terug  begin  verder
[p. 45]

5 Gevaarlijke ontmoeting

De gemakkelijkste en veiligste wijze van reizen was per schip. Daarom werd besloten dat de bedevaartgangers aan boord zouden gaan van een binnenschip met bestemming Deventer. Vandaar zouden ze te voet gemakkelijk het gehucht Frieswijck kunnen bereiken, dat ruim een uur gaans noordoostelijk van Deventer moest liggen. Toen Aagje hoorde dat zij de beide meisjes zou vergezellen, sloeg ze jammerend de handen ineen.

‘Zo ver? Helemaal naar Deventer? Och here, wat een reis. Ik heb horen vertellen dat ze in Deventer elke misdadiger in een pot kokende olie stoppen.’

‘Dat is alleen een keer een valse munter overkomen, Aagje,’ suste Mette.

‘En wie zegt dat ze dat met mij ook niet zullen doen? Die Deventernaren - dat zijn wilden,’ protesteerde de meid.

‘Ik kan mijn kinderen niet alleen op reis sturen met de Portugees,’ betoogde Mette.

‘Wat, gaat die ook naar Deventer? Wat moet zo'n man in Deventer doen?’

‘Bidden, Aagje. Hij gaat op bedevaart naar Frieswijck, net als mijn meisjes. En Tieske zal jullie beschermen.’

‘O, voor Tieske ben ik niet bang, dat is een lief dier. Maar... gaat die zwarte duivel dan ook...?’ Aagje snakte naar adem. ‘Die griezel met zijn bijttanden en zwarte ogen? O, vrouw Kuinretorf, dat kunt u een christenmens toch niet aandoen. Hij kijkt me altijd aan of hij me wil opvreten.’

[p. 46]

‘Ook Danga is een christen.’

‘Maak dat de kat maar wijs, vrouw Kuinretorf. Zo'n zwarte duivel met van die enge ogen en tanden kan geen gewone christen zijn. En die Portugees met zijn haakneus is ook al zo'n engerd. Helemaal geel is-ie.’

‘Niet alle mensen zien er hetzelfde uit, domme meid.’

Aagje zuchtte eens diep.

‘Een fatsoenlijk mens is blond en heeft blauwe of grijze ogen. Kijk maar rond hier in Kampen,’ hield ze vol. Snel trok ze een strokleurige lok onder haar muts vandaan.

‘Aagje, je stelt je aan. Jij gaat mee om op mijn dochters te passen en daarmee uit.’

‘En wie moet al het werk hier in huis doen? De keuken schrobben, de stoep schoonhouden, de was mangelen...’

‘Er komt zolang een vrouw uit Haghen.’

‘Rauw volk daar in Haghen.’

‘Ja zeg, is het nou afgelopen? Jij gaat mee en daarmee uit. Ik heb genoeg van je gejammer en uitvluchten. Ik reken erop dat je goed voor de meisjes zorgt en erop toeziet dat ze geen kattekwaad uithalen, behoorlijk te eten krijgen en géén wijn drinken. Vooral geen wijn drinken! Een kroes dunbier kan geen kwaad, dat drinken ze thuis ook, maar die koppige wijn mag niet over hun lippen komen. En voor senhor Carvalho hoef je niet bang te zijn. Zijn schip ligt hier op de werf en moet gekalefaterd worden. Hij zal het wel uit zijn hoofd laten onze dochters kwaad te doen, want dan is hij onherroepelijk zijn schip kwijt. Een betere waarborg kunnen we niet wensen. Bovendien, de man is een héér!’

‘Ja, ja, dat zal wel,’ mompelde Aagje huiverend. ‘Een heer met een slaaf. Dat klinkt in mijn oren eerder alsof hij een zeerover is.’

Daar moest Mette hartelijk om lachen.

[p. 47]

Aan het begin van de reis ging alles goed. Het rivierschip van schipper Harkema had midscheeps een roefje dat aan Aagje en de meisjes werd toegewezen. Daar konden ze eten en slapen en ook Tieske vond er een plekje.

Senhor Carvalho en Harkema met zijn knecht huisden in het vooronder. Er was ook lading aan boord, want behalve passagiers vervoerde de schipper pakken met huiden en pelzen bestemd voor de beroemde leermarkt in Deventer. Vader Hendrik had vooruit betaald voor de passagiers en Agnes bovendien een beursje met geld gegeven.

Afgesproken was dat het schip drie dagen na aankomst te Deventer zou terugkeren naar Kampen met balen linnen. De bedevaartgangers konden dan meteen weer meevaren.

De zon scheen toen ze zich inscheepten, uitgeleide gedaan door vader en moeder Kuinretorf. Alijt en Agnes waren opgetogen. Varen over de IJssel, stroomopwaarts met een milde noordoostenwind in de zeilen, was een verrukking. Jolig keken ze naar de langzaam voorbijglijdende oevers met gras, bomen, bloeiende struiken en daarachter de weilanden met koeien en schapen. Aagje bleef liever in het roefje, waar ze de minste kans liep de vreemdeling en de Moriaan tegen het lijf te lopen. Wel rende ze de meisjes voortdurend na met sjaals, mutsen en mantels, bang dat ze anders kou zouden vatten.

Met wijde bochten slingerde de IJssel zich door het zonnige land. Uitgelaten wuifden de meisjes naar schepen die hen passeerden, naar hooiende boeren op het land, naar reizigers te paard, zelfs naar de landlopers en zwervers. Ze vonden alles mooi wat ze zagen, haveloos of niet. Een hele dag lang gleden ze zo naar het zuiden.

Kort voor de avond viel - ze waren al voorbij Wijhe -

[p. 48]

legde de schuit aan langs de oever. Het zeil werd ingenomen en Aagje riep de meisjes dat ze moesten komen eten. Maar Alijt wilde eerst Tieske uitlaten.

‘Die moet nodig even kunnen rennen,’ betoogde ze. ‘De hele dag op een schuit, dat is hij niet gewend.’

‘Niet doen,’ riep Aagje paniekerig. ‘In dat bos daar kunnen wel rovers zitten.’

‘Ach welnee. Bovendien laat Tieske niet toe dat iemand mij kwaad doet,’ meende Alijt.

‘Blijf dan niet te lang weg,’ zuchtte Aagje, die wel wist dat als Alijt zich iets in het hoofd had gezet geen mens haar daarvan af kon brengen. ‘Het wordt straks donker en...’ Alijt luisterde niet. Ze riep de hond, liep over een wankele plank naar de wallekant en klom tegen de oever op. Het was niet zozeer Tieske die behoefte had aan wat lichaamsbeweging, zij wilde zelf even kunnen rennen en zich uitleven. Het gras stond hier hoog en streelde haar enkels. Tieske dartelde om haar heen, blij vaste grond onder zijn poten te voelen. Na de brede strook gras begon een klein bos. De lege weide stond vol bloemen. Alijt begon te plukken. Die konden het kale roefje wat opvrolijken, meende zij.

Opeens begon Tieske wild te blaffen met hoge uithalen. Dat betekende onraad! Geschrokken keek Alijt op en verstijfde. Op tien pas afstand van haar stond een jonge wolf, die blijkbaar net uit het bos was gekomen. Tieske gromde en week stap voor stap achteruit, zijn vervaarlijke gebit ontbloot. Ook de wolf liet zijn tanden zien. Angstig keek Alijt om. Waar was de schuit? Ze kon juist de bovenzijde van de mast zien uitsteken boven de hoge oever... wat was dat ver weg!

‘Tieske,’ riep ze bevend, ‘jaag hem weg!’

Tieske kwam iets naar voren, zonder de jonge wolf echt

[p. 49]

tedurven aanvallen. Dat ondier was zeker zo groot als hij zelf was en tien keer zo wild.

Radeloos keek Alijt om zich heen. Lag er nergens een steen? Een eind verder zag ze in het hoge gras iets liggen dat op een tak leek. Zeker afgewaaid tijdens de storm vorige week. Als ze die kon bereiken had ze in elk geval iets om zich te verdedigen als de wolf haar naar de keel sprong. Maar hoe kwam het dier hier alleen verzeild? Wolven joegen in horden, wist ze. Dit jonge dier moest zijn verdwaald.

Ze waagde het erop, begon te rennen met Tieske op haar hielen. Snel bukte ze zich en raapte de tak op. Die woog zwaar en stevig in haar hand. De jonge wolf kwam naderbij. Hij leek onervaren en niet precies te weten wat hij moest doen, weglopen of aanvallen. Tieskes geblaf en gegrom brachten hem in de war.

Toen hij de knots in Alijts handen zag aarzelde hij zichtbaar. Ondanks haar angst zag Alijt wel dat het een mooi dier was, slank en woest. Hij moest een keer gevochten hebben, want zijn linkeroor vertoonde een diepe scheur. Als ze wegliep, begreep ze, zou dat de wolf aanmoedigen haar te bespringen. Ze mocht geen angst tonen maar moest hem bang maken. Ze haalde driemaal diep adem, sloeg in gedachten een kruis, zond een schietgebedje op en deed een paar passen naar voren, de tak dreigend voor zich uit houdend met beide handen. De wolf week terug. Tieske stond nu dicht naast haar, met opgetrokken lippen, diep grommend. Samen moesten ze een zeer dreigende indruk maken op de wolf. Die stond stokstijf en keek, keek...

Toen wierp Alijt de zware tak naar hem toe en raakte hem op de snuit. Het wilde dier gaf een kreet, keerde zich om en rende weg, terug naar het bos.

[p. 50]



illustratie

[p. 51]

Tieske wilde hem nalopen, maar Alijt riep hem terug.

‘Kom hier...’

Toen begon zij ook te rennen in de tegenovergestelde richting, terug naar het schip.

Ze had het leven er afgebracht maar ze besloot niets van haar avontuur aan Agnes of Aagje te vertellen. Die zouden dan meteen weer zeggen: ‘Zie je nou wel, het is dwaasheid om in de schemering de hond uit te laten,’ of zoiets.

Nog natrillend van de schrik wankelde ze over de plank, gevolgd door Tieske, die nog alle nekharen overeind had staan. De schippersknecht verscheen en trok de plank snel binnenboord terwijl hij haar onderzoekend aankeek. ‘U ziet eruit of u een spook hebt gezien, juffer,’ bromde hij. Alijt schudde het hoofd en dook snel het roefje in.

‘Hemeltje, Alijt, je ziet bleek,’ riep Aagje. ‘Ben je ergens van geschrokken? Je rilt of je het koud hebt. Wat doe je ook te gaan wandelen na zonsondergang. Het is al bijna herfst, de avonden worden kil. En je had niet eens je mantel aan.’

Alijt liet haar praten. Ze was nog niet in staat tegen te spreken. Eerlijk gezegd kon ze helemaal nog geen woord uitbrengen. Ze was buiten adem, haar hart roffelde nog steeds en ze kon het beeld van de grommende jonge wolf maar niet kwijtraken.

‘Eet,’ gebood Aagje, wijzend op het tafeltje met de roggebroden en de kom reuzel. ‘En dan gaan we vroeg slapen. Dat heb ik je moeder beloofd. Ik moest zorgen dat jullie goed eten en goed slapen.’

Aagjes stem klonk zelfvoldaan. Blijkbaar vond ze dat ze goed voor de haar toevertrouwde meisjes zorgde. Ze moest eens weten...

terug  begin  verder