terug  begin  verder
[p. 66]

7 Een wild plan

Aan alle ellende komt een eind. Toch nog eerder dan ze verwachtten bereikten ze het dorpje Schalkhaar, niet meer dan een verzameling boerenwoninkjes.

Senhor Carvalho, die schoon genoeg had van de wandeling in de regen, keek hoopvol rond.

‘Herberg?’

Tieske schudde zich zodat de druppels van zijn vacht in het rond vlogen. Danga, nog altijd aan de ketting, keek diep ongelukkig. Maar een dorp, hoe onaanzienlijk ook, zonder herberg was niet denkbaar. De boeren moesten toch een plek hebben waar helder zelfgebrouwen bier werd geschonken, waar ze hun feesten konden vieren! En zo dicht bij Frieswijck, waar altijd veel mensen kwamen, kon het niet uitblijven of er was een herberg.

Het begon reeds vaag te schemeren. Door de bewolkte lucht werd het vroeg donker. Agnes ontdekte een huis met een uithangbord. Door de modder ploeterden ze erheen en ze vonden een breed laag gebouw, geheel uit hout opgetrokken, met een schuin strodak. Huiverend en nat betraden ze de gelagkamer, die verrassend groot was en tamelijk vol bleek te zijn met zowel mannen als vrouwen.

‘Kunnen we hier een kamer voor de nacht krijgen?’ vroeg Agnes aan de waard.

De man keek haar aan, hij loenste, keek toen naar Alijt, Aagje, naar de Portugees, maar vooral naar Danga.

Hij grijnsde breed.

[p. 67]

‘Een kamer!’ smaalde hij. ‘Hoor je dat, vrouw? Deze mensen vragen om een kamer. Luister, juffer, dit is maar een gewone dorpsherberg. Jullie kunnen een plekje krijgen op de zolder, daar ligt schoon stro. Een kamer! U denkt toch niet, dat het hier een herenlogement is, wel?’ Hij keek weer naar Danga en zijn ketting. ‘Bijt die Moriaan? Ik vraag het maar omdat we nog meer gasten hebben die blijven slapen. En ik wil geen moeilijkheden.’ Geduldig legde Agnes hem uit dat niemand enig gevaar van het negerslaafje had te duchten. De ketting waaraan hij werd vastgehouden was alleen bedoeld om al te bijgelovige en vreesachtige mensen gerust te stellen.

‘Goed dan, ik zal voor jullie vijven een plaatsje vrijmaken op de zolder. Die hond kan wel in de stal slapen. Kost jullie een stuiver de man. En willen de heerschappen soms eerst iets eten? Jullie zijn nat en koud. De vrouw bakt boekweitkoeken.’

Dat klonk veelbelovend. Agnes knikte opgelucht. De waard ging hun voor naar een hoek van de gelagkamer waar een stel boeren op een bank achter een schragentafel zat. Hij snauwde hun toe: ‘Verdwijn, ga maar ergens anders zitten. Deze juffer en haar gezelschap willen een maaltijd.’

Grommend maakten de boeren plaats voor de bedevaartgangers, die hun natte mantels uitschudden en naast elkaar op de ruwhouten bank gingen zitten. Eén van de drinkebroers echter weigerde op te staan voor het deftige gezelschap. Hij schoof alleen een eindje op. Achter hem, tegen de wand, leunde een lange boog en op de rug droeg hij een pijlkoker. Hij was van top tot teen in het groen gekleed en aan zijn gordel hing een dolk.

‘Vooruit Jochum, zoek een ander plaatsje,’ zei de waard korzelig.

[p. 68]



illustratie

Jochum grinnikte en bleef zitten waar hij zat.

‘Schuif maar aan, juffers,’ riep hij joviaal. ‘Jochum de jager zal jullie geen kwaad doen.’

Alijt vond hem een interessante man, vooral vanwege zijn wapens. Een soldaat of een ridder was hij niet. Hij noemde zich de jager. Dat maakte haar nieuwsgierig. Ze ging meteen naast hem zitten. Tieske strekte zich onder de tafel uit, vlak bij haar voeten. Stiekem schopte ze haar drijfnatte schoenen uit en plaatste haar voeten op het warme lijf van de hond. Tieskes vacht was weliswaar ook nat, maar daaronder voelde ze zijn warmte. Ze wendde zich tot de man in het groen.

‘Bent u echt een jager?’

[p. 69]

Hij knikte haar lachend toe. Ze zag dat hij slechte tanden had. Voor hem stond een tinnen kroes waaruit hij een diepe teug nam.

‘Jazeker juffer. Ik ben de jager van Schalkwijk.’

‘O. En waarop jaagt u dan? En mag dat zomaar?’

Jachtrechten behoorden toe aan de edelen die in Salland hun landgoederen en kastelen hadden. Deze kerel leek echter eerder op een stroper. Maar stropers bazuinden hun bezigheden niet in het openbaar uit.

‘Waarop ik jacht maak, juffer? Op wolven natuurlijk. De stad Deventer betaalt tien zilveren guldens voor elke gedode wolf.’

Alijt voelde dat ze een kleur kreeg, want ze moest opeens denken aan haar avontuur van de vorige avond, waarover ze zo zorgvuldig had gezwegen tegenover haar zuster en Aagje.

‘Wolven?’ vroeg ze daarom en ze merkte dat haar stem trilde.

‘Die zijn er nog genoeg, juffer, in Salland en aan de overzijde van de IJssel. Ze richten heel wat schade aan onder het vee, dat kan ik je verzekeren. Ze doden de schapen op de heide en de kalveren in de wei. Van tijd tot tijd organiseert de vroedschap van Deventer een klopjacht op die vermaledijde beesten, maar onder die verwende burgers zijn er niet veel die eraan mee durven doen.’

Alijt woelde met haar tenen in Tieskes vacht en ze hoorde hem zacht knorren van genoegen.

‘De wereld is toch maar een gevaarlijk oord,’ hoorde ze Agnes zeggen. ‘Rovers, wolven, bekkesnijders, oplichters...’ Jochum grinnikte weer.

‘Ach juffer, jullie hebben weinig te vrezen. Jullie reizen in gezelschap van een deftig heerschap en een grote hond. Wie zal jullie durven naderen?’

[p. 70]

Alijt keek even opzij. Aan het andere einde van de bank zat de Portugees. Danga stond naast hem, terwijl de damp van zijn kleren sloeg. Het was heerlijk warm in de gelagkamer.

De waardin kwam een grote schotel vers gebakken boekweitkoeken voor hen neerzetten en zelfs een pot honing. ‘Oef,’ zuchtte Agnes, ‘wat hèb ik een honger!’ En gretig vielen ze alle vier op de koeken aan. Danga niet. Die moest geduldig wachten tot hem de restjes zouden worden toegeschoven.

Tieske, wiens neus hem de weg wees, trachtte zich op te richten. Hij wilde ook eten. Snel stak Alijt hem een halve koek toe en ving toen een boze blik op van de Portugees, die dat natuurlijk onverantwoordelijke verspilling vond. Alijt trok zich daar niets van aan. Agnes zou zelf betalen voor de maaltijd en hun nachtverblijf, daarmee had die knorrige vreemdeling niets te maken, vond ze.



illustratie

[p. 71]

Senhor Carvalho dronk zwaar bier, net als de jager, maar Aagje en de meisjes bestelden dunbier. Toen alle koeken op waren en Danga de schotel mocht uitlikken onder de spottende blikken van de in de gelagkamer aanwezige boeren, klopte de Portugees ongeduldig op het tafelblad. ‘Wijn!’ riep hij. ‘Ikke wijn.’

De herbergier keek zuinig, misschien had hij het niet. Maar toen de vreemdeling zijn mooie bewerkte beurs liet rinkelen ten teken dat hij er best voor betalen kon, knikte de man en verdween door een luik in de kelder. Even later kwam hij te voorschijn met een grote stenen kruik en vier bekers.

‘O nee,’ riep Aagje, ‘jullie niet, meisjes. Ik heb je moeder moeten beloven dat jullie geen wijn zouden drinken.’

Dat speet Alijt. Ze had ook wel eens wijn willen proeven. De mannen schenen het zo lekker te vinden. Senhor Carvalho, die Aagjes uitroep had verstaan, keek opeens heel vriendelijk. Niet te hoeven delen scheen hem genoegen te doen. Maar na drie bekers van de Rijnse wijn werd hij plotseling royaal en bood Aagje ook een beker aan. De meid aarzelde even, kon toen de verleiding toch niet weerstaan en accepteerde.

Agnes stootte Alijt aan. ‘Wat zullen die vannacht lekker slapen,’ fluisterde ze.

Jochum de jager stond op.

‘Ik ga erop uit, juffers. Ik wens jullie nog een goede bedevaart. Bidt maar voor me als jullie morgen bij de Heilige Boom zijn. Een beetje voorspraak kan ik wel gebruiken.’ Met zware passen stapte hij weg. Alijt keek hem na. Het zou een heel wat aangenamer bedevaart geweest zijn met zo'n begeleider dan met senhor Carvalho, bedacht ze.

Nauwelijks had de Portugees de kruik wijn leeggedronken, of de waard kwam Tieske halen om hem naar de stal

[p. 72]

te brengen. Alijt had de hond liever bij zich gehouden, maar durfde niet te protesteren. De waardin wees naar de steile trap in een hoek van de gelagkamer.

‘Daarlangs komt u op de zolder, heerschappen.’

Senhor Carvalho stond op, wankelde even en zocht steun bij Danga's schouder. Met onzekere passen ging hij naar de trap en begon te klimmen, telkens even uitrustend om zijn duizeligheid te overwinnen. Danga volgde hem gewillig, de ketting sleepte achter hem aan. Aagje kreeg van de waardin een kaarslantaarn, want het was buiten donker geworden en licht was er niet onder het dak. Toch was de zolder, waarvan de vloer geheel bedekt was met niet al te schoon stro, niet helemaal donker. Aan de voorzijde was één venster zonder glas en met een luik, dat echter wijd open stond, waardoor er wat maanlicht naar binnen scheen. Maanlicht? Nu pas merkte Alijt dat de regen was opgehouden en de wolkenlucht was opgeklaard. Misschien zou het morgen wel goed weer zijn!

De Portugees installeerde zich vlak onder het venster om zoveel mogelijk frisse lucht te krijgen, de mooie blauwe mantel trok hij als een deken over zich heen. Hij rukte aan de ketting, zodat Danga het evenwicht verloor en naast hem in het stro plofte. Aagje en de meisjes maakten hun bed op enige afstand, maar toen er nog meer gasten de trap beklommen om op de zolder de nacht door te brengen, schoof Aagje steeds dichter tegen Agnes aan, die ook opschoof en Alijt van haar plek duwde tot ze bijna helemaal tegen Danga aanlag. De Portugees sliep al, merkte ze; ze kon hem horen snurken. Geen wonder na al dat bier en die wijn!

Alijt lag een tijdje te woelen. De vloer was hard en het stro prikte haar in de rug. Hun kleren waren tijdens de uren die zij in de gelagkamer hadden doorgebracht ge-

[p. 73]

heel gedroogd, en ook zij gebruikte haar mantel als deken, net als Agnes. Aagje had de lantaarn uitgeblazen, maar aan de andere kant van de zolder werd zo zwaar gesnurkt dat het haar wakker hield.

Ze lagen met zijn vijven op een rij. Vlak onder het venster de Portugees, met Danga. Naast Danga Alijt, daarna Agnes, en Aagje sloot de rij, zover mogelijk van de koopman en zijn negerslaafje vandaan. Alijt bedacht dat dit ongemakkelijke nachtverblijf voor Danga iets heerlijks moest zijn na zijn logeerpartij bij de Kuinretorfs, waar hij op bevel van zijn meester op de overloop voor diens kamerdeur moest slapen, en na zijn nacht op de schuit van schipper Harkema, toen de wind draaide en het zo guur werd. Nu lag hij weliswaar hard, maar droog en op stro. Terwijl ik niet kan slapen, dacht ze. Ik ben een zacht bed gewend en een veren kussen... Hoe was het mogelijk dat er zulke enorme verschillen tussen mensen bestonden?

Stil lag ze te luisteren. Beneden in de gelagkamer werd nog gezongen en gedronken, maar al spoedig hielden die geluiden op en hoorde ze de grendel op de buitendeur schuiven. Morgen zouden ze naar de Heilige Boom lopen - ze was er nieuwsgierig naar. Haar ogen, intussen gewend aan de duisternis, onderscheidden de slapende gestalten. Soms, als Danga zich bewoog, hoorde ze zijn ketting rinkelen. Dat geluid bezorgde haar een schuldgevoel. Als ze zijn honderiem niet in het water had gegooid zou hij nu niet zo...

Als ik de Heilige Maagd was, dacht ze, zou ik die ketting verbreken zodra hij voor me stond.

Ja, als zoiets gebeurde zou senhor Carvalho wel genoodzaakt zijn dat als een wonder te erkennen en Danga zijn vrijheid te geven. Hij zou hem in elk geval wat beter moeten behandelen.

[p. 74]

Plotseling kwam er een woest en gewaagd plan in haar op.

Als zij eens...

Nee, dat durfde ze niet.

Voorzichtig richtte ze zich op een elleboog iets op. Het stro ritselde, maar niemand scheen er wakker van te worden. Ze keek even om en de glans van Agnes' ogen trof haar. Agnes sliep ook niet - of toch wel?

Alijt dacht aan het sleuteltje van het hangslot dat de Portugees in zijn beurs bewaarde. Zou ze kans zien dat sleuteltje eruit te halen zonder dat hij iets merkte? Hij had zoveel wijn gedronken... En net als de andere herberggasten dat zware bier...

Ja, wie zijn gasten een ongemakkelijke slaapplaats biedt zorgt er wel voor dat ze goed slaperig zijn. Dan merken ze de harde vloerplanken en het prikkende stro niet zo op. En daarom konden zij en Agnes natuurlijk niet slapen. Zij hadden alleen dunbier gedronken.

En Aagje? Die snurkte net als de anderen.

Ze boog zich iets voorover en keek naar Danga. Meer dan een zwart hoopje mens met vage strepen was hij niet. Maar zij zag zijn ogen glanzen. Ze legde een vinger op de lippen, hopend dat hij dat gebaar zou zien.

‘Ssst,’ siste ze uiterst zacht. Toen strekte ze haar hand uit, over hem heen in de richting van de Portugees.

Nee, ze kon er niet bij. Omdat ze allemaal met hun kleren aan sliepen hing de beurs nog aan zijn gordel. Wat als Danga haar bedoelingen verkeerd uitlegde en dacht dat ze zijn meester van zijn geld probeerde te beroven? Hoe kon ze hem duidelijk maken dat ze iets anders wilde?

‘Sst,’ siste ze in zijn oor. ‘Ik doe je meester geen kwaad.’ Verstond hij het? Begreep hij het? Ze zag zijn ogen glinsteren maar hij bleef doodstil liggen.

[p. 75]

Alijt wachtte nog even, waagde het er toen op. Ze leunde zwaar over Danga heen, legde een hand op zijn kroeskop, siste: ‘Ssst! Ik help je,’ stak haar handen uit. Daar... daar voelde ze de gordel van de man en zijn mooi bewerkte beurs, en de veter waarmee die was dichtgeknoopt.

Als hij wakker werd en merkte dat iemand aan zijn beurs wriemelde zou hij zeker alarm slaan en gaan schreeuwen. Of hij trok zijn dolk om daarmee de ‘dief’ te lijf te gaan. Haar hart roffelde wild. O, als Danga zich nu maar stil hield. Maar hoe kon die begrijpen wat ze probeerde te doen?

Daar! Ze had de lederen veter losgeknoopt, haar slanke vingertjes wroetten uiterst behoedzaam tussen het zilvergeld. Tinkel, tinkel...

Het sleuteltje was natuurlijk helemaal naar beneden gezakt. En de klank van geld kon de diepste slaper met een schok doen ontwaken. Ze kreeg het vreselijk warm en voelde Agnes' ogen in haar rug branden. Ha, nu voelde ze iets dat een heel andere vorm had dan de munten.

Onder haar knieën kraakte het stro, maar het gesnurk om haar heen overstemde die geluiden. Ze had het sleuteltje te pakken! Maar de Portugees mocht morgenochtend niet merken dat iemand aan zijn beurs had gezeten. Ze moest de veter weer even behoedzaam dichtknopen. Daarvoor had ze twee handen nodig.

‘Stil Danga,’ ademde ze, want ze leunde te zwaar op hem en hij bewoog zich. De ketting rinkelde waarschuwend. Ze verstijfde.

Slaap, slaap! dacht ze dringend alsof ze met haar geest haar ganse omgeving kon bezweren. Blijf slapen! Slaap je roes uit, meneer de slavenhouder, slaap!

Ver achter haar draaide iemand zich om met veel geritsel en zacht gekreun. Met beide handen en in een ongemak-

[p. 76]

kelijke houding probeerde ze de beurs weer dicht te strikken. Ze hoorde Danga naar adem snakken en daarom verschoof ze iets. Ze zag zijn wijdopen ogen die het maanlicht opvingen en fel glinsterden. ‘Stil,’ siste ze zacht.

Toen liet ze zich heel voorzichtig weer terugzakken op haar slaapplaats, het sleuteltje in haar rechterhand. Ze klopte Danga op de schouder. ‘Stil! Ik wil je alleen maar helpen,’ fluisterde ze zacht als een ademtocht in zijn oor. Knikte hij nu? Had hij gezien wat zij deed?

Het bonken van haar hart bedaarde slechts langzaam. Roerloos, diep ademhalend probeerde ze al haar angsten te boven te komen. Had ze niet zojuist iets heel doms gedaan? Wat zou er gebeuren morgenochtend als senhor Carvalho het sleuteltje miste? Ofschoon hij niet van plan scheen te zijn geweest de ketting nog ooit van Danga's halsband los te maken. Tenminste niet zolang ze op weg naar Frieswijck waren. Het naargeestige geluid van een uil op muizenjacht deed haar even ineenkrimpen. Zelfs verbeeldde ze zich even dat ze in de verte wolven hoorde huilen.

Stilletjes draaide ze zich om en weer zag ze de glans van Agnes' ogen.

‘Wat deed je?’ vroeg die, heel zacht.

‘Ssst.’

Agnes vroeg niet verder en sloot de ogen. Danga's ketting rinkelde. Toen werd het weer doodstil. Maar Alijt was te opgewonden om te kunnen slapen. Ze wilde maar dat de nacht voorbij was.

Toch, na een tijdje en zonder dat ze het zich bewust was, vielen haar ogen toe.

terug  begin  verder