terug  begin  verder
[p. 23]

3 Zware storm

Twee dagen later werd de stad Kampen, midden augustus nog wel, getroffen door een hevige storm. Zelfs de oudste bewoners van de anders zo zonnige stad hielden vol dat zo'n vreselijke zomerstorm bij hun weten niet eerder was voorgekomen.

Het water van de IJssel golfde en spoot in fonteinen tegen de kade op. De houten brug kraakte en zwiepte zodat de mensen het gevaarte nauwelijks meer durfden betreden. De kraan naast de brug stond te trillen onder de beukende slagen van de wind en over de kleine steentjes van de kade rolden afgerukte takken, los stro, een kapotte mand, afgewaaide mutsen, kippeveren en stukken zeildoek.

Dakpannen vlogen door de lucht, strodaken - daarvan waren er niet veel meer - werden afgerukt. In de schoorstenen van de duurdere huizen loeide de wind alsof vijf duivels tegelijk vochten om binnen te komen. Tussen de overkraagde huizen in de nauwe stegen floot de wind een helse melodie. Afgemeerde binnenvaartschepen in de Burgel rukten aan hun touwen, schuurden tegen elkaar en raakten daardoor soms beschadigd. Alle molens op de wallen stonden stil, de wieken stevig verankerd, want als de wind daar vat op kreeg zouden ze als gekken beginnen te draaien en kon de hele molen in brand vliegen. De Kampenaars hadden uit voorzorg hun vuren gedoofd, de luiken voor de ramen vastgespijkerd, de deuren vergrendeld en hokten bijeen in hun benauwde woonkamertjes, angstig luisterend naar het geweld van water en wind.

[p. 24]

Het noodweer was in de middag begonnen en ging de halve nacht door. Rillend zaten de vrouwen om de dode haard en baden voor de schepen die in deze gruwelijke nacht buitengaats waren. Van reder Hendrik Kuinretorf waren drie schepen op zee. Zouden die ooit terugkeren? Alijt, in het opkamertje, schrok ook telkens wakker van het lawaai. Ze hoorde haar moeder en Aagje door het achterhuis stommelen en ze dacht aan haar vader, die op reis was. Zou het in het Sticht ook zulk beestenweer zijn? En was hij dan veilig in het herenlogement of mocht hij bij de bisschop in diens paleis logeren? Ze wist hoe hij reisde: eerst met een binnenschip de IJssel op tot aan Arnhem en dan de Rijn af tot Wijk bij Duurstede, waar de bisschop een kasteel bezat. Als de bisschop daar niet was, zou vader moeten doorreizen tot Utrecht, over de Kromme Rijn. Alijt, die erg gesteld was op haar vader, hoopte vurig dat hem onderweg niets zou overkomen.

Zelf was ze nog nooit met een schip de IJssel opgevaren en de Rijn afgezakt. Niettemin probeerde ze zich voor te stellen hoe dat was, wat haar vader dan allemaal te zien kreeg. Waren Arnhem en Utrecht mooie steden, mooier nog dan Kampen? Nee, dat geloofde Alijt niet. Een mooiere stad dan Kampen bestond er op de hele wereld niet, meende ze. Hoe vaak had ze niet aan de overzijde van de rivier bij IJsselmuiden aan de oever gestaan en het silhouet van de stad tegenover haar ingedronken, met de machtige muren en poorten en met de torens die daarachter oprezen tegen de heldere lucht. Kampen, waar zo vaak de zon scheen; Kampen, de machtigste handelsstad van het noorden! Een stad die uit haar knellende muren barstte en moest worden uitgebreid! O, ze hield er zo van. Ai, wat ging die wind te keer! Straks waaide de schoorsteen nog van het dak. Omdat ze toch niet kon slapen

[p. 25]

ging ze bidden voor haar zieke zuster, maar vooral voor de vissers en kooplieden die in deze spooknacht op zee voeren. Als de storm zo op die hulken beukte en de golven huizenhoog opjoeg dan werden schipper en schippers-knechten één, verkeerden ze in hetzelfde gevaar en kenden dezelfde angst voor een natte dood. Toen tegen de ochtend de wind afnam viel ze toch nog in slaap en ze droomde van heksen die door de schoorsteen naar buiten vlogen, de jagende wolken tegemoet waar ze krijsend op de storm reden.

Hoe laat was het toen ze ontwaakte? Het luik voor het enige raampje was dichtgespijkerd en het was aardedonker om haar heen. Ze stapte uit bed en viel bijna over Tieske. Op de tast kleedde ze zich aan en zocht haar weg naar het achterhuis. Daar waren de luiken al weggehaald en de deur stond wijd open naar het achtererf.

Moeder Mette en Aagje waren bezig met de ochtendpap en in de bedstee zat Agnes rechtop hongerig te wachten tot de pap klaar zou zijn.

‘Niese’ riep Alijt blij toen ze zag dat de koorts was geweken, ‘je wordt beter.’

Agnes, die liefkozend Niese werd genoemd, knikte bleekjes. ‘Mijn keel doet nog pijn maar ik... ik heb honger.’

‘Een goed teken,’ zei Mette. ‘Aagje, je moet toch straks nog maar een doek met gesneden uien om haar hals binden. Dat helpt goed. En je blijft vandaag nog maar in bed, Niese.’

‘Ja moeder.’

‘En ik?’ vroeg Alijt hunkerend, ‘ik mag toch wel naar buiten?’

‘Och, waarom niet.’

Aagje begon meteen te jammeren.

‘O, vrouw Kuinretorf, laat het kind toch binnenblijven.

[p. 26]

Het waait nog steeds en ik ben bang dat de straten bezaaid liggen met takken, pannen en schoorstenen.’

‘Dat wil ik juist zien,’ riep Alijt. ‘Aagje is altijd maar bang, nou, ik niet hoor.’

Mette moest erom lachen. Agnes had een tere gezondheid, Alijt niet. Die stapte overal met een nieuwsgierig gezichtje op af en schrok pas later van haar eigen moed. Ze was weliswaar geen ongehoorzaam kind maar wel ondernemend. Een ware dochter van haar vader.

‘Doe dan een sjaal om als je naar buiten gaat,’ zei Mette.

‘Het is wel zomer, maar na vannacht kan het nog winderig zijn. En aan één ziek kind heb ik genoeg.’

‘Ik ben niet ziek meer,’ kraakte Agnes in de bedstee.

‘En houd Tieske aan de riem als je hem meeneemt,’ ging moeder verder. ‘Ik wil niet dat hij nog eens een plagende jongen aanvalt.’

Even later liepen Alijt en haar hond door de nauwe straten van Kampen. Aagje kreeg gelijk. Sommige stegen waren helemaal versperd met van de huizen losgeraakte stukken hout, leien dakpannen en onnoemelijk veel rommel. Vrouwen, mannen en kinderen waren druk bezig zoveel mogelijk weg te ruimen en de stegen vrij te maken. De eerste boerenkarren kwamen al door de poorten de stad binnenrollen.

Alijt liep regelrecht naar de Koornmarkt en door de poort naar de IJsselkade om te zien of de brug er nog was en of de schepen langs de kade de nacht goed waren doorgekomen. Welnu, dat viel mee. De brug leek onbeschadigd, de meeste schepen leken er redelijk goed afgekomen. Hier en daar zag je een geknakte mast of een kapot want en gescheurd zeildoek. Ook de kraan stond nog overeind. Alleen het tolhuisje had geen dak meer, maar een stuk of vijf mannen waren al bezig dat te her-

[p. 27]

stellen. Alijt was blij dat de mooie stad niet al te zeer had geleden onder de onverwachte zomerstorm. Met Tieske aan de riem huppelde ze over de IJsselkade en liep de dagloners voortdurend in de weg. Nu kwam alles goed. Tieske hoefde niet afgemaakt te worden, Kampen bestond nog, haar vader zou over een paar dagen thuiskomen om te vertellen over zijn reis en Agnes was bijna beter. Het was een moeilijke week geweest, maar nu begon de zon door de wolken te breken - letterlijk - en het leven zag er weer hoopvol uit.

Later die dag kwam er nog meer goed nieuws, toen één van Kuinretorfs schepen binnenliep, weliswaar met een half afgebroken mast en een gewonde schippersknecht, maar met onbedorven lading. Mette ging, vergezeld door Aagje, zelf naar de IJsselkade om de schipper welkom te heten en de schade op te nemen. Bij afwezigheid van haar man nam zij de zaken waar. Dat was in Kampen, waar zoveel mannen zomers op zee of op reis waren, heel gewoon.

‘Hoe moet het nu met Tieske?’ vroeg Alijt die avond aan haar moeder. ‘Voor de zomer om is moet hij een bedevaart gemaakt hebben. Hoe kan dat?’

‘Het heeft geen haast,’ zei Mette, opkijkend van het kasboek. ‘Wacht tot je vader er weer is, die zal dat wel regelen.’

‘Ik hoop het.’ Alijt keek naar de hond, die haar trouwhartig aanzag, aaide hem over de kop. ‘Je zult op reis moeten gaan, Tieske. Wil je dat?’

‘Woef,’ zei Tieske.

 

Anderhalve dag later, nog vóór de noen, kwam Alijts vader thuis, eerder dan hij werd verwacht. Alijt vloog hem juichend om de hals, vertelde over Tieske en het

[p. 28]

vonnis van de schepenen, vertelde over Kootje van den Vene, die aan haar rode vlecht had getrokken en haar heksenkind had genoemd, over Aagje, die het Rechthuis niet durfde binnengaan, over de storm en... Dat alles zo wild door elkaar dat Hendrik Kuinretorf er geen touw aan kon vastknopen.

‘Kalm toch, kleine wildzang,’ riep hij lachend, ‘laat me eerst mijn mantel afdoen en je moeder begroeten. Ha, daar hebben we Niese. Wat zie je bleek, mijn lammetje.’ Agnes kuste haar vader en wees op haar keel. Ze was nog steeds hees.

‘Niese is erg ziek geweest, wel vijf dagen lang,’ ratelde Alijt. ‘Maar moeder en Aagje hebben heel goed voor haar gezorgd en nu is ze weer beter. En de Mette II is eergisteren veilig binnengelopen.’

Het duurde een tijdje eer Hendrik Kuinretorf volledig op de hoogte was gebracht van alle gebeurtenissen tijdens zijn afwezigheid. Maar hij moest nog naar het Rechthuis om verslag uit te brengen van zijn besprekingen met de bisschop en daarna wilde hij gaan kijken naar de Mette II en de gewonde schippersknecht bezoeken.

‘Ik mag mee, hè?’ bedelde Alijt. ‘Toe, vader.’

‘Heb je je lessen al gemaakt?’

‘O ja, ik was de hele ochtend thuis. Toe, mag ik?’

Hendrik Kuinretorf had het jarenlang betreurd dat hij alleen dochters had en geen zoons. Maar Alijt, de jongste, maakte alles goed. Ze was vlug van begrip, zag nooit ergens tegenop en scheen meer moed te bezitten dan een jongen. Hoe eerder ze van de zaken van haar vader op de hoogte was, hoe beter, vond de reder. Dan kon ze later haar man, die natuurlijk ook uit een rijke zakenfamilie moest komen, in alles bijstaan, net zoals Mette nu haar man hielp.

[p. 29]

‘Goed,’ zei Hendrik dus. ‘Maar bij het Rechthuis moet je buiten wachten. Lang zal het niet duren.’

Alijt ging Tieske roepen en samen met haar vader en haar hond liep ze naar de Oudestraat: een deftige grote man en een blij meisje.

‘Tieske mag niet meer los rondlopen,’ babbelde Alijt, ‘omdat hij die nare Kootje heeft gebeten. Maar als ik Kootje nu tegenkom gaat die met een wijde bocht om ons heen. Maar goed ook, hij is een mispunt.’

‘Foei Alijt, zo praat je niet over een schepenzoon.’

Toch was Hendrik oprecht blij dat hij geen zoon had als die Kobus.

Alijts koperrode vlecht danste op haar rug. Vader Hendrik trok er even plagend aan, niet te hard.

‘Je hebt zulk mooi haar.’

‘Ik zou veel liever blond zijn, net als moeder en Niese,’ zuchtte Alijt. ‘Dan werd ik er niet zo mee geplaagd.’

‘Waarom zijn vrouwen toch nooit tevreden met hun uiterlijk?’ lachte Hendrik.

In de Oudestraat moest ze een uurtje wachten tot haar vader zijn zaken op het Rechthuis had afgehandeld. Er viel trouwens genoeg te zien, want een op heterdaad betrapte dief zat in de kaak te kijk voor het toegestroomde volk. De vodden hingen om zijn magere lijf en hij had een klompvoet, zag Alijt. Daardoor had hij zeker niet snel genoeg kunnen wegkomen toen hij werd betrapt op zijn poging tot inbraak. Ze vond hem zielig, vooral omdat hij werd bekogeld met visafval, drek en modder. Telkens wanneer iemand hem had geraakt en het vuil langs zijn gekwelde gezicht stroomde ging er een gejuich op. Tieske gromde een beetje en de haren op zijn rug gingen plotseling overeind staan. Snel keek Alijt om zich heen en herkende Kootje van den Vene tussen het honende volk.

[p. 30]

Pats! Kootje had een stinkei in de richting van de arme drommel gegooid en hem vol op het voorhoofd getroffen. De man begon te braken van ellende.

De omstanders joelden en klapten in de handen; Kootje grijnsde breed. Maar Tieske begon tegen hem te blaffen alsof hij wilde waarschuwen: ‘Denk erom dat je mijn meesteres niets naar het hoofd gooit!’ Kootje met zijn nog steeds verbonden arm ging toen maar wat naar achteren. Bah, dacht Alijt, echt iets voor Kootje om plezier te beleven aan de straf van een arme zondaar.

Ze was blij toen ze haar vader weer zag verschijnen. Hendrik Kuinretorf keek niet naar de dief in de kaak maar vatte zijn dochtertje meteen bij de hand.

‘Nu gaan we naar de kade.’

Het koggeschip Mette II lag afgemeerd naast het tolhuisje. Alijt mocht mee aan boord om de ravage die de storm had aangericht te bekijken. Het ruim was de vorige dag onder toezicht van moeder Mette al leeggehaald.

Het schip had wol aangevoerd.

Terwijl haar vader met de schipper praatte leunde Alijt tegen de verschansing en keek uit over de IJssel. Augustus was al een eind op streek. Langzamerhand zouden de schepen die gedurende de zomer op zee waren geweest stuk voor stuk binnenkomen. Dat was altijd een spannende tijd. Wie kwamen terug? Wie waren op zee gebleven, vergaan in slecht weer, of gekaapt door zeerovers? Koggen als de Mette II die op Engeland voeren maakten wel drie reizen gedurende de zomermaanden. Andere schepen, zoals vaders Mette I, bleven soms maanden weg omdat ze heel ver gingen, tot in Spanje of Rusland toe. Uit Rusland kwamen de prachtige pelzen, waarvoor de rijke kooplieden van de IJsselsteden flink wat geld wilden neertellen.

[p. 31]

Plotseling ontstond er op de kade beroering. Mensen begonnen te roepen en te wijzen. Uit het westen kwam weer een schip aan. Alijt richtte zich op, tuurde met de hand boven het hoofd over het glinsterende water. Ja, nu zag zij het ook. Het was een karveel met een vreemde vlag in top en zo te zien ook lang niet gaaf meer. Het schip voer uiterst langzaam met gescheurde zeilen en het scheen moeite te hebben om een rechte koers aan te houden. De schipper en vader Hendrik kwamen bij Alijt staan en keken hoe het kreupele schip uit de Delta kwam opdoemen en moeizaam in de richting van de stad schoof.

‘Een Portugees,’ zei de schipper, die de gerafelde vlag herkende. Het gebeurde niet vaak dat een Portugees karveel de stad Kampen aandeed.

‘Ziet er goed gehavend uit,’ mompelde Hendrik.

‘Ja, die moet het zwaar te verduren hebben gehad,’ knikte de schipper. ‘Ik denk dat hij op weg was naar Amsterdam en door de storm uit de koers is geraakt.’

Hendrik Kuinretorf gromde. Amsterdam begon steeds meer de concurrent van Kampen te worden.

‘Als we geluk hebben is die Portugees met wijn geladen,’ zei de schipper hoopvol. Hij hield wel van een goed glas. Het duurde nog ruim een uur eer het zwaar gehavende schip langs de kade lag.

Dagloners renden er al heen, hopend op nog een paar uren extra werk. Maar opeens deinsden ze terug en schoolden mompelend bijeen. Vader Hendrik pakte zijn dochter bij de hand en nam haar mee, de kade op. Die opschudding moest een oorzaak hebben, en net als Alijt wilde Hendrik overal bij zijn. Met verdwaalde schepen en wie weet welke kostbare lading vielen goede zaken te doen.

De aarzeling van de bootwerkers had een oorzaak, zag

[p. 32]

Alijt nu. Over de loopplank van het geteisterde schip kwam een deftig heerschap schrijden. Hij was gekleed in een kleurig wambuis dat tot aan zijn dijen reikte, met daaronder een korte nauwe broek en rode kousen. Op het donkere hoofd een zwierige baret met een lange sluier. Onder zijn arm hield hij een met ijzer beslagen kistje. De man had een donkere baard met daarboven een haakneus en donkere wat uitpuilende ogen. Zijn gezicht was lang en benig en zijn hele verschijning schreeuwde het uit: ik ben een vreemdeling!

Toch was het niet deze vreemde koopman die de grootste sensatie had veroorzaakt. Het was zijn begeleider, die vlak achter hem aan liep. De dagloners schreeuwden:

‘Een duivel!’

Ze stoven uiteen en lieten de Portugees enigszins verbouwereerd op de kade staan. Ook Alijts mond viel open. Want de bediende van de koopman, degene voor wie de werklieden wegliepen, was een wezen zoals ze nog nooit had gezien. Zwart was hij, roetzwart! Hij was niet groter dan zijzelf, maar wonderlijk gekleed in een rood met geel gestreept wambuis, lange gele kousen, schoenen met gespen, en op zijn ravezwarte krullebol droeg hij een baret in dezelfde kleur. Zijn zwarte gezicht joeg de omstanders schrik aan, en ze deinsden terug voor de dikke lippen, de pikzwarte ogen, waartegen het oogwit opvallend afstak. Om zijn hals droeg hij een lederen band met glittersteentjes. Aan die band was een riem bevestigd waarvan de koopman het uiteinde in de hand hield. Nee, dat kon geen mens zijn. Dat was een duivel.

Een getemde duivel?

‘Wat... wat is dat?’ fluisterde Alijt.

De schipper van de Mette II, die hen was gevolgd, grinnikte even.

[p. 33]

‘Een negerslaafje,’ zei hij.

‘Een watte?’

‘De Portugezen varen geregeld langs de kusten van Afrika en brengen dan soms van die zwarte mensen mee, als slaaf of bediende.’

‘Zijn het... zijn het duivels?’

‘Welnee,’ zei Hendrik, ‘dit is gewoon een jonge slaaf, hij is alleen zwart.’

‘Een mens?’

‘Ja, maar met een andere huidskleur.’

‘Ik vind hem griezelig,’ bekende Alijt. Ze begreep de angst van de dagloners, die net als zij zoiets ook nooit eerder hadden gezien.

De Portugees wendde zich tot zijn slaafje, zei iets tegen hem, en toen lachte het wezen. Hij vertoonde een rij hagelwitte tanden die zo fel blikkerden dat het Alijt koud over de rug liep.

De kademeester, intussen gewaarschuwd, trad voorzichtig op de koopman toe en maakte aanstalten een gesprek met hem te beginnen. Daarbij keek hij telkens enigszins benepen naar het negerslaafje. Alleen het feit dat die aan een riem werd meegevoerd scheen hem gerust te stellen. Maar erg dichtbij durfde hij toch niet te komen.

‘Wacht hier,’ zei Hendrik tegen zijn dochter. Hij liet haar los en stapte op de kademeester en de Portugees toe. Alijt kon niet horen wat er werd gezegd. De koopman praatte met handen en voeten, maar hij scheen toch een paar woorden Nederlands te kennen, want Alijt zag haar vader knikken en ook de kademeester maakte gebaren. Hij wees naar het gehavende schip en toen naar het einde van de kade waar de scheepswerf lag.

Alijt echter lette meer op het negerslaafje, dat zich stil afzijdig hield en met rollende ogen de herrie op de IJssel-

[p. 34]

kade aanzag. Langzamerhand had zich op enige afstand een muur van volk gevormd. De mensen stootten elkaar aan, riepen van alles, wezen en grinnikten.

De Portugees gaf een rukje aan de riem en onmiddellijk knielde het negertje en begon met zijn blote handen het stof van zijn meesters schoenen te vegen. Het volk op de achtergrond schaterde en joelde, maar bleef op afstand.

Alijt, met Tieske aan de lijn, liep op de mensen toe.

‘Het is een negerslaaf,’ zei ze, al begreep ze zelf niet goed wat dat betekende.

‘Het is een duivel aan een ketting,’ riep een visverkoper.

‘Hij ziet zwart van de zonde,’ gilde een vrouw.

Maar daar was schepen Van den Vene samen met zijn zoon Kootje.

‘Praat toch geen onzin, mensen,’ zei hij bars. ‘Het is een inwoner van Afrika, waar alle mensen zwart zijn omdat de zon er altijd zo fel schijnt. Dat weet toch een kind.’

Welnu, de Kampenaren wisten het niet, want ze vonden de jonge neger een grote bezienswaardigheid, die je de koude rillingen over de rug joeg, wat een prettige gewaarwording was. Schepen Van den Vene maakte nu een beweging alsof hij ook naar de Portugees toe wilde gaan, maar Kootje hield hem angstig bij een mouw vast.

‘Niet doen, vader, niet naar de duivel gaan.’

‘Ach jij.’ Met een grom rukte de man zich los en liep verder, met op zijn gezicht een uitdrukking die Alijt maar al te goed kende, want ook haar vader kon zo kijken. Dan roken de grote mannen van Kampen nieuwe zaken die flink geld konden opbrengen. Van den Vene kwam echter te laat. De kademeester stapte opzij en ging aan boord van het Portugese schip. Vader Hendrik, de vreemdeling en zijn slaafje liepen zij aan zij in de richting van de Koornpoort. Ze kwamen rakelings langs Alijt.

[p. 35]

‘Kom mee, meisje,’ riep Hendrik haar toe. Ze was even teruggedeinsd voor het zwarte gezicht, maar nu volgde ze gehoorzaam, Tieske met zich meetrekkend.

Achter haar kwamen de straatjongens, de nieuwsgierigen, de vrouwen die een kruis sloegen en elkaar van alles toeriepen en zelfs dagloners die hun jacht op karweitjes vergeten schenen te zijn. De stoet werd steeds langer, en Alijt versnelde haar pas om dichter bij haar vader te komen. Waar ging hij met de Portugees heen? Naar het Rechthuis? Maar in plaats van de Oudestraat in te slaan, wat ze half en half verwachtte, liep vader rechtuit de Muntsteeg in, en toen werd het haar duidelijk: vader Hendrik nam de Portugees en diens slaafje mee naar zijn eigen huis op de Burgwal!

Het werd Alijt onbehaaglijk te moede en ze keek om. Nog altijd werden ze gevolgd door een groep nieuwsgierigen. Deed vader er wel verstandig aan de vreemdeling en het zwartje mee naar huis te nemen? Aagje zou zich minstens halfdood schrikken.

Alijt geloofde niet echt dat de negerslaaf een soort duivel was, al hoorde ze dat steeds achter zich roepen. De Moriaan liep als een mens rechtop, hij had maar twee benen, geen staart en twee handen die van binnen merkwaardig roze leken. Hij moest dus wel een soort mens zijn. Waren alle negerslaven zo klein dat ze een kind leken, of wàs dit een kind? En als hij een mensenkind was, hoe kwam hij dan zo zwart? En waarom werd hij aan een riem meegevoerd als een hond die niet helemaal te vertrouwen was omdat hij op een keer een schepenzoon had gebeten? Ze kwam er niet uit.

Maar nu hadden ze de Burgwal bereikt en hielden stil voor hun mooie stenen huis met de houten voorgevel. Vader Hendrik ontsloot de voordeur. Die kwam meteen

[p. 36]

uit in het voorste woonvertrek, waar moeder en Agnes bij het raam zaten te borduren. De meid Aagje kwam juist uit het achterhuis om iets te vragen en bleef stokstijf midden in de kamer staan.

Eerst zag ze de reder en dat was gewoon. Toen zag ze Alijt met Tieske aan de riem en dat was ook niets bijzonders. Pas daarna viel haar oog op de vreemdeling. Meester Kuinretorf bracht wel vaker vreemde zakenlui mee naar huis, al vond Aagje dat niet prettig. Maar eindelijk zag ze het negerslaafje. Gillend stoof ze achteruit.

‘Vrouw Kuinretorf... kijk toch... och here, uw man heeft een demon meegebracht!’

Moeder Mette was opgestaan en bleef kalm. Trouwens, Alijt had haar moeder nog nooit in paniek gezien. Agnes echter liet haar borduurwerk uit de handen vallen.

Hendrik glimlachte maar eens, schudde het hoofd en stelde zijn gast voor:

‘Vrouw, dit is senhor Joao Carvalho, wiens schip vol wijn door de storm eerder deze week danig werd beschadigd en ver uit de koers geslagen. Dit zwarte kind is zijn bediende - of liever, zijn slaaf. Laat Aagje de gastenkamer in gereedheid brengen, want senhor Carvalho blijft enige dagen bij ons logeren. Zijn schip moet eerst gerepareerd worden.’

‘Ge zijt welkom, senhor Carvalho,’ zei Mette. De Portugees maakte een soort buiging voor haar, en toen ze hem haar hand toestak bracht hij die naar zijn lippen. Alijt onderdrukte een giechel en bewonderde haar moeder, die dit alles bedaard opnam alsof het heel normaal was dat iemand haar behandelde als een edelvrouw. Wel keek Mette even nieuwsgierig naar het negertje.

De Portugees kreeg een stoel aangeboden, er werden een kruik wijn en een tinnen beker voor hem neergezet.

[p. 37]

Agnes schoof langs de muur in de richting van Alijt.

‘Is dat een kind?’ vroeg ze fluisterend. ‘Hoe komt hij zo zwart?’

‘Het is een slaafje,’ antwoordde Alijt net zo zacht.

‘O?’

‘Uit Afrika. Daar zijn alle mensen zo. De zon bakt hen helemaal bruin.’

‘Wat raar.’

‘Sst.’

De Portugees maakte de riem van de halsband los en wees streng naar een hoekje van de kamer, waar de trap naar de bovenverdieping begon. Hij zei iets onverstaanbaars en de slaaf sloop erheen en ging gehurkt onder de trap op de grond zitten. Bijna verontschuldigend keek de koopman naar Mette.

‘Danga niet gevaarlijk,’ zei hij in gebroken Hollands.

‘Hij heel gehoorzaam.’

‘Ja, ja,’ knikte Mette, ‘hij ziet er ook helemaal niet gevaarlijk uit. Maar waarom voert u hem dan mee aan een riem?’

Dat had Alijt zich ook al afgevraagd. De vreemdeling maakte een paar gebaren.

‘Mensen soms bang van zwart gezicht. Is goed zij bang zijn. Rovers durven niet. Denken Danga zal bijten.’

Slim hoor, dacht Alijt. Maar het zal je toch gebeuren om met zo'n opvallende halsband en dan nog aan een riem over straat te moeten lopen! Iets als medelijden begon zich in haar te roeren.

Er werd op de buitendeur gebonsd en Agnes ging opendoen. Op de stoep stond een vreemde matroos met een kist op de schouders. De Portugees was opgestaan.

‘Mijn,’ wees hij. Vader Hendrik nam de scheepskist in ontvangst en drukte de matroos een muntje in de hand.

[p. 38]

‘Aagje!’ riep hij luid, maar de meid durfde zich niet te vertonen. ‘Goed dan. Alijt, wijs jij senhor Carvalho de gastenkamer dan maar.’

Alijt liep naar de trap, terwijl de Portugees een paar scherpe woorden tot zijn slaafje zei. Danga kwam gewillig overeind en probeerde de kist op zijn rug te hijsen.

‘Veel te zwaar,’ zei Alijt. Ze schoot toe en sjouwde samen met het negertje het ding de trap op. Senhor Carvalho keek hen hoofdschuddend na.

Op de overloop van de eerste verdieping liet de Moriaan met een zucht de kist uit zijn handen glippen. Alijt trok het ding over de drempel de voorkamer in.

‘Zwaar hoor,’ zei ze, ‘wat zit er allemaal in?’ Ze moest om zichzelf lachen, want het slaafje kon haar natuurlijk niet verstaan. En hij scheen vreselijk verlegen omdat een meisje hem hielp.

Alijt wees op het mooie bed.

‘Daar slaapt vannacht je meester.’

De Portugees was hen naar boven gevolgd, keek de kamer rond en knikte tevreden. Hij liep naar het venster, keek door de groene ruitjes naar de drukte van de Burgel en scheen het een plezierige aanblik te vinden. Alijt, die wel begreep dat haar vader hoopte voordelig zaken te kunnen doen met de vreemdeling, ging naast hem staan.

‘Vindt u Kampen geen fijne stad?’ vroeg ze. Verwonderd dat het meisje hem zomaar aansprak keek hij op haar neer. Blijkbaar vond hij haar erg brutaal.

Ze vond hem niet erg aardig, maar hij was een gast, een belangrijke gast nog wel, een héér, dus ze moest beleefd blijven. Om hem te tonen wat een welopgevoed meisje ze was glimlachte ze tegen hem en keek toen naar Danga, die in een hoekje van de kamer ineengedoken op zijn hurken zat. De Portugees wees gebiedend op de scheeps-

[p. 39]

kist en zei iets. Snel sprong het negertje op en begon de kist uit te pakken.

Alijt ging terug naar beneden, gevolgd door de koopman. In de kamer ging ze stilletjes naast Agnes zitten. Danga had haar niet gebeten, zelfs niet met een vinger aangeraakt toen ze hem te hulp was gekomen. Senhor Carvalho had de waarheid gesproken, het zwarte slaafje was niet gevaarlijk. En nu ze hem van heel dichtbij had gezien wist ze het zeker: Danga was nog maar een kind.

terug  begin  verder