De grammatische functie


auteur: Frida Balk-Smit Duyzentkunst


bron: Frida Balk-Smit Duyzentkunst, De grammatische functie. Methode van grammaticale analyse, aan het Nederlands gedemonstreerd. J.B. Wolters, Groningen 1963  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 7]

I. De nederlandse taaltekens.

I. 1. Het object van onderzoek.

Object van deze studie is het Nederlands. Deze mededeling is niet zonder meer duidelijk. ‘Het Nederlands’ immers is geen concreet afgebakend gegeven, althans minder vast omlijnd dan allerlei andere verschijnselen. Een onderzoeker die zich b.v. met de Utrechtse Dom zou bezighouden, zou zijn medemensen naar Utrecht kunnen brengen en hun zijn onderzoeksobject tonen. Het bestaan van deze mogelijkheid maakt de verwezenlijking overbodig. Het is voldoende, aan te kondigen: ‘Ik ga de Dom van Utrecht aan een beschouwing onderwerpen’. Aldus is het niet gesteld met ‘het Nederlands’. Dit laat zich niet gelijk een gebouw aanwijzen. Toch hebben veel mensen met mij de overtuiging dat ‘het Nederlands’ door ons wordt beheerst. Dat ‘Nederlands’ is geen meetbare grootheid; het is abstract, d.w.z. het wordt als eenheid gekend op basis van het onderkennen van gemeenschappelijke trekken aan verschillende concreta. Die concreta zijn in ons geval o.a. mensen. Op grond van overeenkomstige verschijnselen in het gedrag van vele verschillende mensen concludeert men tot het bestaan van ‘het Nederlands’.

‘Het Nederlands’ is een eigensoortig gegeven, dat, in de ervaring van bepaalde mensen, zich voordoet als een specifiek middel1 waarvan zij gebruik kunnen maken, en dat zij kwalificeren als een taal. Dat verschillende mensen er van uitgaan dat zij één-en-dezelfde taal beheersen is de basis van een belangrijk deel der taalkundige bewijsvoering. (Ook buiten de taalkunde ontleent een bewijs zijn geldigheid aan de aanvaarding van bepaalde gegevens en aan de beaming van mensen die met het bewijs worden geconfronteerd; alleen worden die gegevens in lang niet alle wetenschappen expliciet gesteld.) Van het vermelden en interpreteren

[p. 8]

van symptomatische feiten wordt gebruik gemaakt in de wetenschappelijke bewijsvoering. Ook in de taalwetenschappelijke. Een taalwetenschappelijke bewijsvoering treft men b.v. aan in het volgende geval.

Een taalkundige werkt mee aan de samenstelling van een Nederlands woordenboek. Binnen zijn opdracht valt de beschrijving van de betekenis van het Nederlandse woord ‘lamp’. Zijn bewijsmateriaal bestaat uit verschillende citaten waarin dat woord voorkomt. Deze confronteren hem met een bepaald facet van menselijk gedrag, een facet dat men taalgebruik noemt. Zij zijn symptomatische feiten waarvan de interpretatie doet concluderen tot een antwoord op de vraag: ‘Wat is de betekenis van het Nederlandse woord “lamp”?’ Zij hebben bewijskracht voor wie ‘het Nederlands’ als zijn moedertaal beheerst1. Wie dit laatste niet doet, en toch wenst te weten welke betekenis het Nederlandse woord ‘lamp’ heeft, is aangewezen op iets anders; b.v. op een vertaling in een taal die hij wèl beheerst, of op gegevens die hem verschaft worden door de situaties waarin Nederlands-sprekenden ‘lamp’ gebruiken. Een probleemstelling zoals de laatst-genoemde, met als uitgangspunt het niet-beheersen van de te bestuderen taal, is in dit onderzoek niet aan de orde. Dit betoog is bestemd voor wie ‘het Nederlands’ als zijn moedertaal beheerst. Het uitgangspunt wordt gevormd door de volgende feiten.

1.De lezers en ik beheersen een bepaalde taal als onze moedertaal.
2.De taal die wij als onze moedertaal beheersen wordthet Nederlandsgenoemd.
‘Wie “het Nederlands” als zijn moedertaal beheerst’, de ‘Nederlandsetaalbeheerser’, zal hierna worden aangeduid met de term ‘taalbeheerser’ zonder meer.
Als verschillende taalbeheersers het met elkaar hebben over ‘het Nederlands’ is het niet duister waar hun gesprek over gaat. Wij gaan er dan ook van uit, dat wij van het verschijnsel dat ‘het Nederlands’ wordt genoemd een zekere ervaringskennis bezitten, en dat het, evenals ‘het Engels’, ‘het Frans’, ‘het Latijn’, een taal is. Dat er ‘iets’ is, waarvan wij de overtuiging hebben dat het een taal is, en dat dat ‘iets’
[p. 9]
het Nederlands genoemd wordt, is impliciet in de twee hiervóór genoemde uitgangspunten meegedeeld en wordt expliciet gesteld in het derde:
3.Het Nederlandsis een taal.
De taalbeheersers kennen ‘het Nederlands’ op enigerlei wijze (‘voorwetenschappelijk’) als een geheel1. Van een dergelijk geheel worden, door de taalkundige, kenmerken onderzocht die een wetenschappelijk inzicht in dat geheel kunnen verschaffen. Zulke kenmerken zullen dus in het hierna volgende ter sprake komen.

Een taal is in tijd en ruimte gegeven. Uiteraard is het niet mogelijk, binnen de tijd-ruimtelijke begrenzing alle tijden en ruimten te betrekken waarbinnen ‘het Nederlands’ beheerst werd, wordt en zal worden. Wel kan men ‘het Nederlands’ afbakenen: van de taal die in Nederland gedurende de jaren 1961 en 1962 als de ‘cultuurtaal’ van dat land is beschouwd, staat vast dat zij wordt aangeduid met ‘het Nederlands’. ‘Het Nederlands’ is de taal waarvan sprake is in het ‘Verklarend Handwoordenboek der Nederlandse taal’, kortweg Van Dale. Wanneer wij het hebben over ‘het Nederlands’ is de hierboven omschreven taal daarmee bedoeld.

I. 2. Toepasbaarheid van Reichling's woordtheorie op het teken.

De taalbeheersers kennen van ‘het Nederlands’ bepaalde bijzonderheden. Wij onderscheiden b.v. Nederlandse woorden. Dat dit een reëel begrip voor ons is blijkt uit uitspraken als ‘je moet hier een ander woord gebruiken’, ‘ik ken dat woord niet’, ‘wat een mooi woord is dat’. Het blijkt ook uit ons schrift: wij isoleren bepaalde schriftelijke taalvormen van elkaar; deze door ‘wit’ omgeven vormen noemen wij woorden. De taalkundige die ‘het’ woord onderzoekt, heeft de taak, de aard te beschrijven van de aldus gemarkeerde eenheden. Dat die taak

[p. 10]

zeer veelomvattend is blijkt o.a. uit ‘Het Woord’ van Reichling. Illustratief voor de noodzaak, gangbare begrippen zo helder mogelijk te onderscheiden, zijn de gevallen waarbij zich twijfel voordoet. B.v. of men iets ‘woord’ moet noemen of niet, vgl. ‘te’ in ‘De was hangt te drogen.’1, of ‘op’ in ‘Zij hing de was op.’. Deze twijfel noopt de taalkundige, te onderzoeken wat het eigenaardige is aan díe eenheden waarbij die twijfel niet optreedt, de evidente ‘woorden’. Pas daarna zal vastgesteld kunnen worden in hoeverre iets als ‘te’ of ‘op’ daarmee overeenstemt.

Als wij hier te kennen geven ‘Een wesp kan vliegen.’, is het duidelijk dat wij onder meer ‘het woordwesp”’ hebben gebruikt. Het woord ‘wesp’ is één van de vele woorden die in ‘het Nederlands’ worden aangetroffen. Evenmin is het twijfelachtig dat wij zojuist ‘de zin “Een wesp kan vliegen.”’ hebben gebruikt. Bij een onderzoek van ‘het Nederlands’ stelt men o.a. in de eerste plaats vast dat er zeer vele, óverigens heterogene, eenheden zijn die de taalbeheerser onderkent als ‘Nederlands’. Verder, dat al die eenheden naar de overtuiging van de taalbeheerser op de één of andere manier inherent zijn aan het grote geheel dat ‘het’ Nederlands is. Zulke eenheden zijn b.v. ‘drie’, ‘de zomer’, ‘met’, ‘Het werd donker in de zaal.’, ‘groenachtig’, ‘Ik zag een klein paard, Jan!’, ‘Dag dame!’ en vele andere. Zulks in tegenstelling tot ‘brof’, ‘hig montul’, ‘Défense d'afficher.’. Aangenomen kan worden dat bovenstaande voorbeelden aan de taalbeheerser duidelijk

[p. 11]

maken wat hier onder ‘Nederlandse taaleenheden’ wordt verstaan, althans in zoverre, dat hij in staat is, de reeks met ‘vele andere’ aan te vullen.

Om te kunnen vaststellen welke factoren bepalend zijn voor de mogelijkheid, ‘het Nederlands’ te beschouwen als een geheel, moeten wij in de eerste plaats onderzoeken welke overeenkomstige eigenschappen de Nederlandse taaleenheden bezitten. Voorzover het de bijzondere taaleenheid betreft die ‘woord’ wordt genoemd, is de aard van de eenheid onderzocht door Reichling. Aangezien in de theorie van Reichling het eenheidskarakter van het woord een belangrijke plaats inneemt, vormen verschillende essentialia van die theorie ons uitgangspunt. Een eigenschap die bij een Nederlandse taaleenheid wordt voorondersteld immers, is dat zij een eenheid is. Vastgesteld moet worden, in hoeverre bepaalde door Reichling bestudeerde eigenschappen van de eenheid ‘woord’ ook van andere taaleenheden gelden.

Gegeven dat, zoals hiervóór ter sprake kwam, er een Nederlands woord ‘wesp’ bestaat, kan men aannemen dat alles wat Reichling over ‘het woord’ uiteenzet ook van toepassing is op ‘wesp’. Enkele van de essentiële eigenschappen van de taaleenheid ‘woord’ heeft Reichling als volgt beschreven.

‘Het woord is het, op de wijze der taal gevormde, aanschouwelikonaanschouwelike gebruiksteken. De aanschouwelike figuur bestaat in een, op de wijze der taal gekende, klankvorm, de onaanschouwelike betekenis in, op de wijze der taal gebonden, denkmomenten.’ (Het Woord, blz. 147.)

Daarvóór schrijft hij:

‘Aanschouwelikheid, het aanschouwelike, aanschouwelik, is wat waarneembaar is of wat wij waarneembaar kunnen maken. De klanken b.v., de physiese verschijnselen, zijn aanschouwelik, zij zijn waarneembaar, we kunnen ze horen; de gehoorde klanken, of ook klanken die we ons voorstellen zijn aanschouwelik, we kunnen ze waarneembaar maken, we kunnen ze langs de weg van onze spraakmotoriek omzetten in physiese klanken, bepaalde geluiden. Het aanschouwelike vertoont dus tweeërlei verschijningsvorm; het kan kenbaar zijn of gekend, het kan vorm zijn of figuur. De aanschouwelikheid der waargenomen of voorgestelde klanken is gekend; de klanken zelf, de geluiden, zijn kenbaar. Een taal-“vorm”

[p. 12]

dus, is een op de wijze der taal geordende aanschouwelikheid. De aanschouwelikheid, op de wijze der taal geordend, is tweeërlei: zij kan uitwendig zijn, dan bestaat zij in klank- of schrift-vorm; zij kan inwendig zijn, dan bestaat zij in waargenomen of voorgestelde klank-figuur, in waargenomen of voorgestelde schrift-figuur’. (Het Woord, blz. 40-41.)

Uit dit citaat blijkt, dat Reichling's studie van het ‘woord’ zowel het woord-in-klankvorm als het woord-in-schriftvorm betreft, en dat het verschil tussen spraak en schrift de essentie van het woord niet aantast. Aangezien onze studie in schriftelijke vormen is vastgelegd, en derhalve bepaalde eigenaardigheden van het ‘woord’ alleen metterdaad schriftelijk gedemonstreerd kunnen worden, zullen wij klankvormen buiten beschouwing laten.

Reichling heeft aangetoond dat twee essentiële momenten van de eenheid ‘woord’ zijn: de vorm en de betekenis, en dankzij zijn uiteenzettingen is het duidelijk waar het over gaat als men b.v. spreekt van ‘de vorm’ of van ‘de betekenis’ van het woord ‘wesp’. Het onderscheid aanschouwelijk/onaanschouwelijk eist echter enige toelichting.

Reichling noemt de vorm ‘aanschouwelijk’ en de betekenis ‘onaanschouwelijk’ en zegt voorts dat dàtgene aanschouwelijk is, ‘wat waarneembaar is, of wat wij waarneembaar kunnen maken’. Een probleem vormt de zinsnede ‘wat wij waarneembaar kunnen maken’. Deze geeft te kennen dat datgene wat waarneembaar gemaakt wordt, vóórdien niet waarneembaar was. Dit doet de vraag rijzen of de in dit boek op deze plaats gedrukte vorm ‘wesp’ identiek is met ‘de’ vorm, of, met Reichling's term, de figuur die ik waarneembaar heb willen maken. Dit is op zichzelf een filosofisch probleem, dat de linguïst niet behoeft op te lossen. Wat echter wèl de linguïst aangaat, is de kwestie, of in dit opzicht de woordbetekenis van de woordvorm verschilt. M.a.w.: of een waarneembaar gemaakte vorm zich tot ‘de’ vorm anders verhoudt dan de waarneembaar gemaakte betekenis tot ‘de’ betekenis. Hoe Reichling denkt over de verhouding tussen ‘waarneembaar’ en ‘waarneembaar gemaakt’ komt tot uitdrukking in het volgende.

‘De verschijnselen die wij waarnemen of ons voorstellen doen zich altijd voor als 'n “iets” van 'n bepaald karakter, dat we als een bepaald “iets” tegenover ons stellen: biljartbal bijvoorbeeld. Dat “iets”, dat we in de waarneming of voorstelling tegenover ons
[p. 13]
stellen, het niet-ik, noemen we de zaak. De “zaak” kennen we altijd in 'n eenheid van 'n bepaalde soort; biljartbal b.v. Deze eenheid, waarin we de “zaak” kennen, is dus, omdat zij een ken-moment is, ervarings-moment van waarneming en van voorstelling, en we zijn in deze eenheid biljartbal dan betrokken op een bepaald voorwerp: biljartbal, dit bepaalde “ding”. Doch de eenheid biljartbal kan op elk soortgelijk voorwerp worden toegepast: alle rode of witte, koude, harde, ronde voorwerpen van een bepaalde grootte en zwaarte kunnen we onder biljartbal vatten en daarvan zeggen: “die biljartbal ...” en dit verschijnsel der toepasselikheid is het nu juist wat deze eenheid biljartbal onderscheidt van “voorwerpen”, van “dingen”, en van de uitwendige aanschouwelikheid der waarneembare of der voorstelbare biljartballen; die zijn altijd deze biljartbal, of de vorm van deze biljartbal en niet van 'n andere. 'n Andere biljartbal kan alleen maar een volkomen gelijkende vorm hebben, niet dezelfde, evenmin als twee biljartballen dezelfde biljartbal kunnen zijn. Maar wel, en daarin is de mogelikheid der toepasselikheid van de “eenheid” biljartbal gefundeerd, kennen we alle waargenomen of voorgestelde biljartballen in dezelfde eenheid biljartbal, die op elk van hen toepasselik is. In háár toepasselikheid ligt de onmogelikheid om déze eenheid waar te nemen of waarneembaar te maken. Immers de biljartbal, die we waarnemen of ons voorstellen, is altijd deze biljartbal en als zodanig niet verder toepasselik; maken we 'n waargenomen of voorgestelde biljartbal waarneembaar door er een te tekenen of te draaien bijvoorbeeld, dan gaat in de voortgebrachte vorm of in het voortgebrachte voorwerp de toepasselikheid op dezelfde wijze verloren. En hiermee, in de constatering van het verschijnsel der toepasselike eenheid, zijn we gestoten op de onaanschouwelike momenten onzer kennis, momenten die noch waarneembaar zijn, noch waarneembaar gemaakt kunnen worden.’ (Het Woord, blz. 41, 42. Curs. en spat. v. Reichling.)

Indien wij de bovenstaande beschrijving leggen naast Reichling's opmerkingen over de vormeenheid (zie blz. 11), doet zich de volgende vergelijking voor. ‘De’ vorm van een woord noemt Reichling aanschouwelijk op grond van het feit dat wij deze waarneembaar kunnen maken. Als men evenwel op een blad papier opschrijft ‘wesp’, dan maakt men

[p. 14]

op die wijze ‘de’ vorm van een bepaald woord waarneembaar. Doet men dat op een andere plaats op dat papier weer, dan staan er twee vormexemplaren van datzelfde woord. Als het woord ‘wesp’ honderd maal gedrukt wordt, heeft dat als gevolg een produktie van honderd vormexemplaren van nog altijd dat éne woord. Elke keer dat iemand het woord ‘wesp’ gebruikt levert zo'n vormexemplaar op. In de zin hiervóór staat dus één exemplaar van dat bewuste woord. Dat woord kan men aanduiden of omschrijven in termen als ‘dat bewuste woord’, maar als men naar het woord-zelf zo adequaat mogelijk wil verwijzen, moet men een vormexemplaar voortbrengen. In het vormexemplaar bestaat het ‘waarneembaar gemaakt’ zijn van ‘de’ woordvorm. Maar: van het vormexemplaar, de waarneembaar gemaakte woordvorm, geldt hetzelfde als wat Reichling zegt van de ‘waarneembare of voorgestelde biljartballen’; men kan zijn uiteenzetting daaromtrent evenzeer toepassen op de ‘waarneembare of voorgestelde’ vormexemplaren: ‘die zijn altijd dit vormexemplaar of de vorm van dit vormexemplaar en niet van 'n ander. 'n Ander vormexemplaar kan alleen maar een volkomen gelijkende vorm hebben, niet dezelfde, evenmin als twee vormexemplaren hetzelfde vormexemplaar kunnen zijn.’ (Vgl. het citaat op blz. 13.)

De conclusie van dit alles is dat men, als men mèt Reichling onder ‘aanschouwelijk’ wenst te verstaan ‘wat waarneembaar is of waarneembaar gemaakt kan worden’, de betekenis evenzeer ‘aanschouwelijk’ zou kunnen noemen als de vorm, of de vorm evenzeer ‘onaanschouwelijk’ als de betekenis. Onder ‘waarneembaar’ moet dan verstaan worden: met één of meer zintuigen te onderscheiden; d.w.z. ‘waarneembaar’ is alles wat zichtbaar, hoorbaar, tastbaar, ruikbaar en/of proefbaar is. De betekenis van ‘wesp’ zou men inderdaad waarneembaar kunnen maken door een wesp te tekenen; die getekende wesp is dan weliswaar niet identiek met ‘de’ betekenis van ‘het’ woord ‘wesp’, maar evenmin is één vormexemplaar van ‘wesp’ identiek met ‘de’ vorm. M.a.w.: men kan niet uitsluitend op grond van de mogelijkheid tot waarneembaarmaking het onderscheid tussen de ‘aanschouwelijke vorm’ en de ‘onaanschouwelijke betekenis’ handhaven. Hierop is Reichling's onderscheid dan ook niet gebaseerd1. De vorm,

[p. 15]

zowel als de betekenis zijn als kenniseenheid bij de taalbeheerser aanwezig1. Het gegeven waarop Reichling's onderscheid moet berusten is het taalgebruik. Onder ‘taalgebruik’ verstaan wij voorlopig spreken, schrijven, verstaan en lezen2. Waar gesproken, geschreven, verstaan, gelezen wordt, treft men altijd waarneembaar gemaakte vormen aan en niet waarneembaar gemaakte betekenissen. Het is weliswaar in principe mogelijk, de betekenis van een woord, althans van sommige woorden, ‘waarneembaar’ te maken, maar het is onmogelijk, dit te doen als moment van het gebruik van dat woord. Anderzijds is het noodzakelijk, in principe ‘de’ vorm van een woord als onwaarneembaar te beschouwen, maar het is onontkoombaar, in de praktijk van het taalgebruik die vorm ‘waarneembaar te maken’. Waarneembaar gemaakte vormen zijn voor taalgebruik conditio sine qua non. Waarneembaar gemaakte betekenissen niet.

Omdat ‘Het Woord’ ons uitgangspunt is, beschouwen wij voorlopig binnen taalgebruik alleen woordgebruik. Woordgebruik bestaat krachtens het waarneembaar gemaakt worden van de woordvorm en het tezelfdertijd onwaarneembaar blijven van de woordbetekenis. Het onderscheid ‘de aanschouwelijke vorm’ tegenover ‘de onaanschouwelijke betekenis’ geldt dan ook niet voor ‘het’ woord als wij dat als zodanig beschouwen, maar is kenmerkend voor het wezen van alle woordgebruik. Immers: als men iemand de betekenis van het woord ‘wesp’ duidelijk,

[p. 16]

en zelfs waarneembaar wil maken, en dit doet door hem b.v. op een wesp te wijzen, dan treedt men in dat wijzen buiten het woordgebruik. Men kan ook de betekenis van ‘wesp’ beschrijven met behulp van andere woorden (‘vliegend insect met angel’ etc.). In dat geval is er wel sprake van woordgebruik, maar van andere woorden dan het woord ‘wesp’ zelf, en ook dan blijft de betekenis van ‘wesp’ onwaarneembaar. Samenvattend komen wij tot de volgende conclusie.

1.Een woord is een als zodanig onaanschouwelijke twee-eenheid vanvormenbetekenis’.
2.Woordgebruik is gekenmerkt door het waarneembaar gemaakt worden van de woordvorm, terwijl tezelfdertijd de woordbetekenis onwaarneembaar blijft.

Dit alles leert Reichling ons impliciet in verschillende passages van ‘Het Woord’. B.v. waar hij spreekt van de toepasselijkheid van de betekenis, dat is: het vermogen om gebruikt te worden. In dit licht laat Reichling zien dat het onwaarneembaar blijven van de betekenis aan haar toepasselijkheid inherent is.

‘Maar wel, en daarin is de mogelikheid der toepasselikheid van de “eenheid” biljartbal gefundeerd, kennen we alle waargenomen of voorgestelde biljartballen in dezelfde eenheid biljartbal, die op elk van hen toepasselik is. In háár toepasselikheid ligt de onmogelikheid om deze eenheid waar te nemen of waarneembaar te maken. Immers de biljartbal die we waarnemen of ons voorstellen, is altijd deze biljartbal en als zodanig niet verder toepasselik; maken we 'n waargenomen of voorgestelde biljartbal waarneembaar, door er een te tekenen of te draaien bijvoorbeeld, dan gaat in de voortgebrachte vorm of in het voortgebrachte voorwerp de toepasselikheid op dezelfde wijze verloren.’ (Het Woord, blz. 42. Curs. en spat. v. Reichling.)

Inderdaad doet waarneembaarmaking der betekenis de toepasselijkheid te niet, anders gezegd: de taalgebruiker kan niet een waarneembaar gemaakte woordbetekenis toepassen. Daarentegen is waarneembaar-making van de vorm de voorwaarde om de betekenis te kunnen toepassen. Onder het gebruiken van een woord verstaan wij, zoals uit het bovenstaande blijkt, wat Reichling noemt het ‘toepassen van de betekenis’ van dat woord. Dat ‘de’ woordvorm als zodanig onwaarneembaar is

[p. 17]

leert ons eveneens Reichling, waar hij ‘de’ woordvorm ‘Gestalt’ noemt, en waar hij zegt:

‘De aanschouwelikheid waarmee wij in taalgebruik te maken hebben, is omdachte aanschouwelikheid;’ ...‘in de Gestalt p-aa-r-d, geactueerd aan de waargenomen vorm p-aa-r-d, denken wij het paard. De woordaanschouwelikheid als waarnemingsbeeld bestaat alleen in de ervaring van de phoneticus ...’ (Het Woord, blz. 209.)

Samengevat: wat Reichling noemt ‘de Gestalt p-aa-r-d’, noemden wij ‘devorm van ‘paard’. Wat hij noemt ‘de waargenomen vorm p-aa-r-d’ noemden wij vormexemplaar. Wat hij ‘de betekenis’ van ‘paard’ noemt noemden wij eveneens de betekenis.

Als wij willen aanduiden dat het gaat om ‘het’ woord ‘paard’ of welk ander woord dan ook, schrijven wij in het vervolg dat woord tussen twee verticale strepen (| |). Wie het over bepaalde woorden heeft is genoodzaakt van die woorden de vormen waarneembaar te maken, en dus vormexemplaren te geven. Treft men derhalve in deze studie een woordvorm aan die tussen twee verticale strepen geplaatst is, dan betekent dat het volgende.

1.Door het woord waarvan de waarneembaar gemaakte vorm tussen twee verticale strepen is geplaatst, wordt iets aangeduid.
2.Datgene wat door dat woord wordt aangeduid is het woord zelf.

In navolging van Reichling noemen wij nu ‘de vorm’ en ‘de betekenis’ aanschouwelijk, resp. onaanschouwelijk; ‘aanschouwelijk’ is dan: dat wat in woordgebruik qualitate qua waarneembaar wordt gemaakt; ‘onaanschouwelijk’ is: dat wat in woordgebruik qualitate qua onwaarneembaar blijft. De twee-eenheid ‘woord’ als zodanig kan men, zoals Reichling doet, een ‘aanschouwelijk-onaanschouwelijke’ (twee-) eenheid noemen.

Betreft Reichling's onderscheid alleen het ‘woord’ of ook andere tekens? Ter beantwoording van deze vraag beschouwen wij het gebruik van tekens die men niet tot de taaltekens pleegt te rekenen, b.v. tekstloze verkeersborden. Als men iemand de betekenis van het teken illustratie duidelijk en ook waarneembaar wil maken, en dit doet door hem op een oneffenheid in de weg te wijzen, dan treedt men buiten het verkeerstekengebruik. Als men de betekenis zou gaan beschrijven in taaltekens, zou zij wel ‘duidelijk’ maar niet ‘waarneembaar’ worden. Wil

[p. 18]

men echter door middel van dat verkeersteken te kennen geven dat er een oneffenheid in de weg is, wil men m.a.w. het verkeersteken gebruiken, dan moet men de vorm waarneembaar maken. Evenals van het woord geldt van het teken dat wij onder ‘gebruiken’ verstaan: het toepassen van de betekenis. Voor de automobilist die een bord aantreft van de vorm illustratie is ‘de’ betekenis van het teken illustratie toegepast op één speciaal gedeelte van de rijweg waarop hij, na het bord te zijn gepasseerd, gaat rijden.

De conclusie waartoe wij kwamen ten opzichte van het woord trekken wij nu ook ten opzichte van het teken-in-het-algemeen:

1.Een teken is een als zodanig onaanschouwelijke twee-eenheid vanvormenbetekenis’.
2.Tekengebruik is gekenmerkt door het waarneembaar gemaakt worden van de tekenvorm, terwijl tezelfdertijd de tekenbetekenis onwaarneembaar blijft.

(Hiermee stoten wij op een overeenkomst tussen woordgebruik en tekengebruik-in-het-algemeen. Dat het woord zich binnen het teken-in-het-algemeen onderscheidt door de zeer specifieke wijze waarop de betekenis wordt toegepast op een ‘zaak’, zoals Reichling ons leert, wordt hier uiteraard allerminst ontkend, doch alleen nog niet aan de orde gesteld.)

Zoals bleek kan een essentieel onderdeel van Reichling's woordtheorie worden toegepast op het teken-in-het-algemeen. Samengevat komt dat op het volgende neer.

Een teken is een aanschouwelijk-onaanschouwelijke twee-eenheid vanvormenbetekenis’. Devormis datgene wat in het gebruik van het teken waarneembaar gemaakt wordt. Debetekenisis datgene wat in het gebruik van het teken onwaarneembaar blijft.

Naar analogie van de noteringswijze voor het woord zullen wij voortaan ieder teken aanduiden door middel van een nieuw teken, waarvan de vorm bestaat in de vorm van het aan te duiden teken, geplaatst tussen twee verticale strepen.

I. 3. Bruikbaarheid van Van Dale als criterium voor Nederlandse taaltekens.

‘Het Nederlands’ wordt door de taalbeheerser op enigerlei wijze (‘voorwetenschappelijk’) gekend. De taalbeheerser die ‘het Nederlands’

[p. 19]

bestudeert (hierna aangeduid als taalbeschouwer) wordt getroffen door het feit dat er zeer veel eenheden zijn waaraan hij dat geheel kan leren kennen, namelijk de Nederlandse taaleenheden. Om kenmerken van ‘het Nederlands’ op te sporen werd dan ook (blz. 11) het volgende probleem aan de orde gesteld: welke overeenkomstige eigenschappen bezitten ‘Nederlandse taaleenheden’? Om tot een antwoord te komen moet deze algemene vraag eerst tot onze eigen gegevens worden beperkt: welke overeenkomstige eigenschappen bezitten de voorbeelden die wij, op grond van onze taalbeheersing, als ‘Nederlandse taaleenheden’ onderkenden? Die voorbeelden waren: | drie |, | de zomer |, | met |, | Het werd donker in de zaal. |, | groenachtig |, | Dag dame! | en | Ik zag een klein paard, Jan! |. In aansluiting aan het hieraan voorafgaande kan, als eerste fase van een antwoord op de gestelde vraag, worden opgemerkt dat elk voorbeeld een teken is. Dit impliceert in de eerste plaats dat zij elk een ‘vorm’ en een ‘betekenis’ hebben.

Steeds werd een vorm als een samenstel van lijnen en punten tussen twee verticale strepen waarneembaar gemaakt. Wij hebben, na een onderdeel van Reichling's woordtheorie op het teken-in-het-algemeen te hebben toegepast, zonder commentaar meegedeeld dat zo'n tussen verticale strepen geplaatste vorm de vorm van een teken is, en wel van een teken dat ‘Nederlands’ is. Maar welk criterium moet aangelegd worden om vast te stellen dat een bepaalde vorm de vorm van een Nederlands taalteken is? Om dat te bepalen zullen wij de vorm-als-zodanig beschouwen. Wanneer wij willen aanduiden dat het gaat om een vormals-zodanig, dus afgezien van enigerlei betekenis, plaatsen wij de waarneembaar gemaakte vorm tussen twee dubbele punten (: :). Van een vorm als zodanig, b.v. van :zomer:, moet vastgesteld worden of deze, waarneembaar gemaakt, de taalbeheerser met enigerlei ‘betekenis’ confronteert. Het criterium immers ligt bij de taalbeheerser. Een waarneembaar gemaakte vorm die, naar de overtuiging van de taalbeheerser, hem met een ‘betekenis’ confronteert, en die, eveneens naar de overtuiging van de taalbeheerser ‘Nederlands’ is, is per definitionem een Nederlandse taaltekenvorm. Op grond waarvan stelt men echter de overtuiging van de taalbeheerser vast? Of, in ons geval, op grond waarvan kan men aannemen dat de Nederlandse taalbeheerser :de zomer:, :drie:, etc. als vormen van Nederlandse taaltekens onderkent? De basis voor deze veronderstelling kan om te beginnen gezocht worden bij

[p. 20]

Van Dale, dat algemeen als representatief voor ‘het Nederlands’ wordt beschouwd. Onderzocht zal dus worden, in hoeverre dit voor ‘het Nederlands’ representatieve boek als criterium kan dienen bij het vaststellen wat Nederlandse taaltekens zijn.

Bij Van Dale treft men in een lemma en in de cursieve lemmavoorbeelden1 bepaalde waarneembaar gemaakte vormen aan, die elk als de waarneembaar gemaakte vorm van een ‘woord’ beschouwd moeten worden. B.v. :appel:. Zulke vormen zullen hier lemmavormen worden genoemd. Met betrekking tot deze laatste kan Van Dale als criterium gebruikt worden, en wel als volgt: wij gaan er van uit dat elke vorm die bij Van Dale als lemmavorm waarneembaar is gemaakt, de taalbeheerser met betekenis confronteert. D.w.z. wij nemen aan dat elke lemmavorm de vorm van een Nederlands taalteken is.

Tussen de lemmavormen en de vormen die in onze voorbeelden waarneembaar zijn gemaakt (:drie:, :de zomer:, etc.) bestaat de volgende relatie.

a.Sommige van de voorbeeldvormen zijn lemmavormen (b.v. :drie:).
b.Sommige van de voorbeeldvormen zijn geen lemmavormen, maar zijn volledig te ontleden in lemmavormen (b.v. :de zomer:).
c.Sommige van de voorbeeldvormen zijn geen lemmavormen, maar zijn volledig te ontleden in lemmavormen en andere vormen (b.v. :Dag dame!:). Deze laatste zijn vormen van tekens die bij Van Dale aangeduid worden met de term ‘leestekens’2, en de vormen van
[p. 21]
leestekens noemen wij derhalve leestekenvormen. De toepassing van Van Dale als criterium kan nu met betrekking tot de voorbeeldvormen als volgt worden uitgebreid.
a.Vormen die lemmavormen zijn zijn vormen van Nederlandse taaltekens (:drie:).
b.Vormen die volledig ontleed kunnen worden in lemmavormen zijn vormen van Nederlandse taaltekens (:de zomer:).
c.Vormen die volledig ontleed kunnen worden in lemmavormen en leestekenvormen zijn vormen van Nederlandse taaltekens (:Het werd donker in de zaal.:).

Uit het bovenstaande blijkt dat wij leestekenvormen niet als vormen van Nederlandse taaltekens beschouwen. (Dat is wèl het geval met de vormen waarbinnen leestekenvormen vóórkomen.) Dit impliceert dat leestekens onderscheiden zijn van Nederlandse taaltekens.

Samengevat:

Dat de gegeven vorm :drie:, :de zomer:, :Het werd donker in de zaal.:, :met:, :Dag dame!:, :groenachtig: en :Ik zag een klein paard, Jan!: vormen van Nederlandse taaltekens zijn, kan worden gecontroleerd aan de hand van het volgende criterium: lemmavormen en vormen die, afgezien van leestekenvormen volledig kunnen worden ontleed in lemmavormen, zijn Nederlandse taaltekenvormen.

 

Voorondersteld dat lemmavormen vormen van tekens zijn, aan te duiden als lemmatekens, verschaft de beschouwing van de vormen ons de mogelijkheid, ons bij het onderkennen van Nederlandse taaltekens als volgt op Van Dale te beroepen: lemmatekens en tekens die, afgezien van leestekens, volledig kunnen worden ontleed in lemmatekens, zijn Nederlandse taaltekens.

Wij spraken over het ontleedbaar zijn van taaltekens. De lemmatekens, die wij in ons taaltekencriterium betrokken, vertonen in dat opzicht geen overeenstemming. Lemmatekens worden door de taalbeheerser ‘woorden’ genoemd. Sommige woorden zijn niet te ontleden in lemmatekens (b.v. | drie |), andere woorden zijn dat wel (b.v. | huisdeur |). De ongelijksoortigheid strekt nog verder. Er zijn namelijk ook lemmatekens die te ontleden zijn in lemmatekens èn tekens die, zelf onontleedbaar, toch geen lemmatekens zijn (b.v. | groenachtig |, dat te ontleden

[p. 22]

is in |groen | en | achtig |). Wij kunnen aan onze voorbeelden een woord toevoegen, dat in het geheel geen lemmateken is, nòch volledig in lemmatekens te ontleden: | dromedarisachtig |. Moeten wij het bovengenoemd criterium als bindend beschouwen, en aannemen dat | dromedarisachtig | in het geheel geen Nederlands taalteken is? Afgaande op onze taalbeheersing en op zeer vele soortgelijke gevallen in Nederlands taalgebruik kunnen wij dat niet aannemen. Wij kunnen | dromedarisachtig | niet anders beschouwen dan als een Nederlands taalteken waarbinnen twee kleinere Nederlandse taaltekens te onderscheiden zijn, | dromedaris | en | achtig |. Het komt er dus op neer dat wij, op grond van onze taalbeheersing, menen te moeten vaststellen dat er onontleedbare Nederlandse taaltekens zijn die geen lemmatekens zijn. B.v. |achtig |. Het criterium voor de overtuiging van de taalbeheerser inzake zulke onontleedbare taaltekens (en evenzeer inzake allerlei andere taalverschijnselen) kan dus slechts ten dele bij Van Dale, en moet voor het overige deel ergens anders gezocht worden. Wáár, zal hierna ter sprake komen.

Eén van de vooronderstellingen die uitgangspunt voor ons onderzoek vormen is, zoals is gezegd, dat de lezers en ik ‘“het Nederlands” als onze moedertaal beheersen’. De doelstelling is, die door ons beheerste taal te leren kennen, op een nog andere wijze dan die welke reeds in de beheersing ligt opgesloten. Voorts werd meegedeeld, dat het criterium voor onze onderzoekingen ligt bij de overtuiging van de taalbeheerser. Daarom moet vastgesteld worden wie of wat ‘de’ taalbeheerser is.

I. 4. Het standpunt vandetaalbeheerser.

Met de term ‘detaalbeheerser wordt uitdrukking gegeven aan het feit dat het gaat om: het-proto-type-van-iemand-die-‘het-Nederlands’-volledig-als-zijn-moedertaal-beheerst. Het gaat derhalve niet om één bepaalde, levende, concrete mens, maar om een type, een abstractum. Dit betekent dat men nergens ter wereld ‘de’ taalbeheerser kan tegenkomen. Wij zijn allemaal stuk voor stuk ‘een’ taalbeheerser. Wel is het zo, dat van neerlandici wordt aangenomen dat zij optimale taalbeheersers zijn, dat zij ‘het Nederlands’ in de grootst mogelijke mate beheersen. In hoeverre de neerlandici ieder in feite ‘het Nederlands’ beheersen is hier niet ter discussie, wij hebben slechts te maken met het feit dat die optimale taalbeheersing zowel binnen als buiten de vakkringen als bij de neerlandici aanwezig wordt aangenomen. Ook wij gaan

[p. 23]

van deze onderstelling uit, hetgeen impliceert dat van ons als neerlandici wordt verwacht dat wij ons kunnen stellen op het standpunt vandetaalbeheerser. Van dàt standpunt bezien, zijn binnen onze persoonlijke ervaringen met ‘het Nederlands’ slechts díe momenten relevant, die geacht kunnen worden binnen de ervaring van alle optimale taalbeheersers aanwezig te zijn. Die momenten maken namelijk dat wij de overtuiging bezitten, één-en-dezelfde taal te beheersen. Ons stellende op het standpunt van ‘de’ taalbeheerser vinden wij aanleiding te beweren dat | achtig | een Nederlands taalteken is. Door zo'n bewering geeft de taalbeschouwer te kennen dat hij pretendeert zichzelf (als specimen van ‘de’ taalbeheerser) als criterium te kunnen beschouwen. Dit te doen is in de taalkunde een onuitgesproken gewoonte. Eén van de doelstellingen van onze studie is, de onuitgesproken taalkundige gewoonten uit te spreken, om van daaruit vat te krijgen op de methode der taalkundige analyse. Een grondregel van die methode is, dat de taalbeschouwer zijn taalbeheersing als criterium heeft1. Voorts, dat hij zijn beweringen zó moet verantwoorden, dat de andere taalbeschouwers, die immers met evenveel recht zichzelf als criterium kunnen beschouwen, en van een bewering het tegendeel poneren, de strekking van de bewering kunnen begrijpen en precies weten wàt zij al of niet zullen beamen. De taalkundige redenering ontleent haar bewijskracht aan de beamingsmogelijkheden.

Zoals hierboven is uitgesproken, bestaat het zich verantwoorden in het releveren van díe momenten binnen iemands ervaring met taalverschijnselen, die geacht kunnen worden binnen de ervaring van alle optimale taalbeheersers aanwezig te zijn. Om dat te kunnen doen moet eerst in het algemeen vastgesteld worden waarin die momenten zich van alle andere momenten binnen onze taalervaring onderscheiden.

Onze ervaring met ‘het Nederlands’ is buitengewoon complex. ‘Het Nederlands’ doet zich dan ook voor als een even buitengewoon complex geheel. Het leren kennen van ‘het Nederlands’ is geconditioneerd door de aanschouwelijke momenten die zich in onze ervaringen met dat ge-

[p. 24]

heel voordoen. Zulke aanschouwelijke momenten treft men aan in alle gevallen van taalgebruik. Taalgebruik onderstelt immers taalbeheersers enerzijds en waarneembaar gemaakte taaltekenvormen anderzijds. Alle eigenschappen van ‘het Nederlands’ openbaren zich per se in het Nederlandse taalgebruik. De taalbeschouwer is dus genoodzaakt, zich bezig te houden met taalgebruik. Nu dient de term ‘taalgebruik’ gewoonlijk ter aanduiding van een gecompliceerde handeling binnen menselijk gedrag. Wij zullen daarbinnen onderscheidingen moeten maken.

Zoals in het hieraan voorafgaande is gebleken is een conditio sine qua non voor taalgebruik het waarneembaar gemaakt worden van de taaltekenvorm. In het algemeen, d.w.z. buiten de vakliteratuur, wordt onder ‘taalgebruik’ verstaan dàt wat men in de taalkunde ‘actief taalgebruik’ noemt; in het algemeen immers is de ‘taalgebruiker’ degene die taaltekenvormen waarneembaar maakt. In ons geval is dat degene die Nederlands spreekt resp. schrijft. De linguïst noemt echter ook verstaan en lezen ‘taalgebruik’ en wel passief taalgebruik. In beide gevallen treft men als aanschouwelijke gegevens o.a. de taalbeheersers en de waarneembaar gemaakte vormen aan. Men kan zich als taalbeheerser bevinden in de positie van actief en in die van passief taalgebruiker. Indien wij de ervaringen nagaan die zich bij ons voordoen zolang wij ons in de actieve positie bevinden, constateren wij dat zich het volgende voltrekt.

Er is ‘iets’, een feit, een gebeurtenis, een wens, of wat dan ook, en dat iets wil men meedelen door middel van taaltekens. (Men wil iets ‘onder woorden brengen’.) Men kan deze wil uitvoeren, door de vormen van de daartoe uitgekozen taaltekens waarneembaar te maken. Welke tekens men gebruiken zal is door niemand met zekerheid te voorspellen1. Als iemand wil vertellen dat er een tram langs zijn huis rijdt, hoeft hij dat niet te doen door middel van | Er rijdt een tram langs mijn huis. |. Andere mogelijkheden zijn: | Langs mijn huis gaat één van de eigendommen van het Gemeente Vervoerbedrijf Amsterdam. |; | De woning waarin wij onze intrek hebben genomen wordt gepasseerd door een openbaar vervoermiddel. |, etc. Anderzijds kan van veel Nederlandse taaltekens gezegd worden dat zij hoogstwaarschijnlijk niet gebruikt

[p. 25]

zullen worden om dat bepaalde ‘iets’ mee te delen, b.v. | Morgen komt mijn schoonvader. |, of | Zie, de maan schijnt door de bomen. |. Het is duidelijk, dat het mee te delen ‘iets’ bepaalde eigenschappen bezit, die maken dat men sommige tekens wel en andere niet gebruikt. Het is evenzeer duidelijk, dat de Nederlandse taaltekens bepaalde eigenschappen bezitten die maken dat men in één geval sommige van die tekens wel en andere niet gebruikt.

Onze doelstelling is niet, de eigenschappen der door ons mee te delen dingen te leren kennen, maar de eigenschappen der daartoe door ons gebruikte taaltekens. In het proces dat zich tijdens actief taalgebruik voltrekt, gaan de zich aan ons vóórdoende ‘dingen’ vooraf aan het waarneembaar gemaakt zijn van de vormen van bepaalde taaltekens. In dat opzicht zijn de ‘dingen’ primair, de tekens secundair. De keuze der tekens wordt bepaald door eigenschappen der ‘dingen’ en door eigenschappen der tekens. Er bestaat een zekere relatie tussen beide soorten eigenschappen. Iemand die een voor hem vreemde taal wil leren beheersen moet zich zowel met de aanschouwelijke momenten der ‘dingen’ als met die der tekens (de waarneembaar gemaakte vormen) bezighouden. In het proces van taalverwerving, hetzij in het leren van een ‘vreemde’ taal, hetzij in de moedertaalverwerving van een kind, spelen deze soorten aanschouwelijke momenten beide een rol. Bij het bestuderen van een reeds verworven taal echter bestaat het primaire gegeven in de waarneembaar gemaakte vormen. De taalbeschouwer kan immers van de tekens waarvan de vormen waarneembaar zijn gemaakt eigenschappen onderkennen, zonder dat hij de ‘dingen’ in zijn onderzoek betrekt. De taalbeschouwer kan b.v. vaststellen dat :Het werd donker in de zaal.: de vorm van een Nederlands taalteken is, zonder dat hij weet om welke zaal, om welk ogenblik, enz. het gaat. Hij kan vaststellen dat de vorm :Het werd donker in de zaal.:, waarneembaar gemaakt, hem iets te kennen geeft. Dat ‘iets’ dat die vorm te kennen geeft is ‘de’ betekenis van het teken | Het werd donker in de zaal. |. Als de taalbeheerser van die waarneembaar gemaakte vorm, b.v. in dit boek, kennisneemt, weet hij niet om welk ‘ding’ het gaat; hij weet, om in Reichling's termen te spreken, niet, waarop de betekenis van | Het werd donker in de zaal. | is toegepast. Hij gaat er waarschijnlijk van uit dat de betekenis in het gehéél niet is toegepast, maar dat slechts ‘zomaar’ die vorm waarneembaar is gemaakt. Ook zonder dat de be-

[p. 26]

tekenis in feite wordt toegepast, is de taalbeheerser in staat die vorm als de vorm van een Nederlands taalteken te herkennen. Hij heeft dan ook een zeer bepaalde ervaringskennis omtrent ‘de’ betekenis van dat taalteken, welke tot uitdrukking komt wanneer hij de betekenis in het gewone actieve taalgebruik toepast.

Dat, zoals hiervóór werd vermeld, de vorm :Het werd donker in de zaal.: iets te kennen geeft is nadrukkelijk onderscheiden van wat daarvóór ter sprake kwam: dat de taalgebruiker iets mee wil delen door middel van taaltekens. Hij kan één bepaald ‘iets’ (vgl. het tram-voorbeeld) op verschillende manieren, d.i. door middel van verschillende taaltekens, meedelen; het blijft steeds hetzelfde ‘iets’. Omgekeerd kan één taalteken gebruikt worden om verschillende ‘ietsen’ mee te delen. De taalbeheerser kan | Wat een mooi boek is dat! | voor allerlei verschillende boeken gebruiken. Dat wat door het teken te kennen wordt gegeven, de betekenis, staat in een zekere relatie tot het meegedeelde ‘iets’ waarop die betekenis is toegepast. Indien een dief die op een avond om 12 uur in een bank heeft ingebroken, op de vraag waar hij zich die avond om 12 uur bevond, antwoordt ‘thuis’, dan is de betekenis van | thuis | toegepast op een bepaald ‘iets’, namelijk op de plaats waarvan aangenomen wordt dat hij er zich die avond om 12 uur bevond. In dat geval is de relatie tussen de betekenis en het ‘iets’ waarop de betekenis is toegepast de relatie van de leugen. Deze kan uitsluitend worden vastgesteld, indien men ‘de’ betekenis en datgene waarop zij is toegepast eerst los van elkaar beschouwt. ‘De’ door de taalbeheerser op bepaalde wijze in ervaring gekende betekenis van een teken kan alleen object van wetenschap zijn voor wie als taalbeheerser weet wat de betreffende tekenvorm te kennen geeft, alléén al wanneer zij waarneembaar gemaakt wordt en nog zonder dat zij feitelijk wordt toegepast.

Het gebruiken van taaltekens bestaat in het toepassen van hun betekenis. Zowel de actieve als de passieve taalgebruiker past betekenissen toe. Het verschil tussen beide bestaat echter hierin: de actieve taalgebruiker gaat uit van datgene waarop hij betekenis wil toepassen en maakt daartoe van bepaalde taaltekens de vorm waarneembaar. De passieve taalgebruiker gaat uit van de waarneembaar gemaakte vorm; deze herkent hij als de vorm van een bepaald teken waarvan hij de betekenis toepast op een bepaald ‘iets’. Men gaat er van uit dat de betekenis van het gebruikte teken voor beide taalgebruikers één-en-dezelfde

[p. 27]

is: zij hebben de overtuiging één-en-dezelfde taal te gebruiken. Wèl moet men rekening houden met de mogelijkheid dat zij ieder die betekenis op iets anders toepassen. In dat geval spreekt men van een ‘misverstand’.

Actief taalgebruik is dus: het waarneembaar maken van de vormen van díe taaltekens waarvan men de betekenis op een bepaaldietstoepast.

Passief taalgebruik is: het herkennen van waarneembaar gemaakte vormen als vormen van bepaalde taaltekens waarvan de betekenis op een bepaaldietsis toegepast.

In het passief taalgebruik zijn de waarneembaar gemaakte vormen het uitgangspunt. De waarneembaar gemaakte vorm is van de taaltekens het enige aanschouwelijke moment in taalgebruik. Aangezien wij de taaltekens bestuderen, is de waarneembaar gemaakte vorm ons primaire gegeven. Wij gaan uit van de vormen van tekens in hun relatie tot de daarmee corresponderende betekenissen. Wij onderzoeken, wat de waarneembaar gemaakte vormen aan de taalbeheerser te kennen geven.

Zoals in het voorafgaande blijkt, is het kennisnemen van waarneembaar gemaakte vormen, het herkennen ervan als vormen van tekens en het geconfronteerd worden met de betekenis dier tekens, een proces dat zich binnen het passief taalgebruik voltrekt. Het is dit complex binnen de ervaring van de passieve taalgebruiker dat, gegeven dat alle taalbeheersers één-en-dezelfde taal beheersen, voor àlle taalbeheersers van kracht is. Het is dit ervaringscomplex dat hier zal worden onderzocht. Het moet beschouwd worden, geabstraheerd van de andere momenten binnen passieftaalgebruik. Wij zullen de vorm van de te bestuderen tekens waarneembaar maken, geplaatst tussen verticale strepen, en analyseren wat die waarneembaar gemaakte vorm ‘de’ taalbeheerser te kennen geeft. Dat wil zeggen: onderzocht wordt welke eigenschap, of welk complex van eigenschappen maakt dat de taaltekens op hun eigen wijze gebruikt kunnen worden. Die eigenschappen worden o.a. bepaald door wat men noemt ‘de’ betekenis: het gebruiken van een taalteken bestaat immers in het toepassen van de betekenis. Indien wij b.v. wàt dan ook over de betekenis van | biljartbal | willen opmerken, moeten wij ons als taalbeschouwer verdiepen in wat die waarneembaar gemaakte vorm zonder meer hier op dit papier ons te kennen geeft, en dat beschrijven. Dat die vorm ‘iets’ te kennen geeft is voor elke taalbeheerser evident. Dat ‘iets’ kan eenvoudig aangeduid worden met ‘“biljartbal”’. Wij

[p. 28]

zullen in het vervolg, indien wij ‘de’ betekenis van een teken in eerste instantie willen aanduiden, de waarneembaar gemaakte vorm van dat teken plaatsen tussen telkens drie apostrofes (‘ ’).

In aansluiting aan de vorige terminologische afspraken geldt nu: door het teken waarvan de waarneembaar gemaakte vorm tussen telkens drie apostrofes is geplaatst, wordt iets aangeduid. Het ‘iets’ dat door dat teken wordt aangeduid, is de betekenis van dat teken. Deze afspraak betreft niet minder maar ook niet meer, dan het feit dat een teken waarvan de waarneembaar gemaakte vorm tussen apostrofes is geplaatst iets aanduidt dat wij vóór-wetenschappelijk kennen. Hier is geen sprake van een beschrijving van die betekenis. Indien wij zeggen ‘| biljartbal | betekent “biljartbal”’, dan hebben wij niet de betekenis van | biljartbal | beschreven. Wij hebben slechts een door ons in ervaring gekende eenheid, namelijk dat wat | biljartbal | betekent, of wel ‘de’ betekenis van | biljartbal |, in een term vastgelegd. De opmerking ‘| biljartbal | betekent “biljartbal”’ is, hoewel vrij overbodig, slechts verstaanbaar voor een optimale taalbeheerser, d.w.z. voor iemand die een optimale taalbeheersers-kennis bezit van ‘de’ betekenis van | biljartbal |. Het beschrijven daarentegen van de betekenis van een taalteken is het resultaat van wetenschappelijke beschouwing van die vóór-wetenschappelijk gekende eenheid, en moet gebruik maken van alle mogelijke taaltekens buiten het ene, het betreffende, het te beschrijven taalteken om. ‘Koud, wit of rood rond ivoren voorwerp van bepaalde grootte en zwaarte en gelijke massaverdeling’ is een beschrijving van ‘de’ betekenis van | biljartbal |. Een omschrijving vindt men, wanneer een taalgebruiker | koud wit of rood rond ivoren voorwerp van bepaalde grootte en zwaarte en gelijke massaverdeling | gebruikt en niet | biljartbal | om een biljartbal te ‘noemen’.

I. 5. Betekenis en optimale genoemdheid.

Hoe kan de taalbeschouwer tot zijn beschrijving komen, hoe zich ‘de’ betekenis van | biljartbal | realiseren? Door naar een voorwerp te kijken, of door zich een voorwerp voor te stellen, dat alle kenmerken bezit die binnen de eenheid ‘biljartbal’ als betekenisonderscheidingen aanwezig zijn. Indien men een bepaalde biljartbal beschouwt, stelt men daaraan allerlei kenmerken vast die maken dat men het een biljartbal noemt. B.v. dat het rond en van ivoor is. Men constateert ook kenmerken, die het

[p. 29]

voorwerp tot deze éne unieke biljartbal maken: dat het van dit ivoor is, en nu op deze plaats ligt, etc. Niet de uniek-makende kenmerken, maar de kenmerken die maken dat wij ons met het voorwerp kunnen bezighouden om ons de betekenis van | biljartbal | te realiseren, zijn gegeven in de betekenisonderscheidingen die binnen de eenheid ‘biljartbal’ bestaan. Men kan ‘biljartbal’ toepassen op vele verschillende ‘zaken’; b.v. op een kaal hoofd en op een biljartbal. Een biljartbal is in dit geval een optimale ‘zaak’, dat is: een ‘zaak’ waarop alle betekenisonderscheidingen van toepassing zijn. Om de betekenis ‘biljartbal’ te beschrijven, moet men de betekenisonderscheidingen van ‘biljartbal’ noemen; dit laatste valt samen met de opsomming van díe kenmerken van een waargenomen of voorgestelde ‘zaak’, die die ‘zaak’ optimaal maken. De taalbeschouwer die van de waarneembaar gemaakte vorm van | biljartbal | kennisneemt, en zich verdiept in ‘de’ betekenis van | biljartbal |, constateert dat hij zich - via welk proces dan ook - een biljartbal, een optimale ‘zaak’ dus, kan voorstellen, en hij somt van die ‘zaak’ de optimaalmakende kenmerken op. In zoverre heeft het ‘specifieke moment binnen passief taalgebruik’ dat wij moeten beschrijven, betrekking op het (in de voorstelling aanwezige) ‘iets’ waarop de betekenis wordt toegepast, maar dat ‘iets’ doet alleen ter zake voorzover het inzicht in de betekenis verschaft. Wat de vormen te kennen geven bestaat in de optimaalmakende kenmerken van het voorgestelde optimale ‘iets’. Als een taalbeschouwer kennisneemt van waarneembaar gemaakte taaltekenvormen zonder meer, om te weten om welke betekenis het gaat, kan hij de betekenis toepassen op een optimaal ‘iets’ dat hij zich in de voorstelling schept. Onze afspraak, om uitsluitend van waarneembaar gemaakte vormen uit te gaan, neemt niet weg dat wij met een ‘iets’ rekening moeten houden waarop de betekenis is toegepast. Wij moeten dus toch het ‘iets’ in ons onderzoek betrekken, maar alleen voorzover het de optimaalmakende kenmerken van datietsbetreft. De optimale ‘ietsen’ der verschillende taalbeheersers verschillen van elkaar. De waarneembaar gemaakte vorm van | biljartbal | kan maken dat de ene taalbeschouwer zich als optimaal ‘iets’ een rode biljartbal voorstelt en een andere een witte. De notie ‘rood’ is dan ook evenmin als ‘wit’ zonder meer een betekenisonderscheiding van ‘biljartbal’. De taalbeheerser gaat er van uit dat overeenkomstig in beide ‘ietsen’ is, dat het voorwerpen zijn die rond zijn. Dit is één van de optimaalmakende ken-

[p. 30]

merken en daarom is ‘rond’ een betekenis-onderscheiding van | biljartbal |, terwijl de noties ‘rood’ en ‘wit’ als gebruikelijke gelijkwaardige kleuren vigeren tegenover alle andere kleuren. Een optimaalmakend kenmerk is dat de biljartbal niet-geel, niet-groen, niet-bruin is, kortom niet één van de kleuren heeft uit de opsomming-van-alle-kleuren-behalve-rood-en-wit. De optimaalmakende kenmerken maken moment uit van de ervaring van alle passieve taalgebruikers, en alleen zulke momenten betrekken wij in ons onderzoek.

Dat de taalbeschouwer zijn kennis omtrent het optimale ‘iets’ ontleent aan de omstandigheid dat hij ervaren heeft hoe ‘biljartbal’ in feite op concrete biljartballen wordt toegepast, is een feit dat - het zij herhaald - voor ons onderzoek niet ter zake doet; het speelt een rol bij het taalverwerven, terwijl ons onderzoek uitgaat van het verworvenzijn (d.i. beheerst-worden) van de taal.

De aard van de optimale ‘ietsen’ waarop betekenissen worden toegepast, is zeer uiteenlopend. Die ‘ietsen’ worden door de tekens ‘genoemd’; het zijn optimale genoemdheden. Tenzij wij het tegendeel meedelen, zullen wij met de term ‘genoemdheid’ uitwijzen naar een optimale genoemdheid. Wij kunnen nog niet systematisch de genoemdheden van elkaar onderscheiden; wij weten nog niets anders dan dàt het genoemdheden zijn die zich, bij waarneembaarmaking van de tekenvormen, in onze voorstelling aan ons voordoen als optimaal. De optimaalmakende kenmerken der genoemdheden stellen de taalbeschouwer in staat ‘de’ betekenis der tekens te beschrijven.

Samengevat:

1.Onze doelstelling is, inzicht te verkrijgen in wat de vormen van Nederlandse taaltekens aan de taalbeheerser te kennen geven, om zo gegevens te verzamelen over wat zich als ‘het Nederlands’ voordoet.
2.Beschrijving van wat de vormen te kennen geven valt samen met de beschrijving van de optimaalmakende kenmerken der voorgestelde optimale genoemdheden waarop de betekenissen zijn toegepast.
3.Slechts voorzover zij in die kenmerken inzicht verschaffen, moet de taalbeschouwer de genoemdheden in zijn onderzoek betrekken.
4.Op bovengenoemde wijze analyseert de taalbeschouwer binnen zijn passief taalgebruik een bepaald ervaringscomplex waarvan wordt
[p. 31]
aangenomen dat het in de ervaring van elke optimale taalbeheerser aanwezig is.

I. 6. Criterium voorNederlandse taaltekens’.

Eén van de dingen die als geldig voor elke optimale taalbeheerser kunnen worden aangenomen is, dat hij in staat is | achtig | zó te gebruiken dat het, in combinatie met een lemmateken, een teken mede-constitueert dat hij als taalbeschouwer zonder aarzelen herkent als een ontleedbaar Nederlands taalteken. Er zijn dus lemmatekens die volledig kunnen worden ontleed in één of meer onontleedbare lemmatekens èn één of meer andere, al of niet ontleedbare, tekens. Zo kan | kameelachtig | worden ontleed in | kameel | en | achtig |, | huisjes | in | huis |, | je | en | s |. Ook een binnen een lemmateken aan te treffen teken dat zelf geen lemmateken is, zullen wij aanduiden met de term taalteken.

De volgende indeling van Nederlandse taaltekens staat ons nu ter beschikking. Wij spreken van een ‘Nederlands taalteken’ indien wij aantreffen:

a.een teken dat volledig te ontleden is in lemmateken(s) en leesteken(s);
b.een teken dat volledig te ontleden is in lemmatekens;
c.een lemmateken;
d.een teken, deel uitmakend van een lemmateken;
e.een teken dat volledig te ontleden is in tekens die volgens één of meer der bovengenoemde criteria taaltekens zijn;
f.een teken dat volledig te ontleden is in taalteken(s) (volgens één of meer der bovengenoemde criteria) en leesteken(s).

Van een ‘Nederlands taalteken’ zullen wij alleen spreken als er sprake is van één der hierboven gespecificeerde tekens. Binnen de complexe eenheid die wij als ‘het Nederlands’ kennen treffen wij, gezien bovenstaande opsomming, primair de volgende ordening aan: Er zijn taaltekens waarbinnen kleinere taaltekens te onderscheiden zijn (b.v. | de zomer |, | huisdeur |) en er zijn taaltekens waarbinnen geen kleinere taaltekens te onderscheiden zijn (b.v. | drie |, | gordijn |). Een taalteken is dus hetzij ontleedbaar, hetzij onontleedbaar.

I. 7. Ontleedbare en onontleedbare taaltekens in hun verhouding tothet Nederlands’.

Of een taalvorm ons confronteert met een ontleedbaar of met een

[p. 32]

onontleedbaar taalteken, kan alleen geconstateerd worden als men uitgaat van de vorm-en-betekenis-eenheid. Een beschouwing van de vormpuur kan daaromtrent niet voldoende resultaat opleveren. De vorm :aalmoes: b.v. kan men beschouwen als vorm van het teken | aalmoes | = ‘gift aan een bedelaar’. Dít teken | aalmoes | is onontleedbaar. Men kan :aalmoes: echter ook beschouwen als vorm van het teken | aalmoes | = ‘zachte massa, bestaande uit een bepaald soort te pletter geslagen vis’. Dít teken | aalmoes | is ontleedbaar in | aal | en | moes |. De taalbeschouwer die onderzoekt wat de waarneembaar gemaakte vorm :aalmoes: te kennen geeft, komt dus tot de conclusie dat daarbij sprake is van twee betekeniseenheden.

Wij ontleenden aan Reichling, dat een teken een twee-eenheid is, waarvan een vormeenheid en een betekeniseenheid moment uitmaken. Uitgaande van dit laatste komt men tot de conclusie dat binnen ‘het Nederlands’ de tekens | aalmoes |-1 en | aalmoes |-2 bestaan. Dat wil in dit geval bovendien zeggen: binnen ‘het Nederlands’ bestaan een ontleedbaar en een onontleedbaar taalteken waarvan de vorm is :aalmoes:. Een teken dat dezelfde vorm heeft als een ander teken noemt men een homoniem. Een vorm die vorm is van meer dan één teken is het beste aangeduid als homoniemvorm. Het verschijnsel der homonymie is o.a. bestudeerd door Reichling. Aan Reichling's beschrijving ontleen ik in dit verband niets anders dan wat noodzakelijk is voor een inzicht in de ontleedbaarheid van taaltekens. En wel in de eerste plaats het door Reichling behandelde feit, dat het bestaan van homoniemen voor de taalbeschouwer evident is. Met dien verstande dat deze

1e.bepaalde taalvormen zonder aarzelen onderkent als homoniemvormen (b.v. :deken:);
2e.bepaalde taalvormen zonder aarzelen onderkent als niet-homoniem-vormen (b.v. :museum:).

Dit neemt niet weg dat er taalvormen zijn waarvan de taalbeschouwer niet zonder meer weet of het al of niet homoniemvormen zijn. B.v. :boek:; :huis:. Is er sprake van één-en-hetzelfde teken | boek | in | Het boek is goed gebonden. | en | Het boek is goed gerecenseerd. |? En van één-en-hetzelfde teken | huis | in | Die hond heeft een goed huis. | en | Dat huis is pas gebouwd. |? Dat ‘de’ taalbeschouwer aarzelt, wil zeggen: òfwel, één bepaalde, als ‘optimaal’ te kenschetsen taalbeheerser is niet in staat een voor hemzelf bevredigende keus te doen; òfwel, ver-

[p. 33]

schillende als ‘optimaal’ te kenschetsen taalbeheersers zijn het over de keus niet met elkaar eens. Volgens Jan Hanlo1 b.v. is in | Geef mij maar een bord soep! | en in | Klein maar dapper. | sprake van één-enhetzelfde | maar |, terwijl een ander opteert voor de stelling dat hier sprake is van twee verschillende tekens | maar |-1 en | maar |-2. De vorm :maar: echter laat (evenals :huis: en :boek:) geen twijfel bestaan aan het feit dat hij, hoe dan ook beschouwd, nooit de vorm van een ontleedbaar taalteken is. Wij laten het voorlopig bij de constatering dat het voor de taalbeschouwer niet zonder meer vaststaat of elk der genoemde vormen, waarneembaar gemaakt, één of meer dan één betekeniseenheid te kennen geeft. Voor :aalmoes: is dit laatste evident. Het feit dat er een onontleedbaar | aalmoes | bestaat, terwijl daarnaast | aal | en | moes | bestaan, wil zeggen dat de vormen :aal: en :moes: binnen | aalmoes |-1 (= ‘gift aan een bedelaar’) op een andere wijze functioneren dan binnen | aalmoes |-2 (= ‘massa, bestaande uit een bepaald soort te pletter geslagen vis’). Alleen in het laatste geval spreken wij van een ontleedbaar taalteken. Voor de ontleedbaarheid ligt dus het criterium in de vorm-en-betekenis- (twee-)eenheid, d.w.z. in een volledige parallellie tussen de geïsoleerde beschouwingsmogelijkheid van vormmomenten en die van betekenis-momenten binnen een taalteken. Dit criterium voor ontleedbaarheid is inherent aan het inzicht dat Nederlandse taaltekens in eerste instantie in twee soorten tekens te verdelen zijn: ontleedbare en onontleedbare.

Eén van de feiten die ons uitgangspunt vormen is dat zich binnen ‘het Nederlands’ onderscheiden gegevens voordoen. Het eerste onderscheid dat wij hebben kunnen vaststellen is dàt tussen ontleedbare en onontleedbare taaltekens. Dat wil echter niet zeggen dat beide soorten taaltekens ‘het Nederlands’ op dezelfde wijze constitueren. Moet ‘het Nederlands’ beschouwd worden als een eindige verzameling van deze

[p. 34]

twee soorten tekens? Om deze vraag te kunnen beantwoorden moeten die twee soorten nader met elkaar vergeleken worden.

Getuige het teken | De vader van mijn vader heb ik nooit gekend. | bestaan er ontleedbare taaltekens waarbinnen zich meermalen éénzelfde taalteken voordoet. In het hier genoemde voorbeeld treft men tweemaal | vader | aan. Taalbeheersing bestaat o.a. hierin: dat de taalbeheerser taaltekens ter beschikking heeft, zó, dat hij ze binnen grotere taaltekens als constituerende momenten kan gebruiken. Hij heeft het teken | vader | ter beschikking voor | De vader van mijn vriend is pianist. |,| De vader van mijn vader heb ik nooit gekend. |, | Hij was pas vader geworden. | etc. Door de mogelijkheid één-en-hetzelfde teken van één groter teken meer dan eens moment te doen zijn, is er in principe geen grens gesteld aan de grootte van ontleedbare taaltekens. Een filosoof die aanvangt: ‘Ik zoek de waarheid achter de waarheid achter de waarheid ...’ kan zo altijd doorgaan; in feite zal hem weliswaar een grens gesteld worden, door het leven (of door de dood), Maar niet door de taal. Het is dan ook praktisch èn theoretisch onmogelijk, naar ‘alle’ ontleedbare taaltekens te verwijzen, omdat zij de verwezenlijking zijn van een mogelijkheid die ‘het Nederlands’ de taalbeheerser biedt, terwijl die mogelijkheden onbegrensd in aantal zijn: | de waarheid achter de waarheid | is een teken, maar | de waarheid achter de waarheid achter de waarheid | is een ander teken, en zo voort. Ieder ontleedbaar taalteken bestaat krachtens het vermogen van bepaalde onontleedbare taaltekens, op enigerlei wijze deel uit te maken van een groter taalteken. Het taalteken | Het werd donker in de zaal. | bestaat krachtens het feit dat | het |, | werd |, | donker |, | in |, | de | en | zaal | op een bepaalde wijze met elkaar kunnen worden gecombineerd.

Het aantal combinaties is oneindig, het aantal onontleedbare taaltekens daarentegen is eindig. Indien wij van een ontleedbaar taalteken op deze plaats voor het eerst de vorm waarneembaar maken, b.v. | maanmus |, dan doen wij niets anders dan het verwezenlijken van een mogelijkheid die in ‘het Nederlands’ ligt besloten. Deze mogelijkheid berust op het feit dat de taalbeheerser de onontleedbare taaltekens | maan | en | mus | kent; | maanmus | bezit betekenis in zoverre, dat de taalbeheerser die ervan kennisneemt, ervan uitgaat dat er van een bepaald soort vogel sprake is die op één of andere wijze wordt gekenmerkt door iets dat met een bepaald hemellichaam samenhangt. O.a. in de ‘experimentele

[p. 35]

poëzie’ wordt van zulke mogelijkheden overvloedig gebruik gemaakt1.

Indien wij een vorm op deze plaats voor het eerst waarneembaar maken, b.v. :trig:, dan ervaart de taalbeheerser die vorm niet als een vorm die hem met een bepaalde betekenis confronteert. Als iemand die vorm zou wensen te gebruiken b.v. ter aanduiding van een nieuw ontdekte stof, d.w.z. als de vorm van een nieuw onontleedbaar taalteken, dan bestaat de mogelijkheid dat | trig | in de volgende druk van Van Dale wordt opgenomen, maar dan is er iets toegevoegd aan de nú bestaande onontleedbare taaltekens van ‘het Nederlands’, en zodra dat gebeurd is is er sprake van een ander geheel, een geheel dat in tijd begrensd wordt door het ogenblik waarop de nieuwe Van Dale verschijnt tot het ogenblik waarop er weer één verschijnen zal. Wij begrensden ‘het Nederlands’ als de taal waarvan in de Van Dale van 1960 sprake is, en zo gezien behoort er geen teken waarvan de vorm :trig: is tot ‘het Nederlands’. Wèl kent ‘het Nederlands’ het teken | maanmus |2. ‘Het Nederlands’ is dus een geheel van onontleedbare taaltekens die op bepaalde wijze onderling gecombineerd kunnen worden tot grotere tekens. De onontleedbare taaltekens, d.w.z. de kleinste twee-eenheden van vorm en betekenis zullen door ons worden aangeduid met de term semanteem3.

[p. 36]

‘Het Nederlands’ is een geheel van semantemen die op bepaalde wijze gecombineerd kunnen worden. De ontleedbare taaltekens zijn, zo beschouwd, semanteemcombinaties. Tot de volledige beschrijving van ‘het Nederlands’ behoort o.a. de opsomming van de semantemen.

I. 8. ‘Het Nederlandseen geheel semantemen.

Om naar alle semantemen te kunnen verwijzen moet van ieder lemmateken worden vastgesteld

1e. of het ontleedbaar is,

2e. of het een homoniem is.

Van iedere taalvorm immers moeten wij voor een nauwkeurige opsomming of voor de verwijzing ernaar, weten

1e. of deze vorm als zodanig waarneembaar moet worden gemaakt (:dromedarisachtig: b.v. niet);

2e. of die vorm een onontleedbare homoniemvorm is en dus één maal of meer malen waarneembaar moet worden gemaakt, en indien meer malen, hoeveel malen (:bocht: b.v. meer malen).

Ad le.

Van bepaalde vormen, :de:, :drie:, :lawine: en :stroop: b.v., is het evident dat zij als zodanig waarneembaar moeten worden gemaakt; er bestaat in ‘het Nederlands’ geen ontleedbaar teken | de |, | drie | etc. Er zijn echter vormen waarbij die evidentie niet aanwezig is: :zenuwachtig: b.v. Bestaat het lemmateken | zenuwachtig | uit | zenuw | en | achtig |? Of: is er een ontleedbaar teken | zenuwachtig | (= ‘een zenuw gelijkend’) èn een onontleedbaar teken | zenuwachtig | (= ‘nerveus’, ‘geagiteerd’), zoals | aalmoes |-1 en | aalmoes |-2?

Ad 2e.

Van bepaalde vormen, :museum:, :giraffe: b.v., is het evident dat het geen homoniemvormen zijn, en dat zij dus éénmaal in de opsomming waarneembaar gemaakt moeten worden. Van vele vormen geeft Van Dale de aanwijzing of zij als homoniemvormen beschouwd moeten

[p. 37]

worden. Indien een lemmavorm meer dan eens dik gedrukt voorkomt (‘het lemma’), dan bestaan er zoveel tekens met die ene vorm als het aantal malen dat de vorm dik gedrukt is. Of Van Dale in dit opzicht representatief geacht moet worden voor de overtuiging van de taalbeheerser, d.w.z. of de taalbeschouwer Van Dale's opvatting in dit opzicht altijd beaamt, is echter de vraag. De vorm :bank: b.v., die voor een optimale taalbeheerser als Reichling een evidente homoniemvorm is1, wordt bij Van Dale niet als zodanig beschouwd. Bovendien is het lang niet altijd duidelijk hoe bij Van Dale de onderverdeling in Arabische resp. Romeinse cijfers binnen één artikel geïnterpreteerd moet worden2. Al deze twijfelgevallen geven uitdrukking aan het feit dat voor sommige taalvormen kan worden aangenomen dat de overtuiging van de taalbeheerser inzake ontleedbaarheid en homonimiteit vaststaat, en voor andere niet. De overtuiging van ‘de’ taalbeheerser ‘staat vast’, indien kan worden aangenomen dat alle individuele optimale taalbeheersers het over een bepaald geval met elkaar eens zijn. Voor alle optimale taalbeheersers geldt dat :gordijn:, :blond: en :dat: vormen van onontleedbare taaltekens zijn, en dat :bocht: en :deken: homoniemvormen zijn. Voor :zenuwachtig: en :boek: zijn die eigenschappen niet evident. Voor :zenuwachtig: b.v. bestaan twee beschouwingswijzen,

[p. 38]

die ieder door verschillende optimale taalbeheersers beaamd kunnen worden als juist:

a.Het is uitsluitend de vorm van een ontleedbaar taalteken.
b.Het is de vorm van zowel een ontleedbaar als een onontleedbaar taalteken, en dus een homoniemvorm.

De taalbeschouwer voor wie beschouwingswijze a geldt zal in zijn opsomming de semantemen | zenuw | en | achtig | vermelden. De taalbeschouwer voor wie beschouwingswijze b geldt zal | zenuw |, | achtig | en | zenuwachtig | vermelden. De taalbeschouwer van b vermeldt dus een semanteem meer dan die van a. Van de vorm :boek: staat wel voor elke taalbeschouwer de onontleedbaarheid vast, maar niet elke taalbeschouwer weet hoeveel maal die vorm gegeven moet worden. Behalve dat voor de individuele taalbeschouwers in dit opzicht verschillende beschouwingswijzen van kracht zijn, kan het ook voor één bepaalde taalbeschouwer onduidelijk zijn of in | Er ligt een boek op de tafel. | en | Het boek is slecht gerecenseerd. | van één-en-hetzelfde teken | boek | sprake is. Hij weet dus niet of hij :boek: éénmaal of tweemaal moet vermelden. Een uitgebreid vergelijkend onderzoek van zulke twijfelachtige vormen als :boek:, evidente homoniemvormen en evidente niethomoniemvormen zal hier een oplossing moeten brengen. De individuele taalbeschouwer kan derhalve niet van alle lemmavormen nu reeds vaststellen òf ze, en zo ja, hoeveel maal ze in de opsomming dienen voor te komen; en zo nee, welke van de erbinnen te onderscheiden vormen hij moet opnemen en in welk aantal. Wel echter kan hij van elke lemmavorm de mogelijke beschouwingswijzen geven, en zo het minimum (waaronder nul) en het maximum aantal malen geven dat zij, resp. de erbinnen te onderscheiden vormen, afhankelijk van de beschouwingswijze, kunnen voorkomen. Een nauwkeuriger vaststelling kan pas na het vergelijkend onderzoek der verschillende vormen plaatsvinden. Toch heeft de taalbeschouwer, als hij met enigerlei taalvorm geconfronteerd wordt, niet meer dan twee mogelijkheden om die vorm te klasseren wat homonymiteit betreft:

1e.het is een homoniemvorm;
2e.het is geen homoniemvorm.

Dat de taalbeschouwer in vele gevallen van confrontatie met taalvormen twijfelt tussen ‘het is een homoniemvorm’ en ‘het is geen homoniemvorm’ betekent dus niet dat er nog een derde mogelijkheid

[p. 39]

zou bestaan, maar het betekent dat zijn kennis van de eigenschappen der onbetwiste homoniemvormen tekortschiet. Indien een taalbeschouwer evenwel van een ontleedbaar taalteken zou moeten vaststellen: het is een woord; óf: het is een zin, blijven er weer wèl andere mogelijkheden over: 1e het is een woord; 2e het is geen woord; 3e het is een zin; 4e het is geen zin. In zulke gevallen gaat het erom, de onderscheidende kenmerken te vinden van een onbetwist woord en een onbetwiste zin. Gegeven het feit dat de taalbeschouwer een vorm moet kunnen klasseren als homoniemvorm of niet-homoniemvorm, blijven hem op basis van die keuze voor elke vorm vijf mogelijkheden om hem te klasseren wat ontleedbaarheid betreft. Als het een niet-homoniemvorm is:

1e.het is de vorm van een onontleedbaar taalteken (zoals :gordijn:);
2e.het is de vorm van een ontleedbaar taalteken (zoals :dromedarisachtig:).

Indien het een homoniemvorm is:

3e.het is de vorm van verschillende onontleedbare taaltekens (zoals :deken:);
4e.het is de vorm van verschillende ontleedbare taaltekens (zoals :banken:);
5e.het is de vorm van verschillende onontleedbare resp. ontleedbare taaltekens (zoals :aalmoes:).

Samengevat:

Het feit dat ons uitgangsgegeven was is, dat voor de meeste Nederlanders het bestaan van iets dat ‘het Nederlands’ genoemd wordt, evident is. Onze probleemstelling was: welke eigenschappen van ‘het Nederlands’ zijn het, die deze evidentie tot stand brengen? In dit kader kan geconstateerd worden: de heterogene tekens waarin ‘het Nederlands’ zich openbaart (| drie |, | de zomer | etc.) zijn oneindig in aantal. Binnen die heterogene tekens stuiten wij op eenheden (semantemen) die eindig in aantal zijn, en die dus van het geheel deel uitmaken. Van de evidente semantemen is ons nog niet voldoende bekend om een opsomming van alle semantemen te kunnen geven, dit nog afgezien van de mogelijkheid dat bepaalde ervaringen van de individuele optimale taalbeheersers van elkaar zullen afwijken, hoe controleerbaar ook geformuleerd; zodat zij buiten het gemeenschappelijke zullen blijken te vallen. Bij de hoogste graad van controleerbaar formuleren blijft echter wel

[p. 40]

het gemeenschappelijke feit, dat elke individuele optimale taalbeheerser de ervaring heeft dat hij een bepaald, eindig aantal semantemen tot zijn beschikking heeft. De afwijkingen vinden dan hun vertegenwoordiging in ‘twijfel’ van ‘de’ taalbeheerser.

Gegeven dat ‘het Nederlands’ gemeenschappelijk bezit is van alle optimale taalbeheersers, gegeven voorts, dat nog niet alle verschijnselen die zich voordoen bij homonymie zijn onderzocht, en gegeven dat de grens van de gemeenschappelijkheid in de ervaringen der individuele optimale taalbeheersers nog niet kan worden vastgesteld, moet voorlopig geconstateerd worden dat het aantal semantemen waaruit ‘het Nederlands’ bestaat niet aanstonds ondubbelzinnig vaststelbaar is. Dat neemt natuurlijk niet weg, dat er een begin gemaakt kan worden met een opsomming. Immers er is een minimum en een maximum waartussen het aantal semantemen kan worden ingesloten. Indien men zich stelt op het standpunt van de taalbeschouwer die met homonymie nog geen rekening houdt, omdat dit terrein zijns inziens nog te ontginnen valt, maar die zich uitsluitend baseert op de vormidentiteit der in Van Dale aanwezige vormexemplaren, dan verkrijgt men het minimum aantal op te sommen taalvormen. Hier wordt uitgegaan van de vorm als eenheid, terwijl de betekeniseenheid nog als problematisch wordt beschouwd. Er is eenvoudig sprake van de kleinste isoleerbare1 vormen die, waarneembaar gemaakt, de taalbeheerser met ‘betekenis’ confronteren, afgezien van de eenheidsfactor in de betekenis. In de minimumopsomming wordt geen enkele vorm meer dan één maal gegeven2.

Een aantal vormen groter dan het minimum verkrijgt men, indien men homonymie verdisconteert. Ook al is dit verschijnsel nog in vele

[p. 41]

facetten ononderzocht, er zijn vormen waarvan de homonymie evident is, b.v. de vormen die bij Van Dale in meer dan één lemma worden behandeld. Men kan, in een weer grotere opsomming, met de cijfers (Romeinse en eventueel Arabische) van Van Dale rekening houden, en de vorm waarneembaar maken zoveel malen als deze behandeld wordt (aangegeven door die cijfers). Bij de maximum-opsomming zou, gezien het nog niet begrensd zijn van ‘het’ homoniem, in elk geval elk lemma dat bij Van Dale behandeld wordt, waarneembaar moeten worden gemaakt. Men zou naar aanleiding van :kameelachtig: zowel :kameel: als :achtig: als :kameelachtig: moeten vermelden. Voor de homonymie van zulke tekens als :achtig: geeft Van Dale geen enkele aanwijzing. Is er in | jij speelt | sprake van hetzelfde teken | t | als in | hij speelt |? De taalbeschouwer verkeert hieromtrent in twijfel, welke twijfel in het voordeel van het maximum of van het minimum kan worden uitgelegd. In het eerste geval wordt :t: meer dan éénmaal gegeven, in het laatste éénmaal. Er zijn lemmavormen te over waarbinnen :t: te onderscheiden valt, zonder dat de taalbeschouwer ook maar de minste twijfel ondervindt of hij op grond van die vorm :t: nog eens waarneembaar moet maken (vgl. | pot | of | mat |), zodat ook aan dit maximum grenzen gesteld zijn; het is in elk geval per vorm nooit hoger dan het aantal malen dat een vorm bij Van Dale waarneembaar is gemaakt. Dat het aantal semantemen nog niet vastgesteld kan worden, vormt uiteraard geen belemmering voor de taalbeschouwing die o.a. ten doel heeft eigenschappen van ‘het Nederlands’, en om te beginnen van semantemen, te achterhalen. Wat overigens vastgesteld kan worden is dàt er een maximum is, dàt het een eigenschap van ‘het Nederlands’ is, dat het aantal semantemen eindig is. Wij kunnen reeds na een oppervlakkig doornemen van Van Dale zien dat de maximum-opsomming veel en veel groter wordt dan de minimum-opsomming. Een aanwijzing tot het versmallen van deze marge kan alleen gegeven worden op grond van het resultaat van een onderzoek naar de homonymie.

Vatten wij nu de hoofdpunten van ons onderzoek samen.

1.Object van deze studie is ‘het Nederlands’. Dat deze term een gangbare term is, wil zeggen dat in de ervaring van Nederlanders iets bestaat dat een specifieke en in bepaald opzicht begrensde eenheid is (‘het’ Nederlands).
2.Doel van deze studie is, in de eerste plaats vast te stellen door
[p. 42]
welke factoren die ervaring wordt bepaald, om daarna te kunnen onderzoeken welke kenmerken de eenheden bezitten die het aldus begrensde ‘Nederlands’ constitueren.
3.‘Het Nederlands’ openbaart zich in onder bepaald opzicht gelijksoortige en onder ander opzicht ongelijksoortige eenheden.
4.De gelijksoortigheid van die eenheden bestaat in het feit dat zij tekens zijn.
5.De ongelijksoortigheid bestaat in het feit dat sommige ontleedbaar, andere onontleedbaar zijn.
6.De ontleedbare taaltekens zijn oneindig in aantal.
7.De onontleedbare taaltekens (semantemen) zijn eindig in aantal en kunnen door de taalbeheerser met elkaar op bepaalde wijze tot grotere tekens (q.q. ontleedbare) worden gecombineerd.
8.Welke semantemen ‘het Nederlands’ telt is met de constatering van de eindigheid van hun aantal nog niet gegeven. In dit stadium van het onderzoek doet het aantal semantemen zich dan ook aan de taalbeschouwer voor als nog niet vaststelbaar.
9.De marge van het aantal semantemen is afhankelijk van de stand van het onderzoek naar het verschijnsel der homonymie.
10.De eindigheid van het aantal semantemen maakt dat ‘het Nederlands’ kan worden beschouwd als een geheel.

 

De uitkomst van het aldus samengevatte onderzoek luidt derhalve: ‘Het Nederlandsis een geheel van onderling combineerbare semantemen.