De jonge schrijver W.F. Hermans heeft zich in de kleine Nederlandse litteraire wereld reeds een reputatie veroverd als een criticus, die niet terugschrikt voor apodictische uitspraken, maar die voortdurend toch blijk geeft zowel intelligentie als originaliteit te bezitten. Verder heeft men in Criterium kennis kunnen maken met zijn nog niet voltooide roman De tranen der Acacia's, welke bij de meeste lezers zeer gemengde gevoelens heeft opgewekt. Wat de titel met de inhoud van doen heeft wordt langzamerhand een Amsterdamse litteraire puzzle. Hermans heeft ook een bundel gedichten gepubliceerd, Horror Coeli, indertijd hier waarderend besproken en thans debuteert hij als romanschrijver met Conserve, geschreven in 1943, toen hij 22 jaar oud was, zoals op de omslag staat vermeld.
Wij herinneren ons, dat J. Greshoff een jonge auteur die hem vertelde, dat hij nu eens iets ging schrijven over gebeurtenissen, die in het geheel geen autobiografische grondslag hadden, waarschuwde, dat hier waarschijnlijk niets van terecht zou komen. Deze opvatting was in zekere zin kenmerkend voor de periode van Forum, maar bezat evenzeer algemene geldigheid. Jonge schrijvers nemen in hun eerste werk meestal toevlucht tot de verkapte autobiografie, omdat zij met het verleden, wanneer zij zich er zozeer mee bezighouden, dat het hen tot schrijven noopt, willen afrekenen, maar ook omdat zij zich met grotere zekerheid bewegen op het eigen terrein, vaak vrijwel onbewust raakslaan.
Hermans nu wil niets weten van de autobiografische roman, althans niet voor zichzelf, wat anderen betreft zal hij waarschijnlijk toch wel alleen op de resultaten letten. Van dat gepeuter aan het eigen leven houdt hij niet, zoals hij ook schrijven van aphorismen, korte aantekeningen, waarin E. du Perron zich een meester heeft getoond, voor jonge auteurs een wat armelijk gedoe vindt. Hij wil het brede gebaar, het scheppen zoal niet uit een overvloed van ervaringen, dan toch uit een rijkheid aan inventief vermogen. Vandaar dan ook dit debuut, de fantastische roman Conserve.
Hermans verplaatst ons naar de Amerikaanse stad der Mormonen Salt Lake City. De twee dochters van een rijke Mormoon, Isabel en Onitah, zijn verliefd op hun halfbroer jerobeam. Onitah, de meest ingewikkelde van de twee, blijft onbevredigd en wordt waarschijnlijk daardoor waanzinnig. Zij meent, dat de religie der Egyptenaren de enig ware is geweest. De Pharao's trouwden immers met hun zusters. Isabel gaat bij Jerobeam wonen. Een uit Midden-Amerika afkomstige half-Indiaan Ferdinand, die het langs allerlei avontuurlijke wegen tot zenuwarts brengt, verschijnt in Salt Lake City en raakt verliefd op Onitah. Haar broer en zuster, die haar liever kwijt willen, geven haar aan Ferdinand mee. Deze slaagt er niet in haar liefde te veroveren en hij kan haar evenmin genezen. Nadat zij zelfmoord heeft gepleegd, herinnert hij zich haar angst begraven of gecremeerd te worden. Hij komt op het denkbeeld haar te balsemen, zodat zij altijd in haar kamer kan blijven slapen. Intussen heeft hij de geheel normale, maar levensmoede Jerobeam door een list in een krankzinnigengesticht doen opnemen, waar hij zelf ook terecht komt, nadat in een gruwelijke scène is gebleken, dat het lijk van Onitah toch niet voor het gewone ontbindingsproces bewaard is gebleven.
Een niet zeer aantrekkelijk verhaal, maar men zal moeten toegeven, dat het met het leven van Hermans weinig heeft uit te staan. Toch komen wij wel wat te weten over het zieleleven van de auteur. Wij herkennen in zijn stug, soms wat grijs proza dezelfde behoefte om te schokken, die wij reeds in zijn gedichten opmerkten, dezelfde minachting - typerend voor deze jonge schrijver - voor de gevoeligheden van zijn lezers, maar tevens is dit verhaal duidelijk ook een reactie op de gruwelijkheden van de oorlog, de achtergrond welke de conceptie van deze roman geïnfluenceerd moet hebben. De schrijver voelde zich, zoals zovele andere jonge mensen ‘losgeslagen’ en hij getuigde daarvan in zijn werk, zich zo tegelijk te weer stellend op de voor hem enig mogelijke positieve wijze.
Hermans' roman kan men beschouwen als een van veel bravoure getuigende uitdaging, tevens als een grap, een satire, die echter ondanks aardige vondsten en enkele zeer treffende passages niet volledig geslaagd is, voornamelijk omdat het verhaal te veel is uitgesponnen. Als novelle zou het stellig een veel betere indruk maken, zoals Du Perron zijn jeugdverhalen, waaraan dit boek enigszins doet denken, nooit te lang maakte. Dan zou men zich ook niet hebben bekommerd om het gebrek aan psychologische verantwoording van de figuren, die ook ideeën blijken te hebben over de nutteloosheid van het leven, maar die wij ons toch onmogelijk als mensen kunnen voorstellen. Had Hermans zich meer tot de anecdote beperkt, zijn vondst Onitah te balsemen, dan had hij geen twijfel gewekt over de wijze waarop hij zijn werk beschouwd wil hebben en dan zou onze belangstelling, die ongeveer in het midden, waar hij de ontknoping wel zeer traag voorbereidt, verslapt, voortdurend levendig zijn gebleven. Tegelijk zou hij dan tal van logische fouten en onbeholpenheden, waar wij ons nu aan stoten, hebben kunnen vermijden. Toch kan men Conserve van een tenslotte nog zeer jeugdige
auteur waarderen als een niet ongeslaagde poging buiten het Hollandse realisme iets te bereiken.
Stelt het boek ons niettemin teleur, dan komt dat voornamelijk omdat Hermans met zoveel vertoon, armgezwaai en gespuug in de handen zijn aanloop heeft genomen om dan voorlopig, naar wij van harte hopen, toch niet zo heel erg ver te springen.