terug  begin  verder
[p. 23]

Pierre H. Dubois
Een poging tot Bevrijding

De Nederlandse romanliteratuur begint meer en meer de behoefte te voelen uit te breken uit de sfeer van het gewone. Op zichzelf is dat misschien geen verdienste, maar in een letterkunde die zo vastzit - althans wat het proza betreft - aan de huiselijkheid, aan een bepaalde vorm van burgerlijkheid, ook waar ze die buiten de grenzen gaat zoeken, mag men zulk een verschijnsel toch niet onderschatten.

Cola Debrot vertoonde in dit opzicht tot nu toe wel de meest pertinente en persoonlijke neigingen. Maar een jong schrijver, die pas na de bezetting voor het eerst in het openbaar publiceerde - na een vluchtige verschijning in de clandestiene literatuur - doet daarvoor niet onder.

W.F. Hermans, die officieel debuteerde met een opmerkelijke bundel gedichten, Horror Coeli, die ik destijds al met veel waardering besprak, heeft zich sedertdien in het literaire maandblad Criterium, waarvan hij een der redacteuren is, bovendien doen kennen als een intelligent, vinnig - ik zei haast: venijnig - criticus, met een goede smaak, een bijna steeds aarzelloze overtuiging en een grote mate van oorspronkelijkheid. Deze eigenschappen, tezamen en afzonderlijk te weinig voorkomend, zeker in verbinding met een persoonlijke stijl, dan dat ik er niet zeer nadrukkelijk op zou wijzen, hebben natuurlijk gedaan wat ze altijd doen, namelijk tegenstand opwekken, tot verzet prikkelen, enz. Hij heeft

[p. 24]

daarin - maar daarin alléén - wel iets gemeen met een al even beweeglijke, even (voor de doorsnee-lezers en -schrijvers) irriterende figuur als Du Perron.

Het zal niemand verbazen dat iemand met deze eigenschappen zich aangetrokken heeft gevoeld tot het schrijven van romans. In het maandblad Criterium verschijnt in afleveringen een soort verzets-roman, De Tranen der Acacia's, die naar het schijnt op veel tegenstand stuit bij de lezers. Niet helemaal ten onrechte (maar dat hangt natuurlijk af van de motieven die de lezers hebben). Het boek, zoals het hier verschijnt, maakt een troebele, onheldere indruk. Het bevat telkens goede fragmenten, maar men mist een duidelijke lijn, waaraan door de maandelijkse voortzetting nog meer afbreuk wordt gedaan.

Het boek dat thans bij W.L. Salm te Amsterdam (1947) is verschenen, Conserve geheten, is een andere roman, van oudere datum dan De Tranen der Acacia's, en geeft een betere gelegenheid om het werk van Hermans onder de loupe te nemen.

Men constateert hier al een groot verschil met Du Perron - en met veel schrijvers van Hermans' generatie, namelijk dat hij zijn intelligentie niet naar binnen en op zichzelf richt, zoals Du Perron dat deed, maar naar buiten. Hij tracht een idee, of liever een verhaal (want de roman van Hermans berust inderdaad helemaal op de actie, op wat er gebeurt) zo volledig mogelijk te exterioriseren, buiten zich te plaatsen en kiest dan ook zijn stof zover mogelijk buiten zijn wereld. Conserve is een fantastische roman, spelend in Amerika en in een mormoonse atmosfeer.

Die durf is eigenlijk uiterst sympathiek. Hermans voelt blijkbaar, waartoe de zelfanalyse, het autobiografische, vermenigvuldigd dan nog met de Hollandse burgerlijkheid kan leiden, als het in massaal verband bedreven wordt. Het gaat lijken op een geestelijke promiscuïteit, die inderdaad het grootste deel der jongere ‘bekentenis’-literatuur (ook waar ze tot ‘objectief’ verhaal ver-

[p. 25]

momd wordt) zo onbetekenend maakt, zo volkomen verpest.

Hij heeft de sprong gewaagd. Men kan niet verwachten dat men bij zo'n sprong onmiddellijk goed terecht komt. De afstand tussen de auteur aan deze kant en de stof aan de andere kant is zo groot, terwijl ze uiteraard niet de bedoeling gehad kan hebben absoluut te zijn (Hermans is te intelligent dan dat hij niet zou weten welk deel van de stof de schrijver aan zichzelf verschuldigd is) dat het evenwicht ook hier werd verbroken. Hermans heeft zijn ‘chaos’ uitgespreid over een exotische en fantastische stof, het kan haast niet anders of hij moest niet meer in staat zijn die stof zo te beheersen dat het verhaal een ‘harmonisch’ geheel kon worden. Hij heeft eenvoudig te veel gewaagd; tot zelfs in zijn compositie en zijn stijl toe vindt men die durf tot het ongewone experiment, dit zich nu eens laten gaan om zich te bevrijden uit wat literatuur in Holland bindt.

Dit laatste heeft Hermans ongetwijfeld bereikt. Waar in de Nederlandse roman de orde allesoverheersend is, komt bij hem de chaos bloot. Ik bedoel nu niet de chaos van het verhaal zelf - die een technische fout is - maar de grotere chaos die tegenover de burgerlijkheid staat, zoals de zee tegenover een vijvertje in de tuin.

Om deze eigenschap alleen al, om de intelligentie waarmee het boek gedacht, maar vooral geschreven werd, verdient het stellig een grotere aandacht dan menig ‘geslaagd’ werk.

Het is onmogelijk te zeggen wat een Hermans voor de literatuur kan opleveren, maar het is moeilijk zich voor te stellen dat iemand met zijn talenten en zijn durf - ondanks alle gebreken, ondanks alle heftigheid van gebaar en stem - zich tot het gebruikelijke niveau zou kunnen resigneren. Hij heeft recht op een stevig crediet, wat er verder ook tegen zijn werk en tegen deze roman Conserve in te brengen mag zijn!

terug  begin  verder