Zoals de schipper al had vermoed was de Portugese koopman Joao Carvalho met zijn karveel vol wijn op weg geweest naar Amsterdam, waar hij een bijkantoor bezat. Omdat hij veel zaken met de Amsterdammers deed sprak hij een beetje Hollands. De storm van enkele dagen geleden had zijn schip echter volledig uit de koers geslagen, het roer onklaar gemaakt, een deel van de verschansing weggeslagen en drie van de vier zeilen vernield. Urenlang had het ernaar uitgezien dat de koopman, zijn schipper, de bemanning en de wijn een vroeg einde in de golven zouden vinden. Biddend in uiterste nood had de Portugees alle heiligen aangeroepen en beloofd dat, mocht hij ooit levend een veilige haven bereiken, hij onmiddellijk een bedevaart zou doen naar een vermaard oord, om te danken voor zijn redding. Wist senhor Kuinretorf soms een mooi bedevaartsoord in het Oversticht waar hij, de wonderbaarlijk geredde, zijn dank kon betuigen? O, ja, zo'n bedevaartsoord kende Hendrik wel. Hij ried zijn gast aan zich naar Salland te begeven, waar in de omgeving van het gehucht Frieswijck een boom stond die gewijd was aan Onze Lieve Vrouwe. Die boom droeg ook het beeld van de Maagd en er kwamen geregeld mensen bidden, danken of gunsten afsmeken.
‘Ver?’ vroeg de koopman.
‘Ach nee, ongeveer twee dagreizen van hier.’
Nadat de storm was uitgewoed was het prachtig weergeworden. De zon scheen, een zoel windje bewoog de
bomen op de Burgwal, die zich spiegelden in het water van de Burgel. Niets wees meer op de verschrikkingen uit het begin van de week. Maar een gelofte was een gelofte: senhor Carvalho moest ter bedevaart gaan.
Hendrik had van zijn vrouw het verhaal gehoord over het oordeel dat over de hond Tieske was uitgesproken en hij had er het hoofd bij geschud omdat hij het diep in zijn hart een onzinnig vonnis vond. Maar hij dacht er niet over zijn mede-schepenen af te vallen. Dus had hij al een paar dagen lopen tobben over: hoe moet dat dan? Zelf had hij beslist geen tijd om met de hond naar welk bedevaartsoord dan ook te reizen, zeker niet nu hij met de wijnhandelaar was overeengekomen dat hij de hele lading uit diens gehavende schip zou overnemen.
Die lading kon hij mooi snel verder verkopen met een zoete winst. Weliswaar had Hendrik er een bedrag voor geboden dat ver onder prijs was die de Portugees er in Amsterdam voor had kunnen krijgen, maar senhor Carvalho had extra geld nodig om zijn schip te laten repareren en daarom geen bezwaar gemaakt. De tijd die de reparatie in beslag zou nemen kon hij benutten om zijn gelofte in te lossen en zijn bedevaart te maken. Begin september zou hij dan met een lading linnen naar Amsterdam kunnen varen om zo de schade die hij door de storm had geleden enigszins te beperken.
‘Ik zal u onze hond Tieske meegeven naar Frieswijck,’ zei Hendrik, die dat zelf een goede inval vond. Was hij meteen van dat probleem af.
Maar nu begon de Portugees, eerst zo meegaand, heftig tegen te stribbelen.
‘Niet nodig. Hou niet van honden. Bijten. Danga bescherming genoeg.’
Het bleek dat hij, in tegenstelling tot de meeste Kampe-
naren, een afschuw had van dieren. De katten van de Kuinretorfs vermeed hij zorgvuldig. Als hij ergens in huis Tieske tegenkwam begon hij te roepen en moesten Alijt of Danga eraan te pas komen om de hond bij de halsband te grijpen en weg te trekken. Desondanks maakte de vreemdeling gaarne gebruik van de gastvrijheid van de Kuinretorfs, want dat spaarde hem de kosten voor een logement uit.
Hendrik streek peinzend over zijn kin. Hij probeerde de koopman uit te leggen dat het noodzakelijk was dat ook Tieske de tocht naar de Heilige Boom van Frieswijck maakte. Dat begreep de koopman niet. Maar hoe kon je een vreemdeling, een wijnhandelaar bovendien, duidelijk maken dat honden en katten in Kampen zo'n belangrijke plaats innamen?
‘Tieske is heus heel erg lief,’ zei Alijt, aan wie niets was gevraagd. Ze wees naar het hoekje onder de trap waar Danga op zijn vaste plaats zat en waar Tieske languit naast hem lag.
‘Bemoei je er niet mee, kind,’ zei moeder Mette snel. Alijt boog het hoofd, maar ze vond het standje onrechtvaardig, want Tieske was háár hond en alles wat hem aanging, ging haar ook aan.
Toen keek ze op en zag het gezicht van haar vader. Hendrik wist niet goed wat hij nu nog moest voorstellen. De hond moest een bedevaart maken, voor het einde van de zomer!
‘Laat mij dan ook meegaan,’ riep Alijt. ‘Naar mij luistert Tieske altijd.’
‘Gekkie,’ lachte Agnes.
Ze was weer helemaal beter, kreeg weer kleur op haar wangen. Niemand zou geraden hebben dat ze ruim een week geleden nog zo ziek was geweest.
Ook Mette had snel nagedacht.
‘Wat Alijt daar voorstelt is zo mal nog niet,’ zei ze. ‘En dan moet Niese ook meegaan. Ik vertelde je toch al hoe ziek ze was toen jij naar Utrecht was gegaan? Ze had hoge koorts en was er slecht aan toe. Ik heb een hele nacht bij haar gewaakt en tot de Maagd Maria gebeden of ze ons kind weer beter wilde maken. En kijk, Onze Lieve Vrouwe verhoorde mijn gebed; Niese is weer even gezond als Alijt, dank zij de voorspraak van Maria. Ik vind dat we daar heel dankbaar voor moeten zijn.’
Hendrik keek donker. Zijn twee jonge dochters toevertrouwen aan een Portugese koopman die pas enkele dagen in zijn huis logeerde, van wie hij verder niets wist en die er bovendien een slááf op na hield?
Alijt lette niet op zijn aarzeling.
‘Ja vader, dat is een goed idee van moeder,’ riep ze opgetogen. ‘Niese gaat Maria danken voor haar herstel. Ik ga Haar danken omdat Tieske niet hoeft te worden afgemaakt. Senhor Carvalho gaat Maria danken voor zijn redding en Tieske gaat boete doen omdat hij Kootje aanvloog.’
En, dacht ze erbij, ik ga lekker wat van de wereld zien.
Maar dat zei ze niet hardop.
‘Ik vind het alleen goed als ook Aagje meegaat om op de meisjes te passen,’ zei Mette beslist.
Hendrik aarzelde nog steeds.
‘Kun je Aagje dan zolang missen, vrouw?’
‘Ach ja, voor een weekje... Ik huur wel een werkvrouw uit de stad.’
‘Hm.’
‘Danga ook mee,’ zei de Portugees. ‘Hij mij bedienen.’
Daaraan had Mette niet gedacht. Zo'n Moriaan zou wel opzien baren in een bedevaartsoord aan de rand van
Salland! Was het slaafje eigenlijk gedoopt of was hij nog altijd een heiden? vroeg Alijt zich af. Ze durfde het de koopman niet te vragen, maar die scheen te begrijpen wat er in de mensen om hem heen omging.
‘Is goed,’ knikte hij nadrukkelijk, ‘Danga christen.’
Zelfs Agnes keek blij, al kostte het haar nog steeds moeite om een mens te zien in het negertje met zijn zwarte gezicht, opvallend witte tanden en rollende ogen.
‘Toe vader, mogen wij?’ vleide Alijt. ‘We willen zo graag. En Tieske moet toch om zijn leven te redden. Hè toe, moeder vindt het best en Aagje zal vast en zeker heel goed op ons passen.’
Hendrik zuchtte en keek eens naar Agnes, die hem verrukt toeknikte. Mocht hij zijn oudste dochter verbieden haar dank uit te spreken voor haar genezing?
Hendrik Kuinretorf was een vroom man, en zoals iedereen in Kampen die belang had bij de zeevaart kende hij de waarde van die vroomheid. Met de hemel moest je op goede voet blijven staan wilden de zaken floreren en de schepen veilig een haven bereiken. Dus in plaats van ‘nee’ te zeggen, wat hij het liefst zou hebben gedaan, knikte hij kort. Alijt vloog overeind en viel hem om de hals.
‘O dank u. Wat heerlijk, we mogen op reis. Hoor je dat, Niese, we mogen op reis. Helemaal naar Frieswijck bij Deventer.’
Danga in zijn hoekje onder de trap keek naar Alijt en zij keek naar hem.
Zijn dikke lippen spleten vaneen in een stralende witte lach. Naast hem zat Tieske en het slaafje woelde met één lichte handpalm in de ruige bruine vacht.
Tieske knorde van genot.
Ze lijken op elkaar, dacht Alijt.