terug  begin  verder
[p. 52]

6 Tegenslag

De volgende ochtend was Alijt al zeer vroeg weer aan dek. Ook de schippersknecht liep al rond en keek bezorgd naar de lucht en het windvaantje aan de top van de mast. ‘We krijgen slecht weer,’ gromde hij nadat Alijt hem had gegroet. Inderdaad bleek gedurende de nacht de wind te zijn gedraaid. Die kwam nu uit het zuidwesten en bracht donkere wolken mee.

Alijt knikte maar eens en sloeg haar warme mantel dichter om zich heen. Het was kil zo op de vroege ochtend en ze hoopte dat ze maar weer gauw zouden gaan varen. Ze liep naar de voorsteven om de frisse wind op te vangen, want in het roefje met drie slapende mensen en een hond was het erg benauwd geweest.

Bijna struikelde ze over een hoop touw, en ze schrok toen ze merkte dat midden in die hoop een opgerolde figuur lag, rood-en-geel gestreept. Het was Danga, die zich geeuwend oprichtte en haar lodderig aankeek.

‘O, neem me niet kwalijk, ik zag je niet,’ stamelde Alijt, die als goed opgevoed meisje onwillekeurig in beleefdheid verviel. Het zwarte slaafje grijnsde en wreef in zijn ogen. ‘Heb je hier geslapen?’ vroeg Alijt, vergetend dat hij haar toch niet kon verstaan. ‘Gewoon in de open lucht?’

Danga antwoordde niet, maar ze zag dat zijn diepdonkere huid een grijzige tint vertoonde. Blijkbaar had hij het koud. Geen wonder.

‘Arme jongen,’ mompelde ze. ‘Je bent een warm land gewend, waar de zon de mensen bruin bakt, niet?’

[p. 53]

Ze keek snel om zich heen. Niemand lette op haar. De schipper en zijn knecht stonden bij de achtersteven met elkaar te praten. Vlug bukte ze zich, deed haar mantel af en wierp die het slaafje toe.

‘Hier, mag je even lenen - om warm te worden.’

Danga trok de mouwloze mantel dicht om zich heen en lachte dankbaar.

Hoe kon hij altijd lachen als hij bij zijn meester op het matje voor de gastenkamer moest liggen en hier aan boord onder de blote hemel op een bergje vuile touwen? Hij was mooi aangekleed, maar eigenlijk had hij een slechter leven dan Tieske.

Nu krabbelde hij overeind, zijn tanden blikkerden tussen de dikke lippen, met zijn roze handpalm streek hij over het dichtgeweven laken van Alijts mantel.

‘Warm,’ zei hij, duidelijk verstaanbaar.

Alijts mond viel open.

‘Jij lief,’ zei Danga.

‘Je...je... spreekt Hollands?’ stamelde het meisje, dat alles had verwacht behalve dat!

‘Klein, klein Hollands,’ knikte het slaafje.

Hoopvol keek ze hem aan. Danga lachte weer, wees op zichzelf. ‘Danga, niet dom.’

Nee, dom kon je hem zeker niet noemen. Van zijn meester zou hij wel wat Portugees hebben geleerd, maar omdat de koopman ook een beetje Hollands sprak scheen hij daarvan eveneens iets te hebben opgestoken. Kon hij verstaan wat de mensen in de Nederlanden tegen elkaar zeiden? Misschien lang niet alles, maar wel iets...

Maar nu, zonder haar mantel, kreeg Alijt het zelf koud. Ze huiverde. Na een laatste knik tegen het slaafje keerde ze zich om en liep terug naar het roefje. Aagje was al op en bezig roggebrood te snijden.

[p. 54]

‘Dom kind om zonder warme mantel aan dek te gaan,’ foeterde de meid. ‘Straks gaat het regenen. Er staat een gure wind. Ik ging even naar boven en wist niet hoe gauw ik weer naar binnen moest komen.’

Alijt antwoordde niet. Hier binnen was het in elk geval lekker warm. Warm en benauwd, maar ook behaaglijk. Agnes was nog niet eens helemaal gekleed, Tieske sliep nog. Zijn poten trilden. Droomde hij van de wolf?

‘Het is een schande,’ zei Alijt, toen ze haar eerste snee roggebrood op had. ‘De Portugees laat die arme Danga 's nachts aan dek slapen, zomaar in de open lucht op een hoop touw. Zonder een deken of wat dan ook.’

Verbaasd staarde Aagje haar aan.

‘Hoe zou je een getemde duivel anders moeten behandelen? Die zwarte griezel verdient niet beter.’

‘Danga is geen griezel, hij is nog maar een kind,’ zei Alijt woedend. ‘Ik weet zeker dat hij ook een moeder heeft gehad.’

‘O ja? Dat was dan vast een zwarte heks.’

Alijt kneep de lippen op elkaar en nam een tweede snee brood. Wat moest je tegen zoveel bijgeloof en vooroordeel beginnen? Agnes kwam aan tafel zitten en smeerde reuzel op haar brood.

‘Bemoei je er toch niet mee, Alijt,’ zei ze. ‘Portugezen zijn nu eenmaal geen Kampenaars. Ze houden er heel andere gewoonten op na. Misschien krijgt dat zwarte jong het 's nachts zo warm dat hij wel buiten moet slapen.’

Zou het? Alijt dacht aan het geknepen grijsachtige gezichtje van Danga en aan zijn dankbaarheid toen hij haar warme mantel omsloeg.

‘Nee,’ zei ze. ‘Hij had het ècht koud. Ik heb hem...’

Ze werd onderbroken door een heftig gebons op de houten deurtjes van het roefje. Tieske vloog waakzaam over-

[p. 55]

eind. Aagje verbleekte maar ging toch het trapje op en opende een van de deuren. Ze keek omhoog in het boze gezicht van de Portugees.

‘Dieverij,’ riep hij naar beneden. Hij zag Tieske en diens overeindstaande nekharen en besloot niet verder naar beneden te komen. In zijn handen hield hij Alijts mantel. ‘Dieverij.’

‘Wat nou, dieverij,’ zei Aagje verontwaardigd. ‘Durft u ons voor dieven uit te maken?’ Ze vergat verlegen te zijn, nu ze zich vals beschuldigd voelde. De koopman scheen haar echter niet verstaan te hebben en liet de mantel wapperen.

‘Gestolen. Danga gestolen.’

‘We hebben helemaal niks van die zwarte demon gestolen,’ snauwde Aagje.

‘Dat is mijn mantel,’ zei Alijt. Ze kwam naar voren en pakte hem aan.

‘Danga straffen. Excuses juffers, duizend excuses. Danga straffen. Ikke.’

‘De koopman maakte een halve buiging en wilde weggaan. Alijt greep hem bij zijn lange wambuis.

‘Senhor Carvalho, niemand heeft iets gestolen. Geloof me. Ik heb mijn mantel aan Danga uitgeleend omdat hij het zo koud had.’

Begreep hij haar? Verstoord en enigszins verwonderd keek hij op haar neer.

‘Koud,’ herhaalde zij nadrukkelijk. ‘Hij had het koud. Ik heb hem mijn mantel gegeven om warm te worden.’

‘Gegeven?’

‘Nou ja, geleend. Hij had de hele nacht aan dek geslapen en was door en door koud geworden. Dus leende ik hem mijn mantel om weer warm te worden. Daarvoor hoeft u hem niet te straffen.’

[p. 56]

Wist hij niet wat lenen was? Hij leek nog altijd zeer boos. De Portugees haalde de schouders op en klom verder aan dek. Alijt wilde hem volgen, maar Aagje hield haar tegen.

‘Blijf hier, juffer. Je krijgt alleen maar moeilijkheden met die nare man.’

‘Ja Alijt, houd je erbuiten,’ raadde Agnes aan. ‘Wie leent er nou ook een dure mantel uit aan een slaaf! Danga dacht beslist dat hij die mocht houden.’

Wat ben ik dom geweest, dacht Alijt en ze voelde zich ellendig, schuldig ook. Vooral toen even later Danga's gejammer tot haar doordrong. Kreeg hij slaag? Trillend van woede liet ze zich neer op de bank voor de tafel.

‘Ik bedoelde het toch goed,’ klaagde ze.

‘Eet je brood, juffer,’ zei Aagje hoofdschuddend.

O, ik haat die Portugees met zijn fijne manieren en zijn wreedheid, dacht Alijt. Beseft hij dan niet dat Danga nog maar een kind is, weggeroofd van zijn moeder en neergeplant in een koud vreemd land? Maar ze zei niets meer en at haar brood met tranen.

Ruim een uur later waagde ze zich weer aan dek, verwonderd dat ze nog altijd niet waren vertrokken. Boven vond ze schipper Harkema en de vreemdeling verwikkeld in een twistgesprek. Omdat de wind was gedraaid en ze stroomopwaarts moesten varen wilde de schipper een jaagpaard huren, want laveren was op de druk bevaren rivier nauwelijks mogelijk. Daarvoor eiste hij van de Portugees extra geld, wat de koopman niet wilde geven. Hij protesteerde hevig, maar ten slotte moest hij toch toegeven. Alijt zag hoe hij met een stuurs gezicht drie guldens uit zijn beurs haalde en aan de schipper ter hand stelde, waarna de knecht meteen vertrok om in het naburige dorp een paard te huren.

[p. 57]

En toen, eindelijk, konden ze verder varen. Senhor Carvalho, zeer uit zijn humeur, snauwde tegen Danga, schopte hem zelfs, alsof het slaafje verantwoordelijk was voor de tegenslag. Vreemd genoeg begon Tieske toen wild tegen hem te blaffen, alsof hij het opnam voor de Moriaan.

Nee, dacht Alijt, zo is het niet. Danga is een kind dat wordt mishandeld. Het verschil in huidskleur ziet die hond niet eens. Tot haar grote opluchting durfde de Portugees zijn slaafje nu niet meer te schoppen. Tieske boezemde hem een heilige vrees in.

 

Gelukkig kwam in de namiddag Deventer in zicht, prachtig gelegen langs de IJsseloever met muren, poorten en daarachter de hoogoprijzende kerken. Op de kade was het, juist zoals in Kampen, een drukte van belang. Ook Deventer was een Hanzestad en een van de belangrijkste marktsteden van de noordelijke Nederlanden. Langs de hele lengte van de IJsselkade lagen schepen afgemeerd, die hout, bakstenen en rogge hadden aangevoerd of werden geladen met het befaamde linnen of de gedroogde stokvis waaraan Deventer haar bijnaam Stokvisstad dankte.

Schipper Harkema kon maar met moeite een ligplaats voor zijn schuit vinden.

Agnes, die met Alijt aan dek stond, riep: ‘Aagje, kom eens kijken wat een mooie stad,’ maar de meid bleef in het roefje; ze was bezig met het inpakken van de kleren en broden van de meisjes.

Eindelijk verscheen ook zij, rillend in de gure wind, met de zeildoeken reistas in de hand.

‘Is dat Deventer, waar ze mensen in kokende olie bakken?’ vroeg ze.

[p. 58]

‘Alleen als je met de munten knoeit.’ Aagje huiverde in haar omslagdoek.

‘Wie zegt dat de munten die Niese bij zich heeft allemaal gaaf en echt zijn?’

De Portugees stond al op de kade tegen schipper Harkema te praten. Danga hurkte achter hem, met naast zich de reiszak van zijn meester en daarbovenop de honderiem. Die zou straks wel weer worden vastgemaakt aan zijn halsband.

Alijt liep de loopplank over en bleef naast de zak staan. Ze keek snel om zich heen. Aagje hielp Agnes over de plank, de schippersknecht hield zich bezig met het ingenomen zeil en het jaagpaard, niemand lette op haar. Ze bukte zich, pakte Danga's leren riem, rolde hem op en liet hem in het water van de rivier vallen. Het ding ontvouwde zich, dreef weg.

Ziezo, dacht Alijt opgelucht, van die vernedering is de Moriaan tenminste af.

Had Danga gezien wat ze deed? Ze ontmoette zijn zwarte ogen en zijn lippen spleten vaneen in een stralende glimlach. Hij mocht dan zwart en lelijk zijn, als hij lachte was het of de zon doorbrak.

Het begon te motregenen. De Portugees hulde zich in een mooie donkerblauwe lakense mantel afgezet met vossebont en wenkte de meisjes. ‘Kom.’

Danga rees op, hees de reiszak van zijn meester op de rug. Die keek zoekend rond. ‘Riem?’

Danga zweeg. De koopman liep even zoekend over de kade, blijkbaar herinnerde hij zich dat de riem op de zak had gelegen, maar nu zag hij het ding nergens meer. Fronsend trok hij het slaafje naar zich toe en hief dreigend de hand op.

‘Riem?’

[p. 59]



illustratie

‘Er is hier geen riem,’ riep Alijt snel. Ze sloeg een kruisje want ze stond te liegen. ‘We hebben helemaal geen riem gezien. Misschien nog op de schuit?’

Pats! Danga kreeg desondanks een flinke klap. Hij kromp in elkaar, maar gaf geen kik.

‘Niet slaan!’ schreeuwde Alijt. ‘Danga kan er niets aan doen dat u zijn honderiem bent kwijtgeraakt.’

De Portugees keek haar woedend aan en zei iets in zijn eigen taal, wat ze gelukkig niet verstond. Agnes schoot haar te hulp.

‘Hoe is het, blijven we hier op die vuile kade staan of gaan we de stad in?’ vroeg ze ongeduldig. ‘Het gaat regenen.’ De vreemdeling haalde de schouders op en begon te lopen in de richting van de Vispoort, die de schipper hem

[p. 60]

had gewezen. Danga, Aagje en de beide meisjes volgden. Het was weer precies zoals in Kampen. Algauw hadden ze een sliert kwajongens en lanterfanters achter zich aan. Een paar opgeschoten knapen begonnen met paardevijgen naar Danga te gooien. Briesend draaide Alijt zich om.

‘Laat dat,’ snauwde ze, ‘of ik stuur de hond op jullie af.’ Dat hielp, vooral omdat Tieske, die merkte hoe kwaad zijn meesteres zich maakte, dreigend zijn tanden liet zien. De schreeuwende en joelende meute bleef enigszins achter, en zo konden ze ongehinderd de poort passeren, al keek de wachter wel verbaasd naar Danga's zwarte gezicht.

Niet ver van de poort stond een reusachtige kerk, de Sint Lebuïnus, en daar was ook het plein dat de Nieuwe Markt werd genoemd. Senhor Carvalho, nog altijd boos omdat hij zijn slaafje niet aan een riem kon leiden om zodoende de nodige indruk te maken op de Deventernaren, liep even tussen de kraampjes door die hier stonden. Maar dit was de leermarkt niet. Wel vond hij een ijzerkoopman die sloten en kettingen verkocht. Ha, net wat hij zocht! Hij onderhandelde even en kocht toen een grove ijzeren ketting met een hangslot. Die bevestigde hij aan Danga's halsband en het sleuteltje stak hij in de geldbuidel die aan zijn gordel hing. Het was een mooie bewerkte beurs van Cordobaans leder met fraaie stiksels en gesloten met een lederen veter.

Alijt had al spijt van haar brutaliteit om Danga's riem zoek te maken. Nu werd het slaafje helemaal als een nauwelijks getemde wilde door de stad gevoerd.

Het ging harder regenen en het werd laat. De Portugees wees op een gebouw aan de Nieuwe Markt, het herenlogement van Deventer. Blijkbaar had schipper Harkema

[p. 61]

hem erover verteld, want hij liep regelrecht op de ingang af. Aan de gevel hing een bord waarop een keizerskroon was geschilderd met eronder de letters: In den gouden kroon. Ze gingen naar binnen om een kamer voor één nacht te bestellen. Dan konden ze morgenochtend vroeg op weg gaan naar Frieswijck, slechts een goed uur lopen van Deventer.

Maar nee. De waard keek van de vreemdeling naar de ijzeren ketting en Danga's halsband en week terug.

‘Dit is een deftig logement, heerschap,’ zei hij, ‘wilden laten we hier niet toe.’

‘Danga slaaf, niet wild,’ betoogde de koopman.

Vastbesloten schudde de herbergier het hoofd.

‘Ga weg,’ zei hij. ‘Zo jagen jullie al mijn klanten de deur uit.’

‘Danga niet wild,’ hield senhor Carvalho vol. ‘Hij vastzitten, anders weglopen.’

Onzin, dacht Alijt. Die arme Danga zou niet weten waarheen...

De eigenaar van het logement bleek onvermurwbaar.

‘Ga maar ergens anders heen met die zwarte duivel. Niet in mijn huis. Hier komen leden van de vroedschap uit andere steden logeren, soms zelfs een edelman of een kanunnik. En een hond wil ik hier ook niet over de vloer hebben.’

‘Tieske kan in de stal slapen,’ meende Alijt, ‘en Danga ook, als u denkt dat hij uw klanten wegjaagt.’

De herbergier snoof.

‘Mijn logement is voor deftige heerschappen en rijke dames,’ zei hij hooghartig. ‘En mijn stal is voor rijpaarden. Dat zijn edele dieren. Ze zouden schrikken en steigeren als ik zo'n zwartjoekel bij hen onderbracht. Zoeken jullie maar een ander nachtverblijf.’

[p. 62]

Zo stonden ze even later weer op de Nieuwe Markt. Agnes keek naar de grauwe lucht.

‘Het is nog niet zo laat. We kunnen meteen doorgaan naar Frieswijck,’ meende ze.

‘En dan?’ vroeg Aagje verschrikt. ‘In het open veld overnachten? Een prooi worden van de wolven?’

Agnes schoot een voorbijganger aan en vroeg naar een goede herberg in de stad.

De man wierp één blik op Danga's zwarte gezicht en de ketting waaraan hij vastzat en trok zijn kin in.

‘Een goede herberg in de stad, met dàt daar? Vergeet het.’

‘We zijn op bedevaart naar Frieswijck,’ legde Agnes uit.

‘Maar het is zulk slecht weer vanmiddag. Kunnen we niet ergens een wagen huren om ons te brengen?’

De man dacht even na.

‘Ga naar de Berghpoort. Misschien kunnen jullie meerijden met een van de boeren die de stad verlaten.’

‘Hoe komen we daar?’

‘Rechtuit, een beetje rechts aanhouden tot je op de Brink komt. Dat is de grootste marktplaats van Deventer. Die oversteken en dan weer rechtuit, langs de Nicolaaskerk. Daarachter ligt de Berghpoort, en zo kom je op de weg naar Schalkhaar. Voorbij Schalkhaar ligt Frieswijck.’

‘Is het ver?’

‘Ruim een uur gaans. In Schalkhaar is ook een herberg.’ Dat was te doen, vonden de meisjes. Aagje, die de reistas moest dragen, keek bedenkelijk. Het regende nu flink.

‘De juffers hebben gemakkelijk praten,’ klaagde ze, ‘jullie hebben warme dichtgeweven mantels om je droog te houden. Ik heb alleen die omslagdoek en die is nu al bijna doorweekt.’

‘Een bedevaart is iets anders dan een plezierreis,’ zei Ag-

[p. 63]

nes onverbiddelijk. ‘Kom, we gaan naar de Berghpoort en misschien kunnen we met iemand meerijden.’

Senhor Carvalho keek haar stomverbaasd aan. Hier nam een jongedochter van nauwelijks zestien jaar oud even de leiding over. In zijn eigen land werden de meisjes zorgvuldig thuisgehouden, desnoods achter getraliede ramen, tot ze oud genoeg waren om te worden uitgehuwelijkt. Zelfstandig optreden hadden ze nooit geleerd. In dit kikkerlandje schenen ze er wel heel andere zeden op na te houden. Hier dachten vrouwen na en namen een besluit zonder eerst zijn mening te vragen! Hij opende de mond om te protesteren, maar kon de juiste woorden niet vinden.

Agnes lette niet op hem maar liep door, met Alijt en Tieske, gevolgd door de mopperende Aagje. Voor de Portugees zat er niets anders op dan hetzelfde te doen. Nu en dan draaide hij zich dreigend om naar de kwajongens die hem naliepen en allerlei scheldwoorden naar zijn slaaf riepen. Danga droeg de reistas van zijn meester, die allerlei kostbare zaken bevatte, zoals een extra paar schoenen, een zilveren lepel en kroes, een koperen kruisbeeld en natuurlijk ook een paar roggebroden.

Agnes vond zonder veel moeite de Brink, inderdaad het grootste plein van de stad, misschien wel van heel de Nederlanden. Daar zagen ze een merkwaardig bouwsel van grauwe steen met een zeshoekig grondstuk waarop een ronde pilaar stond die als dak een kapelletje had met een Lieve-Vrouwebeeld. Daaromheen lagen hoog opgetast zakken rogge. De marktmeester was juist bezig ze te tellen en af te dekken met zeildoek tegen de regen. Het was de roggestapel. Dichter naar de Waag toe stonden tientallen kramen met gelooide huiden, sommige ervan al tot riemen versneden. Leden van het schoenmakersgil-

[p. 64]

de, marskramers en handelaars liepen tussen de kramen door, keurden, betastten, onderhandelden. Dit was de befaamde leermarkt van Deventer. Ook pelshandelaars hadden hier hun kraam. Alijt herkende schipper Harkema, die stond te praten met zo'n pelshandelaar. Blijkbaar probeerde hij tegen een goede prijs zijn lading te slijten. ‘Mijn voeten doen nu al pijn,’ klaagde Aagje, wier klompen zich telkens in de modder op de Brink vastzogen. De meisjes gingen er niet op in. Het begon steeds harder te regenen en het was behoorlijk guur voor de tijd van het jaar.

Senhor Carvalho, die het te zot voor woorden vond dat Agnes voorop liep en de leiding had genomen, passeerde haar met lange passen, zodat Danga een sukkeldrafje moest aanhouden om niet over straat te worden gesleurd. Hij had niets om zich tegen de nattigheid te beschermen, zelfs geen sjaal, behalve de reiszak die hij op de schouders droeg en die waterdicht was. Alijt kreeg steeds meer medelijden met het slaafje maar besloot dat niet te tonen. Hij zou zich daardoor alleen maar méér vernederd voelen, vreesde ze.

Eindelijk bereikten ze de Nicolaaskerk, en toen stonden ze al spoedig bij de Berghpoort in het noordoosten van de stad. ‘Nu gaan we Deventer weer uit en we hebben niet eens de kans gehad om stokvis te eten,’ zeurde Aagje verongelijkt.

De poortwachters keken nieuwsgierig naar Danga's zwarte gezicht, ofschoon de ijzeren ketting die de Portugees stevig in de hand hield hen geruststelde.

‘Waar moet dat heen met die zwarte duivel?’ vroeg een van de wachters bars.

‘Naar Frieswijck,’ zei Agnes en ze wierp trots het hoofd in de nek. ‘Bezwaren?’

[p. 65]

‘Met... met dàt daar?’ stamelde de man ongelovig. ‘Nou, nou... Gaan jullie de Heilige Maagd vragen hem blank te maken?’

‘Ja,’ snauwde Alijt woedend, ‘blank en groot. Hij is een betoverde prins, weet je.’

De man keek verbaasd. Misschien geloofde hij haar ook nog.

Ze sloegen de weg naar Schalkhaar in. Boerenkarren die hen passeerden wierpen kluiten drijfnatte modder op als ze door een volgelopen kuil denderden.

Maar geen van hen wilde hen een eindje meenemen. De meisjes, ja, die mochten meerijden, maar de vreemdeling met zijn slaafje niet.

‘Geen sprake van,’ besliste Agnes. ‘Samen uit, samen thuis.’

Daarom liepen ze zoveel mogelijk in de grasbermen. Het water sopte in hun schoenen en de klompen van Aagje.

‘Is het nog ver?’ vroeg die om de haverklap.

terug  begin  verder