De grammatische functie


auteur: Frida Balk-Smit Duyzentkunst


bron: Frida Balk-Smit Duyzentkunst, De grammatische functie. Methode van grammaticale analyse, aan het Nederlands gedemonstreerd. J.B. Wolters, Groningen 1963  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 149]

IV. De grammatische functie en de grammaticale traditie

IV. 1. Semanteem, woord en morfeem.

De grammaticale analyses zoals wij in deze studie beoefenen komen niet alleen voort uit wat de grammaticale historie heeft voortgebracht, maar zijn bovendien erop gericht, bepaalde verworvenheden in die historie ons opnieuw eigen te maken en te verklaren. Wij willen trachten, gangbare grammaticale kennis te toetsen aan het geanalyseerde specifieke functionele aspect van taalgebruik.

Het is b.v. duidelijk, dat de semanteemfunctie-analyse die tot hiertoe werd voltrokken, niets anders is dan een voortzetting en uitbreiding van dàt onderdeel der grammaticale beschouwing dat men met ‘woordbenoeming’ aanduidt. Het is ook duidelijk dat de analyse, volgens de gevolgde systematiek, zich in zoverre van ‘woordbenoeming’ distantieert, dat zij expliciet van het verschijnsel semanteem uitgaat, een begrip dat, zoals onmiddellijk blijkt, geenszins identiek is met het verschijnsel woord. Al konden wij het woord in eerste instantie herkennen als een functieverschijnsel (moment van taalgebruik) en semanteem als een tekenverschijnsel (moment van taal), toch is niet elk grammatisch functionerend semanteem een ‘woord’, noch is elk ‘woord’ een grammatisch functionerend semanteem (vgl. blz. 44). Evenmin is derhalve analyse van semanteemfuncties identiek met ‘woordbenoeming’. Beide vallen evenwel wèl samen in het teken dat ons uitgangspunt vormde: | Ik zag een klein paard, Jan! |. Daaruit blijkt dat de analyse, hoewel zij niet identiek is met woordbenoeming, daar toch nauw mee samenhangt. De enige van onze semanteemanalyses die níet met woordbenoeming samenvallen zijn die van | paard | en | je | in | een paardje | (vgl. blz. 72 t/m 74). Anderzijds hadden wij bij onze laatste functiebeschrijving, die van de persoonsvorm, moeite ons strikt tot de semanteemfuncties te te beperken: ter adstructie verwezen wij naar de functie van een semanteemcombinatie (blz. 133). Ook komt het ons voor dat het, van een bepaald gezichtspunt uit beschouwd, er niet toe doet of men analyseert: | Ik zag een klein paard, Jan! | dan wel | Ik hoorde een klein paard, Jan! |, ook al hebben wij nog niet kunnen verantwoorden welk dat gezichtspunt is. Wij stellen m.a.w. het volgende: ook | hoorde | ‘noemt’ van een ‘zaak’ een binnen een bepaalde ‘soort’ vallend kenmerk als durend

[p. 150]

binnen een hetero-realis. In dat opzicht stellen wij | zag | en | hoorde | gelijk. Dat wil zeggen: zij zijn gelijk voorzover zij beschouwd worden in hun functie binnen de twee gegeven semanteemcombinaties. Voorzover de functies die weer binnen | zag |-zèlf en | hoorde |-zèlf al of niet worden vervuld, beschouwd worden, verschillen | zag | en | hoorde | evident wel van elkaar, omdat er binnen | zag | geen enkele, en binnen | hoorde | twee functies worden vervuld (door | hoor | en door | de |). Willen wij weten in welke verhouding onze analyse van semanteemfuncties staat tot de traditionele woordbenoeming, dan zullen wij moeten vaststellen in welke verhouding de semanteemfunctie staat tot datgene wat traditioneel ‘woord’ genoemd wordt. M.a.w. wij stellen in dat kader de vraag ‘Wat is een woord?’ Wij stellen die vraag uitdrukkelijk onder een bepaald opzicht, dat wij hier nader zullen expliceren. Het gaat natuurlijk niet om het opzicht waaronder Reichling heeft bestudeerd wat een ‘woord’ is, daarvoor verwijzen wij uiteraard naar ‘Het Woord’. Wij gebruiken de term ‘woord’ hier dan ook niet specifiek-linguïstisch; pas na een analyse zullen wij ‘woord’ als vakterm gebruiken. Wij bedoelen met onze vraag het volgende. Welke eigenschappen bezitten de tekens die traditioneel ‘woord’ worden genoemd, in grammatisch-functioneel opzicht? ‘Grammatisch-functioneel opzicht’ vatten wij zo ruim mogelijk op, het heeft namelijk betrekking op:

1egrammatische functies voorzover door een ‘woord’ binnen een semanteemcombinatie vervuld;
2egrammatische functies voorzover binnen een ‘woord’ vervuld;
3egrammatische functies voorzover door een ‘woord’ vervulbaar.

Het sub 3e genoemde is van een andere orde dan het sub 1e en 2e genoemde: bij 3e gaat het om taaltekens als zodanig, bij 1e en 2e om taaltekens voorzover zij functies vervullen resp. voorzover erbinnen functies vervuld worden door kleinere tekens. Dat komt doordat in de traditionele grammaticale terminologie het onderscheid tussen taalmoment en taalgebruiksmoment niet konsekwent wordt gemaakt: men zegt ‘| boom | is een woord’, maar men zegt ook‘ | boomtop | is één woord’ (en niet: ‘twee woorden’). Wij zullen ons eerst met de sub 1e en 2e genoemde functies bezighouden, en daarvan eerst met de sub 1e genoemde.

Uiteraard moet voor de beoogde analyse een ‘woord’ in oppositie gesteld worden tot een ‘niet-woord’. Nu zijn er in de traditionele grammatica talrijke verschijnselen die als iets anders dan ‘woord’ bekend

[p. 151]

staan en elk met een eigen term worden aangeduid: ‘zin’, ‘woorddeel’, ‘zinsdeel’, om enkele te noemen. Omdat wij, systematisch, moesten uitgaan van semantemen, kiezen wij als eerste oppositiepaar:

a.het semanteem dat een zodanige grammatische functie vervult dat het volgens de grammaticale traditie een ‘woord’ is;
b.het semanteem dat een zodanige grammatische functie vervult, dat het volgens de grammaticale traditie geen ‘woord’ is.

In de bovenstaande oppositie wordt, krachtens de grammaticale traditie, derhalve als ‘woord’ beschouwd: een semanteem dat in een gegeven semanteemcombinatie een bepaald soort functie vervult. Wij zullen in zo'n geval spreken van een woord-functie. De oppositie kan nu worden samengevat als die tussen:

a.het semanteem dat een ‘woord’-functie vervult, en
b.het semanteem dat een niet-‘woord’-functie vervult.

Een semanteem dat een niet-‘woord’-functie vervult valt samen met wat de traditionele grammatica noemt een ‘woorddeel’. Voorbeelden van een woorddeel zijn | paard | en je | in | een paardje |. De term ‘woorddeel’ is op dit ogenblik praematuur, aangezien daarin meer tot uitdrukking komt dan er in onze probleemstelling aan de orde is; wij weten slechts dat | paard | noch | je | in | een paardje | ‘woord’ zijn. In hoeverre zij de positieve eigenschap bezitten, iets dat wèl ‘woord’ is, te constitueren, zullen wij methodisch vooralsnog buiten beschouwing laten. Wij vervangen de term ‘woorddeel’ daarom door ‘morfeem’. Wij noemen dus zowel | paard | als | je | een ‘morfeem’ en niet, zoals te doen gebruikelijk is, alleen | je |. Wij noemen | paard | en | je | slechts ‘morfemen’ voorzover zij binnen het gegeven taalteken | een paardje | functioneren. Als wij willen aangeven dat het gaat om | paard | resp. | je | voorzover deze semantemen functioneren binnen | een paardje |, noteren wij: | paard- | en | -je |. Elk semanteem dat niet als ‘woord’ functioneert noemen wij een morfeem. Evenals een ‘woord’ beschouwen wij dus een ‘morfeem’ uitsluitend als een functionerend teken, wij spreken dan ook van een morfeemfunctie. Het eerste oppositiepaar bij ons onderzoek naar het ‘woord’ is dus, nu voor het laatst samengevat:

a.het semanteem dat een ‘woord’-functie vervult;
b.het semanteem dat een ‘morfeem’-functie vervult.

Als representanten van het sub a genoemde semanteem gelden de zes semantemen die binnen | Ik zag een klein paard, Jan! | functioneren en

[p. 152]

als zodanig door ons werden bestudeerd. Als representanten van het sub b genoemde semanteem gelden de semantemen | paard- | en | je |. Wij kunnen ons probleem daarom concretiseren tot: waarin verschillen de functies vervuld door | ik |, | zag |, | een |, | klein |, | paard | en | Jan | in | Ik zag een klein paard, Jan! | van die van | paard- | en | -je | in | een paardje |? Of, nog nader gespecificeerd: waarin verschilt de functie van het zelfstandig naamwoord | paard | van die van | paard- |, en die van het bijvoegelijk naamwoord | klein | van die van | -je |? Deze vraag wordt gesteld met de tendentie, dat het antwoord erop ook als antwoord kan gelden op de vraag: waarin verschilt een ‘woord’-functie van een ‘morfeem’-functie? Bepaalde verschillen tussen de twee functies van | paard | hebben wij al beschreven (blz. 72 t/m 74) zonder dat die beschrijving een rechtstreeks antwoord vormt op de vraag naar het verschil tussen een ‘woord’ en een ‘morfeem’. Het onderzoek naar dat verschil is evenwel met de vroegere resultaten toch al enigszins gevorderd; wij zullen daarom van die resultaten uitgaan. Zij luiden (samengevat) als volgt.

a.De genoemdheid van | paard | in | een klein paard | is: een ‘zaak’ onder zijn ‘soortelijk’ aspect. D.w.z. de ‘zaak’ wordt rechtstreeks binnen de ‘“paard”’-eenheid ‘gedacht’ (zelfstandignaamwoordsfunctie).
b.De genoemdheid van | paard- | in | een paardje | is: de ‘oorspronkelijke soort’ waarvan de ‘soort’ waarbinnen een ‘zaak’ valt, is afgeleid. D.w.z. de ‘zaak’ wordt niet rechtstreeks binnen de ‘“paard”’-eenheid ‘gedacht’; wat rechtstreeks binnen de ‘“paard”’-eenheid ‘gedacht’ wordt is geen ‘zaak’ (originalisfunctie).
Van evenveel belang als beide genoemde punten is voor ons onderzoek de functie van | klein | in | een klein paard | tegenover die van | -je | in | een paardje |: | klein | immers functioneert als ‘woord’ en | -je | als ‘morfeem’. Wij vervolgen dus de serie.
c.De genoemdheid van | klein | in | een klein paard | is: een kenmerk dat is toegevoegd aan de ‘soortelijke’ kenmerken van een ‘zaak’ (bijvoegelijknaamwoordsfunctie).
d.De genoemdheid van | -je | in | een paardje | is: datgene waarin de afgeleide ‘soort’ waarbinnen een ‘zaak’ valt, zich van de oorspronkelijke ‘soort’ onderscheidt (diminutieffunctie).

Eén verschil tussen de functie van | paard | in | een klein paard | en

[p. 153]

die in | een paardje | is in elk geval dit: in | een klein paard | is de functie niet van enige andere daar vervulde functie afhankelijk. M.a.w. de zelfstandignaamwoordsfunctie kan vervuld worden zonder dat de bijvoegelijknaamwoordsfunctie of de distinctieve functie wordt vervuld en zonder dat de genoemdheid van een bijvoegelijk naamwoord of een distinctivum wordt ondersteld (zoals b.v. blijkt uit | hup paard! |); in | een paardje | daarentegen is de functie van | paard- | wèl afhankelijk van een vervulde functie, met name van die van | -je |. De originalisfunctie kan niet vervuld worden zonder dat de diminutieffunctie wordt vervuld of de genoemdvan een diminutief wordt ondersteld. Deze vergelijking wijst uit dat genoemde ‘woord’-functie onafhankelijk is en genoemde ‘morfeem’-functie afhankelijk. Dit verschil is niet representatief voor het verschil tussen een ‘woord’ en een ‘morfeem’ in het algemeen, hetgeen blijkt bij beschouwing van de ‘woord’-functie bijvoegelijk naamwoord: | klein | vervult in | een klein paard | een afhankelijke functie en is nochtans ‘woord’. Een ‘woord’-functie derhalve is niet per se onafhankelijk, een ‘morfeem’-functie daarentegen is per se afhankelijk. Het ziet er dus naar uit, dat het verschil tussen ‘woord’ en ‘morfeem’ iets te maken heeft met de aard of de mate van de afhankelijkheid der beide functies. Als we in die richting zoeken valt ons in de eerste plaats dit op: niet iedere ‘woord’-functie onderstelt het vervuld zijn van een bepaalde andere ‘woord’-functie; maar iedere ‘morfeem’-functie onderstelt het vervuld zijn van een bepaalde andere ‘morfeem’-functie. M.a.w.: een ‘morfeem’ functioneert als zodanig nooit alleen, men treft er altijd tenminste twee aan (hetzij beide expliciet, hetzij één van beide als ondersteld); een ‘woord’ functioneert als zodanig in sommige gevallen wèl alleen, men treft soms één ‘woord’ aan zonder dat enig ander ‘woord’ is ondersteld, zoals b.v. het geval is wanneer men iemand begroet met | vriend! |, of bij een gebiedende wijs | Loop! |.

Om nader inzicht te verkrijgen in de oppositie ‘woord’ / ‘morfeem’ moeten wij niet alleen in | een klein paard | en in | een paardje | vergelijken: | paard | met | paard- | en | klein | met | -je |, maar vooral: de verhouding tussen | klein | en | paard | met de verhouding tussen | paard- | en | -je |. Het volgende blijkt nu.

1.De functieverhouding tussen | klein | en | paard | is er één van eenzijdige afhankelijkheid: het bijvoegelijk naamwoord (| klein |) onderstelt een zelfstandig naamwoord (| paard |); het zelfstandig
[p. 154]
naamwoord onderstelt evenwel niet een bijvoeglijk naamwoord.
2.De functieverhouding tussen | paard- | en | -je | is er één van wederkerige afhankelijkheid: de originalis (| paard- |) onderstelt een diminutief (| -je |), en een diminutief onderstelt een originalis. Dat de functie van | paard- | en | -je | de functie van elkaar over en weer onderstellen vindt zijn oorzaak in het feit dat beide de functie van | paardje |, d.w.z. van de semanteemcombinatie waarbinnen zij functioneren, onderstellen. Daarentegen onderstelt de functie van | klein | wel die van | paard |, maar niet omgekeerd, zodat alleen die van | klein | het gecombineerd zijn met die van | paard | onderstelt.

Wij kennen dus nu van de semanteemfuncties drie categorieën: de zelfstandige functies (b.v. zelfstandig naamwoord), de eenzijdig afhankelijke functies (b.v. bijvoegelijk naamwoord), en de wederkerig afhankelijke functies (b.v. originalis en diminutief). In de bovenstaande vergelijking wordt onder ‘woord’ verstaan: semanteem dat een ‘woord’-functie vervult en onder ‘morfeem’: semanteem dat een ‘morfeem’-functie vervult. Wij negeren dus voorlopig het feit dat gewoonlijk ook semanteemcombinaties in bepaalde gevallen als ‘woord’ beschouwd kunnen worden (| onvoorzichtig | in | Wees niet onvoorzichtig! | b.v.) dan wel als ‘morfeem’ (| onvoorzichtig | in | Bega geen onvoorzichtigheid! | b.v.). Met de aldus beperkte interpretatie van de termen ‘woord’ en ‘morfeem’ zijn wij nu over de twee met die termen aangeduide, aan elkaar geopponeerde verschijnselen enige algemene kenmerken op het spoor gekomen. In de eerste plaats weten wij dat bij de beschrijving van de aard van het verschil uitgegaan moet worden van een functieverhouding, dus van een combinatie van tenminste twee ‘woorden’ resp. van tenminste twee ‘morfemen’.

De geopponeerde termen ‘woord’ en ‘morfeem’ gebruiken wij op grond van het voorafgaande, indien er van bepaalde verschijnselen sprake is, namelijk als volgt. Twee semantemen die binnen een gegeven semanteemcombinatie twee wederkerig afhankelijke semanteemfuncties vervullen, zijn ieder ‘morfeem’. Twee semantemen die binnen een gegeven semanteemcombinatie twee niet wederkerig afhankelijke semanteemfuncties vervullen, zijn iederwoord’. Een morfeemfunctie is gebonden zowel in het onderstellen van een bepaalde andere functie als in het ondersteld worden dóór die bepaalde andere functie; zij is volledig gebonden; een woordfunctie is gebonden hetzij in het onderstellen van een bepaalde

[p. 155]

andere functie, hetzij in het ondersteld worden door een bepaalde andere functie; zij is niet volledig gebonden. Kortheidshalve duiden wij deze tegenstelling aan met de termen gebonden en vrij. Samengevat:

Een gebonden semanteemfunctie is een morfeemfunctie. Een vrije semanteemfunctie is een woordfunctie.

IV. 2. Woordbenoeming en zinsontleding.

Het hiervóór aangevangen onderzoek naar de grammatisch-functionele eigenschappen van het ‘woord’ bleek dáárom noodzakelijk, omdat wij de plaats van de semanteemfunctie-analyses ten opzichte van de grammaticale traditie wilden bepalen. Die plaatsbepaling bestaat immers voor een belangrijk deel in het vaststellen van de verhouding tussen genoemde analyses en dat wat traditioneel ‘woordbenoeming’ heet. De oppositie woord/morfeem leerden wij nog niet nader kennen dan als een oppositie, berustende op een verschil in mate en aard van de afhankelijkheid van twee soorten semanteemfuncties. Wat moet onder ‘semanteemfunctie’ verstaan worden? Het antwoord lijkt eenvoudig: ‘grammatische functie, vervuld door een semanteem’. Uit onze analyses van de functies in | Ik zag een klein paard, Jan! | is duidelijk geworden wat het zeggen wil dat een semanteem ‘grammatisch functioneert’. Wij hebben dit ‘grammatisch functioneren’ samengevat als het binnen de betekeniseenheid van een semanteem op een bepaalde wijze te kennen gegeven worden van een genoemdheid. De functies waar wij van uit gingen vallen samen met één zeer bepaald soort van functies, namelijk die welke ook het object zijn van de traditionele woordbenoeming. Voor elk van die functies konden wij dan ook aanknopen aan bestaande opvattingen en termen uit die woordbenoeming. De functie der door ons bestudeerde morfemen in | een paardje | behoort niet tot de woordbenoeming. Het classificeren van morfeemfuncties is zelfs iets dat als zodanig in de traditionele schoolgrammatica niet bedreven wordt. Weliswaar zijn daarin de morfemen van andere taalverschijnselen onderscheiden, maar zij worden, in tegenstelling tot woorden, niet in hun verschillende functies onderkend (zij worden niet ‘benoemd’). Gezien het feit dat wij ook de morfeemfunctie als een bepaald soort van semanteemfunctie konden beschouwen en twee morfeemfuncties analyseerden, kennen wij nu een punt waarop onze functie-analyse van de woordbenoeming afwijkt. Wat wij nog niet vaststelden is, waarin de analyses die

[p. 156]

wèl samenvallen met de woordbenoeming, met die woordbenoeming overeenkomen. Willen wij onder dit aspect vaststellen welke plaats onze studie ten opzichte van de traditie inneemt, dan is het niet voldoende, ons onderzoek te toetsen aan de woordbenoeming alléén, omdat woordfuncties niet de enige door semantemen vervulde grammatische functies zijn die men in de linguïstiek kent. Nogmaals: het vervullen van een grammatische functie voorzover het semantemen betreft, leerden wij kennen als het binnen de betekeniseenheid van een semanteem op een bepaalde wijze ‘gedacht’ worden van een genoemdheid; d.w.z. voor een grammatische functie is één bepaalde wijze van ‘gedacht’-worden kenmerkend. Houden wij ons aan deze beschrijving van ‘grammatisch functioneren’, dan is de woordbenoeming niet het enige onderdeel der traditionele grammatica dat grammatische functies als object heeft, maar dan is dat evenzeer het geval met de traditionele zinsontleding.

Met deze constatering zijn wij op een punt gekomen dat het noodzakelijk maakt, ons opnieuw op onze werkwijze te bezinnen. Wij begonnen ons onderzoek met als voornaamste uitgangspunt dat wij (‘de lezers en ik’) ‘het Nederlands als onze moedertaal beheersen’. In de argumentatie deden wij dus uitsluitend een beroep op taalbezit. In de gang van het betoog bleek geleidelijk aan het beroep op taalbezit hand in hand te gaan met een beroep op een elementaire grammaticale kennis, die samenvalt met het vermogen, grammatische functies te onderscheiden. Het grammaticaal onderzoek van ‘het Nederlands’ dat alleen van het ‘onbevangen’ uitgangspunt taalbezit gebruik maakte, blijkt voor een groot deel terecht te komen bij categorieën die elke gangbare schoolgrammatica op een of andere wijze behandelt. In plaats van onbevangen te zijn blijken wij allen een soort van schoolgrammaticaal vooroordeel tebezitten. Theoretisch kan men dit als een argument tegen de ‘onbevangenheid’ beschouwen. Wij vatten het echter op als een argument vóór de schoolgrammatica. Het feit alleen al dat de voornaamste categorieën der schoolgrammatica voor wèrkelijk onbevangenen, namelijk schoolkinderen, aanvaard kunnen worden, en dat bepaalde grammaticale regels toegepast kunnen worden op als zodanig nog niet gekende gevallen van taalgebruik (het ontleden van nieuwe zinnen), maakt het aannemelijk dat schoolgrammaticale opvattingen niet per se vooroordelen, maar in vele gevallen onbevangen oordelen vertegenwoordigen. Daarom zullen wij niet nalaten ook het andere gedeelte der grammatica aan een

[p. 157]

beschouwing te onderwerpen, althans voorzover dat aan het gedeelte woordbenoeming is geopponeerd: de zinsontleding.

De zinsontleding wordt in de gangbare grammatica's in één adem genoemd met de woordbenoeming; dat niet alleen: ook wordt in de zinsontleding een beroep gedaan op ‘woordsoorten’. De vraag is nu in hoeverre de samenhang en het verschil tussen zinsontleding en woordbenoeming op het grammatisch-functionele aspect berusten.

Ook in de zinsontleding is sprake van het onderscheiden van grammatische functies, welke tot in de hedendaagse linguïstiek als bestaand worden aanvaard. Geen taalbeschouwer twijfelt er b.v. aan of binnen | Ik zag een klein paard, Jan! | zijn de volgende zinsdelen te onderscheiden:

| ik | = onderwerp;

| zag | = (werkwoordelijk) gezegde;

| een klein paard | = lijdend voorwerp;

| klein | = bijvoegelijke bepaling bij | paard |;

| Jan | = aangesproken persoon.

Uit deze ontleding blijkt het volgende.

1eOnze semanteemfunctie-analyse heeft andere functies als uitgangspunt dan die der zinsontleding.
2eIn de zinsontleding houdt men zich bezig met eenheden die ‘woord’ zijn (b.v. | ik | en | zag |), en met eenheden die niet ‘woord’ zijn (b.v. | een klein paard |).
3eUit het sub 2e genoemde volgt dat de zinsontleding, voorzover zij zich met ‘woorden’ bezighoudt, deze woorden onder een ander aspect kan beschouwen dan dat waaronder zij in de woordbenoeming worden beschouwd.

Leek het aanvankelijk mogelijk, de semanteemfunctie eenvoudig te omschrijven als ‘grammatische functie vervuld door een semanteem’, thans zullen wij een andere omschrijving moeten geven van datgene wat wij in de analyses als ‘semanteemfuncties’ leerden kennen. Immers: als gegeven voor de analyse onderscheidden wij de functie van b.v. het semanteem | ik | in | Ik zag een klein paard, Jan! |, die wij later, in aansluiting aan de traditionele terminologie, zelfstandig-voornaamwoordsfunctie noemden. In de bovenstaande zinsontleding onderscheidden wij evenwel als gegeven voor een - andersoortige - analyse óók een functie van het semanteem | ik | in | Ik zag een klein paard, Jan! |, welke wij, in aansluiting aan de traditionele terminologie, de onderwerpsfunctie noemen.

[p. 158]

(Een semanteem dat deze functie vervult noemen wij bijgevolg een ‘onderwerp’.) Evenzo onderscheiden wij nu | zag | als persoonsvorm èn als gezegde, | klein | als bijvoegelijk naamwoord èn als bijvoegelijke bepaling, | Jan | als eigennaam èn als aangesproken persoon. De grammatische functies, voorzover object van de woordbenoeming, zullen wij ‘woordsoortfuncties’ noemen, en voorzover object van de zinsontleding, ‘syntactische functies’ (zulks ook weer in aansluiting aan de gangbare terminologie). Wij zullen nagaan in hoeverre er in onze analyse van elk van beide beschouwingswijzen sprake is.

IV. 3. Woordsoortelijke functie en syntactische functie.

Om de functie-analyses onder het grammatisch-functionele aspect in het kader van de grammaticale traditie te kunnen plaatsen, zullen wij de functies zodanig moeten analyseren dat het mogelijk wordt een inzicht te verkrijgen in het verschil tussen woordsoortfuncties en syntactische functies. Wij moeten daartoe een analyse van woordsoortfuncties, door semantemen vervuld, in oppositie stellen tot een analyse van de syntactische functies, door diezelfde semantemen vervuld. Binnen het teken dat ons uitgangspunt is | Ik zag een klein paard, Jan! |, zullen wij daarom de woordsoortfunctie in oppositie tot de syntactische functie bestuderen van achtereenvolgens | ik |, | zag |, | klein | en | Jan |.

De functie van | ik | in | Ik zag een klein paard, Jan! | bestaat, zoals bleek, in het ‘noemenvan eenzaakonder zijn uniek aspect’. Wij noemden | ik | hier een zelfstandig voornaamwoord; deze term hoort geheel thuis in de woordsoortenbenoeming, en duidt een verschijnsel aan dat eveneens voor honderd procent in de woordsoortenbenoeming thuishoort: ieder semanteem dat een ‘zaak’ ‘noemt’ onder zijn uniek aspect kan volgens de heersende grammaticale gewoontes zonder bezwaar aangeduid worden als een zelfstandig voornaamwoord. Onze analyse betrof derhalve een verschijnsel dat in de traditionele grammatica ongenoemd object is van de woordsoortenbenoeming, d.w.z. een woordsoortfunctie. Wàt impliceert het nu, als wij datzelfde | ik | een onderwerp noemen? Het is niet zo, dat ieder zelfstandig voornaamwoord tegelijkertijd ‘onderwerp’ is; in | Het kleine paard zag mij. | b.v. is | mij | een zelfstandig voornaamwoord en geen onderwerp, maar lijdend voorwerp. Stellen wij genoemd ‘onderwerp’ in oppositie tot genoemd ‘lijdend voorwerp’, dan stuiten wij in elk geval op dit verschil:

[p. 159]
a.het ‘onderwerp’ is een semanteem dat een ‘zaak’ ‘noemt’ als iets van waar uit het door een persoonsvorm ‘genoemde’ binnen een bepaalde ‘werkelijkheid’ durende kenmerk zich voltrekt;
b.het ‘lijdend voorwerp’ kunnen wij, in oppositie, slechts negatief beschrijven als een semanteem dat een ‘zaak’ ‘noemt’ als iets van waar uit het door een persoonsvorm ‘genoemde’ binnen een bepaalde ‘werkelijkheid’ durende kenmerk zich níet voltrekt. Wij hebben nu tegenover elkaar:
1.het ‘noemen’ van een ‘zaak’ onder zijn uniek aspect, een woordsoortfunctie, en:
2.het ‘noemen’ van een ‘zaak’ als iets van waar uit het door de persoonsvorm ‘genoemde’, binnen een bepaalde ‘werkelijkheid’ durende kenmerk zich voltrekt, een syntactische functie.

De functie van | zag | in | Ik zag een klein paard, Jan! | bestaat, zoals bleek, in het ‘noemen’ van een binnen een bepaaldewerkelijkheiddurend kenmerk van eenzaak’. Wij noemden | zag | een persoonsvorm; deze term vindt men als enige zowel in de woordbenoeming als in de zinsontleding; ieder semanteem dat zo'n durend kenmerk ‘noemt’ kan in beide grammatica-onderdelen met de term ‘persoonsvorm’ worden aangeduid. Anders is het met de term ‘gezegde’: deze is strikt beperkt tot de zinsontleding. Anders ook dan bij zelfstandig voornaamwoord en onderwerp is er wèl een samenhang tussen persoonsvorm en gezegde, en wel in zoverre dat ieder semanteem dat volgens de zinsontleding een gezegde is, altijd een persoonsvorm is. Zoals de term ‘gezegde’ exclusief in de zinsontleding thuishoort, zullen wij de term ‘persoonsvorm’ reserveren voor de woordsoortenbenoeming; dan handelen wij in overeenstemming met de traditie, mits wij onder ‘persoonsvorm’ niets anders verstaan dan de door elke taalbeschouwer gekende categorie vervoegde werkwoordsvorm. (Wij zien dus af van het verschijnsel der zgn. ‘congruentie’ met een ‘grammaticale persoon’.) Wat wij moeten vaststellen is:

a.Onder welk aspect beschouwen wij | zag | in | Ik zag een klein paard, Jan! | als wij zeggen dat het een persoonsvorm is?
b.Onder welk aspect beschouwen wij | zag | in | Ik zag een klein paard, Jan! | als wij zeggen dat het een gezegde is?

Ad a.

Met de term ‘persoonsvorm’ (waaronder wij, zoals gezegd, verstaan

[p. 160]

‘vervoegde werkwoordsvorm’) wordt de nadruk gelegd op het, in de woordsoortenbenoeming thuishorend verschijnsel, dat wij te maken hebben met een werkwoord. Hiervóór (blz. 116) kwam ter sprake in welke richting de traditionele grammatica het werkwoord benadert; men maakt bij voorkeur gebruik van de termen ‘handeling’, ‘werking’ en ‘tijd’. Deze hebben betrekking op dát moment van de grammatische functie dat wij beschreven als het ‘noemen’ van een genoemdheid die ‘binnen een bepaalde “werkelijkheid” duurt’.

Ad b.

Met de term ‘gezegde’ doelt men niet in de eerste plaats op het ‘noemen’ van iets dat binnen een ‘werkelijkheid’ duurt-als zodanig, maar in het bijzonder op het feit dat die genoemdheid iets is dat uitsluitend aan een ‘zaak’ ervaren wordt; het gaat er niet alleen om dat het kenmerk-zelf van een binnen een ‘werkelijkheid’ durend karakter is, maar vooral dat, gegeven dat kenmerk, de ‘zaak’ waaraan het ervaren wordt, nu ook indirect te kennen gegeven wordt als zich durend bevindend binnen die bepaalde ‘werkelijkheid’ (vgl. de formulering van Hellinga, blz. 116).

Tegenover elkaar hebben wij nu:

1.Het ‘noemen’ van een genoemdheid als durend binnen een bepaaldewerkelijkheid’, een woordsoortfunctie, en:
2.Het ‘noemen’ van een binnen een bepaalde ‘werkelijkheid’ durende genoemdheid als ervaren aan een ‘zaak’, welke bijgevolg impliciet te kennen gegeven wordt als durend zich bevindend binnen die bepaaldewerkelijkheid’, een syntactische functie.

 

Bij onze beschrijving van de functie van | klein | in | Ik zag een klein paard, Jan! | kwam in twee opzichten het ‘soortelijke’ ter sprake. In de eerste plaats is de genoemdheid ‘genoemd’ binnen een (thans als ruimtelijk-bepaald onderkende) ‘soort’. Voorts is die genoemdheid zelf een (toegevoegd) ‘soortelijk’ kenmerk van een ‘zaak’. Als wij pogen uit te maken, in hoeverre deze twee onderscheiden wijzen van functioneren aansluiten bij het functionele onderscheid tussen de woordsoortbenoeming en de syntactische benoeming die men op | klein | pleegt toe te passen, komen wij tot de volgende conclusie. De woordsoortbenoeming duidt | klein | aan met de term ‘bijvoegelijk naamwoord’, de zinsont-

[p. 161]

leding met ‘bijvoegelijke bepaling’. In beide gevallen komt de ‘bijvoegelijkheid’ tot uitdrukking, een term die wij niet anders kunnen interpreteren dan als betrekking hebbend op wat wij noemen het aan ‘soortelijke’ kenmerken van een ‘zaak’ toegevoegd zijn van de genoemdheid. Het verschil ligt in het feit dat in het eerste geval gesproken wordt van een ‘naamwoord’ en in het tweede van een ‘bepaling’. De term ‘naamwoord’ treffen wij ook aan in ‘zelfstandig naamwoord’; zowel bij dit laatste als bij het ‘bijvoegelijk naamwoord’ gaat het om de ‘naam’ van iets, d.w.z. om de naam van de ‘soort’ waaronder de genoemdheid valt. Met de aanduiding ‘bijvoegelijk naamwoord’ wordt derhalve de nadruk gelegd op het feit dat de genoemdheid ‘genoemd’ wordt onder haar eigen ‘soortelijk’ aspect.

De benoeming ‘bijvoegelijke bepaling’ treft men vaak aan met de uitbreiding: waarbij iets een bepaling is; hier: ‘bijvoegelijke bepaling bij | paard |’. Maar ook zonder die expliciete aanduiding gebruikt men in de traditionele grammatica de term ‘bepaling’ altijd met de impliciete vooronderstelling dat er een àndere genoemdheid is (dan die van de bepaling-zelf), welke door de genoemdheid van de bepaling nader wordt bepaald; d.w.z. nader dan het bepaald is door een teken dat de genoemdheid rechtstreeks ‘noemt’, zoals in ons geval het teken | paard |. Wij onderscheiden dus voor | klein | in | Ik zag een klein paard, Jan! |:

1ehet ‘noemen’ van een genoemdheid onder zijnsoortelijkaspect, een woordsoortfunctie, en:
2ehet ‘noemen’ van een genoemdheid als een toegevoegdsoortelijkkenmerk van een onder zijnsoortelijkaspectgenoemde’ ‘zaak’, een syntactische functie.

 

De functie van | Jan | in | Ik zag een klein paard, Jan! | beschreven wij als het ‘“noemen” van een “zaak” onder zijn individueel aspect’, en wij duidden haar aan met de term ‘eigennaamsfunctie’. De eigennaamsfunctie gaat niet per se samen met die van ‘aangesproken persoon’, noch omgekeerd, zoals b.v. blijkt uit het taalteken: | Jan zag een klein paard, kind! |. De genoemdheid van datgene wat men in de zinsontleding met ‘aangesproken persoon’ aanduidt is dus een ‘zaak’ die zowel onder zijn individueel als onder zijn ‘soortelijk’ aspect (| kind |) ‘genoemd’ kan worden. Wat impliceert het nu als een semanteem een ‘aangesproken persoon’ is? Speciaal bij het kritisch beschouwen van deze term blijkt,

[p. 162]

dat de traditionele grammatica niet consequent rekening houdt met het verschil tussen teken en genoemdheid. In het algemeen hebben de woordsoortelijke termen betrekking op tekens (lidwoord, zelfstandig naamwoord, etc.) en de syntactische termen op genoemdheden (onderwerp, lijdend voorwerp, etc.). Wij zullen echter met al deze termen naar een op een bepaalde wijze functionerend taalteken verwijzen, ook met ‘aangesproken persoon’. De ‘aangesproken persoon’ dan, is dàt semanteem dat een ‘zaak’ ‘noemt’ als: in staat zijnde tot kennisname van de waarneembaar gemaakte vorm van het taalteken waarbinnen dat semanteem functioneert, d.w.z. als de ten opzichte van dat taalteken passieve taalgebruiker. De genoemdheid is inderdaad een ‘persoon’, in zoverre, dat het kennisnemen van taaltekens menselijke eigenschappen onderstelt. Natuurlijk kan deze functie disjunct gebruikt worden: een aangesproken persoon kan betrokken worden op iets dat - niet-linguaal gezien - geen persoon is, maar b.v. een dier of een ding, vgl.: | Spiegel, om uwentwil // verdubbelt dit heelal; |. In dit geval wordt de spiegel, nietlinguaal gezien geen persoon, te kennen gegeven als kunnende kennisnemen van het teken | Spiegel, om uwentwil // verdubbelt dit heelal; |, hetgeen enige specifiek-menselijke eigenschappen onderstelt. Bij de functie ‘aangesproken persoon’ is altijd sprake van het als taalbeheerser kunnen kennisnemen van tenminste één semanteem, namelijk dat wat de aangesproken-persoons-functie vervult.

Wat nu de grammatische functie van | Jan | in | Ik zag een klein paard, Jan! | betreft kunnen wij tegenover elkaar stellen:

1ehet ‘noemen’ van een ‘zaak’ onder zijn individueel aspect, een woordsoortfunctie, en:
2ehet ‘noemen’ van een ‘zaak’ als passieve taalgebruiker ten opzichte van één of meer bepaalde semantemen, een syntactische functie.

 

Overzien wij de geanalyseerde woordsoortfuncties en syntactische functies, dan stellen wij het volgende verschil vast.

a.De woordsoortfuncties hebben betrekking op de genoemdheden voorzover deze, afgezien van andere genoemdheden, te kennen gegeven worden.
b.De syntactische functies hebben betrekking op de genoemdheden voorzover zij, in hun verhouding tot andere genoemdheden, te kennen gegeven worden.
[p. 163]

In de analyse van semanteemfuncties kwam in twee gevallen reeds zowel het woordsoortelijke als het syntactische moment tot uitdrukking, met name bij | zag | en bij | klein |. (Voorzover ‘syntactisch’ inderdaad wil zeggen ‘gezien de verhouding tot andere genoemdheden’ kwam het syntactisch moment eveneens tot uitdrukking bij de analyse van | een |. Het is echter in de traditionele zinsontleding geen gewoonte een distinctivum te benoemen; ongeveer hetzelfde geldt, zij het in mindere mate, voor een bijvoegelijk naamwoord. Op deze uitsluiting uit de traditionele zinsontleding komen wij nog terug (blz. 164, 165.)) De gevallen waarbij in onze analyse géén sprake was van syntactische functies, | ik | en | Jan |, hebben beide betrekking op een ‘zaak’. Een ‘zaak’ is dan ook zelfstandig, d.w.z. zij wordt ‘genoemd’ als niet-ervaren aan een andere genoemdheid. Gezien het feit dat het syntactische moment juist betrekking heeft op de verhouding tot andere genoemdheden, is het kenmerkende van een ‘zaak’, d.i. haar zelfstandigheid, een woordsoortelijk moment. De ‘zaak’ door | ik | ‘genoemd’, is een zelfstandig iets, voorzover het een ‘zaak’ is. D.w.z. voorzover die ‘zaak’ bepaalde als ruimtelijk ervaren eigenschappen bezit, wordt zij niet aan enige andere genoemdheid ervaren. Voorzover echter de genoemdheid van | ik | iets is dat een binnen een ‘werkelijkheid’ durend kenmerk voortbrengt, wordt zij weliswaar niet te kennen gegeven als uitsluitend ervaren aan de genoemdheid van | zag |, maar wel uitsluitend in haar verhouding daartoe. Van welke aard is die verhouding, waarvan wij vaststelden dat zij kenmerkend is voor het syntactisch moment der grammatische functies? Stellen wij nogmaals het zelfstandig voornaamwoord in oppositie tot het onderwerp, dan constateren wij dat:

a.de zelfstandigvoornaamwoordsfunctie betrekking heeft op de genoemdheid van | ik |, voorzover deze te kennen gegeven wordt als zich bevindend binnen één van de twee dimensies van het ‘werkelijkheids’-vlak, namelijk de ruimtelijke dimensie, terwijl
b.de onderwerpsfunctie betrekking heeft op de genoemdheid van | ik |, voorzover deze in haar verhouding tot de genoemdheid van | zag | binnen (beide dimensies van) een ‘werkelijkheids’-vlak te kennen gegeven wordt.

Stellen wij nogmaals de eigennaam in oppositie tot de aangesproken persoon, dan constateren wij dat

a.de eigennaamsfunctie betrekking heeft op de genoemdheid van | Jan |,
[p. 164]
voorzover deze te kennen gegeven wordt als zich bevindend binnen één van de twee dimensies van een ‘werkelijkheids’-vlak, namelijk de ruimtelijke dimensie, terwijl
b.de aangesproken-persoons-functie betrekking heeft op de genoemdheid van | Jan |, voorzover deze in haar verhouding tot de impliciet ‘genoemde’ actieve taalgebruiker binnen (beide dimensies van) een ‘werkelijkheids’-vlak te kennen gegeven wordt.

Een verschil tussen enerzijds de genoemdheid van | Jan | en anderzijds de genoemdheden van | ik | en | zag | is, dat de genoemdheid van | Jan | binnen een andere ‘werkelijkheid’ te kennen gegeven wordt dan de genoemdheden van | ik | en | zag |. De ‘werkelijkheid’ van de | ik |-genoemdheid is die waarvan de tijdsdimensie bestaat in de tijd waarin de ‘ik’ aan het ‘zien’ is; de ‘werkelijkheid’ van de | Jan | - genoemdheid is die waarvan de tijdsdimensie bestaat in de tijd waarin de ‘ik’ taalgebruiker is t.o.v. | Ik zag een klein paard, Jan! |. In beide gevallen evenwel is, voorzover het de syntactische functies betreft, sprake van het binnen beide dimensies van eenwerkelijkheids’-vlakgenoemdworden in verhouding tot een andere genoemdheid.

Bij het onderzoek naar het verschil tussen het syntactische en het woordsoortelijke kwamen wij tot de aanvankelijke conclusie dat dit verschil gezocht moet worden in het al of niet ‘genoemd’ worden in verhouding tot andere genoemdheden. Thans echter komen wij tot het inzicht dat het typisch-syntactische zich van het typisch-woordsoortelijke op andere wijze onderscheidt, hetgeen ook blijkt in onze grammaticale gewoontes: de functie bijvoegelijke bepaling b.v. (| een klein paard |) wordt niet als een typisch syntactische functie beschouwd, ook al treft men haar aan in de zinsontleding, en ook al betreft zij een genoemdheid in haar verhouding tot een andere genoemdheid; zij is een zinsdeel dat zelf deel van een zinsdeel is, een syntactische uitzondering. De genoemdheid van een bijvoegelijke bepaling wordt in verhouding tot de andere genoemdheden binnen slechts één van de twee dimensies van het ‘werkelijkheids’-vlak te kennen gegeven, en wel binnen de ruimtelijke dimensie. De bijvoegelijke bepaling geeft een nadere specificatie te kennen van een ‘zaak’ in uitsluitend als ruimtelijk ervaren eigenschappen. Zij maakt moment uit van een eenheid, b.v. | een klein paard |, waarvan pas in de verhouding tot andere tekens b.v. | ik zag | de typisch syntactische functie wordt onderkend. Men zegt immers dat | een klein paard | in | Ik zag een klein

[p. 165]

paard, Jan! | een syntactische functie vervult, men benoemt het als lijdend voorwerp. Dat geldt niet van | ik zag |, men kan | ik zag | niet benoemen in een syntactische functie, maar men benoemt | ik | en | zag | in hun syntactische functies ten opzichte van elkaar (onderwerp en gezegde). Hieruit blijkt dat de typisch syntactische functie een ‘genoemde’ ‘werkelijkheid’ onderstelt. Daarin onderscheidt zij zich van de woordsoortelijke functie, welke slechts één van beide ‘werkelijkheids’-constituanten onderstelt.

Dat de verhouding tot andere genoemdheden niet, en de verhouding tot een ‘werkelijkheid’ wèl centraal staat bij de syntactische functie, blijkt ook uit het feit dat een zgn. gebiedende wijs | Kom! | een syntactische functie vertoont (werkwoordelijk gezegde), terwijl de andere genoemdheid impliciet aanwezig is, en niet als genoemdheid van een ànder teken als aanwezig wordt ondersteld, namelijk de passieve taalgebruiker van wie het komen wordt verlangd.

Als resultaat van ons onderzoek naar het verschil tussen de woordsoortelijke en de syntactische functies in | Ik zag een klein paard, Jan! | leggen wij ons gebruik van de termen ‘woordsoortelijk’ en ‘syntactisch’ als volgt vast:

Het ‘noemen’ van een genoemdheid voorzover deze zich bevindt binnen één ‘werkelijkheids’-constituant is een woordsoortelijke functie.

Het ‘noemen’ van een genoemdheid voorzover deze zich bevindt binnen een ‘werkelijkheid’ is een syntactische functie.

IV. 4. Morfeem, woord en syntagma van elkaar onderscheiden volgens één criterium.

In de laatste twee terminologische vastleggingen benaderden wij de grammatische functies anders dan bij het afbakenen van de termen ‘woord’ en ‘morfeem’. Wij formuleerden: ‘Een vrije functie is een woord-functie; een gebonden functie is een morfeemfunctie.’ In deze formulering geeft de mate van afhankelijkheid van de functie de doorslag. Bij de oppositie ‘syntactisch’/‘woordsoortelijk’ geeft het aspect waaronder de genoemdheden te kennen gegeven worden de doorslag. Dat de oppositie woord/morfeem van andere aard is dan de oppositie woordsoortelijk/syntactisch blijkt ook uit het feit dat één semanteem tegelijkertijd een woordsoortelijke èn een syntactische functie vervullen kan, terwijl geen enkel semanteem tegelijkertijd woord en morfeem kan zijn.

[p. 166]

Wij onderscheiden nu vier soorten functies: de woordfunctie, de morfeemfunctie, de woordsoortelijke functie en de syntactische functie. Deze onderscheiding evenwel berust op twee ongelijksoortige criteria. Kan één van beide criteria wellicht voor alle vier onderscheidingen gelden? De mate van de afhankelijkheid der functie kan dat niet, aangezien de syntactische functie even vrij is als de woordsoortelijke. Blijft slechts over: het aspect waaronder de genoemdheden te kennen gegeven worden. Beschouwen wij de woordfunctie onder dat aspect, dan blijkt zij samen te vallen met de woordsoortelijke functie, d.w.z.: een semanteem dat een woordfunctie vervult, vervult tegelijkertijd een woordsoortelijke functie en omgekeerd. Een semanteem dat een syntactische functie vervult, vervult wel tegelijkertijd een woordsoortelijke functie, maar niet omgekeerd. Het samenvallen van de woordfunctie en de woordsoortelijke functie sluit aan bij de traditie: men spreekt in beide gevallen ven een ‘woord’.

De vraag is nu of het aspect waaronder de genoemdheden te kennen gegeven worden het eensluidende criterium kan zijn voor de drie onderscheidingen: woordfunctie, morfeemfunctie en syntactische functie. Wij weten al dat dit het geval is voor woordfunctie en syntactische functie, en kunnen de vraag dus beperken tot de morfeemfunctie en onderzoeken of deze gekenmerkt wordt door het aspect waaronder de genoemdheid van een morfeem te kennen wordt gegeven. Wij keren daartoe terug naar | paard- | en |-je | in | een paardje |, en herhalen wat wij over de betreffende genoemdheden hebben vastgesteld: de genoemdheid van | paard- | is de oorspronkelijke ‘soort’ waarvan de ‘soort’ waartoe het paardje behoort is afgeleid; de genoemdheid van | -je | is datgene waardoor de afgeleide ‘soort’ zich van de oorspronkelijke ‘soort’ onderscheidt. Elk der genoemdheden is derhalve moment van de functie door | paardje | vervuld. Zij specificeren de ‘soort’ waartoe het paardje behoort, zij specificeren niet direct het paardje, maar indirect. M.a.w. zij specificeren niet een andere genoemdheid, maar zij differentiëren binnen de ‘soort’ waaronder een andere genoemdheid te kennen gegeven wordt. Tot nog toe waren de genoemdheden waarmee wij ons bezighielden een gegeven in onze ervaring die geen moment was van enig bestudeerd taalteken. Er was sprake van hetzij een als zelfstandig te kennen gegeven ervaringsmoment (de genoemdheid van | paard | in | een klein paard |), hetzij een als afhankelijk te kennen gegeven ervaringsmoment (de genoemdheid van | klein | in | een klein paard |). Deze laatste genoemdheid is een di-

[p. 167]

recte specificatie van een ‘zaak’: van het paard. De genoemdheid van | -je | in | een paardje | is niet een directe specificatie van een ‘zaak’, maar van de ‘soort’ waaronder die ‘zaak’ valt, dus een indirecte specificatie van een ‘zaak’. De genoemdheid van | klein | is een buiten het taalteken | een klein paard | ervaren gegeven, namelijk een eigenschap van de ‘genoemde’ ‘zaak’; de genoemdheid van | -je | is een binnen het taalteken | paardje | ervaren gegeven, namelijk een eigenschap van de ‘noemende’ ‘soort’. Ook de genoemdheid van | paard- | in | een paardje | is niet iets dat in directe relatie staat tot de ‘genoemde’ ‘zaak’. M.a.w. het aspect waaronder de door ons bestudeerde morfemen hun genoemdheden ‘noemen’ is: dat hun genoemdheden moment zijn van de ‘soort’ waaronder het taalteken waarbinnen die morfemen vóórkomen een (andere) genoemdheid doet vallen. Aangezien dus de genoemdheid van een morfeem van een ander ‘noemen’ moment uitmaakt, heeft het zin, de morfeemfunctie een taaltechnische1 functie te noemen: de genoemdheid is moment van het gebruikte taalteken en als zodanig slechts indirect moment van de geconstitueerde ‘werkelijkheid’. De twee andere soorten functies hebben direct betrekking op het ‘werkelijkheid’-constituerend moment der gebruikte taaltekens. Binnen de grammatische functies onderscheiden wij dus:

a.‘werkelijkheid’-constituerende functies, onderverdeeld in
1syntactische functies en
2woordsoortelijke functies;
b.taaltechnische functies.

Met als criterium het ‘werkelijkheid’-constituerend aspect waaronder

[p. 168]

een genoemdheid wordtgenoemd’ kunnen wij nu de drie soorten grammatische functies onderscheiden:

1.het ‘noemen’ van een genoemdheid voorzover zich bevindend binnen een ‘werkelijkheid’ is een syntactische functie;
2.het ‘noemen’ van een genoemdheid voorzover zich bevindend binnen een ‘werkelijkheids-’constituant is een woordfunctie;
3.het ‘noemen’ van een genoemdheid als moment van een woordfunctie is een morfeemfunctie.

In aansluiting aan de traditie leggen wij, binnen de systematiek van ons onderzoek, onze terminologie als volgt vast.

1.Een semanteem is morfeem voorzover het in een bepaald geval van taalgebruik een morfeemfunctie vervult.
2.Een semanteem is woord voorzover het in een bepaald geval van taalgebruik een woordfunctie vervult.
3.Een woord is syntagma voorzover het in een bepaald geval van taalgebruik een syntactische functie vervult.

IV. 5. Het chaotisch karakter der traditionele terminologie. Verdere vastlegging der termenwoord’, ‘syntagmaenmorfeem’.

Uit ons onderzoek is duidelijk geworden in hoeverre de grammatische functie de basis kan zijn, als het erom gaat, helderheid te verkrijgen omtrent elementaire taalkundige begrippen. Functieonderzoek zal verschijnselen kunnen blootleggen welke ten grondslag liggen aan het gebruik van grammaticale termen, dat, zodra men er zich op bezint, zo chaotisch schijnt, maar waarin toch een zekere eenheid heerst, eenheid althans in zoverre, dat er verschijnselen bestaan die de taalbeschouwers zonder aarzelen als ‘woord’, ‘woordgroep’, ‘zin’ enz. kwalificeren. Er zijn ons bepaalde criteria duidelijk geworden die in de grammaticale traditie niet expressis verbis onderscheiden worden, hetgeen de voornaamste oorzaak is van de ‘onoplosbaarheid’ van bepaalde fundamentele problemen, zoals ‘wat is een woord?’ of ‘wat is een zin?’. In de traditionele terminologie liggen namelijk verschillende en soms ook onverenigbare criteria ten grondslag aan het gebruik van éénzelfde term. Het gebruiken van één term suggereert dan dat deze term één verschijnsel ondubbelzinnig aanduidt, terwijl er in werkelijkheid van meer dan één verschijnsel sprake is. Men vindt het b.v. heel vanzelfsprekend, zonder meer te zeggen dat | geel | een ‘woord’ is. Treft men evenwel het taalteken | geelachtig |

[p. 169]

aan, dan zegt men dat het ‘hier’ géén ‘woord’ is. Dat | geel |-als-zodanig een ‘woord’ genoemd kan worden, komt doordat een kenmerkende functiemogelijkheid (die van bijvoegelijk naamwoord) een woordfunctie is; deze onderscheidt | geel | met een aantal andere semantemen van alle overige. Dat b.v. | achtig |-als-zodanig een ‘morfeem’ genoemd kan worden, komt doordat er geen woordfunctie kenmerkend is voor | achtig |, terwijl een bepaalde morfeemfunctie dit semanteem (al of niet met meer andere semantemen) van alle overige semantemen onderscheidt. Onder het opzicht van de kenmerkende functiemogelijkheid kan men | geel | een woord en | achtig | een morfeem noemen. In onze terminologie spreken wij alleen van ‘woord’ en ‘morfeem’ onder het opzicht van een in feite vervulde functie. Het gebruik van de termen doet op zichzelf niet ter zake en kan veranderd worden mits men duidelijk te verstaan geeft op welke verschijnselen de termen betrekking hebben. Men kan de term ‘woord’ gebruiken ter aanduiding van een semanteem voorzover het in een gegeven geval van taalgebruik op bepaalde wijze functioneert, maar ook ter aanduiding van een semanteem voorzover het op bepaalde wijze functioneren kàn.

Naast het criterium van de in feite vervulde functie en de kenmerkende functiemogelijkheid doet zich nog een derde criterium voor, namelijk bij het benoemen van semanteemcombinaties: het criterium van de binnen een semanteemcombinatie vervulde functies. Konden wij de woordfunctie identiek stellen met de woordsoortelijke functie zolang het semantemen betrof, indien wij het traditionele gebruik van de term ‘woord’ ook voor semanteemcombinaties willen doorgronden, moeten wij vaststellen dat die identificatie niet geldt. Wij beschreven de woordfunctie als het ‘noemen’ van een genoemdheid binnen één dimensie van een ‘werkelijkheid’. In | Ik zag een klein paard, Jan! | kan men van de semanteemcombinatie | een klein paard | vaststellen dat zij een ‘zaak’ ‘noemt’ binnen de ruimtelijke ‘werkelijkheids’-dimensie (één-dimensionaal) èn binnen het ‘werkelijkheids’-vlak (twee-dimensionaal). Tòch noemt men | een klein paard | niet een woord, maar een ‘woordgroep, uit drie woorden bestaand’; | een klein paard | vervult dus volgens de traditie geen woordfunctie. Als wij, de traditie volgend, weigeren, | een klein paard | een ‘woord’ te noemen, dan berust die weigering niet op het aspect waaronder de genoemdheid wordt ‘genoemd’, maar op het feit dat de binnen | een klein paard | vervulde functies niet taal-technisch zijn. Zij zijn

[p. 170]

direct-‘werkelijkheid’-constituerend, ofwel vrij. Willen wij in aansluiting aan de traditie het gebruik van de term ‘woord’ niet beperken tot semantemen, maar uitbreiden tot semanteemcombinaties, dan moeten wij onder ‘woord’-functie verstaan: een één-dimensionaalnoemen’, voorzover dit geschiedt door een teken waarbinnen geen vrije functies worden vervuld. Voor de morfeemfunctie hebben wij dit nieuwe criterium niet nodig: ook een semanteemcombinatie die een taal-technische functie vervult kan volgens de traditie een ‘woorddeel’ ofwel ‘morfeem’ genoemd worden; men beschouwt in | Hij trok zijn ‘Het-kan-me-niet-schelen’-gezicht. | |‘het-kan-me-niet-schelen’-gezicht | als één woord. Wij komen via dit nieuwe termgebruik tot het vastleggen van het gebruik van een andere term, namelijk die van ‘woordgroep’. Een teken dat een genoemdheid ‘noemt’ binnen één dimensie, en waarbinnen vrije functies worden vervuld, is een woordgroep.

Indien wij het criterium van de binnen een teken vervulde functies hanteren, kunnen wij onze aansluiting bij de traditionele terminologie, en dus ook die terminologie zelf, bij het benoemen van alle gebruikte tekens verantwoorden. Dat criterium betreft immers ook de semantemen, zij het in het negatieve: binnen een semanteem worden geen grammatische functies vervuld. Zo komen wij tot het volgende termgebruik.

Een taalteken dat een morfeemfunctie vervult is een morfeem.

Een taalteken dat een woordfunctie vervult is een woord.

Een taalteken dat een woordgroepfunctie vervult is een woordgroep.

Een woord dat, of een woordgroep die een syntactische functie vervult is een syntagma.

IV. 6. De zin. De hiërarchie derwerkelijkheid’-constituerende functies.

Wij zullen tenslotte een analyse beproeven van het taalkundige begrip ‘zin’. Hier is de verwarring het grootst, omdat met die term taalverschijnselen worden aangeduid onder allerlei verschillende aspecten, zonder dat die aspecten onderscheiden worden. Ook het begrip ‘zin’ kan getoetst worden aan de grammatisch-functionele verschijnselen.

De traditionele grammatica noemt | Ik zag een klein paard, Jan! | een zin; zij noemt elk taalteken dat een genoemdheid als een ‘feit’ te kennen geeft een zin. Het ‘noemen’ van een ‘feit’ kan blijkens | Ik zag een klein paard, Jan! | geschieden door een semanteemcombinatie die weliswaar

[p. 171]

geconstitueerd wordt door woorden, maar die geen woordgroep genoemd kan worden, omdat er geen sprake is van één-dimensionaal ‘noemen’: een ‘feit’ immers voltrekt zich krachtens zijn aard in een ‘werkelijkheid’. Zo'n semanteemcombinatie noemen wij, in tegenstelling tot een woordgroep, een woordcombinatie. Tekens die een ‘feit’ kunnen ‘noemen’ zijn:

a.semantemen die woord zijn: | Kom! |;
b.semanteemcombinaties die woord zijn: | Komt! |;
c.semanteemcombinaties die woordgroep zijn: | Kom kijken! |;
d.semanteemcombinaties die woordcombinatie zijn: | Hij komt kijken. |.

Het als een ‘feit’ te kennen geven zullen wij aanduiden met ‘zinsfunctie’. | Ik zag een klein paard, Jan! | noemen wij dus alleen ‘zin’ voorzover het een ‘feit’ ‘noemt’. Ingeval iemand onze studie aanduidt als ‘dat “Ik-zag-een-klein-paard-Jan!”-boek’, vervult | Ik zag een klein paard, Jan! | volgens ons termgebruik geen zinsfunctie maar een morfeemfunctie; hetzelfde geldt als iemand verzucht ‘Ik ben nu al dagen aan het ik-zag-een-klein-paard-Jannen.’. Ook in het traditionele termgebruik noemt men een taalteken dat een ‘feit’ ‘noemt’ een zin. Er zijn echter ook andere gevallen waarin men van een zin spreekt: zo spreekt men van ‘de zin | Ik zag een klein paard, Jan! | die dienst doet als woorddeel’ in | dat ‘Ik-zag-een-klein-paard-Jan!’-boek |. In onze terminologie betekent dat het volgende: de semanteemcombinatie | Ik zag een klein paard, Jan! |, waarvoor de mogelijkheid van het ‘noemen’ van een ‘feit’ kenmerkend is, vervult hier een morfeemfunctie. M.a.w. | Ik zag een klein paard, Jan! | hoeft niet altijd een ‘feit’ te ‘noemen’. In | dat ‘Ik-zag-een-klein-paard-Jan!’-boek | ‘noemt’ het op bepaalde wijze iets dat samenhangt met een kenmerkende eigenschap van de‘soort’ waar een bepaalde ‘zaak’ (nl. deze studie) onder valt; de functie maakt moment uit van een zelfstandignaamwoordsfunctie, er is dus geen sprake van het als zodanig ‘noemen’ van een ‘feit’. Ook spreekt men in de traditie wel van ‘zin’ bij de titel van een verhaal: ‘Het behouden huis’. Hiervoor moet het criterium gezocht worden bij de door het taalteken vervulde functie, zij het in negatieve zin: men pleegt een ‘noemend’ teken dat geen functie vervult binnen een groter teken, soms een zin te noemen. Het gebruik van de termen ‘hoofdzin’ en ‘bijzin’ maakt de zaak nog ééns zo gecompliceerd. Uit één en ander blijkt dat bij het traditioneel gebruik van de term ‘zin’ sprake is van verschillende fenome-

[p. 172]

nen die met die term worden aangeduid, en dat aan die fenomenen o.a. een verschijnsel ten grondslag ligt van grammatisch-functionele aard.

In overeenstemming met onze vorige terminologische afspraken is ons criterium voor het gebruik van de term ‘zin’ een bepaalde grammatische functie voorzover deze in een gegeven geval van taalgebruik wordt vervuld. Een ‘zin’ derhalve noemen wij ieder teken dat een ‘feit’ ‘noemt’.

 

Samenvattend formuleren wij:

 

1.Het gebondennoemenvan een genoemdheid als moment van een grammatische functie is een morfeemfunctie.
2.Hetnoemenvan een genoemdheid als zich bevindend binnen éénwerkelijkheids’-dimensie, voorzover dat geschiedt door een teken waarbinnen geen vrije functie wordt vervuld, is een woordfunctie.
3.Hetnoemenvan een genoemdheid als zich bevindend binnen éénwerkelijkheids’-dimensie, voorzover dat geschiedt door een teken waarbinnen vrije functies worden vervuld, is een woordgroepfunctie.
4.Hetnoemenvan een genoemdheid als zich bevindend binnen eenwerkelijkheidis een syntactische functie.
5.Hetnoemenvan een genoemdheid als eenfeitis een zinsfunctie.

 

In aansluiting hieraan:

 

1.Een taalteken dat een morfeemfunctie vervult, is een morfeem.
2.Een taalteken dat een woordfunctie vervult, is een woord.
3.Een taalteken dat een woordgroepfunctie vervult, is een woordgroep.
4.Een woord dat, of een woordgroep die een syntactische functie vervult, is een syntagma.
5.Een woord dat, een woordgroep of een woordcombinatie die een zinsfunctie vervult, is een zin1.

Het bovenstaande impliceert dat het woord de primaire taaleenheid is: elke vrije grammatische functie onderstelt een woord; elke gebonden functie onderstelt een vrije functie dus eveneens een woord. Een woord is de kleinste eenheid die een vrije, d.w.z. een direct-‘werkelijkheid’-

[p. 173]

constituerende functie vervult; ‘kleinste’ wil hier zeggen: niet ontleedbaar in taaltekens die zelf ook een vrije functie vervullen.

De functies die in de traditionele grammatica's ter sprake zijn, d.w.z. die in grammaticale termen benoemd worden, zijn die van woord (men benoemt de woordsoort), syntagma (men benoemt het zinsdeel) en zin. Men onderscheidt zinnen o.a. door mee te delen of zij in het praesens dan wel in het praeteritum staan. Het benoemen van de ‘tijd’ behoort niet specifiek tot de woordbenoeming of de zinsontleding, men kan van een gehele zin zeggen dat zij in een bepaalde ‘tijd’ ‘staat’. Men benoemt de zin dan als ‘noemende’ een ‘feit’ binnen een ‘werkelijkheid’ in haar verhouding tot de ‘werkelijkheid’ van de taalgebruiker. De benoeming van de ‘tijd’ van een zin is een specifieke zins-benoeming in ónze terminologie: het gaat dan immers om een ‘feit’ in zijn verhouding tot de ‘werkelijkheid’ van de taalgebruiker.

De woordsoortelijke, de syntactische functie en de bovengenoemde zins-functie zijn ‘werkelijkheid’-constituerende functies. Zij bezitten een hiërarchisch verband: de syntactische functie is conditio sine qua non voor de zinsfunctie; de woordsoortelijke functie is conditio sine qua non voor de syntactische functie.

De ‘werkelijkheid’-constituerende functies zijn in zoverre fundamenteel, dat elk der àndere verschijnselen die wij met de term ‘grammatische functie’ aanduidden (morfeem- en woordgroepfunctie) tenminste één ‘werkelijkheid’-constituerende functie onderstelt. En elke grammatische functie onderstelt een woord. De woordfunctie is derhalve primair. Samengevat:

De drie fundamentele grammatische functies bestaan in het ‘noemen’ van een genoemdheid, respectievelijk:

 

a.voorzover zich bevindend binnen één ‘werkelijkheids’-dimensie (woord);
b.voorzover zich bevindend binnen een ‘werkelijkheid’ (syntagma);
c.voorzover zich bevindend binnen de ‘werkelijkheid’ van de taalgebruiker (zin).

 

Een ‘feit’ constitueert een ‘werkelijkheid’; een ‘werkelijkheid’ onderstelt twee ‘werkelijkheids’-dimensies. Derhalve onderstelt een zin een syntagma en een syntagma een woord. Indien een ‘feit’ wordt ‘genoemd’ door één semanteem (vgl. de gebiedende wijs van | komen |:

[p. 174]

| Kom! |) dan is bijgevolg dat ene semanteem tegelijkertijd zowel woord als syntagma als zin.

Conclusie:

De termen ‘woord’, ‘syntagma’ en ‘zin’ hebben betrekking op taaltekens voorzover deze een fundamentele grammatische functie vervullen. Een ‘werkelijkheid’ is geconditioneerd door de drie fundamentele grammatische functies.

IV. 7. Afsluiting. ‘Taalgedefinieerd in grammatisch-functionele termen.

Wij zullen deze studie afsluiten met de verantwoording van de titel. Een titel is een aankondiging en tevens een samenvatting. Een samenvatting is pas maximaal zinvol voor wie de onverkorte vorm reeds kent. Daarom brengen wij hier aankondiging en sluitstuk samen.

De titel introduceert een taalkundige categorie van algemene aard, de grammatische functie. Wij onderzochten de grammatische functie voorzover deze zich in ‘het Nederlands’ openbaart. Wij identificeerden haar als de wijze waarop een genoemdheid in haar verhouding tot een ‘werkelijkheid’ binnen een betekeniseenheid wordt te kennen gegeven. Wij kunnen nu overgaan tot een veralgemening van onze conclusie, d.w.z. wij kunnen op zijn minst stellen dat er nog meer talen zijn waarin de grammatische functie zich als zodanig voordoet. Deze veralgemening komt reeds in de titel tot uitdrukking; deze spreekt immers van ‘de’ grammatische functie, van het verschijnsel in het algemeen.

In de ondertitel is sprake van methode van grammaticale analyse. Het methodische van deze studie kunnen wij samenvatten in de volgende punten.

 

1.Er bestaat een hiërarchie van grammatisch functionerende tekens, tot uitdrukking komend in de oppositie woord/syntagma/zin. Bij een studie van de grammatische functie is de onderzoekssystematiek door genoemde hiërarchie bepaald. D.w.z. studie van de zin onderstelt kennis van het woord, ofwel: syntaxis onderstelt woordleer. Studie van grammatische functies onderstelt bovendien studie van genoemdheden.
2.Er bestaat een hiërarchie van genoemdheden zowel binnen de syntactische- als binnen de woordsoortelijke functies, tot uitdrukking
[p. 175]
komend in de oppositie zelfstandig/afhankelijk. Bij een grammaticale studie van genoemdheden wordt de systematiek door genoemde hiërarchie bepaald. D.w.z. studie van afhankelijke genoemdheden onderstelt studie van zelfstandige genoemdheden.
3.Studie van genoemdheden onderstelt een taalbeschouwer. Taalbeschouwer is hij die zich stelt op het standpunt van ‘de’ taalbeheerser.
4.De bepalende factor voor het standpunt van ‘de’ taalbeheerser zijn díe kenmerken der optimale genoemdheden waarvan wordt aangenomen dat zij aan de optimale genoemdheden van elke optimale taalbeheerser eigen zijn.
5.De genoemdheden die in de grammatica worden bestudeerd zijn die welke zich voordoen in de voorstelling van de taalbeheerser krachtens passief gebruik van de te bestuderen tekens. Het controlemiddel is substitutie, oppositie en disjuncte toepassing.

 

In het bovenstaande werd, evenals in de titel, onderscheid gemaakt tussen ‘grammatisch’ en ‘grammaticaal’. Dit onderscheid verantwoorden wij hier als volgt.

Grammatisch noemen wij díe taalverschijnselen die direct betrokken zijn bij de wijze waarop genoemdheden in hun verhouding tot een geconstitueerde ‘werkelijkheid’ binnen een betekeniseenheid te kennen worden gegeven.

Grammaticaal noemen wij datgene wat samenhangt met de studie van grammatische verschijnselen.

De term ‘grammatica’ wordt zowel binnen als buiten de linguïstiek op twee manieren gebruikt; 1e ter aanduiding van de systematiek der grammatische verschijnselen; 2e ter aanduiding van een systematische beschrijving der grammatische verschijnselen. Er bestaat geen bezwaar tegen handhaving van dit dubbele gebruik, daar het in de praktijk weinig of geen misverstand kan veroorzaken. Wel moet erop gewezen worden dat ‘grammatische verschijnselen’ zowel functioneel als formeel kunnen zijn en dat dus ‘grammatica’ zowel op (beschrijving van) de ene soort als op (beschrijving van) de andere soort betrekking kan hebben. Wij maken daarom onderscheid tussen functionele en formele grammatica, die een complementariteit vormen binnen de linguïstiek. Het vermogen tot grammatisch functioneren onderscheidt taaltekens van andere tekens.

[p. 176]

Ook de term ‘taal’ tenslotte, kan als vakterm worden gebruikt en wel als volgt: een geheel van semantemen die grammatische functies kunnen vervullen binnen grotere taaltekens, welke op hun beurt grammatische functies kunnen vervullen binnen weer grotere taaltekens, en zo steeds verder, is een taal1.

De grammatische functie is het semantische verschijnsel dat ten grondslag ligt aan elke grammaticale analyse van taal.