Helaas! De oproep om met Tieske voor het Gerecht te verschijnen kwam al twee dagen later. Moeder Mette durfde haar zieke dochter echter niet alleen te laten en gaf daarom Aagje opdracht dat zij Alijt en de hond moest vergezellen naar de schepenkamer waar recht gesproken zou worden.
‘Jij kunt getuigen dat Tieske absoluut geen kwaadaardig beest is,’ betoogde Mette. Aagje knikte maar wat, zenuwachtig wriemelend aan haar rok. Ze had een heilige vrees voor het Rechthuis en voor alles wat met rechtspleging te maken had. De straffen waartoe de schepenen een misdadiger konden veroordelen waren gruwelijk: ophangen, vierendelen, radbraken... En in geval van een lichte straf het schandblok (de kaak). Dat was al erg genoeg.
Het Rechthuis, waar ook de stadsregering dagelijks vergaderde, stond in de Oudestraat. Het was een uit baksteen opgetrokken gebouw met opzij een torentje waar wapens, beulszwaarden en het archief werden bewaard. De kaak op het pleintje achter het Rechthuis was die dag leeg. Maar toen Aagje die ochtend met Tieske aan een leren riem en met Alijt aan de hand voor de stoep stond, zonk de meid de moed in de klompen.
‘Ga jij maar. Ik durf niet,’ zei ze rillend.
‘O Aagje, je moet getuigen. Je moet de schepenen zeggen hoe lief en zachtzinnig Tieske is!’ riep Alijt verontwaardigd. ‘De heren zullen je heus niet opeten.’
Koppig schudde Aagje het hoofd.

‘De hoge heren zullen me brutaal vinden en boos op me worden. Dan zit ik in de kaak voor ik het weet. Ga jij maar. Laat de heren niet wachten, juffer Alijt. Je bent zelf een schependochter, ze zullen je niet hard vallen.’
‘Mijn vader is ook schepen en raadslid en voor hem ben je niet bang,’ betoogde Alijt.
‘O, je vader is een aardige man, juffer.’
Hoezeer Alijt ook volhield, Aagje durfde niet mee naar binnen. Dus stond ze er alleen voor. Zuchtend beklom ze de stoep, Tieske met zich meetrekkend. Ze werd meteen in de schepenkamer toegelaten. Met bonzend hart keek ze op naar de twee strenge mannen, die op stoelen met rechte rug op een soort verhoging achter een gebeeldhouwde tafel zaten en die bars op haar en Tieske neerkeken. Eén van hen kende ze wel: schepen Ten Acker, die bekend stond om zijn strenge oordelen. Dat beloofde niet veel goeds voor de oude hond.
Verder waren Kootje en zijn vader aanwezig en twee vrouwen die hadden gezien hoe Tieske de jongen had aangevallen.
Alijt voelde zich heel klein en machteloos worden. Tieske moest haar spanning gevoeld hebben, want hij drukte zich dicht tegen haar aan, de oren plat, terwijl er rillingen over zijn huid trokken. Een ogenblik vergat Alijt haar eigen angst en legde kalmerend haar hand op zijn ruige kop.
Het verhoor afgenomen door schepen Ten Acker was kort maar streng.
Had Alijt Kuinretorfs hond Kobus van den Vene in zijn arm gebeten zodat de jongen zich in de apotheek moest laten behandelen? Ja dus. Had het dier al eens eerder iemand zo ernstig gebeten? Neen? Waarom dan nu opeens wel?
‘Kootje trok hard aan mijn haren, hij schold me uit,’ fluisterde Alijt bangelijk. ‘Dat doet hij steeds als ik hem ergens tegenkom.’
‘Droeg je dan geen muts?’ vroeg Ten Acker met gefronste wenkbrauwen.
‘Natuurlijk wel. Maar mijn vlecht hangt eronderuit. En daar trekt hij altijd aan.’
Daar stond ze nu, midden in de schepenzaal. Een jong meidje onder wier fluwelen kapje een paar weerbarstige koperrode krullen uitsprongen, terwijl op haar rug een lange vlecht hing van dezelfde diepgloeiende kleur. Voor kwajongens die haar voorbijliepen moest dat wel een onweerstaanbare verleiding zijn! Maar ook dit meisje was een schepenkind. Haar vader was een rijke reder, wiens koggen tot in de havens van Engeland en Noord-Frankrijk kwamen en zelfs tot in Rusland!
Kuinretorf was een man van aanzien, die huizen en weidegronden bezat, die al jaren zitting had in het stadsbestuur, beurtelings als raadsheer en schepen. Alijt was dus niet zomaar een meisje, maar iemand met wie je rekening diende te houden.
Dat alles was kennelijk door de hoofden van de schepenen heengegaan.
Met een ernstig gezicht wendde Ten Acker zich nu tot de jongen. ‘Kobus van den Vene, is het waar dat je dit meisje hebt lastiggevallen en beledigd?’ vroeg hij bars. De dertienjarige Kootje kreeg een kleur.
‘Ik... eh... ik heb even aan haar vlecht getrokken, heel even maar en helemaal niet hard,’ stamelde hij. ‘Toen riep ze: “Pak hem!” En de hond vloog me aan en scheurde mijn arm bijna van mijn lijf. Het doet gruwelijk veel pijn.’ Met een zielig gezicht wees hij op het verband. Toen, wijzend: ‘Die vrouwen hier hebben het gezien.’
‘We hoorden hem alleen maar schreeuwen en zagen hem naar de hond schoppen,’ zei een van de getuigen snel. ‘En het meisje huilde.’
‘Kootje liegt,’ riep Alijt, terwijl ze haar verlegenheid vergat. ‘Hij trok heel hard en ik gilde van pijn. Toen vloog Tieske hem aan, ja, dat is waar. Hij verdedigde mij als een brave hond. En Kootje... ik bedoel Kobus, schold mij uit voor lelijkerd en heksenkind, alleen maar omdat ik rood haar heb.’
‘Ik zei alleen lelijkerd,’ verweerde Kootje zich.
‘Heb je werkelijk heksenkind tegen haar gezegd?’ vroeg nu de tweede schepen, die Bartold van Wilsen heette, ongelovig.
Alijt knikte heftig. Kootje plukte zenuwachtig aan het verband om zijn arm.
‘Dat... dat...’
‘Ja of nee?’
‘Ik weet het niet meer.’
‘Dus wel! Dat is een zware belediging, Kobus van den Vene. Je geeft daarmee aan dat de ouders van Alijt Kuinretorf heulen met de Satan. Terwijl heel Kampen weet welk een achtenswaardige burgers het zijn. Nou?’
‘Ik bedoelde het niet zo,’ fluisterde Kootje geschrokken.
‘Maar je zei het?’
‘Nou ja... misschien... ik weet... ik... ik...’ Hulpzoekend keek de jongen op naar zijn vader, die duidelijk woedend begon te worden en weigerde een zoon die zich zo had misdragen bij te staan. Hij had de hand al half opgeheven om Kootje een fikse draai om de oren te geven, maar die dook snel weg.
Alijt voelde zich van binnen helemaal warm worden. Ze stond er niet langer alleen voor. Schepen Van Wilsen was op háár hand!
Maar nu nam Ten Acker weer het woord. Met het koperen hamertje tikte hij op de tafel voor hem.
‘Twee dingen zijn duidelijk geworden,’ sprak hij afgemeten. ‘Ten eerste: Kobus van den Vene heeft op straat een meisje lastiggevallen en daarbij scheldwoorden gebruikt die een schepenzoon beslist niet in de mond mag nemen. Ten tweede is komen vast te staan dat de hond van Alijt Kuinretorf voornoemde Kobus van den Vene in de arm heeft gebeten, zodanig dat hij deerlijk gewond raakte. Beide partijen dragen dus schuld. Ik moge raadslid Van den Vene op het hart drukken thuis zijn zoon streng te straffen en hem het onbehoorlijke van zijn handelwijze onder ogen te brengen.’
‘Zeker wel,’ gromde Kootjes vader, ‘hij zal ervan lusten!’ Dat betekent dat hij thuis een flink pak op zijn donder krijgt, dacht Alijt wraakzuchtig. Net goed.
‘Verder,’ ging Ten Acker door, ‘zal de hond van voornoemde Alijt Kuinretorf worden gedood, want honden die burgers op straat aanvallen kunnen wij in onze stad niet tolereren.’
‘Nee!’ gilde Alijt. Beschermend sloeg ze haar armen om Tieske heen. ‘Niet doodmaken!’ Met een betraand gezichtje keek ze op naar de schepenbank. ‘Niet doodmaken. Tieske is lief, hij is braaf, hij doet niemand kwaad als ze mij geen kwaad doen. Tieske hoort bij mij.’ Snikkend boog ze zich over de hondekop, keek toen weer fel op en riep smekend: ‘Heeft u dan nooit veel van een hond gehouden dat u nu zo hard oordeelt?’
Schepen Van Wilsen leek medelijden met haar te krijgen. Hij stootte Ten Acker aan en begon tegen hem te fluisteren. Het overleg duurde lang. Eindelijk richtte hij zich op en keek met enige vertedering neer op het schependochtertje.
‘Het is rechtvaardig dat de hond gestraft wordt voor zijn aanval op een Kampense burger,’ zei hij niet zonder ontroering. ‘Maar er zijn verzachtende omstandigheden. Dit dier verdedigde zijn meesteres. Wanneer onze stad wordt aangevallen door vijanden, dan verdedigen de weerbare mannen op de muren en torens hun vrouwen en kinderen. Dat strekt hun tot eer. Een hond die zijn meesteres verdedigt doet ook zijn plicht.’
‘Hé, wacht even,’ riep Kootjes vader verbolgen, ‘mijn zoon is geen vijand van Kampen.’
‘Neen, maar wanneer uw zoon een burgeresje als Alijt Kuinretorf mishandelt en uitscheldt, gedraagt hij zich als haar vijand. In de ogen van een hond zéker. Zo'n dier kent geen onderscheid tussen Kampense burgers en vijanden van buiten. Dus, om hem dat onderscheid te leren veroordeel ik voornoemde hond tot een bedevaart naar een heilig oord in het Oversticht, te doen voor het einde van de zomer.’
Hij pakte het koperen schepenhamertje en sloeg ermee op de tafel.
‘Alzo geschiede.’
Alijt kon de eerste ogenblikken haar geluk nauwelijks geloven. Tieske hoefde niet te worden afgemaakt, hij mocht blijven leven op voorwaarde dat...
Het was niet helemaal ongewoon dat een dier dat een overtreding had begaan tot een bedevaart werd veroordeeld om zijn zonden schoon te wassen. Het was eerder voorgekomen, ook in Kampen. Juist in Kampen, waar huisdieren als een soort minderwaardige medeburgers werden beschouwd. Toch begreep Alijt het nog niet goed. Hoe kon een hond een bedevaart maken? Dan moest er toch iemand met hem meegaan?
Wat vooral goed tot haar doordrong was, dat Tieske er
dank zij schepen Van Wilsen genadig afkwam. Ze viel op haar knieën met haar armen om het dier heen en fluisterde: ‘Dank u. O, dank u.’
Kootje werd door zijn woedende vader de schepenzaal uitgesleurd. De beide vrouwen die als getuigen waren opgetreden knikten Alijt vriendelijk toe en vertrokken. Toen huppelde zij ook weg, hevig opgelucht met Tieske aan de riem, naar buiten. Het benauwdste uurtje van haar leven tot nu toe had ze achter de rug.