begin  verder
[p. 7]

Kampen, augustus 1470

1 De schependochter

Werd Tieske oud? Rond zijn bruine snuit waren geleidelijk aan witte haartjes verschenen, de veerkracht was uit zijn oren en staart verdwenen, maar zijn bruine ogen glansden helder en hij was nog even verknocht aan Alijt als vroeger.

Het meisje zat op een driepotig krukje in de woonkamer terwijl haar moeder met Aagje, de meid, bezig was lakens te vouwen.

‘Vreemd hè,’ zei Alijt. ‘Soms loopt Tieske om me heen te springen en dan zakt hij opeens door zijn achterpoten en loopt hij te hinken. Eventjes maar, dan is het weer over. Hij is toch niet ziek?’

Moeder Mette schudde glimlachend het hoofd.

‘Het zal de leeftijd zijn,’ meende ze.

Daar moest Alijt even over nadenken.

‘Hoe oud is Tieske dan?’

‘Een jaar of tien, denk ik.’

‘Maar ik ben twaalf en ik ben nog helemaal niet oud!’

‘Voor een hond is tien jaar een hele leeftijd.’

Alijt geloofde er niets van.

‘Tieske is nog net zo sterk als toen ik klein was,’ betoogde ze. ‘Vanmorgen liep ik over de Vloeddijk en daar kwam ik Kootje van den Vene tegen. Die stoof op mij af en trok

[p. 8]

me heel hard aan mijn haren. Hij riep: “Lelijkerd, je lijkt wel een heksenkind!” Maar ik had Tieske bij me en die vloog Kootje meteen aan en beet hem in zijn arm. Je had die jongen moeten horen schreeuwen. Gillend liep hij naar huis. Net goed.’

Ontsteld keek Mette op haar dochter neer.

‘Kootje, de zoon van schepen Van den Vene?’

‘Ja. Dat joch kan toch zo gemeen zijn. En nu durft hij, omdat hij weet dat vader met brieven van de vroedschap naar de bisschop van Utrecht is gereisd. Maar als vader terug is, zal ik het hem vertellen en dan...’

Uit het achterhuis klonk een schorre stem die riep. Dat was Agnes, vier jaar ouder dan Alijt. Agnes was ziek. Moeder Mette liet het aan Aagje over de gevouwen lakens in de kast te bergen en haastte zich naar het achterhuis. Twee dagen geleden had Agnes plotseling over keelpijn geklaagd, ze had koorts gekregen, kon niet eten, en bezorgd had haar moeder haar in bed gestopt.

Aagje keek even om naar Alijt, die verstrooid met de oren van de hond speelde.

‘Heeft Tieske echt de zoon van schepen Van den Vene gebeten? Als dat maar goed afloopt,’ mompelde ze.

‘Krijgen we daar dan moeilijkheden mee?’ vroeg Alijt verwonderd.

‘Reken maar,’ zei Aagje.

Moeder Mette kwam terug in de voorkamer.

‘Vooruit Alijt, ga je lessen leren.’

‘Maar het is zulk mooi weer! Ik wilde eigenlijk met Tieske naar de IJsselkade gaan en...’

‘Geen sprake van. Eerst je schrijfoefeningen.’

Alijt zuchtte, stond op en liep, gevolgd door de kwispelende Tieske, naar het opkamertje, waar op een kleine tafel haar schrijfgerei lag.

[p. 9]

Alijt Kuinretorf had niet werkelijk een hekel aan leren en ze besefte dat haar moeder gelijk had als die beweerde dat een reder- en schependochter een behoorlijke ontwikkeling moest hebben, wilde zij later haar man kunnen bijstaan in zijn zaken en hem zo nodig vervangen wanneer hij op reis moest. Juist zoals moeder Mette haar man verving wanneer die als afgevaardigde van de vroedschap van Kampen naar het Sticht reisde om met de bisschop - hun landsheer - te onderhandelen. Tot haar tiende jaar was Alijt net als Agnes bij de nonnetjes op school geweest, maar Mette vond dat niet genoeg en gaf haar dochter nog geregeld zelfles in schrijven en rekenen. Maar liever liep Alijt buiten om op de kaden langs de IJssel te kijken naar de binnenkomende en uitvarende schepen, om de stank van de visbank op te snuiven, om het verkeer op de brug gade te slaan en de schippers-knechts ruzie met elkaar te horen maken. Op die lange kade viel altijd wel iets te beleven.

Zelf woonden de Kuinretorfs op de Burgwal, aan de Burgel. De Burgel was vroeger de stadsgracht geweest, maar nu werd de stad Kampen uitgebreid. De oude muur langs de Burgwal was afgebroken en er werd een nieuwe gebouwd, ver achter de Vloeddijk die zich aan de overzijde van de Burgel uitstrekte. Schepen die van de IJssel de Burgel opvoeren brachten stenen, metselspecie en werklui aan. Alijt hield van de gezellige rommel die zij maakten en kon er uren naar kijken. Maar moeder Mette was onverbiddelijk als het op huiswerk aankwam.

Langzaam, met de tong tussen de lippen, tekende Alijt letters en woorden op haar wastafeltje.

‘Wees maar niet bang, Tieske,’ schreef ze. ‘Ik zorg wel dat schepen Van den Vene je geen kwaad zal doen.’

Snel veegde ze de woorden weer uit en keek neer op de

[p. 10]

hond, die vredig bij haar voeten lag opgerold. Hij leek helemaal niet bang.

Later die middag werd er hard op de deur gebonsd. Een gerechtsdienaar stond op de stoep. Verschrikt liet Aagje hem binnen. Mette kwam juist uit het achterhuis, waar ze nog even naar de zieke Agnes had gekeken. De man maakte weinig omhaal nu hij alleen vrouwen voor zich zag.

‘Ik moet uw man spreken, vrouw Kuinretorf.’

‘Mijn man is in Utrecht,’ antwoordde Mette kalm.

De gerechtsdienaar raadpleegde een vel papier dat hij in de hand hield. ‘U bezit een grote bruine hond?’

Moeder knikte.

‘Is het u bekend dat dit dier vanochtend op de Vloeddijk de zoon van schepen Van den Vene heeft aangevallen en deerlijk heeft gebeten?’

‘Dan zal die jongen het er wel naar gemaakt hebben,’ antwoordde Mette hooghartig. ‘Onze Tieske is niet kwaadaardig.’

‘De hond zal zich moeten verantwoorden voor het Gerecht,’ dreigde de man.

Mette kneep haar grijze ogen half dicht.

‘De schout kan een hond toch niet voor het Gerecht dagen!’

‘Natuurlijk kan dat. U geeft toe dat het dier schuldig is aan het toebrengen van een verwonding aan een Kampense burger?’

‘Ik geef niets toe. Ik wil eerst bewijzen zien!’

‘Er zijn getuigen.’

‘Dan zullen die getuigen ook hebben gezien hoe Kootje van den Vene mijn dochtertje Alijt lastig viel.’

‘Daarover kan ik niet oordelen. Ik heb opdracht de hond in beslag te nemen en naar het Rechthuis te brengen.’

[p. 11]

‘Heb ik het niet gezegd,’ fluisterde Aagje, die nog steeds stond te luisteren. Maar moeder Mette bleef op haar stuk staan.

‘U krijgt de hond niet mee. Mijn man is op reis. Ik ben alleen thuis met de meid en mijn kinderen. Tieske is onze waakhond, ik kan hem nu niet missen.’

Alijt, die had gemerkt dat er iets aan de hand was, was op de drempel van de voorkamer verschenen, met Tieske kwispelend naast haar. Hij had zijn naam horen noemen. Maar toen de gerechtsdienaar zich omdraaide en een hand naar hem uitstak klonk er uit Tieskes keel een diep gegrom. De man aarzelde.

‘Dat beest is wèl kwaadaardig,’ zei hij boos.

‘Nee,’ zei Mette, ‘alleen voor mensen die ons te na komen.’

‘Kootje van den Vene plaagde me,’ riep Alijt angstig, ‘hij trok aan mijn haar, heel hard zodat ik het uitgilde, en hij schold me uit voor... hij schold me uit. Tieske nam dat niet. Hij weet heel goed dat hij mijn hond is.’

Ze sloeg haar armen om de hondenek en keek smekend op naar de gerechtsdienaar. Tieske gaf haar een lik over haar gezicht.

‘Ziet u wel hoe lief hij is?’

‘Daarmee heb ik niets te maken,’ antwoordde de man streng. ‘Ik moet het bevel van de schout uitvoeren en anders niet.’

Alijt klemde Tieske nog steviger vast. ‘Nee.’ Tranen sprongen haar in de ogen.

Moeder Mette stond onwrikbaar in het woonvertrek.

‘Dit is onzin,’ sprak ze waardig. ‘Dieren kunnen zich tegen beschuldigingen niet verweren, dat kunnen alleen de eigenaars. Zeg mij op welke dag Tieske voor het Gerecht moet komen. Dan zullen wij hem brengen en als zijn

[p. 12]

verdedigers optreden. Goedemiddag, de meid zal u uitlaten.’

‘U weigert dus de hond af te staan?’

‘Ik weiger mee te werken aan een onzinnig bevel.’

‘Maar de hond moet worden onderzocht op kwaadaardigheid.’

Mette snoof minachtend. Ze liep op Tieske toe, legde haar hand op zijn kop. De hond kwispelde, likte de hand, duwde zijn flank tegen haar knieën.

‘Noemt u dat kwaadaardig?’.

Maar toen de gerechtsdienaar Tieske naderde gromde hij weer.

‘Koest,’ zei Alijt snel. De hond legde zijn oren plat, boog de kop en hield op met grommen.

‘U ziet hoe gehoorzaam hij is.’

De gerechtsdienaar zuchtte. Hij had respect voor de redersvrouw, die hem zo dapper weerstond. Bovendien voelde hij er weinig voor, zich door een grote hond te laten bijten.

‘Belooft u mij dat u dit wilde dier zult binnenhouden in de eerstvolgende dagen? En alleen vastgebonden zult uitlaten? En dat u met hem voor het Gerecht zult verschijnen wanneer u daartoe de oproep krijgt? Dan zal ik hem nu niet meenemen.’

‘O nee, nee, niet meenemen!’ riep Alijt.

‘We zullen de oproep afwachten en zorgen dat Tieske voor die tijd niet de kans krijgt iemand te bijten,’ beloofde moeder Mette.

De man knikte, stopte het papier weer in zijn zak en vertrok. Zodra hij weg was sloeg Aagje de handen ineen. ‘Och here, ik wist wel dat er moeilijkheden van zouden komen, vrouw Kuinretorf. Alijt zwerft altijd maar rond met die hond alsof het haar broertje is. Hij mag zelfs voor

[p. 13]

haar bed slapen in plaats van in zijn hok op het achtererf. Tieske is verwend, vrouw Kuinretorf. Hij denkt dat-ie alles maar mag doen.’

‘Houd je mond, Aagje, en ga naar de keuken. Je moet de vis nog schoonmaken.’

De meid verdween mopperend. Alijt was er nog niet gerust op.

‘De schepenen zullen Tieske toch niet laten doden?’ vroeg ze benauwd.

‘Nee,’ zei moeder Mette resoluut, ‘dat zal ik niet toelaten.’

 

Ze waren min of meer samen opgegroeid: de hond Tieske en het meisje Alijt. Agnes gaf niet veel om de hond, zij hield meer van de huiskatten. Maar voor Alijt was hij beschermer, vriend, speelkameraad. De gedachte hem ooit te moeten verliezen was onverdraaglijk voor haar.

Huisdieren namen in de stad Kampen een bijzondere plaats in. Het was zelfs voorschrift dat in elk gezin twee katten moesten zijn. Begrijpelijk in een stad waar de muizen de pakhuizen binnendrongen en grote schade konden aanrichten. Ook honden werden veel gehouden, als rattenvangers en om te waarschuwen als er onraad dreigde. Maar als die honden vals werden was de schout onverbiddelijk, dan moesten ze worden afgemaakt. Geen wonder dat Alijt die nacht nauwelijks kon slapen. Nu Agnes ziek was en koorts had mocht Alijt niet bij haar zusje in de bedstee slapen, maar was er voor haar een bed in het opkamertje gemaakt. Toen Aagje die avond de hond aan de ketting wilde leggen in zijn hok op het achtererf had Alijt zich heftig verzet. Ze stond erop dat Tieske voor haar bed zou liggen.

Maar zelfs dat kon haar niet rustiger maken. Ze woelde.

[p. 14]

Ze luisterde naar de geluiden in het huis van de Kuinretorfs. Moeder sliep ook niet, maar liep zacht heen en weer, ging telkens naar Agnes kijken, terwijl ze stilletjes gebeden lispelde.

Is mijn zusje dan zo ziek dat moeder bij haar moet waken? dacht Alijt angstig. O, kwam vader maar gauw thuis. Dan wordt Agnes vast weer gauw beter. En hij is zo'n machtig man in de stad. Hij kan er wel voor zorgen dat we Tieske mogen houden...

 begin  verder