hadden te voorschijn geroepen, hadden haren zedelijken invloed verbroken en haar tot eene bondgenoote of eene verpligte dienares der vorsten vernederd. Of keizer Karel tot het uitvaardigen der plakkaten gebragt

[p. 321]

zij door zijne onmiskenbare vroomheid, of omdat eenheid in het geloof hem eene onmisbare voorwaarde scheen voor die staatkundige eenheid, welke de grondslag van zijne opperheerschappij moest uitmaken, is eene vraag, welke wij niet willen oplossen. Zijn karakter was steeds een zonderling mengsel van list en naauwgezetheid, van heerschzucht en volksliefde, van veruitziende plannen en bekrompenheid van geest. Maar zeker was, dat de plakkaten tegen de Hervorming de aanleiding werden, waarbij hij de gewigtigste privilegiën zijner onderdanen verkrachtte. Het was eene groote onvoorzigtigheid en bleek in het vervolg een groote misslag, toen zijn zoon Filips, in de voetstappen zijns vaders volhardende, later noodlottigerwijze met zijne eigene ook diens ongeregtigheden boeten moest.

Van die voorregten waren er vele aan alle of de meeste Nederlandsche gewesten gemeen. Twee der voornaamste, het eene, volgens welke geen burger voor eene andere regtbank dan voor zijne natuurlijke regters en althans nimmer buiten de landpalen van zijn gewest mogt betrokken worden, het andere, waarbij verbeurdverklaring van goederen des veroordeelden ten eenenmale ongeoorloofd was, werden ondanks alle vertoogen der Staten aan de wezentlijke of gewaande godsdienstijver des Keizers opgeofferd. Die regtsverkrachting verkreeg haar beslag door het plakkaat van den 20en November 1549, waarbij verklaard werd, dat ketterij zoowel als Majesteitsschennis door alle gewesten der Nederlanden met verbeurdverklaring van goederen zou gestraft worden, niettegenstaande alle herkomsten, voorregten en gewoonten, door eenige steden of gewesten daartegen aangevoerd. Weinige maanden later, in Mei 1550, werd het berigtschrift, vijf jaren vroeger door den Keizer voor het geloofsonderzoek uitgevaardigd, gewijzigd en bevestigd, en daarmede was voortaan den Inquisiteurs niet alleen magt gegeven over Bisschoppen en Dekens, niet alleen over stedelijke en adelijke geregtshoven, maar zelfs over die gewestelijke Hoven, wier leden onder den onmiddelijken invloed des Opperheers stonden en wier regtsgebied vroeger met verkorting der aloude landregten was uitgebreid geworden. Van de verschillende gewesten onderscheidden zich Brabant, Holland en Vlaanderen, en naast deze Gelderland en Vriesland, door

[p. 322]

een standvastigen tegenstand tegen die inbreuken op hunne welgestaafde vrijheid. Van de genoemde gewesten werd die strijd door Brabant met het gelukkigste gevolg gevoerd; maar wij moeten het erkennen: daargelaten dat Brabant in vermogen boven alle uitstak, waren ook de voorregten dier provincie het best gestaafd en door de sterkste waarborgen beveiligd.

Het is vooral hierop, dat het aankomt. Van den jare 1260 af, toen Hendrik van Lotharingen de regten zijner onderdanen had gehuldigd, tot op de regeering van Maria van Bourgondië, had dit gewest in eene onafgebroken reeks van landregten en opene brieven zijne onafhankelijkheid van vorsten-willekeur allengskens tot de uiterste grenzen des toenmaligen staatsregts zien uitbreiden. Hadden ook Philips de Schoone en zijn magtige zoon en opvolger, Keizer Karel, de aanmatigingen niet minder dan de regten van Brabant besnoeid, er was tusschen het gezag van Brabant en dat der overige provinciën naauwelijks eene vergelijking mogelijk. Hier was het regt over de onderhoorigen ongelijk verdeeld, omdat enkele steden grootere voorregten dan de andere hadden; en niets viel gemakkelijker, dan door het opwekken van onderlingen nijd, den invloed, die aan het algemeen toekwam, te vernietigen. Daar was de uitlegging der voorregten aan de welwillendheid des vorsten zelven overgelaten; elders was een bijeenkomst der Staten van volstrekte onwaarde, tenzij die door den Vorst of namens hem door den Stadhouder waren beschreven; in een vierde of vijfde geval was alle landregt op een vredestraktaat, of liever op eene gedwongene onderwerping gevestigd, waarbij de veroveraar het aandeel van den leeuw vorderde, omdat hij leeuw heette. Elders eindelijk - dan, waartoe is het noodig, alle de feiten op te tellen of van alle landregten de letter aan te halen, sedert mannen als Slingelandt, Van de Spiegel, Kluit en De Jonge met de onwraakbaarste bewijsstukken den liefelijken droom van de aloude vrijheid en van de onafhankelijkheid der volksvertegenwoordiging hebben verdreven? Wat den meesten gewesten overschoot, indien de Opperheer zijne eeden met voeten trad, waren onderdanige smeekschriften of weigering der gevraagde beden.

Doch ook ten opzigte der laatstgemelde waarborg make men

[p. 323]

zich geene begoocheling. Met eenigen schijn van regt kon de nieuwerwetsche regel, welke het toestaan van gelden van herstel van grieven of van inwilligingen van de eischen des volks (afhankelijk) maakt, alleen voor Brabant gelden, waar lijdelijke ongehoorzaamheid en misschien nog iets meer aan de onderdanen door de Blijde Inkomst vergund was, zoolang de Vorst aan alle zijne verpligtingen niet had voldaan. De andere gewesten hadden strikt genomen zooveel regt niet. Zij hadden kennis te nemen van de bestaande behoefte; over hare wezenlijkheid, behoudens den eerbied voor de ruimere uitzigten des Regeerders, zelven uitspraak te doen; de gedane aanvraag met de bestaande behoefte te vergelijken; de mogelijkheid van hare inwilliging naar de hulpbronnen van het gewest te ramen en de wijze der opbrengst te bepalen. Zoo eng beperkt waren volgens de begrippen dier dagen de grenzen van dat vermeende regt; maar wij zijn verre van te ontkennen, dat inderdaad de Staten dikwijls die grenzen hebben overschreden, aangemoedigd door de verlegenheid des Vorsten of jaloersch op de voorregten hunner naburen. Strekken dergelijke handelingen van de zijde der Staten, hetzij die oogluikend gedoogd, hetzij die met gedwongene onderwerping waren aangenomen, tot grondslag voor hunne aanmatiging in het vervolg, - ook van zijne zijde kon de Vorst (zich) op voorregten beroepen, door Steden en Staten wegens muiterij ten eenenmale verbeurd, op verbeurdverklaringen, omdat schennis der goddelijke zoowel als schennis der menschelijke1) Majesteit alle regten vernietigde; op die in het oogvallende regtsverkrachting, welke vervanging of comprehensie heette.

Ik zou hier nog moeten bijvoegen, dat vele dusgenaamde privilegiën nimmer op gezegeld perkament bestaan hadden, maar slechts door bestevaars-mond als sprookjes onder het volk waren voortgeplant2). Maar waartoe meer? Privilegiën was een toover-

[p. 324]

woord, dat, hoe meer het op de tong werd rondgeschommeld, van beteekenis veranderde. In den grond, en zooals de vorm waarin zij gegeven werden het uitdrukte, waren privilegiën de stelligste bewijzen voor de oorspronkelijke magtsvolkomenheid der vorsten, en in den loop der tijden verstond het volk daaronder alles, wat zijne magt ten koste van die des vorsten uitbreidde; van daden van goedwilligheid of dankbaarheid voor bewezene diensten ontaardden zij in middelen van bevrediging of forsche voorwaarden, den schenker opgelegd; uitzonderingen volgens hunnen aard op het algemeene regt, werden zij de eischen, waarop ieder gewest, elke stand, elk burger eindelijk, zoodra het uur der meerderjarigheid geslagen was, aanspraak maakte. Zonderling verschijnsel! Twee eeuwen vroeger was in den naam derzelfde belangen de handhaving gevorderd van privilegiën, waarvan men twee eeuwen later bij opentlijk besluit de afschaffing verkondigde. Zoo echter voltooit zich de opvoeding der volken, dat deze op een gegeven tijdstip de ijzers als boeijen beschouwen, waarin zij staan en gaan hebben geleerd: proeve, zoo er nog noodig ware, dat geen Goddelijk wetboek de regten des Staats van eeuwigheid heeft bepaald, maar dat de geschreven regten de wisselingen van den menschelijken geest uitbeelden moeten, op straffe van door dienzelfden geest als onregt te worden verworpen.

Een gelijksoortig verschijnsel ligt voor ons binnen het bestek van korter tijdsverloop. Privilegiën en Algemeene Staten: het een en het ander was de leuze, welke de partij der vooruitgang op hare banier schreef, en evenwel waren beide begrippen, in hare uiterste gevolgtrekkingen uitgewerkt, eene tegenstrijdigheid. De eerste verdeelden, de laatste vereenigden de belangen. De laatste kenden aan de onderscheidene leden, zoo niet eene gelijkheid dan toch eene evenredigheid van regten toe, welke de

[p. 325]

eerste hadden vernietigd. Waren de voorregten waarborgen voor de onafhankelijkheid des volks, men kon die naauwelijks van de vergadering der Algemeene Staten verwachten, tenzij die van het doel harer instelling ware afgeweken. De insteller was een vorst van onbegrensde heerschzucht, een vorst van Franschen oorsprong, in wiens geboorteland de melding van Algemeene Staten gelijkluidend was met ongehoorde lasten1), was Philips van Bourgondië, wien men misschien geen zucht voor volkswelvaart, maar zeker liefde voor volksvrijheid ontzeggen mag. Noch van hem, noch van zijnen zoon, Karel den Stouten, noch van zijnen achterkleinzoon, Karel den Vijfden, was het te verwachten, dat zij een hinderpaal tegen hun eigen alvermogen zouden hebben opgeworpen. En inderdaad, voor hen waren de Algemeene Staten een middel, om grootere beden te verwerven dan immer te voren waren toegestaan, beden, die moeijelijk aan de halsstarrigheid der bijzondere gewesten zouden ontwrongen zijn, beden, waarmede regtens of feitelijk voor die bijzondere gewesten de veiligheid en onschendbaarheid hunner voorregten zamenhing. Het is waar, aan voorbeelden van verzet tegen de Oppermagt, met een oogenblikkelijk gevolg bekroond, ontbrak het niet. Gedurende de regeering van Maximiliaan en Maria, gedurende de minderjarigheid van Karel den Vijfden had de vergadering der Algemeene Staten die opgeleverd; maar deels was daarbij alle orde en regelmaat op het verregaandst geschonden, deels had er geene eigenlijke eenstemmigheid en zamenwerking tusschen de leden der vergadering plaats gegrepen, deels had eene opvolgende vergadering in den zin des meesters hersteld wat eene voorgaande had bedorven. De vorsten, wier namen wij hierboven opnoemden, hadden de herkomsten en gunstbrieven van enkele gewesten, Staten en leden van deze, op het grievendste besnoeid; op het minste vertoon van wederspannigheid waren hier en daar alle voorregten ten eeuwigen dage vernietigd; de inbreuk, onder den naam van vervanging zoo geducht voor de bijzondere gewesten, had vooral door hunnen invloed kracht van gewoonte verkregen.

[p. 326]

Zoo hun stelsel, om de Nederlanden tot ééne enkele provincie te maken, doorging, was de weg gebaand om tegen alle in het gemeen dezelfde maatregelen te nemen, als tegen elke afzonderlijk. Eenheid in wet, eenheid in voorregten, eenheid in godsdienst, eenheid in munt, eenheid in maat en gewigt, ziedaar een der dertien artikelen1), welke niet zonder grond aan Granvelle of de kardinalisten werden verweten, als voorslagen om een volstrekt gebied des Konings over de Nederlanden te vestigen; en tot bereiking van zulk eene eenheid was zeker geen weg geschikter dan de vereeniging der Staten in één ligchaam. Het instinkt des volks bedriegt zich zelden: de gewesten, die bij verdrag onder de heerschappij van het huis van Bourgondië waren gekomen, wezen, van het bevoorregte Friesland tot het magtelooze Luxemburg toe, de kostbare en gevaarlijke eer af, van tot de Bourgondische erflanden gerekend en als zoodanig ter algemeene dagvaart te worden beschreven.

Zoo in den loop der wereld alles aan de berekeningen eener planmatige staatkunde verbonden was, dan ware het zeker eene ongerijmdheid geweest, handhaving en uitbreiding van regten van die Algemeene Staten te verwachten, welke oorspronkelijk eene instelling van der vorsten willekeur en eigenbaat waren geweest. Maar de vooruitzichten der regeerkunst waren te leur gesteld door de kracht der omstandigheden en de ontwikkeling van den tijdgeest. De menigvuldige bijeenkomsten der Algemeene Staten droegen krachtiglijk bij om de magt van den derden stand te verhoogen, of liever die in het groot te behouden op een oogenblik, terwijl het despotisme in het klein aan hare vernietiging arbeidde. In grooteren getale dan de afgevaardigden der overige Staten2) op de algemeene dagvaart aanwezig, wies hun moed met hun getal. Adel en geestelijkheid waren in persoon aansprakelijk voor het gevoelen, dat zij uitbragten; de regering kon op hen door gunst of ongunst eenen dadelijken invloed oefenen; die invloed was magteloos ten opzigte van de vertegenwoordigers des derden stands, wier verantwoordelijkheid zich verschool achter

[p. 327]

de verantwoordelijkheid hunner lastgevers. Deze waren gerugsteund door dat gansche heerleger van stedelijke regeeringen, breede raden, natiën, ambachten en gilden, en de kwade luim van de meerderheid van deze in een enkele stad kon het besluit eener geheele Statenvergadering vernietigen of de uitvoering daarvan stremmen, totdat het oogenblik van handelen voorbij was. Het was deze overmagt des derden stands, welke den vrijzinnigen Guicciardini tot eene al te onvoorzigtige lofrede op de vrijheden des lands verlokte en welke ter andere zijde aan Viglius en aan alle voorstanders van het onbeperkt gezag eenen diepen schrik voor alle dergelijke vergaderingen inboezemde. Het waren dan ook deze achterste gelederen der vertegenwoordiging, welker magt en invloed het stelsel van Karel, Philips en Granvelle trachtte te ondermijnen. Dan eens hield men de afgevaardigden der gewesten, ofschoon tot eene algemeene Statenvergadering beschreven, tot op het oogenblik des plegtigen afscheids streng van elkander gescheiden; dan weder vorderde men eene zoo uitgebreide volmagt van de afgevaardigden, dat geene ruggespraak met hunne lastgevers noodig was en alzoo geenerlei grond voor verontschuldiging of uitstel1). Eindelijk waagde het Margaretha, den derden stand met open vizier aan te tasten, toen zij uitdrukkelijk bevel gaf, de breede raden buiten het geheim der door haar voorgeslagene moderatie te houden. Het was insgelijks een der artikels, waarvan wij boven melding maakten en wier ontwerp aan Granvelle misschien ten onregte werd toegeschreven: dat de Koning voortaan de breede raden zou opheffen, als eene instelling, waaraan alle oproeren en volksbewegingen der laatste jaren waren te wijten. Zooals de minst bevoorregte provinciën door middel der Algemeene Staten eene gelijkstelling met de meest bevoorregte bejaagden - gelijkstelling, waarvan de formule was, dat hunne toestemming niet gelden zou, wanneer een der overige gewesten zich van dezelfde verpligtingen ontsloeg of ontslagen rekende - evenzeer verdwenen de voorregten van den adel en de geestelijkheid voor de eischen van de burgerij2). Regt-

[p. 328]

vaardige vergelding, zooals de geschiedenis die dikwijls te vermelden heeft! De heerschzucht der vorsten had het volk uit het stof, waarin het lag, opgeheven, om zich zelve een sterke lijfwacht op te richten tegen de aanmatigingen des overmagtigen adels. Toen de beurt van te bevelen aan den burger gekomen was, zocht de Vorst te laat dien adel in zijne oude regten te herstellen, om tegen de nieuwe mededinging eenen thans magteloozen bondgenoot te vinden.

Doch wij willen de orde der gebeurtenissen niet vooruitloopen. Wij keeren van onze uitweiding tot de voorgewende schending der privilegiën terug. Wij erkennen, dat de twee gevallen, welke wij opgaven en waarvan slechts het eene (betrekking had) op Brabant, waar verbeurdverklaring van goederen ten allen tijde in het wetboek opgenomen was, op eene even onloochenbare als onverdedigbare wijze waren geschonden. Het voorwendsel, dat men opgaf, was even ongerijmd als gevaarlijk van strekking. Men grondde zich namelijk op de stelling, dat de misdaad van Majesteitsschennis alle voorregten vernietigde; men maakte vervolgens de sluitrede: zoo dit ten opzigte van de menschelijke Majesteit (geldt), hoeveel meer ten opzigte der Goddelijke, en ketterij is eene schending dier Majesteit. Het eerste lid was even onwraakbaar als het laatste valsch. Toen Jan zonder Vrees bij een handvest van 1414 voor Vlaanderen afzag van zijn regt op alle verbeurdverklaarde goederen, ‘zelfs ter oorzake van rebellie’, bewees dit bijvoegsel, dat de algemeene regel in zulk geval het regt der verbeurdverklaring erkende. Zoo men ook voorts in de begrippen van den tijd een grond voor de andere stelling had kunnen vinden - hetgeen intusschen het geval niet was - dat de misdaad van enkele ketterij schending der Goddelijke Majesteit was, dan bleef nog de gelijkstelling der Goddelijke en menschelijke Majesteitsschennis regtskundig eene ongerijmdheid. Immers de misdaad

[p. 329]

van rebellie en gewapenden opstand stond uitdrukkelijk als uitzondering op het gewoone regt vermeld en zoo naauwkeurig omschreven, dat er zelfs verschillende trappen van Majesteitsschennis werden aangewezen. Al wat dus daartoe niet behoorde, kon door geen willekeurig besluit, door geene schoolsche spitsvondigheid, altans niet ten nadeele van erkende en bezworen voorregten, daaronder worden begrepen. Zoo werd dan ook de zaak ten tijde van Karel den Vijfden en van Philips opgevat, en in weerwil van de letter der keizerlijke plakkaten verklaarden voortdurend de Hoven van Vlaanderen en Namen den openbaren aanklager in deze zijne eisch niet ontvangbaar1). Zooals met de verbeurdverklaring was het met het regt, om voor geene andere dan zijne natuurlijke regtbank betrokken te worden. Al ware het, dat ook Majesteitsschennis hierop uitzondering maakte, al ware het, dat onder. Majesteitsschennis van den hoogsten graad ketterij begrepen ware, dan moest die kettterij wel bewezen, door de alge-

[p. 330]

meene roep verbreid, door een voorloopig vonnis des natuurlijken regters bevestigd zijn, eer het voorregt kon beschouwd worden te zijn opgeheven; maar juist het plakkaat van Keizer Karel keerde die orde om: het liet het voorloopig onderzoek aan geloofsregters of - hetgeen hetzelfde zeide - keizerlijke Commissarissen over, en die nieuwe, vroeger nooit erkende regtbank zette de vervolging tot op de uitvoering van het vonnis door, wanneer schepenbanken of gewestelijke geregtshoven hunne verhooren voor onvolledig, hunne eischen voor ongegrond hadden verklaard.

Wij zijn onbeschroomd met toe te geven, dat Karels plakkaten op deze beide punten vooral de voorregten van het grootste deel der Nederlanden op eene in het oog loopende wijze hadden geschonden. In hoeverre en in welke mate, op welke wijze wettigde die schennis eene feitelijke ongehoorzaamheid der onderdanen? Brabant had in zulk een geval de handen ruim. In de reeks zijner schitterende voorregten prijkten de volgende: het stond aan alle onderzaten vrij, gehoorzaamheid te weigeren aan elken ambtenaar des Hertogs, die tegen de bepalingen der Blijde Inkomst had gezondigd; bij voorkomend verschil met zijne onderhoorigen betreffende voorregten onderwierp zich de Hertog aan de uitspraak zijner aanzienlijkste vasallen; bleek het ongelijk aan de zijde des Hertogs, dan waren zijne onderhoorigen van alle leen- en dienstpligt, manschap en schatting ontslagen, tot zoolang de reden der klagten was opgeheven. Vier malen 's jaars mogt volgens zijne oorspronkelijke instelling zulk een raad bijeenkomen; wat meer is, hielpen vertoogen noch scheidsregterlijke uitspraken de onderzaten aan hun regt, dan waren de Staten 's lands verpligt eenen Ruwaard te kiezen, die in 's vorsten naam alle gezag mogt oefenen, tot zoolang deze aan zijn eed en verpligting had voldaan1). Schoo-

[p. 331]

ne voorregten voorwaar, temeer omdat zij jongstens door Philips bij zijne inhuldiging ruimschoots waren bekrachtigd. En evenwel, wij zijn misschien niet geregtigd in het 58e artikel dier Blijde inkomst een met voordacht opengehouden uitvlugt te zien, omdat de vorst daarbij bezworen had, alle die voorregten te onderhouden, ‘sooverre deselve tot observancien staen ende observeerlijck sijn1); maar zeker kunnen wij niet aannemen, dat ieder vasal of burger over het al of niet houden der voorregten, over hunne uitgestrektheid en toepasselijkheid naar zijn persoonlijk inzigt en overtuiging uitspraak kon doen; neen, volgde op zijn aanvankelijke ongehoorzaamheid dwang van den ambtenaar des Hertogs, dan waren beide partijen verwezen aan den Raad van Brabant; want deze moest geacht worden den door Hertogin Johanna in het gemelde privilegie ingestelden Raad der Heeren van Brabant te hebben vervangen. Vond men daar geen regt, dan stond de toevlugt tot de Staten open, en deze hadden in zulk een geval de onbetwistbare vrijheid, ook ongeroepen bijeen te komen en een besluit te nemen. Maar verzaakten nu ook dezen hunne pligt, werd de minderheid door een misleide of verleide meerderheid overstemd, stonden hunne leden zelven tegen elkander in het harnas, droegen hunne handelingen de merkteekenen van verzuimen, die daaraan alle wettige kracht ontnamen: wat stond dan aan de onderdrukte minderheid, wat aan elken leenman, wat aan een of meer burgers te doen? Het was een vraag, welke men gedurende de onlusten der zestiende eeuw zich zelven deed en doen moest; hoe de oplossing uitviel, zal een der onderwerpen van onzen verderen arbeid zijn.

Was de vraag ten opzigte van Brabant moeijelijk en op verschillende wijze te beantwoorden, in de overige gewesten ge-

[p. 332]

doogde zij geenen twijfel. Vlaanderen, opdat wij eenige der magtigste gewesten optellen, welke zich het meest door hunnen tegenstand onderscheidden, had allengskens als verdiende straf voor verregaand misbruik zijne oude voorregten geknot gezien. Aan alle die beperkingen had Keizer Karel de kroon opgezet door die beruchte Carolina, waarbij hij het magtigste lid der provincie aan eene nieuwe strengere wet had onderworpen en die wetgeving met de verklaring besloten, dat hij aan zich en zijne opvolgers, zoo Graven als Gravinnen van Vlaanderen, voorbehield de verklaring, uitlegging, uitbreiding en beperking aller instellingen, zoo en wanneer het hem of hun noodig zou toeschijnen1). Gelderland had bij den vrede van Venlo alle mogelijke bevestiging zijner voorregten bekomen; maar als het op de waarborgen der uitvoering aankwam, lag deze in het waarlijk troostelooze artikel besloten, dat, werd in de schennis hunner regten niet voorzien, de onderzaten zulks den Keizer of - zoo die niet bij de hand was - den Opperstadhouder zouden mogen voordragen, om daarin zulke voorziening te doen, als tot algemeen genoegen zou strekken. Holland, - maar de regten dier Staten zijn door Van Slingelandt, Van de Spiegel, Kluit en De Jonge naauwkeurig onderzocht en ontleed geworden; het is beter onze lezers tot hunne werken te verwijzen dan hen na te schrijven. Men zal uit hen leeren, hoevele voorregten er onbewijsbaar, verdicht en valsch uitgelegd waren. Waar, ingeval van schending zijner verpligtingen, regtens geene andere straf den meineedigen vorst kon treffen dan de veroordeeling zijns gewetens, daar kan men zeggen, dat geene stellige waarborgen voor de staatkundige vrijheid bestonden. Waar geene Statenvergadering wettig was dan die, welke, door den Vorst, diens Stadhouder of in hunnen naam en afwezigheid door het Hof beschreven, niet buiten de punten van beschrijving beraadslaagde, daar kan men vaststel-

[p. 333]

len, dat den verdrukten onderdaan geene andere toevlugt overschoot dan den Vorst door nederige smeekschriften te vertederen1).

Er is ons aan gelegen wel verstaan te worden: wij zijn vrienden der vrijheid, wij zijn boven alles vijanden van een volstrekt eenhoofdig oppergezag. Juist daarom kunnen wij niet met de zoo hoog opgevijzelde voorregten dweepen. Wij huldigen gaarne in die voorregten de eerste verschijnselen der burgerlijke vrijheid van onzen tijd, het morgenrood van een schooneren dag, maar een morgenrood, dat slechts met moeite door de nevels brak en de koude en vocht dier nevels te gevoeliger maakte. Privilegiën: wat was haar stoffelijke grondslag dan het toeval, dat in deze of gene omstandigheden op een gegeven tijdstip deze of gene persoonen, standen, steden of gewesten tot eene hoogte van magt of invloed had gebragt, die gewoonlijk geen anderen regtsgrond had dan het oogenblikkelijk bezit? Wat (waren zij) in haren vorm dan de uitvloeisels van de willekeur des Opperheers? willekeur, waaraan, ik erken het, vaak het karakter van vrijmagtigheid ontbrak, hetzij dat zulke privilegiën den vorst afgedwongen waren door de overmagt van enkele persoonen of standen, of dat hij in het beste geval eene opwelling van dankbaarheid niet kon inteugelen jegens zulke, wie de fortuin in staat gesteld had hem eene baatzieke hulp te verleenen; - maar toch, willekeur des vorsten was voor de privilegiën de reden van hun bestaan, uitgedrukt in de plegtige woorden: want het ons alzoo behaagt. In haren aard, wat waren privilegiën anders dan uitzonderingen op het gemeene

[p. 334]

regt of liever op het heerschende onregt, welke het ongelijk der niet-bevoorregten niet slechts oogenschijnlijker maakten, maar ook in de werkelijkheid verzwaarden ten voordeele der bevoorregten? Eerst allengskens, naarmate de voorregten zelve hunne kracht en glans verloren, was het mogelijk op redelijker en - dat hetzelfde zegt - steviger grondslagen het Staatsregt te vestigen.

Gewoonlijk worden Philips de Goede en zijne opvolgers beschouwd als diegenen, welke de magt des derden stands gefnuikt en aan het zoogenaamde tijdvak der gemeenten een einde hebben gemaakt. Om dat toe te stemmen moet men aannemen, dat eene magt te grooter is, naarmate hare grenzen onbepaalder zijn. Het tijdvak der gemeenten had zoowel voorbeelden van dwingelandij opgeleverd, als het tijdvak der adelregeering of der onbeperkte alleenheersching. De buitensporigheden zelven van Brugge en Gent waren even onregtmatig in hare beginselen als eenzijdig in hare strekking, meer berekend om de overmagt van een enkel lid der Staten over allen te vestigen, dan de belangen des algemeens tegenover den vorst te handhaven. Zoo die buitensporigheden met krachtige hand beteugeld en streng geboet werden, dan zijn wij er verre van, den vorsten een deugd te maken van wat hun belang, van wat de omstandigheden vorderden; maar dit moeten wij erkennen, dat zij door de regeling, waaraan zij de vertegenwoordiging van den derden stand onderwierpen, dien stand aan innerlijke veerkracht zooveel hebben toegevoegd, als zij zijnen al te wilden wasdom hebben besnoeid. Het blijft hunne verdienste, vooral die van den grooten Karel V, de betrekkingen der gewesten en der verschillende staatsligchamen onderling op een vasten voet te hebben gebragt, niet voorzeker naar de afgetrokkene beginselen eens wijsgeerigen staatsregts, maar naar de begrippen en overeenkomstig de behoeften van het oogenblik.

Maar die staatkunde, welke leefde bij den dag, was niet op den duur tegen de innerlijke gebreken, tegen den aangeboren smet van het beginsel bestand. De leer, door Karel V en zijne staatslieden verkondigd, dat de Nederlanden slechts ééne provincie waren, leidde onweerstaanbaar tot de gevolgtrekking, dat dan de Algemeene Staten de plaats der bijzondere Staten bekleeden en van deze hunne regten overnemen moesten. Zouden nu de regten

[p. 335]

der Algemeene Staten naar de meest of naar de minder bevoorregte Staten bepaald worden, met andere woorden: zou de Blijde Inkomst, die de grondwet van Brabant was, tevens de grondwet der andere gewesten, van al de vereenigde Nederlanden worden, of niet? Moeijelijke vraag! De regeering had, getuige de geschiedenis, met het bijeenroepen der Algemeene Staten vooral ten doel, in hare steeds grootere geldbehoeften te voorzien; had zij de Blijde Inkomst van Brabant tot regel van staat gemaakt, dan ware daarmede de regel algemeen geworden: geen herstel van grieven, geen geldelijke onderstand, of wel het afgetrokken beginsel, dat aan het Brabantsch regt tot grondslag lag: dat niemand tegen of boven zijnen wil kon worden belast. Besliste de regeering ontkennend, dan had zij òf een grievenden slag aan de Brabantsche vrijheden toe te brengen, en dit waagde zij niet, òf zij moest nevens de Algemeene Staten de bijzondere met alle hunne voorregten, met alle hunne aanmatigingen laten bestaan, en dit deed zij voorloopig. Eene nieuwe vraag deed zich op, in welker beantwoording men ter helft steken bleef: welke waren in de Algemeene Staten de regten der meerderheid en der minderheid? In de bijzondere Staten had diezelfde regering, welke de Algemeene Staten bijeenriep, eene regtsverkrachting ingevoerd, die met alle voorregten en herkomsten in strijd was: bij verschil der standen onderling of van enkele leden der standen, werd het gevoelen der minderheid als vervangen in dat der meerderheid beschouwd en het laatste, in weerwil van de eerste, door alle middelen van regt en geweld ten uitvoer gebragt. Dit stelsel der vervanging, eenmaal aangenomen, moest naar alle regt en reden ook op de Algemeene in tegenoverstelling der bijzondere Staten toegepast worden; en echter ook hier aarzelde de regeering voor de uiterste gevolgtrekking: eerst Alva durfde zoo verre gaan, en de Staten van 1576 volgden, gelijk wij later zullen zien, eenigermate zijn voorbeeld; tot op zijnen tijd nam men allerlei kunstgrepen te baat, om aan ieder lid der Algemeene Staten eene afzonderlijke toestemming af te persen1). De kracht van den wederstand, welken de Algemeene Staten aan de willekeur des Opperheers kon-

[p. 336]

den bieden, was gelegen in hun zoogenaamd regt van vertrek: dat is, om, na de voorstellen der regeering te hebben aangehoord, niets daarvan goed te heeten, dan hetgeen in hunne bijzondere gewestelijke en standsvergaderingen eenparig was aangenomen. En evenwel tegen die uitvlugt, welke de vorsten in het nijpen van den nood in de uiterste verlegenheid kon laten, hadden deze geen ander hulpmiddel dan, vóór de vergadering, de dringende uitnoodiging, dat de afgevaardigden van de uitgebreidste volmagt zouden voorzien zijn, en, tijdens de vergadering, eene dreigende tronie tegen de onwilligsten.

Er was meer. Deinsde de vorst voor de noodzakelijkheid terug, de beste voorregten over het algemeen uit te breiden, het lag in den aard der Algemeene Staten zelve, dat eene gelijkstelling van regten tusschen de leden onderling werd bevorderd. De Algemeene Staten hadden in Frankrijk gediend, om het aanzien van den derden stand te ontwikkelen, in welken de Vorst voortaan een bondgenoot zocht tegen den invloed des adels. In de Nederlanden had dezelfde oorzaak hetzelfde gevolg. Het eerste gebruik, dat de derde stand van zijnen invloed ter Algemeene Staatsvergadering maakte, was een gelijkheid van lasten tusschen de verschillende standen te bedingen; de Vorst, door de nood gedrongen, bragt een deel zijner magtsvolkomenheid, die om naar zijn welbehagen ontheffing van opbrengsten te verleenen, aan de zucht naar gereed geld ten offer. Van de gelijkstelling der standen was gelijkstelling der gewesten onderling de naaste stap, en zullen wij later pogingen aangewend zien, om Brabants voorregten als gemeen aan alle de Nederlanden te beschouwen, reeds nu werd in de staatsstukken, waarbij de onderscheidene gewesten de voorstellen der regeering aannamen, de uitdrukkelijke voorwaarde gesteld: dat de wijze der heffing in de eene provincie niet de belangen der andere zou mogen benadeelen, en dat de toestemming niet voor geldig zou worden geacht, zoolang eene der beschrevene provinciën van haar geëvenredigd aandeel in de opgelegde beden vrijgesteld bleef.

Onze beschouwing levert de troostelooze uitkomst, dat, zoo het tijdvak van Karel V al niet van stelselloosheid te beschuldigen is, eene andere niet min gevaarlijke gisting daarin heerschte: de

[p. 337]

gisting van twee beginselen, van wier oorsprong en strekking men wederzijds geen helder inzigt had; de worsteling van twee partijen, die naar willekeur en zonder redelijke noodzakelijkheid van de tegenpartij overnamen, wat voor het oogenblik bevorderlijk scheen ter bereiking hunner wenschen. Vandaar die aarzelingen, die tegenstrijdigheden, waaraan beide partijen zich schuldig maakten, dat toevallig zamentreffen in eenerlei meening van de vertegenwoordigers der verschillendste begrippen. Wil men voorbeelden? Zie hier eenige: Philips deinsde voor de bijeenroeping der Algemeene Staten, als voor het voorspook van zijn eigen ondergang, terug; en Alva, de dweepzieke trawant zijner heerschzucht, riep ze in het begin van zijn bestuur bijeen. Om den derden stand te vernederen, rieden de leerlingen en aanhangers van Granvelle eene herstelling, eene uitbreiding van de voorregten des adels aan, en de adel was de eerste, om zich tegen de regeering te verklaren en in bondgenootschap met den derden stand te treden. Van de tusschenkomst der Staten verwachtten de voorstanders der gewetensvrijheid de opheffing der plakkaten, en tot behoud van de katholijke godsdienst deed, zoo niet Granvelle zelf, dan toch iemand uit zijne school den voorslag, met vrije bewilliging aller natiën en provinciën eene godsdienstwet te ontwerpen, die in de zaak tot geloofsonderzoek leiden moest, maar daarvan geenszins den hatelijken naam dragen zou1). Eenheid en zamenwerking aller krachten was de behoefte, die overal gelijkelijk werd gevoeld; maar de eene partij zocht de bereiking van haar doel in de uitbreiding van voorregten over degenen, die misdeeld waren; de andere in de besnoeijing van de vrijheden dergenen, welke de evenredigheid der overige Staten, standen en onderdanen waren ontwassen.

Karel de Vijfde, zegt men, was een behendig werktuigkundige; zeker was hij dit ten opzigte van het besturen zijner staten. Hij wist de raderen ondanks hunne tegenstrijdige werking in beweging te houden, zonder elkander te kneuzen, en waar het gebeurde, door tijdige hulpmiddelen te verhoeden, dat het geheel in duigen spatte. Hij liet zijnen zoon na wat hij hem nalaten kon: zijne sta-

[p. 338]

ten, zijne godsdienstige en staatkundige beginselen, maar niet zijn talent. Over Philips zelven zullen wij later uitvoeriger spreken; hier volsta de opmerking: van het oogenblik af, dat geen krachtige hand, ondersteund door eenen uitstekenden geest, alle meeningen tot zijn doel wist te buigen, moesten de leemten en gebreken van het heerschend stelsel voelbaar en eindelijk ondragelijk worden. De twee beginsels, in de maatschappij aanwezig en in de wetgeving zelve vertegenwoordigd, moesten zich ontwikkelen, botsen en met den ondergang van de eene of andere eindigen. Zou het stelsel der eenheid, der zamentrekking aller krachten onder eene enkele hoofdkracht, of wel het stelsel der handhaving van aloude afzonderlijke regten zegevieren? Centralisatie of privilegiën? die vraag moest de vraag van den dag worden, de burgers in twee verscheidene slagorden verdeelen, tot verandering van staatsdienaars aanleiding geven en misschien een burgeroorlog te weeg brengen. Maar een burgeroorlog neemt zijn einde òf met wederzijdsche inschikkelijkheid, òf met de uitsluitende zegepraal van het eene of andere beginsel en met den ondergang der eene of der andere partij. Onze voorouders echter hebben zelve den afval der Nederlanden nimmer als een burgeroorlog beschouwd of willen beschouwen; in de vredesonderhandelingen, welke wij te beschouwen hebben, zullen wij hen geplaatst zien tegenover eenen buitenlandschen vijand; wat het karakter van burgeroorlog droeg, was na kortstondig woeden geëindigd, en eerst na dat einde brak de eigentlijke krijg los; eindelijk ondanks alle de staatkundige omkeeringen hadden de vragen van staatsregt, die wij hierboven hebben omschreven, geen enkele schrede ter oplossing gedaan, en zoowel binnen het grondgebied der afgevallene gewesten als in die, welke de getrouw geblevene heetten, verdeelden zij hoofden en harten in twee verschillende aanhangen. Het is een bewijs voor de stelling, waarmede wij aanvingen, dat de schending der privilegiën slechts de regtsvorm was, waarin een nieuwe grondstof aan de omverwerping van het oude, aan het daarstellen eener nieuwe orde van zaken arbeidde.

Had Philips in meerdere mate of op in het oog vallender wijze de voorregten en herkomsten geschonden dan zijn vader? Neen,

[p. 339]

tenminste niet tot op het oogenblik, dat de oorlog uitbarstte. Hij had de bisschoppelijke zetels met een twaalftal vermeerderd, en wat men ook tegen die nieuwigheid mogt inbrengen, de Koning had hierin een onbetwistbaar regt uitgeoefend; betwistbaar slechts was, dat hij door de inlijving der abdijen de Bisschoppen tevens tot grondheeren verheven en hen als zoodanig zitting en regt in de Staten bezorgd had. In Brabant was die instelling eene opentlijke verkrachting van het door de Blijde Inkomst uitdrukkelijk gehuldigde stelsel, dat de waardigheden der geestelijke orden aan geene andere dan aan leden derzelfde orde mogten worden gegeven. De schending der aloude herkomst was op zich zelve erg genoeg; maar erger nog waren de uitvlugten, waarmede Philips zijn geweldenarij verontschuldigde. Hij beweerde namelijk, dat de abdijen, over wier inlijving men zich beklaagde, door die daad zelve geen abdijen waren, maar tot een hoogeren rang verheven werden, sedert zij onmiddelijk (kwamen) onder het toezigt eens Bisschops. Als had hij de wapenen tegen zichzelve willen smeden, voegde de vorst erbij, dat dit voorregt uitsluitend op pauselijke bullen gegrond was, maar het daarom nu moest ophouden, sedert de Paus zelf eene nieuwe ordening had ingevoerd. Het is noodeloos, zulke beuzelarijen te wederleggen; wij hebben geene woorden, sterk genoeg om de eedbreuk van Philips in dit opzigt af te keuren; maar zoo die afkeuring in dien tijd algemeen was, wij moeten er bijvoegen, dat de redenen dier afkeuring alleruiteenloopendst zijn geweest. De abten zelve verhieven zich tegen die instelling in naam der oude herkomsten, der vrome stichters, der pauselijke brieven, der godsdienst zelve, die gevaar liep met den ondergang der kloosters; de staatslieden zagen daarin een aanval op de onafhankelijkheid der gewestelijke Staten, wier eerste stand voortaan niet slechts uit verpligte gunstelingen des vorsten zou worden aangevuld, maar uit onderhoorigen aan eene vreemde magt, het hof van Rome - eene schending der privilegiën, omdat, dewijl de keuze van Bisschoppen vrij was, daarmede aan buitenlanders en bastaards zitting en stem ter dagvaart werd verleend. Nog eene derde partij liet hare stem vernemen; maar die stem sloot niet slechts de Bisschoppen, maar ook de abten buiten: sterk door de voorschriften des Bijbels, en

[p. 340]

ditmaal de instellingen der Apostelen (constitutiones Apostolicae) als waarachtig en echt huldigend, riepen de Hervormden luide, dat het der geestelijkheid niet vrij stond zich met staatkundige zaken in te laten. Hoe het zij: Philips gaf misschien ongaarne, maar hij gaf in allen gevalle gehoor aan de nadrukkelijke vertoogen der Staten van Brabant: de abdijen bleven wat zij waren, de vestiging van een bisschoppelijken zetel te Antwerpen bleef vooreerst achterwege; het Brabantsche regt, dat alleen den naam van regt verdiende, had gezegevierd.

Kwam de inlijving der Bisdommen ten laste van Philips, wij kunnen hetzelfde noch van de plakkaten noch van hunne strikte uitvoering getuigen. De plakkaten waren dezelfde als van Keizer Karel; de uitvoering daarvan kostte minder bloed dan vroeger. Hiervan komt voorzeker niet de eer toe aan den Koning, die boven alles wat naar ketterij zweemde haatte, en wien de gruwel van een Auto-da-fe een lust der oogen was; evenmin als aan de Landvoogdes, die niets vrouwelijks had dan hare wispelturigheid en die tusschen Hervormd zijn en God verzaken tot op het laatste toe geen onderscheid (kende); en nog minder aan den man, die het bestuur der zaken in handen had, aan Granvelle. Met een enkel woord moeten wij ons verklaren tegen de gunstige uitspraak, die men in den laatsten tijd over dien staatsdienaar heeft geveld. Hij was niet wreed van inborst - ik geef het toe: volgt daaruit, dat hij niet wreed uit staatkunde was? Talent, welsprekendheid, ondervinding, doorzigt, orde, vooral werkzaamheid, waarin hij door niemand geëvenaard werd, ik zal de laatste zijn die aan Granvelle te ontzeggen. Maar die verdienstelijke eigenschappen vind ik, waar ze voorkomen, gepaard met de grootste halsstarrigheid in het volhouden van zijn stelsel, vind ik geheel en al verlaten van wat die eigenschappen tot den rang van deugden had kunnen verheffen: aangeborene goedheid des harten. De staatkunde van Granvelle was eene geleerde, eene stelselmatige staatkunde, zonder dat de teugel der zedelijkheid haar van uitersten terughield. In zulk eene staatkunde bekleedden twee leerstellingen eene voorname plaats: volstrekte gehoorzaamheid aan den uitgedrukten wil des Konings, eenheid van Godsdienst en buitensluiting van elke andere meening dan die der Roomsche kerk. Een-

[p. 341]

maal gevallen staatsdienaar, ik weet het, wierp Granvelle de verantwoordelijkheid van zich dier maatregelen, welke tegen hem de gramschap des volks en tegen zijnen Koning den opstand hadden verwekt; maar welk regt hebben wij, aan Granvelle de deugd van waarheidsliefde en opregtheid toe te kennen, waar zijn belang het medebragt die te verloochenen? Wat vooral hielpen spade betuigingen, zoo wij in Granvelle den man vinden, die door zijnen broeder Chantonnay de partij der vervolging in Frankrijk aanmoedigde en ondersteunde, die den marteldood van den edelen Anne du Bourg toejuichte, die in Nederland van zachtheid noch van genade voor de ketters hooren wilde, en die dan alleen de opgerigte houtmijt liet afbreken, wanneer na een pijnigende gevangenis het slagtoffer de stelligste verzekering had gegeven, dat hij voortaan niet de getrouwe zoon maar de onderdanige slaaf van de kerk wilde zijn.

Hoe kwam het, dat des ondanks de uitvoering der plakkaten verslapte? Want wij gelooven niet, dat wij die vraag ten onregte doen. Verder dan het jaar 1556 strekte de ijverig Hervormde Jacob van Wesembecke zijn martelaars-kalender niet uit. Hier hield hij op, niet omdat na den afstand van Karel V de plakkaten minder straf werden, maar omdat de schepenbanken hen in alle hunne strengheid weigerden te voltrekken. Het dunkt mij gewaagd te beslissen, of de plakkaten te toegefelijker zijn uitgevoerd om de menigte der schuldigen, dan of de hoop van ongestraft te blijven het aantal der schuldigen hebbe vermeerderd. Bijkans zouden wij tot de laatste meening overhellen, wanneer wij denzelfden schrijver, dien wij hierboven noemden, uitvoerig zien vermelden, met welke gevaren de openbare teregtstellingen plaats hadden, zoowel voor de veiligheid der overheid, die ze had bevolen, als voor de rust der steden, waar de galg of brandstapel was opgerigt. Karels vaste wil hield aan de uitvoering zijner bevelen, ondanks het gemompel der menigte, de hand. Onder zijnen opvolger begon de strijd der staatkundige meeningen en haperde het werk der regtspleging dikwijls, niet alleen waar het kerkelijke, maar ook waar het burgerlijke misdaden gold. Wij zijn verre van te ontkennen, dat de eerste jaren van Philips door de vervolging van andersdenkenden waren bezoedeld. Maar zoo het getal

[p. 342]

der banvonnissen toeneemt, dat der doodvonnissen vermindert zigtbaar, en de teregtstellingen der volgende jaren zijn minder bekend door de wreedheid der regters of de martelingen der slagtoffers, dan door de oproeren des volks, die der zoogenaamde geregtigheid het zwaard, dat zij misbruikte, uit de handen rukte.

Zulke gevallen waren de teregtstellingen van Faveau en Maillart te Valenchyn, van Christoffel de Smeth te Antwerpen. Het misdrijf ten opzigte van de Godsdienst werd verzwaard door dat van wederstand aan de overheid en opentlijk oproer. Van dit oogenblik nam de uitvoering der plakkaten een ander karakter aan: men stelde de overheid zelve voor de slechte nakoming aansprakelijk; men zond ter plaatse, waar men zoo iets durfde, met name te Valenchyn, buitengewoone gevolmagtigden, door eene sterke bezetting ondersteund. Geloofsregters en geloofsverspieders hadden een oogenblik ruim spel: de burgerregten werden voor een oogenblik terzijde gezet, de overheden op het streng nakomen der plakkaten beëedigd1); de bloedige tooneelen uit de regeering van Karel V en Maria van Hongarije hernieuwden zich, en waar de land- of stadvoogden tot vervolgzucht neigden, vond het voorbeeld van strengheid, door buitengewoone commissarissen gegeven, ijverige navolging. Vergeten wij hier niet, den stedehouder van Rijssel, Rassenghien, de gevolgmagtigden van Doornik, Assonleville en De Blasere, met een zwarte kool te teekenen2).

[p. 343]

Zij, vooral de beide eerstgenoemden, zullen in onze geschiedenis ons meermalen voorkomen. Gelukkig duurde de tijd der verdrukking kort: met den val van Granvelle had de partij des bedwangs haren voornaamsten steun verloren. Verre van ons, dat wij daarmede een lofrede bedoelen op des driemanschaps bestuur, dat het zijne verving! Het was het slechtste, dat mogelijk was: had de kardinaal door staatkundige stelselzucht gezondigd, de Heeren Egmont, Hoorn, Oranje onderscheidden zich door volstrekte stelselloosheid; zij zochten allemans-vrienden te zijn, zonder zich veel om de goedkeuring des Konings te bekommeren: slechts wie vroeger ijverig den kardinaal hadden gediend, vonden in hen verbitterde vijanden. Hunne staatkunde was eene staatkunde van radeloosheid, die in de overtuiging, dat zonder eene omwenteling de zaken niet te redden zijn, de gevaarlijke taak afwijst, het bestaande kwaad in den wortel aan te tasten. Men kan hunne handelwijze met de bestaande omstandigheden verschoonen, maar haar prijzen is onmogelijk: geene legde onvoorzigtiger de leemten van het staatsgebouw bloot, geene verhaastte meer de aanstaande instorting. Bij zulk een bestuur ging de Hervorming een onbelemmerden gang, handelden stedelijke en gewestelijke regeeringen in het uitvoeren der plakkaten naar eigene ingeving, waren geloofsregters en buitengewoone gevolmagtigden eerlang hunnen invloed kwijt en zeker van bij hooger beroep geene ondersteuning te zullen vinden. Twee feiten vooral bewezen, dat de hulk van den staat op een klip gestuurd was: de

[p. 344]

zending van Egmont naar Spanje, het opkomen en het ongehinderd voortzetten van het verbond der Edelen. Doch over dit laatste nader. Thans zij het genoeg op te merken: door de tegenwerking, welke Granvelle van den adel en de overheden des lands ondervond, was onder zijn bestuur de uitvoering der plakkaten niet met die klem doorgezet, waarover men zich onder Keizer Karel had beklaagd: de val des kardinaals en het bestuur der Heeren schonk den vervolgden zooveel verademing, als in de gegevene omstandigheden mogelijk was. Eene derde verkoeling bragt in het jaar 1566 de moderatie aan. Door haar werd feitelijk de bediening der geloofsregters opgeheven; door haar werd eene poging aangewend, om tusschen plakkaten en privilegiën eene overeenstemming te brengen; door haar werd genoegen gegeven aan de bedenkingen, door Staten en gewestelijke Hoven vroeger opentlijk bij Keizer Karel en Koning Philips ingebragt. Wat er aan ontbrak viel aan te vullen; ware het om de handhaving der voorregten te doen geweest, dan ware door een krachtig en eenstemmig besluit der onderscheidene gewesten en standen de Koning zijns ondanks tot toegefelijkheid gedwongen. De moderatie had ten minste de brandstapels afgeschaft en de verbeurdverklaring van goederen aan vele uitzonderingen onderworpen; zij had als algemeene regel boetvaardigheid tot grond voor matiging der straffen gelegd. Die des ondanks die moderatie onder den scheldnaam van ‘moorderatie’ verwierpen, toonden, dat het hun om iets anders te doen was dan herstel des lands op den voet, waarop het ten tijde van Keizer Karel was geweest. Zij bewezen, dat de vraag, waarop het aankwam, van den beginne af niet duidelijk, niet ter goeder trouw was gesteld: dat het minder het vastgestelde dan het vast te stellen regt gold, dat de beslissing niet kon plaats hebben naar de letter van geschrevene landregten of herkomsten, noch naar de voorbeelden van vroegeren tijd, maar naar de eeuwige beginsels van rede, zedelijkheid en menschenregt.

Regtens - het is, wij kunnen het niet genoeg herhalen, uit dat standpunt, dat wij redeneren - viel er aan de moderatie noch aan de wijze, waarop zij nagekomen werd, iets te berispen. Van twee zaken, die haar nagegeven worden, is de verdediging

[p. 345]

gemakkelijk. De eerste is de vervolging, welke ondanks de toegezegde moderatie tegen de Hervormden plaats greep. Als het op stuk van zaken aankomt, weet Wesenbecke, na van verscheidene persoonen te hebben gesproken, die ‘gevangen genomen, gebrant ende gedoot’ zouden zijn, slechts eenen te noemen: Jan de Tapijtwerker van Oudenaerde. Hebben wij regt dat slagtoffer te beklagen, wanneer wij in aanmerking nemen, dat de tijd der onderhandelingen over de moderatie een tijd van wapenschorsing was, waarin hij, die zich het eerst vergreep aan zijne tegenpartij, naar hare wetten mogt gevonnisd worden? En dat had Jan de Tapijtwerker op de grofste wijze gedaan door zich onder het bedienen der mis in het koor te dringen, het Allerheiligste uit de hand des priesters te rukken en met voeten te treden, onder de woorden: ‘Ik kan die afgoderij niet langer dulden’1). Naast dezen ongelukkige weten wij, ondanks alle nasporingen, geen tweede slagtoffer der bloedplakkaten te noemen2). De tweede beschul-

[p. 346]

diging is deze: dat, voordat de moderatie kracht van wet had verkregen, haar inhoud afgekondigd werd in het plakkaat van den

[p. 347]

derden Julij. Wij willen daarop niet antwoorden, dat de onderwerping dier moderatie aan gewestelijke Hoven een toegeven aan de partij der beweging was; wij willen veeleer in dien maatregel en de aarzeling, waarmede zij werd uitgevoerd, eene vrucht zien dier ongewisse staatkunde, onder welke de vloed der omwenteling alle grond van beginsel had weggespoeld. Maar ware dit ook niet zoo geweest, had de Landvoogdes geen regt krachtige bepalingen in te voeren, waar hare oproerige onderdanen het feit in de plaats van het regt stelden, en tot hunne nog veel onwettiger predicatiën niet met klokgeklep maar met een pistoolschot opriepen? Wat men ook tegen het plakkaat van den derden Julij - dat overigens niet alom werd afgekondigd - moge zeggen, het druischte niet aan tegen de meeningen, die veld wonnen; het schond geen enkel privilegie; het deed regt aan de bezwaren der gewestelijke Hoven door uitdrukkelijk te bepalen, dat ‘de predikers, leeraers, ministers ende dierghelicke verleiders des volcx’, nevens den doodstraf, ‘die van confiscatie van allen huerlieder goeden’ zouden ondergaan, ‘alleenlijck binnen den landen daer confiscatie standt heeft’. Volstrekte afschaffing derhalve van hetgeen in het plakkaat van 1549 de meeste opspraak had gebaard, en erkenning van het regtspunt, waarop tot dusverre alle gewestelijke Hoven eenstemmig waren geweest.

De hoofdzaak echter, die wel niet letterlijk in het ontwerp der moderatie was uitgedrukt, maar waarvoor dit ontwerp, zoowel als het interim, dat daaraan voorafging, de vaste grondslagen legde, was het opheffen der Inquisitie of liever het ten eenenmale opgeven der pogingen, daarvoor vroeger en later in het werk gesteld. Hoe menigvuldig er ook in geschriften van die dagen, zoowel als in latere, van de Inquisitie gesproken zij, wij twijfelen, of de zaak voor alle onze lezers even helder zij. Geen onzer oude geschiedschrijvers, die niet gemeend (heeft) zijn verhaal van onze beroerten met een verslag omtrent de Spaansche Inquisitie te moe-

[p. 348]

ten aanvangen; en echter heeft die vreesselijke (instelling) nimmer inderdaad, maar slechts als molik in de verbeelding der menigte bestaan. De Spaansche Inquisitie was een vrucht van zijnen bodem, een middel om stammen tot eenheid te dwingen, die door oorsprong, zeden en geloof elkander vijandig waren. Godsdienst en staatsbelang hadden elkander op de eigenaardigste wijze de hand gereikt, om die instelling tot een magt te verheffen, waarvan het onzeker is, of zij meer de heerschzucht der koningen of de regten der standen heeft gediend. Zij heeft in het hart van Spanje alle godsdiensthervorming met wortel en tak uitgeroeid; maar zij is evenzeer het geheimzinnige werktuig geworden, om gevaarlijke onderdanen, eerzuchtige staatsdienaars of benijde gunstelingen tot eenen geduchten en zekeren val te brengen. Wanneer wij de pogingen gadeslaan, veelal met ongelukkig gevolg door de Spaansche heerschappij aangewend, om die Inquisitie in andere landen van haar gebied te vestigen, dan durven wij niet ontkennen, dat bij menschen als Filips en Alva de gedachte kan opgerezen zijn, ook die vreemde vrucht op Nederlandschen bodem te planten; maar zeker blijft het, dat die gedachte steeds door hen (is) ontkend en nimmer een begin van uitvoering heeft erlangd. Heeft die wensch bestaan, het was omdat die Inquisitie een zoo duister werkend, maar krachtig, beslissend en alles vernietigend middel was, waardoor hun hoogste doel, ondergang der ketterij, kon worden bereikt. Keizer Karel V, de eigentlijke insteller der Inquisitie in de Nederlanden, schreef daarover in een gedenkwaardigen brief aan zijne dochter Johanna, korten tijd voor zijn dood, het volgende: ‘Ik heb in de Nederlanden de Inquisitie willen vestigen, teneinde de ketterijen, welke de nabuurschap van Duitschland, Engeland en Frankrijk daar hadden voortgeplant, uit te roeijen en te straffen. Eenstemmig verzetten zich alle daartegen en schreeuwden, dat er onder hen geene Joden waren. Na lang onderhandelen is het zooverre gekomen, dat er eene verordening gemaakt is, volgens welke allen, van welken rang of stand zij ook waren, bijaldien (zij) in een der misdaden in die ordonnantie uitgedrukt vervallen waren, ipso facto met den mutsaert en verbeurdverklaring hunner goederen zouden worden gestraft. Ter uitvoering dier bepaling werden zekere persoonen benoemd,

[p. 349]

om onderzoek te doen en de schuldigen op te sporen; bleek het misdrijf waar, dan hadden zij de halsstarrigen levend te verbranden, de berouwhebbenden met het zwaard te regten. Zoo is het geschied, ofschoon het misnoegen over zoo streng een bevel algemeen en niet zonder grond was; maar de noodzakelijkheid dwong mij. Ik geloof en hoop, dat mijn zoon op denzelfden voet is voortgegaan; altans ik heb hem geraden en gesmeekt, uiterst gestreng te zijn in het straffen der zoodanigen’1).

De ordonnantie, waarop Karel bij het schrijven van dezen brief het oog had, was voorzeker die van 31 Mei 1550, sedert door Philips in November 1555 bevestigd2). Geen staatsbelang had hem die in de pen gegeven, maar de vrees voor het indringen dier nieuwe leer, welke het voorwerp van zijn doodelijken haat was. De plakkaten waren ontoere ikend gebleken: het getal der Hervormden wies in de verdrukking; de stedelijke regeeringen, de orde der regtsgeleerden begonnen allengs verdachte of besmette persoonen onder hare leden te tellen; noode vervolgden zij hunne eigene medeburgers of leenden de hand aan bepalingen, waarvan de nakoming eene doorgaande inbreuk op stedelijke en gewestelijke voorregten was. Maar boven alles, de plakkaten bereikten slechts de ketterij, wanneer zij zich door daden had kennelijk gemaakt; zij troffen de vergrijpen tegen de instellingen en de leer der kerk; zij straften de verleiders, maar niet de verleiden, voor zooverre (zij) het ingezogen gif in hun hart hadden opgelegd. En echter de gedachte was de moeder van woorden en daden; zoo lang men niet haar onderdrukt had, zouden, ondanks brandstapel en strop, steeds nieuwe leeraars, nieuwe boeken, nieuwe misdaden oprijzen. Hoe in die tekortkoming der plakkaten te voorzien?

Keizer Karel antwoordde door de Inquisitie. Waar geene daad aanwezig was, maar slechts de wil, minder nog: de gedachte, waaruit eene daad kon voortkomen, daar begon het regtsgebied dier nieuwe en vreesselijke vierschaar. Een streng onderzoek, of

[p. 350]

binnen het land of een bijzonder gedeelte des lands de uiterlijke godsdienstigheid en de waarneming der kerkplegtigheden toe of afgenomen was, was de grondslag, waarop de geloofsregters hun geding aanvingen; geestelijken, biechtvaders, burgerlijke en regterlijke ambtenaren werden opgeroepen (om) onder eede te verklaren, wat zij ten voor- of nadeele van enkele gemeenten of bijzondere persoonen gehoord hadden; zelfs geheime aanklagten werden aangehoord: uit de onderlinge vergelijking besloot de geloofsregter tot het bestaan der ketterij, tot hare aanleiding, hetzij die onwetenheid, hetzij die verleiding was. Vandaar strekte zich het onderzoek uit over de priesters en opzieners: men vernam, of hunne kundigheden aan hunne roeping beantwoordden, of zij zelve geene verdachte meeningen koesterden of verdachte boeken lazen, of de voortgang der Hervorming onder hunne kudde bevorderd werd door hunne onvastheid in de leer, hunne nalatigheid in hun ambt of de ongeregeldheid van hunnen wandel. Men vorschte langs denzelfden weg de geheime beginselen der plaatselijke overheden en wereldlijke regters uit; men ging na, of zij de plakkaten niet te slap hadden gehandhaafd, en putte daaruit de aanleiding om henzelven in regten te betrekken als begunstigers der ketterijen, en hunne godsdienstige overtuiging aan een streng onderzoek te onderwerpen. Eindelijk, de geestelijke regters boden aan de wereldlijke, die somstijds zelfs de twaalf geloofs-artikelen vergeten waren of nooit hadden geweten, de behulpzame hand, om te bepalen, welke meeningen kettersch waren en als zoodanig, ingeval van openbare verkondiging, onder de straf vervielen, door de plakkaten bedreigd; gene deden, wat deze niet vermogten, onderzoek of het berouw der schuldigverklaarden opregt was, of de herroeping hunner dwalingen slechts uit vrees voor de straf was voortgekomen, dan wel of zij de uitdrukking was eener stelselmatige verandering van gevoelens, en in dat geval bekroonde de geloofsregter zijnen arbeid door de nieuw bekeerden door leer en onderwijs te bevestigen en ten laatste alle sporen van ketterij uit te wisschen in hunne opneming onder de gehoorzaamheid der kerk.

Wij hebben de verpligtingen der Inquisiteurs opgegeven; wij moeten spreken over hunne regten. Het pauselijk alvermogen

[p. 351]

was daarvan de grondslag. Het hof van Rome kon zijne magtsvalkomenheid in haar geheel op zijne gemagtigden overdragen, en het spreekt van zelf, dat dan geene magt ter wereld in staat was de zijne op te wegen. Vorsten en kerkvoogden traden de Pausen met gelijke onafhankelijkheid op den nek: geen wonder, zoo gene met wangunst eene instelling beschouwden en waar zij konden fnuikten, welke hun eigen gezag overschaduwde. Intusschen de verdeeldheid van Bisschoppen en Landsheeren bereidde den weg voor de pauselijke aanmatiging en dus ook voor de Inquisitie; er waren bovendien oogenblikken van ongeloof, van geestdrijverij, van ketterij, die zelfs bij weldenkenden het vooroordeel rechtvaardigden, dat eene regtbank als die der Inquisitie alleen de kerk en het Christendom vermogt te redden. In zulke gevallen werden de geloofsregters slechts gevolmagtigden voor eenen bepaalden tijd, voor een bepaald doel; hunne regten waren door den pauselijken lastbrief omschreven en dikwijls in gemeen overleg met den Landsheer zooveel mogelijk naar de wetten des lands, waar de Inquisitie tot stand kwam, gewijzigd.

Die wetten waren in de Nederlanden van dien aard, dat eene geestelijke regtbank daar nimmer algemeen ingang kon vinden, tenzij de heiligst bezworene eeden, de stevigst verzegelde handvesten met voeten werden getreden. Nietslechts de bijzondere verordeningen van de pauselijke lastbrieven, neen, het denkbeeld eener geestelijke regtbank, onderscheiden van die der Bisschoppen, was in de aanzienlijkste gewesten hier te lande door de staatswetten buitengesloten. Want voorzeker, het regt van geloofsonderzoek der Bisschoppen over hunne leeken en de toepassing der kerkelijke straffen was zoo oud als de kerk, de invloed van hunne regtsmagt ook in de burgerlijke betrekkingen weinig jonger dan de heerschappij der kerk; maar des ondanks was de Inquisitie der Bisschoppen zelven door onze Graven en Hertogen binnen zeer enge grenzen beperkt. De uitgestrektheid der voorvaderlijke vrijheid is zoo dikwijls overdreven, dat het hier noodig is alle onbepaalde grootspraak vaarwel te zeggen en in bijzonderheden de waarheid dezer verzekering aan te toonen. Wij kiezen de drie der voornaamste provinciën, die Karel V van den beginne af onder zijnen scepter vereenigde, om dit te bewijzen: Brabant, Holland,

[p. 352]

Vriesland. Over de eerstgenoemde landstreek kwam het geestelijk gebied van oudsher toe aan twee Bisschoppen: (die) van Luik en van Kamerijk. Maar om niet te gewagen van alle de bepalingen, waardoor Philips de Goede zijne Brabantsche onderdanen tegen de aanmatigingen dier vreemde geregtshoven had gewaarborgd, hunne jongste zekerheid bestond in den toebrief tot zijne Blijde inkomst, door Karel V op den 26 April 1515 verleend, waarbij aan de beide Bisschoppen de magt ontzegd werd, om de inwoners van Brabant buiten de grenzen van het land ter verantwoording te roepen. Slechts op gezette tijden mogten zij in den lande van Brabant zelven door hunne gevolmagtigden de vierschaar spannen, en daarvoor de inwooners dagen slechts terwijl en zoolang als de zitting duurde. Eindelijk slechts van drie zaken was hun vergund kennis te nemen: van de waarde of onwaarde der uiterste wilsbeschikkingen, van huwelijksche voorwaarden, van verstervingen aan de doode hand, ‘ende niet voorder’, zooals de nieuwe Hertog er uitdrukkelijk bijvoegde. Wat Karel V voor Brabant had gedaan, was reeds Holland voor een aanzienlijk gedeelte aan Willem VI van Holland verschuldigd. Uit Zuid-Holland mogt geen zijner onderzaten voor eenig geestelijk geregt worden gedaagd dan ter zake van ‘paaplijke provenden, huwelijksche voorwaarden en testamente’; volgens het voorregt, door denzelfden Landsheer aan Waterland verleend, kon niemand buiten zijn kerspel door den geestelijken regter vervolgd worden, en de kerkelijke ban, in een tegenovergesteld geval uitgesproken, werd als nietig en van onwaarde beschouwd. Eindelijk was door het concordaat tusschen Philips den Goede en den Bisschop Rudolf van Diepholt bepaald, dat om geenerlei zaken de ingezetenen van Holland, Zeeland en Westvriesland te Utrecht konden verdagvaard worden; niemand kon, volgens hetzelfde verdrag, tegen zijnen wille onttrokken worden aan den geestelijken (provisor en deken) of wereldlijken regter van de plaats, waar hij onderzaat was. Evenals Holland behoorde Vriesland onder het geestelijke regtsgebied des Bisschops van Utrecht; maar volgens aloude herkomsten, door de Saksische vorsten en Keizer Karel gelijkelijk bezworen, was de magt dier kerkvoogden daar nog beperkter. De twee aartsdiakenen van het Sticht konden jaarlijks twee commissaris-

[p. 353]

sen, een voor Oostergo en een voor Westergo, benoemen, maar beide in Vriesland gevestigd, om de priesters te onderzoeken, te ordenen, zich omtrent hun leer en leven te laten inlichten en daarover naar beschrevene keizerlijke regten uitspraak te doen. Het aantasten van leeken zonder bewilliging der wereldlijke magt was ten eenenmale ongeoorloofd. De commissarissen deelden hun geestelijk regtsgebied met de Vriesche abten: die van Lidlum, Hemelum en Dockum. Die regters waren te afhankelijker van hunne gemeenten, omdat aan niemand, noch aan Keizer noch aan Bisschop - met uitzondering hunner eigene heerlijkheden - de benoeming van herders en leeraars, van abten of van geestelijke overheden stond, dan aan de monniken of aan de eigenerfde en schotboortige leden der gemeente. Waar had het landregt hier eene reet overgelaten, waardoor zich de Inquisitie, zooals Karel V die verstond, kon binnendringen?

Wij hebben hier alleen van den strijd gesproken, waarin het geloofsonderzoek en ketterregt, in het afgetrokkene beschouwd, met 's Lands voorregten en handvesten zich bevond. Het vervolg dezer bladen zal leeren, hoe vaak dat stelsel in de toepassing in tegenspraak was met de burgerlijke vrijheid, met de aangenomene regtspleging, met de wettige strafvordering. De Pausen verzuimden niet, hunne magt den Inquisiteurs mede te deelen over alle de Nederlandsche gewesten, op welke voorwaarden en in welke mate ook elk in het bijzonder aan den heerscher onderworpen was; de pauselijke inquisiteurs kenden geene grenzen dan hun berigtschrift uit Rome, en Rome, dat zijne magt van den Heer des hemels en der aarde had, speelde ligtelijk met de artikels van verdragen of bezworene grondregten. Uit het eenmaal aangenomen standpunt liet dit alles bij redelijke gevolgtrekking zich afleiden Maar die verontschuldiging kon niet voor den landsheer gelden. Philips de Goede had bij opene brieven verklaard, dat alle bullen, aanschrijvingen, indagingen, van den Pauselijken Stoel uitgevaardigd, geene kracht van wet hadden, zoolang die niet door den Landsheer waren goedgekeurd; dat wie daaraan des ondanks gehoorzaam was, zich als onderdaan ten hoogste strafschuldig en het banvonnis waardig had gemaakt. Dit regt was telkenreize en onverminderd door zijne opvolgers, de nieuwe

[p. 354]

Landsheeren, bezworen. Op hen kwam dus de verantwoordelijkheid, zoo zij tegen de aanmatigingen van den Pauselijken Stoel de regten der landzaten niet in bescherming namen; zoo zij, tegen de letter van hunnen eed, tegen de uitvoerige verklaring hunner opene brieven, de Inquisitie toelieten en bekrachtigden, dan stonden zij tegenover hunne onderdanen als eedverbrekers en trouweloozen.

Maar voor zulke bedenkingen stond een man als Karel V niet stil. Geen woord van verdediging voor hem, want niemand maakte stoutmoediger inbreuk op de regten des vaderlands; geen woord van verontschuldiging voor hem, want de list, waarmede hij zijne plannen ten uitvoer bragt, plaatst hem aan de zijde van de verstandigste tyrannen der oudheid. Maar ook geen woord van verguizing voor hem, want de edelste eerzucht voor het welzijn zijner onderdanen werd dwingelandij, omdat zijn geest, hoe krachtig ook, slechts des te krachtiger het vooroordeel, waaronder hij gebukt ging, doorzette als rigtsnoer voor zijne regering. Aan het einde zijns levens, in een oogenblik der heiligste zelfbetrachting, betreurde Karel, dat hij zijn woord van vrijgeleide jegens Luther niet gebroken had. Zulk eene verklaring is de slotsom zijner daden, zijns levens: wat anderen in hem als eerlijkheid hebben geprezen, was in zijne eigene oogen berispelijke zwakheid geweest.

Misschien behoorde het niet tot stand brengen der Inquisitie in de Nederlanden tot die tekortkomingen, waarvoor hij later boete deed in het klooster van Yuste. Immers de aangehaalde woorden uit zijnen brief aan Prinses Johanna bewijzen, dat zijne wenschen niet bevredigd, zijne pogingen niet geslaagd waren. En zoo was het inderdaad: de Inquisitie was in de Nederlanden geweest, zij was er verdwenen, na vergeefs hare krachten op de landswetten te hebben beproefd; onder verschillende vormen had zij zich van toen af zoeken binnen te dringen: op enkele punten en voor een tijd was het haar gelukt zich te vestigen, maar een algemeen, een onbetwist bezit was haar niet ten deele geworden tot op het oogenblik, dat de ontmoedigde en afgeleefde Keizer zijne staten aan zijnen zoon overliet. Wij moeten de hoofdtrekken van de geschiedenis der Inquisitie in de Nederlanden onzen lezers mededeelen.

[p. 355]

Het werk van de Inquisitie ging van den Keizer uit. Opdat het beruchte Wormser plakkaat van 8 Mei 1521 ook in de Nederlanden ten striktste zou worden uitgevoerd, beriep hij uit zijnen Raad van Brabant een der ijverigste katholieken, Mr. Frans van der Hulst, om de ketterij ten scherpste te vervolgen en uit te roeijen. De naam van Inquisitie werd in het hem gegeven berigtschrift vermeld, maar alleenlijk om daardoor geregtelijk onderzoek, enquête, uit te drukken. Van der Hulst was geen eigenlijk Inquisiteur, maar een buitengewoon gemagtigde des Keizers, van wien hij zijne aanstelling en zijn regt ontleende; 's Keizers lastbrief beperkte bovendien zijne werkzaamheid tot Brabant, waar de Lutheranerij het eerst en hevigst was losgebroken1). Wat hij niet was, werd hij eerlang door de beschikking van Paus Adriaan. Behoudens eenige bepalingen benoemde hem deze tot algemeen Inquisiteur voor de Nederlanden van wegen den Pauselijken Stoel, breidde zelfs zijn regt over alle geestelijken lager dan de rang van Bisschop uit, gaf hem magt, de ketters overeenkomstig de bepalingen van het geestelijk regt te straffen en bestemde de opbrengst der boeten en verbeurdverklaringen, door hem uitgesproken, voor den heiligen oorlog, tegen de Turken te voeren. Had reeds Karel zelve zijnen gevolmagtigde ontslagen van de noodzakelijkheid om de gewoone vormen van regtspleging in acht te nemen, de Paus behoefde daaraan zijnen Inquisiteur nog minder te verbinden; maar deze handhaafde tenminste de kerkelijke hierarchie door uitdrukkelijk te bepalen, dat het berigtschrift, door hem uitgevaardigd, niet verstaan werd te strekken ten nadeele van het regt van geloofsonderzoek, dat tot dusverre de gewoone bisschoppen en hunne gemagtigden binnen hun Bisdom hadden uitgeoefend.

[p. 356]

Van der Hulst bekleedde zijn ambt met al de onbescheidenheid eens indringelings; door zijne buitensporigheid maakte hij zich zijn ambt onwaardig. De Landvoogdes trok zijn berigtschrift in, en een oogenblik aarzelde men in haren raad, of de zaak van het ketteronderzoek niet beter aan de gewoone geregtshoven, die volgens de plakkaten vonnis wezen, of aan de Bisschoppen dan aan bijzondere Inquisiteurs ware overgelaten. De overweging, waarom dit gevoelen verworpen werd, is merkwaardig: men vreesde, dat de Bisschoppen van de gelegenheid gebruik zouden maken om de magt des Souvereins te besnoeijen, en meer hun werk zouden maken, van hunne eigene beurs door boeten en steekpenningen te mesten dan door strenge straffen de ketterij uit te roeij- en. Kunnen wij die overweging anders dan onstaatkundig en schandelijk noemen? Door privilegiën, landbrieven en concordaten was de magt der Bisschoppen naauw genoeg beperkt: waartoe dienden de Raden en Hoven, die Karel zelf in alle gewesten invoerde, dan om te voorkomen, dat geen der gevestigde ligchamen zijne magt ten koste der andere misbruikte en de regten des Souvereins nergens inbreuk leden? In plaats daarvan verkoos men eene vreemde mogendheid in het beheer der zaken van godsdienst in te roepen, eene vreemde regtspleging en ten koste der oude herkomsten te vestigen. Wist men, hoeverre deze hare eischen zou drijven? Men had ja het placet om die te keer te gaan; maar de geschiedenis der Inquisitie ligt daar ten bewijze, hoe schandelijk men dit regt verwaarloosde. Er is geene andere verklaring voor dergelijke miskenning van eigen en landsbelang dan in de dolle ketterhaat, waardoor Karel en zijne voornaamste raadslieden verblind waren.

Men nam dus zijne toevlugt tot den Paus en verzocht hem eenen nieuwen Inquisiteur. Clemens VII benoemde den Kardinaal Van der Mark, een ijverig vervolger der Lutherschen, maar een man van kunde en veerkracht. Hij was echter Bisschop van Luik en de overwegingen, die wij laakten, maakten zich geldig: juist in die betrekking vreesde men hem als een gevaarlijk mededinger voor het keizerlijk gezag. Men smeekte andermaal den Paus om zijne tusschenkomst. Deze trok den lastbrief van den Kardinaal in en benoemde drie andere Inquisiteurs in zijne plaats.

[p. 357]

Men zou den tijd, die op hunne benoeming volgde, het tijdvak kunnen noemen, waarop de pauselijke Inquisitie in de Nederlanden haren hoogsten bloei had bereikt, het eenige, waarop zij zich over alle de Nederlandsche gewesten uitstrekte, het eenige, waarop zij geene andere beperkingen kende dan het pauselijk berigtschrift. Het door Clemens uitgevaardigde overtrof dat van Adriaan in aanmatiging en overschreed zelfs de grenzen van het betamelijke. Na een hevigen uitval op de bestaande Bisschoppen en de wijze, waarop zich deze van het geloofsonderzoek kweten, werd met eene enkele pennestreek hun gezag afgeschaft of tenminste tot werkeloosheid gedoemd1); aan de ketterregters werd voorgeschreven, den mijter evenmin als den hertogshoed te ontzien, maar alle voor zich te dagen en alle, met uitzondering slechts der Bisschoppen, in de gevangenis te werpen, die van ketterij verdacht waren; en onder die verdachten werden alle ambtenaren gerekend, die aan de uitvoering van hunnen last het minste in den weg legden, of de afkondiging hunner indagingen en besluiten opschortten; geen beroep stond aan de vervolgden open, zelfs niet het beroep op het Hof van Rome2). De geestelijke banblik-

[p. 358]

sem, die de zielen ter helle plofte en de ligchamen van elke Christelijke begraafplaats buitensloot, de geestelijke banbliksem, die minder vreesselijk zou geweest zijn, wanneer zij (niet) den wereldlijken regter en den beul sinds lang aan zich onderhoorig had gemaakt, mogt door de Inquisiteurs vrijelijk worden geslingerd: wat zij bonden was in hemel en op aarde gebonden, wat zij ontbonden, ontbonden. Erger nog, hunne vreeselijke persoonlijkheid had het regt, zich naar welgevallen te vertiendubbelen; zij konden onder-inquisiteurs aanstellen ter hunner keuze, persoonen, die zij ten opzigte van godgeleerdheid en regtskennis geschikt, dat is met andere woorden: vervolgziek en buigzaam, oordeelden, en aan dezen door hunnen eigen lastbrief alle die magtsvolkomenheid overdragen, die zij zelve bezaten1). Eindelijk, op één punt slechts scheen de magt des Souvereins te worden gevleid: de verbeurdverklaringen werden aan zijne schatkist toegewezen; ver-

[p. 359]

nederende vleijerij, die 's vorsten hebzucht streelen moest, meer dan de belangeloosheid van Paus Adriaan, die tenminste het bloedgeld in de offerkist wierp door het voor den Turkenoorlog te bestemmen.

Vraagt men naar de gevolgen van zulke beschikkingen, het schijnt genoeg ten antwoord, onder de ketterregters de namen aan te halen van den Carmeliter Nicolaas van Egmond en van dien Ruard Tapper, die het zinnebeeld en de beknopte uitdrukking geworden is voor alle de herinneringen van onverdraagzaamheid en geloofsvervolging in de Nederlanden, genoeg onder de slagtoffers den edelen pastoor van Woerden, Jan de Backer, te vermelden. Intusschen zóó schoorvoetend sluipt iedere nieuwigheid binnen, zóó sterk wreekt zich in het gevoel van schaamte het regt, waar het geschonden wordt, - de Inquisitie, ondanks al de magt, haar door den Paus toegekend, verschool zich achter het schild der hooge geregtshoven. Het vervolgen van rekkelijke schouten en nalatige werd aan deze overgelaten; door aanschrijving op aanschrijving drong Margaretha van Oostenrijk op de scherpst mogelijke uitvoering van 's Keizers plakkaten bij hare raden aan; de Inquisiteurs bleven op hun hoog leergestoelte te Leuven zitten. Die Hoogeschool bestreed de Hervorming door geschriften, door zendelingen en verspieders; die Hoogeschool gaf den raden aanwijzigingen hoe te handelen, en besliste ten laatsten vervolge over de resultaten van de onderzoekingen dergewestelijke Hoven.

Brabant leed ditmaal het langst en het meest onder de eigentlijk gezegde Inquisitie. Het lag binnen het bereik van haar brandpunt, Leuven. Eerst omstreeks 1527 drong zich een onder-inquisiteur, Mr. Pieter van der Goude, deken van Naaldwijk, in Holland binnen; maar nergens vinden wij, dat hij onafhankelijk van het Hof van Holland hebbe gehandeld. Het Hof zond zijne leden naar alle kanten uit, om berigten in te winnen, of er iets aan de uitvoering der plakkaten in de steden achterwege gelaten werd, of ergens de ketterij het hoofd opstak. Het Hof vervulde zijn taak met zooveel bedrijvigheid, dat het in het begin des jaars 1527 aan den Stadhouder, Graaf van Hoogstraten, schrijven kon, dat het de gansche vasten met niets anders ‘onledich was geweest, dan om middelen te vinden om die suspecte persoenen te corri-

[p. 360]

geren ende voirts te extirperen de voorsz. quade secte ende dwalinge, zoe dat wy geenen tijdt gehadt en hebben, om processen te visiteren ende justicie te administreren.’ Schandelijke bekentenis voorzeker, maar die nederkomt op het hoofd dergenen, die met zulk eene taak het Hof hadden belast! Zoo ter eener zijde het Hof stedelijke regeringen, die de plakkaten kwalijk nagekomen waren en door hunne slapheid der ketterij hadden in de hand gewerkt, zooals die van Amsterdam en Monnikendam, dagvaarden deed, het handelde daarin voorzeker overeenkomstig de beginsels zijner instelling1). Ter andere zijde handhaafde het de regten der provincie: het verzette zich tegen de aanmatiging der Hoogeschool van Leuven, die hare leden ten ontijde in de aanhangige regtsgedingen wierp en dezen dan voor haren regterstoel betrok2); het handhaafde het privilegie de non evocando tegen de ongehoorde leer, destijds door den Hoogen Raad van Mechelen voorgestaan, dat alle de Nederlanden ééne provincie uitmaakten en dat dus een Hollander of Vlaming voor den gedelegeerden regter van Brabant of elders kon te regt staan3).

Waarschijnlijk was het aan dergelijke tegenstrevingen der stedelijke regeeringen of wel aan den naijver van het Hof zelf te danken, dat de Inquisiteurs eerlang geheel van het tooneel verdwenen. Bij het plakkaat van 1529, in 1531 hernieuwd, werd aan twee leden der gewestelijke Hoven opgedragen kennis te nemen van

[p. 361]

allen, die verdacht of beschuldigd waren tegen de plakkaten des Keizers te hebben gezondigd, en het vonnis tegen hen overeenkomstig de geschreven regten uit te spreken1). Wel sprak de Keizer in de gezegde plakkaten van de Inquisiteurs, welke de Paus op zijn verzoek in de landen van herwaartsover afgevaardigd en bevolmagtigd had, maar het bleef bij die melding: hun lastbrief scheen stilzwijgend ingetrokken te zijn. Slechts één voorbeeld uit den jare 1530 viel er in Brabant aan te wijzen, waarbij de Inquisiteur regtsmagt had uitgeoefend tegen eenen leek. In Holland vinden wij nergens voorbeelden, waarbij de Inquisiteur in die hoedanigheid optrad. Zelfs in de wreede vervolging tegen de Herdoopers, die eerlang volgde, bleef hij uitgesloten. De ‘Commissarissen tot de zaken Lutheranen’, zooals zij zich noemden, en later de raadsleden, die hun bijstonden, onderzochten en verhoorden zelfs de geestelijken, en daar hunne magt zich niet tot ontwijding der van ketterij overtuigden mogt uitstrekken, verwezen zij de uitspraak daarover niet aan de Inquisiteurs, maar aan de officieren van den Bisschop en de dekens, onder wier regtsgebied de beschuldigden behoorden.

De Commissarissen, wier werkzaamheid eerlang door de overige raadsleden gedeeld werd2), ontvingen in 1534 een scherp verwijt wegens hunne rekkelijkheid in het straffen. Waarlijk, de ‘Christelijke weduwe’ van Erasmus moest moeijelijk te bevredigen zijn! De Herdooperij was een storm, die hun eigen leven en veiligheid bedreigde; de stedelijke regeeringen dwarsboomden den Raad, waar zij konden, en deze antwoordde met indagingen

[p. 362]

en ambtschorsingen. Bloed werd er in overmaat vergoten, want het Hof stond de geheime regtsplegingen voor, waar de openbare opzien of oproer zouden hebben verwekt. Op zijnen voorslag werd er een soort van Drossaard benoemd, door een aantal gewapenden omgeven, teneinde zich naar alle hoeken des lands te begeven, bij voorraad naar de Melchioriten - zoo noemde men de Herdoopers - onderzoek te doen en hen in de naaste stad te regt te stellen. Hij had tevens den Raad al de openbare ambtenaren aan te wijzen, die traag waren in het voltrekken der plakkaten, en voorts alle overigen, die met Lutherij besmet waren, te vatten en gevangen naar 's Hage op te zenden. Vreemde krijgslieden, Walen en Mechelaars, werden in dienst genomen, om het werk der regtspleging te ondersteunen. Als wilde beesten werden de Herdoopers in Noordholland door vuur en smook uit hunne schuilplaatsen gejaagd; hunne huizen werden in brand gestoken, hunne vergaderplaatsen omverre gehaald. De pijnbank in zijne beide vormen, ‘den gracelijken (!) en den rigoreusen’, deed ijverig zijn werk, en houtmijt, zwaard en zak verslonden in het openbaar en geheim hare slagtoffers. Maar de ketterij plantte zich op den adem des woords voort en bevruchtte alom den grond met een telkens verjongden, telkens rijkeren oogst. Amsterdam was een dag lang in de magt der gewapende dweepers geweest; te Monnikendam waren de Raadsheeren, niet anders dan als in een vijandelijke stad, in het geheim en bij verrassing binnen gedrongen, om het gezag der wet te handhaven; te Hazerswoude hadden de elders verdreven Herdoopers zich onder de aanvoering eens gewezen baljuws van 's Gravesande, Pieter van den Binkhorst, vereenigd, en na de plaats met moord en brand te hebben overvallen, een geregeld gevecht met de benden des Keizers doorgestaan. Onder dusdanige omstandigheden kende de vervolging geene perken, vond de barmhartigheid geene plaats. Vrouwen, die door hunne echtgenooten naar de geheime vergaderplaatsen gelokt, kinderen, die door hunne ouders gedwongen waren hunne leer te volgen, al gaven zij de opregtste teekenen van berouw, werden zonder genade evenals de halsstarrigen gestraft. Ondanks alle klagten daartegen der stedelijke regeringen, ondanks alle beroep op hunne privilegiën, werden de goederen der voortvlugtigen ver-

[p. 363]

beurd verklaard; de eigenaars der hooge heerlijkheden vergden hun regt op deze, maar met een woord, waarvan de tijden van Alva ons de wedergade opleveren, werden zij afgewezen: ‘de vasallen mogen gheen confiscatie pretenderen, soo veel te min dat zij gheen diligentie gedaen en hebben noch en doen, om die secten te extirpeeren.’ Niet slechts de Herdoopten of Lutherschen werden opgespoord, zoodra zij onder verdenking vielen; ook allen, die uit onverschilligheid het jaarlijksche hoogtijd houden hadden verzuimd, werden ter verantwoording opgeroepen of onder het opzigt der geregtsambtenaren en parochie-geestelijken gesteld; die een zijstraat insloeg, als het heilige werd omgedragen, die gedurende de hoogmis voor zijne deur zat, die het gewaagd had een onverdraagzamen minderbroeder met een blaffenden hond te vergelijken, was een voorwerp van geregtelijk onderzoek. Wij zijn uitvoerig in het beschrijven dezer vervolging; want ofschoon zij ketters en verdachten, verleiders en verleiden, priesters en leeken, vreemdelingen en poorters, stad en land, ambtenaren der grafelijkheid en magistraatspersonen, rijken en armen omvatte, wij vinden nergens van een eigenlijk gezegden Inquisiteur eenig spoor. Het is het Hof en bijzondere afgevaardigden uit zijn midden, de voorzitter van het Hof, Gerrit van Assendelft, Heer van Heemskerk, de procureur-generaal Reinier Brant, de geweldige provoost Karel van Herlaer; het zijn eindelijk de baljuws of stedelijke regeringen, gedwongen naar het advijs van het Hof vonnis te wijzen, op gevaar van hun vonnis vernietigd en zich zelven gedagvaard te zien, eindelijk de stadhouder Graaf van Hoogstraten of zijn plaatsvervanger, de Heer van Escornaix, welke wij met ijver aan de uitroeijing der ketterij bedrijvig zien en bij al hun bedrijvigheid nog te kort schietende.

Het mag opmerkelijk heeten, dat, terwijl de Inquisitie het menschelijk en burgerlijk regt in zijne grondzuilen schokte, daardoor het misnoegen wel algemeen was, maar dat de strijd tegen het onregt eerst daar met gelukkig gevolg gevoerd werd, waar de privilegiën van enkele gewesten daaronder leden. Dit was het geval met Brabant. Dank zij den genoemden toebrief tot Karel V's Blijde inkomst van 26 April 1515 gelukte het den Brabanders eerst, het indringen van den Bisschop van Luik, den Kardinaal

[p. 364]

Van der Mark, als generaal-inquisiteur af te keeren, ofschoon die zeker veeleer als geestelijke overheid had kunnen beschouwd worden, dan de in strijd met alle instellingen en op een geheel buitengewoone wijze tot het ambt van ketterregter geroepene Frans van der Hulst. In plaats van den Bisschop, wiens benoeming de Paus herriep, ontving Brabant drie geestelijken tot ketterregters. De ijver, waarmede deze hun ambt oefenden, gaf zeker tot nieuw misnoegen aanleiding: de Keizer gaf het geestelijk regtsgebied opnieuw aan leden van het Hof van Brabant in handen1); maar deze oefenden hunne magt met meer bescheidenheid dan hun voorganger. Met hunne aanstelling in het jaar 1529 hield, om zoo te spreken, het kettergerigt in Brabant op; niet alsof de bloedige plakkaten niet talrijke slagtoffers aan den brandstapel, aan het zwaard des scherpregters of aan de put ten prooi gegeven hadden; maar het waren geene daden van regterlijke magt als zoodanig, door de Inquisiteurs uitgeoefend: slechts nu en dan deed zich een geval op, dat twijfelachtig was en waaruit hoogstens de gevolgtrekking kon worden gemaakt, dat zij hunne magt hadden misbruikt. Het schijnt zelfs, dat de regeering het niet waagde de eigentlijke plakkaten der Inquisitie van de jaren 1546 en 1550 binnen Brabant aan te kondigen; men zocht veeleer dat stelsel binnen te smokkelen, door het plakkaat tegen de ketterijen van April 1550 te laten bekend maken. Maar de regeeringen der steden, inzonderheid die van Antwerpen, lieten zich niet verschalken. De woorden, die daarin meermalen voorkwamen, van Inquisiteurs en Inquisitie, en de wijze, waarop men die instelling als een erkend staatsligchaam scheen te doen gelden, gaven haar tot zoo

[p. 365]

dringende tegenvertoogen aanleiding, dat het plakkaat van 's Keizers wege teruggenomen werd. Er werd een nieuw uitgevaardigd: van Inquisitie en Inquisiteurs werd hierin niet gerept, maar de zaak bleef nagenoeg dezelfde. Aan het slot beval de strenge alleenheerscher, ditmaal met de afkondiging voort te gaan, ondanks alle tegenspraak of ‘beroep en in weerwil van alle privilegiën, instellingen, gewoonten of gebruiken daarmede strijdig’. Men gehoorzaamde toen in de overige hoofdsteden; maar Antwerpen bleef volstandig en trad niet eer toe tot de uitvoering van het gegeven bevel, dan nadat de Kanselier van Brabant met gezegelde brieven had verzekerd, dat de stad nooit met Inquisitie gekweld, maar met hare inwooners ten allen tijde bij hare oude vrijheid en orde van regtspleging gehandhaafd zou worden.

Evenals Brabant op zijne bijzondere voorregten, had Gelderland zich op de strikte bepalingen van den vrede van Venlo kunnen beroepen, om zich vrij te waren van het indringen der Inquisitie. Keizer Karel toch was daar geen heer volgens erfregt, maar ten gevolge van de artikelen eens verdrags, dat, al had zich ook de Keizer daarbij het deel van den leeuw bedongen, echter ook zijnerzijds stiptelijk behoorde te worden nageleefd. Er bestond als landsregt een plakkaat van Hertog Karel van Egmond tegen de ketterijen, dat, op zich zelve streng genoeg, slechts herziening en vernieuwing behoefde; maar van Inquisitie werd daarin niet gerept. Desondanks gelukte het den Keizer, zijne Inquisiteurs binnen dat gewest te dringen. Op de vervolging van Karel van Egmond was de verdraagzaamheid van den Hertog van Cleve gevolgd, en palende aan Duitschland lag het land open voor de verspreiding der nieuwe leer. Het Hof van Gelderland echter toonde voor den wil des Keizers grooter inschikkelijkheid dan de Raad van Brabant, en de ingezetenen, zelve uitgeput door lange oorlogen, koesterden grooter vrees voor het geweld des Keizers. Men zwichtte: met schending van den vrede van Venlo, volgens welken niet alleen het geestelijke regtsgebied grootendeels aan den Bisschop van Luik had moeten verblijven, maar volgens hetwelk ook alle vervolging tegen de ketters zich tot het in waarheid reeds strenge plakkaat van Hertog Karel van Egmond had moeten bepalen, tastten de Inquisiteurs, ditmaal door een slaafs gedien-

[p. 366]

stigen Raad ondersteund, de regtsmagt der hooge heerlijkheden aan in het vervolgen en vangen hunner slagtoffers1).

Vriesland onderscheidde zich niet minder (dan Brabant) door wakkeren tegenstand. Omdat dit land onder het geestelijke regtsgebied des Bisschops van Utrecht behoorde, nam men dezen in den arm. Men wist de aartsdiakenen van het Sticht te bewegen, dat deze aan Sonnius en Litmatius, de door den H. Stoel benoemde en door den Keizer bevolmagtigde Commissarissen, - ook hier liet men den naam van Inquisiteurs voorzigtig achterwege - hun regt op hun geestelijk regtsgebied zouden overdragen en zelve de te Brussel voor hen gestelde lastbrieven zouden afvaardigen2). Al droegen zij ook niet den titel, het waren werkelijke geloofsregters: dat bleek met de daad door hunne onvermoeide vervolgzucht, waarvan vele Doopsgezinden het slagtoffer werden; maar dat bleek ook uit de hun geschonkene volmagt, volgens welke het Hof van Vriesland en de ondergeschikte ambtenaren verpligt waren, de persoonen, hun door de Commissarissen aangewezen, onmiddellijk in hechtenis te nemen3). Vooral dit wekte de onte-

[p. 367]

vredenheid der Vriezen. Tegengewerkt door de leden van de geestelijkheid zoowel als van den Raad, hadden de Commissarissen ten slotte ondanks al hunne bedrijvigheid weinig uitgerigt. Twee jaren later maakte de voortgang der Calvijnsche en Zwinglische leer in de oogen der katholijke ijveraars eene nieuwe Inquisitie noodig: Willem van de Linde werd met die taak belast. Ook hij heette geen Inquisiteur: onder eene nieuwe vermomming drong hij de schaapskooi binnen. Nadat alvorens (20 Aug. 1556) de plakkaten tegen de ketterijen waren vernieuwd, benoemde men hem om daaraan de hand te houden, onder den algemeenen titel van Kerkelijke Commissaris, - niet alleen als vicaris van den Bisschop van Utrecht, maar tevens schonk hem de Koning als buitengewoon raadsheer zitting in het Hof van Vriesland. Wat zijn gezag had moeten vestigen, strekte om het te ondermijnen. Het Hof zette den indringeling de voet dwars: het verwierp de door hem ingediende aanklagten, en slaakte de op zijnen last gekerkerde gevangenen. Des te meer hardnekkigheid besteedde Van de Linde aan de volvoering van zijne taak. Maar zijnerzijds vond het Hof steun bij de hooge geestelijkheid en het volk: luide klaagden zij over het schenden hunner privilegiën, door den Keizer in den jare 1539 bevestigd. Zij verlangden, in plaats van den nieuwen Commissaris, de door de oude herkomsten bepaalde kerkelijke Commissarissen voor Oostergo en Westergo terug. De Staten weigerden de gevraagde beden, zoolang de geschondene privilegiën niet waren hersteld, en vormden uit hun midden eene vereeniging van gevolmagtigden, om voldoening voor hunne grieven te erlangen, tot zoo lang daarmede een landsadvokaat zou zijn belast. ‘Daad,’ schreef de Geheime Raad, ‘van veruitziende gevolgen, het gezag der Koninklijke Majesteit loopt gevaar, wanneer in hunne hoedanigheid de Staten voor bijzondere personen in de bres springen, en zij eigendunkelijk een ligchaam vormen of een regeeringsambt scheppen, dat met geen ander dan dat der Romeinsche volkstribunen kan worden vergeleken1)’. Vergeefs trachtte

[p. 368]

Van de Linde den storm, die tegen hem opstak, te trotseeren. Het Hof van Vriesland schorste hem in zijne bediening, en Margaretha he