Geschiedenis van de letterkunde der Nederlanden. Deel 6


auteur: H.J. Vieu-Kuik en Jos Smeyers


bron: H.J. Vieu-Kuik en Jos Smeyers, Geschiedenis van de letterkunde der Nederlanden. Deel 6. Standaard Uitgeverij, Antwerpen / Amsterdam 1975


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 216]

Pieter Langendijk
25.7.1683-18.7.1756

Een toneelstuk, dat succes heeft, is een eendagsvlieg. Drama's uit voorafgaande eeuwen, die in de mode waren, zijn thans ofwel volkomen vergeten of komen slechts opnieuw in de belangstelling door een aantrekkelijke aankleding, door traditie, door intellectuele bevrediging. Op een enkele uitzondering na, heeft de tijd rigoureus de schifting gebracht van wat essentiële waarde had en wat was bestemd te verdwijnen. Het toneel van Langendijk behoorde niet tot het klassieke repertoire, niet tot het moderne burgerlijke drama van Diderot en Mercier, had weinig originele motieven tot onderwerp en toch heeft het een lang leven. Het blijft een groot genot een van zijn stukken met jonge amateurspelers te ontdekken en in te studeren. Wat was daartoe zijn geheim?

Uit zijn levensloop was deze greep op de toekomst niet te voorzien. Hij werd in 1683 te Haarlem geboren, maar verloor reeds op zesjarige leeftijd zijn vader. Zijn moeder verhuisde met hem naar Amsterdam, daarna naar Den Haag en opnieuw naar Amsterdam. In 1722 is Haarlem weer de woonplaats. Tijdens het verblijf in Amsterdam had hij onderwijs in tekenen, etsen en schilderen ontvangen, later werd hij kantoorbediende en dichter. Het was een treurige jeugd voor de jonge Pieter om met gelegenheidsopdrachten de kost te moeten verdienen en het zuur verdiende geld als sneeuw voor de zon te zien verdwijnen, omdat een onbeheerste moeder haar spilzucht botviert en aan de drank verslaafd is. In Haarlem tekent hij patronen voor damastweverij.

Na de dood van zijn moeder in 1727 had er uitzicht voor hem kunnen zijn, maar waarom trouwde hij in 1728, dus toen hij de veertig reeds vier jaar was gepasseerd, een vrouw, die eveneens niet in staat was te sparen? Bovendien was zij dikwijls ziek en armoede was dus opnieuw troef. Zij stierf in 1739.

[p. 217]

Wel had hij enig succes met het schrijven van gelegenheidsgedichten en genoot hij de eer van 1721 tot zijn dood toe factor van de Haarlemse Kamer Trou moet blijcken te zijn, maar in 1747 was hij gedwongen een deel van zijn schilderijen, tekeningen en platen, van zijn boeken, en daarbij zijn huis en zijn tuin te verkopen. Het stadsbestuur vroeg hem stadshistorieschrijver te worden, waarvoor hij de vergunning kreeg gratis te mogen wonen in het Proveniershuis. Hij heeft dit werk tot zijn dood toe vervuld; het was toen nog niet beëindigd.

Zijn gedichten laten wij hier terzijde; zij komen om hun traditioneel gehalte hier niet in aanmerking voor nadere vermelding. Met de lange lijst kluchten en blijspelen is het iets anders; elk werk op zich zelf verdient de volle aandacht om de talrijke trouvailles, zowel wat de inhoud betreft als de formulering in de taal. Ter wille van de plaatsruimte moet ik hier verwijzen naar de afzonderlijke uitgaven der stukken. Ik meen echter, dat het artikel van Prof. Dr. G.A. van Es over Langendijks klucht De Wiskunstenaars of 't Gevluchte Juffertje, dat de vinger legt op ongemotiveerde kritiek bij de beoordeling van dit werk de nadruk moet hebben.’

Waarom spreekt men van zwakheid van Langendijks werken? Omdat men meent, dat toeval uit een realistisch spel geweerd moet worden. Echter ‘dit oordeel berust op een verouderd apriorisme, die zgn. eis van de “eenheid van handeling”, alsof dat het beslissende criterium voor de literairhistorische en aesthetische beoordeling van een drama behoort te zijn, en bovendien op een onvoldoende analyse van het stuk. Het is tot op zekere hoogte een kenmerk van Langendijk's toneelwerk, dat hij, althans in de meeste en oudste stukken, twee vrijwel gelijkwaardige of even gewichtige, dramatische motieven met elkaar verbindt en dooreen vlecht, en door die verstrengeling zijn meest boeiende dramatische verwikkelingen en knooppunten schept.’

Bovendien is Langendijks drama hekelend: wanneer hij de twist der wiskunstenaars op het toneel brengt dan is dit levensecht en tevens een persiflage ervan. De uitgever van het werk, G.W. Wolthuis, wijst op de door de wiskunstenaars gebruikte argumenten, die ontleend zijn aan gedrukte werken van strijdlustige wiskundigen en wel speciaal aan een boekje van een zekere Verqualje (1661).

Ten slotte is er ook de komische waarde van Langendijks stukken. Hij ‘kent vele graden en nuancen van het komische en vele dramatische middelen om lachwekkende effecten te bereiken’. De komische kracht ligt niet alleen in uiterlijkheden, maar ook in de spot met ‘menselijke waan en hoogmoed’, die van alle tijden is. De laatste zin van dit belangwekkend artikel luidt: ‘Men moet Langendijks spelen beoordelen niet vanuit aprioristische theorieën, maar vanuit de zaal: het is rastoneel’. Ik zou, wat het komische element betreft er hier ook op willen wijzen, dat de typen, die Langendijk schiep, in zijn karikatuur een soepele uitbeelding veroorloven: er is naar de persoonlijkheid van de speler iets origineels van te maken; een knecht Jan, een Vetlasoupe, een Sancho Pancha, een Arlequin kunnen los van traditionele voorstellingen een type naar eigen smaak worden. Deze soepelheid verzekert succes voor volkomen van elkaar verschillende tijdperken.

Langendijk zocht steun voor de opzet van zijn werk bij Molière en anderen, voor conventionele trucjes kende hij soms een goedkoop succes in koeterwaals spreken, in overdrijving, in schabloonvormen, ook soms in platheid, maar zijn kluchten zijn in laatste instantie zedespelen met een modern karakter: Bazilius wint het van Kamacho, omdat hij intelligent is, een man van verlichting; de hekeling van bluf op rijkdom, van gewaande geleerdheid, van zich een Alexander te wanen

[p. 218]

wordt in alle tijden begrepen, maar kan reeds hier principes van de filosofische eeuw verraden; geldverkwisting en windhandel waren kwalen uit zijn tijd.

Daarom hoort juist hij hier thuis als unieke vertegenwoordiger van levend toneel.

Aantekeningen

Over Langendijk schreef C.H.Ph. Meyer, Pieter Langendijk, Zijn leven en werken, Den Haag, 1891.
F.Z. Mehler, Pieter Langendijk, Culemborg, 1892. Van Don Quichot op de bruiloft van Kamacho (1711), De Zwetser (1712), Het Wederzijdsch Huwelijksbedrog (1714), Krelis Louwen of Alexander de Groote op het poëetenmaal (1715), Quincampoix of de Windhandelaars en Arlequyn Actionist (1720), Xanthippe of het booze wijf des filozoofs Socrates beteugeld (posthuum in 1756), Spiegel der vaderlandsche kooplieden, verschenen nagenoeg altijd een afzonderlijke uitgave.
Prof. Dr. G.A. van Es, Ongemotiveerde kritiek op ‘De wiskunstenaars’, van Langendijk, N.Tg 46 (1953 - De Vooys-nummer) blz. 30-37.