terug  begin  verder
[p. 77]

8 Het wonder

De nieuwe dag brak stralend aan. De wolken waren uit de hemel verdwenen, de zon scheen koesterend op het armoedige dorp en zijn stralen drongen binnen door het openstaande venster en maakten senhor Carvalho aan het niezen. Stijf kwam hij overeind, veegde de strootjes uit zijn haar. Ook Aagje was ontwaakt en keek rechtop zittend lodderig om zich heen.

Alijt deed of ze nog sliep. Door haar oogharen keek ze naar de Portugees, die opkrabbelde, zich uitrekte. Tot haar schrik merkte ze dat hij de beurs aan zijn gordel losmaakte en het ding op de hand woog. Het gewicht van de munten scheen hem echter gerust te stellen en hij haakte hem weer aan zijn gordel zonder hem open te maken. Hij wilde zich er zeker van overtuigen dat hij gedurende de nacht niet was bestolen.

‘Opstaan, meisjes,’ zei Aagje. ‘Niese, help me eens overeind.’

Alijt slaagde erin het sleuteltje ongezien in haar rokzak te verbergen eer ze onder haar mantel uitkroop. Ze waren alle vijf stijf van het slapen op de harde vloer.

‘Al mijn botten doen pijn,’ klaagde Agnes. Terwijl Aagje hun bezittingen bijeenzocht en senhor Carvalho Danga's ketting opraapte zodat die naargeestig rinkelde, veegde Alijt het stro uit haar haar, zette haar kapje recht, fatsoeneerde haar rokken en streek de kreukels uit haar jakje. Ze schudde haar mantel uit en deed haar schoenen aan, waar de opgedroogde kluiten modder van afvielen. Ook

[p. 78]

de andere logeergasten waren bezig zich van de nacht te herstellen. Enkelen van hen begonnen al de trap af te dalen.

Toen de bedevaartgangers in de gelagkamer kwamen stond de ochtendpap al voor hen klaar. Boekweitpap natuurlijk. Het moment van afrekenen was gekomen. Agnes betaalde voor het eten en het nachtverblijf van haarzelf, haar zuster en Aagje. De Portugees greep in zijn beurs en keek zuur toen de waard hem ook de kruik wijn van de vorige avond in rekening bracht. Hij trok een zuinig mondje toen hij met zijn benige vingers in zijn beurs grabbelde. Alijt stootte Agnes aan.

‘Betaal jij die wijn en het bier voor hem. Vlug!’

‘Waarom?’

‘Doe het.’

Agnes stapte naar voren. ‘Nee senhor,’ zei ze helder.

‘Laat maar. Gisteravond was u ònze gast.’

Hij keek verbaasd, maar ook opgelucht. Al had hij zich geërgerd aan de eigengereidheid van de Nederlandse meisjes, als ze voor hem wilden betalen vond hij dat best. Hij bevestigde de beurs weer aan zijn gordel zonder er diep in rond te woelen en schonk Agnes een van zijn zeldzame glimlachjes.

Maar zo gemakkelijk kwam Alijt er niet van af. Zodra ze buiten stonden en het pad in de richting van Frieswijck insloegen trok Agnes haar zusje aan de mouw.

‘En waar was dat nou voor?’ wilde ze weten. ‘Vader gaf me geld voor ònze verteringen, niet voor die gierige Portugees.’

‘Stil,’ zei Alijt. ‘Later leg ik het wel uit.’

Agnes fronste.

‘Je bent toch weer niet bezig met een van je dwaze streken, zusje?’

[p. 79]

‘Ja. Maar ik moest het doen.’

‘Wat?’

‘Later. Nu niet. Nu gaan we eerst naar Frieswijck.’

Agnes haalde de schouders op en Alijt ging Tieske uit de stal bevrijden.

De lucht was nog heerlijk fris, al beloofde het een warme dag te worden. De bossen rechts van het pad dampten. Maar de vogels zongen uit alle macht en hoog in de lucht jubelde een leeuwerik. Het was een ideale dag om te wandelen. En Frieswijck was nu niet ver meer. Zelfs Aagje vergat om te klagen.

Agnes ontdekte langs de weg een veld margrieten en begon ijverig een mooi boeket bij elkaar te plukken om straks aan Onze Lieve Vrouwe te kunnen geven. Bijen zoemden om de bloemen en Tieske hapte naar een bruin-met-rode vlinder.

Zo kwamen ze bij Frieswijck.

Ze zagen slechts een paar verspreid liggende boerderijen en op de achtergrond een oud kasteeltje waarvan de torens oprezen tussen het geboomte. Het was hier bosrijk en de zon toverde lichtvlekjes op het ruwe karrespoor. Senhor Carvalho en zijn gezelschap waren niet de enige bedevaartgangers die op weg waren naar de Heilige Boom. Uit een zijpad kwam een groepje mensen, eveneens met bloemen in de hand. Agnes hoefde aan niemand de weg te vragen, ze konden gewoon de pelgrims volgen.

Opeens weken de bomen uiteen en toen stonden ze voor een grote weide. Een hek versperde hun de doorgang. Naast het hek zaten twee monniken met voor zich een tafeltje waarop kaarsen en beeldjes lagen en waarop ook een offerblok stond. De Heilige Maagd van Frieswijck bezoeken kostte geld.

Nu moet hij weer zijn beurs trekken, dacht Alijt ver-

[p. 80]

schrikt. Ze zag de Portugees over zijn voorhoofd wrijven, zijn ogen stonden enigszins troebel. Kennelijk had hij hoofdpijn. Zijn tong likte langs zijn droge lippen.

Terwijl ze langzaam het tafeltje van de monniken naderden zag Alijt een mooi geklede vrouw voor zich lopen. Ze was lang en statig, ze droeg een donkerblauwe japon, een hoge hoed van dezelfde kleur, vanwaar een dunne zwarte sluier voor haar gezicht hing. Een edelvrouw? Terwijl Agnes voor hen allen kaarsen kocht, ook voor de Portugees, die daarop geen acht scheen te slaan - of het heel gewoon vond - kon Alijt geen oog afhouden van de edele gestalte. Moest iemand die zo voornaam en rijk was nog gunsten komen afsmeken bij Onze Lieve Vrouwe?

De monniken zegenden de bedevaartgangers en nu konden ze de weide betreden. Daar stond, helemaal alleen, met een machtige bladerkroon die blauwgroene schaduwen wierp, een reusachtige eik. De Heilige Boom van de Maria van Frieswijck!

Halverwege de dikke stam zag Alijt een houten Mariabeeld van ongekende schoonheid. De Maagd had lang krullend haar dat tot ver over haar schouders hing.

Ze droeg een wijde rode mantel en een lang wit kleed daaronder, terwijl haar blote voeten rustten op een blok hout. Met een gelukkige, verstilde glimlach keek zij neer op het jongetje dat ze op de linkerarm droeg, terwijl haar rechterhand de plooien van haar mantel bijeenhield en tegelijk de voeten van het kind steunde. Op haar hoofd prijkte een smal gouden kroontje. Het geheel was van een onuitsprekelijke innigheid en straalde zowel rust als mededogen uit. Het kindje Jezus met zijn fijne kopje hield met beide handen een tros druiven vast en leek de bezoekers recht aan te kijken. Boven het beeld was een schuin, groengeverfd dakje getimmerd dat de Maagd moest be-

[p. 81]

hoeden voor regen of sneeuw. Aan de voet van de boom legden de pelgrims hun bloemen neer, ook Agnes.

Naast de boom stond op vier pootjes een ijzeren rooster waar ze hun brandende kaarsen aan konden prikken.

Senhor Carvalho viel, zonder Danga's ketting los te laten, op de knieën, Danga met zich meesleurend, die zijn evenwicht verloor en languit op het gras belandde. Maar de Portugees lette er niet op. Hij liet het uiteinde van de ketting los, vouwde de handen, en opkijkend naar het Mariabeeld begon hij luidop te bidden, in zijn eigen taal. Danga hurkte naast hem en sloeg ook de ogen op naar het Mariabeeld. Zou hij iets begrijpen van wat hier gebeurt? vroeg Alijt zich af.

Om haar heen knielden de biddende bedevaartgangers. Ook de gesluierde vrouw had zich in het gras geworpen. Nog meer mensen kwamen de weide op, met kaarsen en in een eerbiedige houding. Alijt voelde zich helemaal plechtig worden.

Maar zij was hier niet gekomen om Maria gunsten af te smeken of Haar zelfs dank te zeggen, zoals Agnes en de koopman. Zij was hier vanwege Tieske. Die moest zijn zonden berouwen. Hoe?

Ze besloot met hem zevenmaal om de prachtige eik heen te lopen, vurig hopend dat hij niet in de verleiding zou komen zijn achterpoot ertegen op te tillen.

Toen hij dat bij de vierde omloop toch deed liet Alijt hem zijn gang gaan. Dit was misschien zijn manier om een plengoffer te brengen; een kaars aansteken kon hij niet. Gelukkig bevonden ze zich op dat moment aan de achterzijde van de boom, aan het oog van de bedevaartgangers onttrokken. Tieske snuffelde uitgebreid aan de stam en Alijt vermoedde dat wel vaker honden die iemand hadden gebeten tot deze bedevaart verplicht waren ge-

[p. 82]

weest. Aan Tieskes wapperende staart en kwijlende bek te zien waren het belangwekkende dieren geweest... hij keek zo gespannen!

Nadat ze met Tieske de zeven ronden had afgelegd vond ze het tijd worden zich ook op de knieën te laten zakken voor het prachtige beeldje en Maria deelgenote te maken van haar geluk. Ze had niet veel te wensen, die Alijt. Ze kende geen gebrek of armoede, leed nooit honger, woonde in een mooi huis in een schitterende stad, ze hield veel van haar ouders, die goed voor haar waren, ze had een lieve zuster en nu had ze zelfs iets van de wereld gezien... zelfs de wolf had haar niets gedaan.

Ze vond zichzelf een van de gelukkigste mensen op aarde en dat was beslist een reden om de Maagd dank te zeggen.

Onder het bidden keek ze steels naar de Portugees, die helemaal in zijn devotie verzonken was, zijn hoofdpijn vergeten scheen te zijn en niets meer zag of hoorde. Naast hem zat, geketend, het zwarte slaafje, dat niet bad maar met grote donkere ogen opkeek naar de machtige boom en het houten beeld. Hij zag eruit alsof hij het allemaal graag eens van heel dichtbij zou willen bekijken en, wie weet, zelfs aanraken.

De gesluierde vrouw die al eerder Alijts aandacht had getrokken stond plotseling recht, sloeg haar sluier op en naderde voorzichtig de boom. Er stonden tranen in haar ogen. Eerbiedig boog zij het hoofd, hief het toen weer op en kuste de blote voeten van de Maagd. Alijt vond het een ontroerend toneeltje. Wat had die vrouw gevraagd? Ze leek in de rouw te zijn. Ofschoon Alijt niets van haar wist voelde ze bewogenheid omdat ze hier een diep verdriet vermoedde. De vrouw ging weg, na nog een diepe buiging te hebben gemaakt voor de Heilige Boom.

[p. 83]

Alijt keek haar na en leefde met haar mee, al wist ze niet waarvoor. Daarna richtte ze haar aandacht weer op de koopman, die vurig en met gesloten ogen bad. Dacht hij nu aan het dodelijke gevaar waarin hij had verkeerd tijdens de storm op de Zuiderzee, een gevaar waaruit Onze Lieve Vrouwe hem had gered? Was hij zijn krenterigheid en slechte humeur tijdens de reis vergeten en kon hij nu alleen nog maar dankbaar zijn? Alijt hoopte het voor hem, het zou zijn onsterfelijke ziel goeddoen.

Ze keek weer naar Danga en dacht aan het sleuteltje dat ze die nacht uit senhor Carvalho's beurs had gehaald. Nu moest het maar gebeuren. Het negerslaafje wist niet goed hoe hij tot Maria moest bidden, hoe hij om bevrijding uit zijn slavernij moest vragen, dus kon de Maagd ook niets voor hem doen. Maar zij, Alijt, kon het wel!

Op haar knieën schoof ze iets dichter naar het negertje toe, tot zij vlak naast hem was. Hij draaide zijn hoofd naar haar toe, keek haar vragend aan.

‘Luister,’ fluisterde zij. ‘Kun je me begrijpen? Sta dan op als ik straks “ja” zeg en roep: “Heb dank, Maria, heb dank.”’

Ze hoopte vurig dat hij haar had verstaan. Maar nog altijd heel zacht herhaalde ze de boodschap. En nog eens. Toen, uiterst voorzichtig, maakte ze de ketting van zijn halsband los. Die mocht vooral niet rinkelen. Zacht, heel zacht legde ze de losgemaakte ketting in het gras.

‘Wacht,’ siste ze, ‘wacht tot ik “ja” zeg. Begrijp je me?’ Tot haar vreugde gaf hij een kort knikje.

Nu stond Alijt op, naderde het Mariabeeld, boog ervoor, sloeg een kruis, kuste de blote voeten op de plek waar ze ook de rouwende vrouw het hout had zien kussen en legde snel het sleuteltje op het plankje waarop de Maagd stond.

[p. 84]

Precies tussen de beide voeten. Met bonkend hart keek ze om naar senhor Carvalho die nog steeds hartstochtelijk in gebed was verzonken en niets hoorde of zag.

Goed zo.

Ze keerde stilletjes terug naar haar plaatsje naast Danga en siste hem toe:

‘Ja, nu...’



illustratie

[p. 85]

Danga aarzelde, hij scheen bang te zijn. Alijt porde hem in de zij. ‘Zeg het dan, doe het.’

Bevend kwam Danga overeind en riep duidelijk verstaanbaar: ‘Dank, Maria, dank.’

Iedereen keek op, zelfs de Portugees. ‘Dank, Maria, dank,’ riep Danga nogmaals.

Misschien begreep hij er niet veel van, maar hij was bevrijd van de vernederende ketting en dacht waarschijnlijk dat Alijt dàt had bedoeld. Ze zag hoe hij verlegen, schuw bijna, om zich heen keek en sprong toen ook op. ‘Een wonder, een wonder,’ schreeuwde ze. ‘Onze Lieve Vrouwe heeft de negerslaaf de vrijheid gegeven!’

Haar kreet veroorzaakte een geweldige opschudding. Senhor Carvalho kwam overeind, helemaal verbijsterd, en keek van de een naar de ander. Aagje riep: ‘Wat is er, wat is er?’ En weer schreeuwde Alijt: ‘Een wonder! De

[p. 86]

Heilige Maagd heeft de negerslaaf de ketenen afgenomen.’

Niemand bad meer. De mensen liepen verward door elkaar, de kaarsen flakkerden in de wind die zij daarmee maakten. Plotseling wees Agnes op het sleuteltje dat tussen de voeten van het Mariabeeld lag.

‘Kijk, daar!’ riep ze met overslaande stem. Nu zag de Portugees het ook. Zijn mond viel open. Onthutst greep hij naar zijn beurs, haakte die los, woelde er met benige vingers in, vond geen sleutel.

Alijt bleef maar herhalen dat zij allen hier getuigen waren geweest van een wonder. ‘Onze Lieve Vrouwe duldt geen slavernij. Heb dank, Maria, gij goedertierende.’

Ze viel op haar knieën, trok Danga naast zich neer. ‘Bid,’ siste ze tegen hem. Maar hij wist niet hoe. Ze greep zijn beide handen, vouwde ze voor hem. ‘Bid,’ fluisterde ze, ‘ogen dicht.’

Wat een geluk, dacht ze, dat hij een beetje Hollands verstaat. Hij sloot gehoorzaam de ogen. Gehoorzamen was zijn tweede natuur.

Bedevaartgangers naderden hem behoedzaam, keken verwonderd op hem neer, niet goed begrijpend waarom de Maagd zich juist om zo'n lelijk zwart wezen had bekommerd. Maar een feit was een feit. Allemaal hadden ze gezien dat het slaafje aan een ijzeren ketting werd meegevoerd en allemaal zagen ze die ketting nu losgemaakt in het gras liggen, terwijl de sleutel van het hangslot tussen de voeten van het beeld lag. Het leek toverij. Nee, het was een wonder. Een echt wonder!

De Portugees stond nog altijd recht overeind, knipperde met zijn ogen, liep daarna met onzekere passen op het beeldje toe, pakte de sleutel op, zo angstig alsof hij vreesde dat het ding gloeiend heet zou zijn. Hij bekeek hem

[p. 87]

aan alle kanten en knikte. Ja, het was de sleutel van Danga's keten. Twijfel was niet mogelijk. De Maagd had de ketting van zijn halsband losgemaakt en vol minachting het ding aan haar voeten laten vallen. Schuw keek hij op naar het gebeeldhouwde gezicht, maar Maria glimlachte nog even sereen als tevoren. En het Kind keek hem recht aan, hield hem de druiventros voor alsof Het de Portugees uitnodigde ervan te proeven. De man boog nederig het hoofd in aanvaarding van het wonder. Maria had de slaaf bevrijd, Danga was een vrij mens geworden.

Nog altijd golfde de verbazing door de aanwezige bedevaartgangers. Ze wilden de wonderbaarlijke, door de Maagd aangeraakte sleutel ook aanraken en verdrongen elkaar om de vreemdeling heen. De beide monniken die bij de ingang van de weide hadden gezeten kwamen aanlopen, de kreet: ‘Een wonder’ had ook hen bereikt.

Toen ze hoorden wat er was gebeurd keken ze al even verbaasd neer op Danga als de anderen. Hoe kon dat? Om de boom heen hadden tientallen vrome blanke mensen op hun knieën gelegen, kaarsen gebrand, smeekbeden doen opstijgen naar de Maagd en Zij had een wonder verricht aan een lelijke zwarte heiden! Het was onbegrijpelijk - en toch, toch... Het wàs gebeurd!

Senhor Carvalho had zich enigszins hersteld en probeerde de monniken uit te leggen dat Danga geen heiden was, maar een christen.

‘Hij gedoopt,’ bleef hij maar herhalen. ‘Twee jaar terug. Hij gedoopt.’

‘En toch een slaaf?’ vroeg een van de monniken streng. Beschaamd keek de Portugees een andere kant uit.

Alijt scheen nauwelijks oog te hebben voor de consternatie om haar heen. Ze lag op de knieën en bad nu echt:

‘Dank u, Moedermaagd, dank u dat ik uw instrument

[p. 88]

mocht zijn voor de bevrijding van de slaaf. Dank u, dat u mij daarbij hebt geholpen,’ prevelde ze hartstochtelijk.

Nu gebeurde er iets merkwaardigs. Het scheen eindelijk volledig tot Danga te zijn doorgedrongen wat er was geschied. Hij was vrij! Want, zoals Alijt al eerder had opgemerkt, dom was hij niet. Al begreep hij misschien niet helemaal wat het beeld aan de boom te maken had met Alijt, die zijn ketting had losgemaakt, er was kennelijk een verband. Hij was opgestaan, rekte zich uit, voelde aan zijn halsband en grijnsde zijn hagelwitte tanden bloot. Met snelle bewegingen maakte hij de halsband los, liet hem in het gras vallen naast de ijzeren ketting en stapte vastberaden op de Heilige Boom toe. De pelgrims weken terug en keken toe, ook Alijt, hoe hij zijn beide roze handpalmen tegen de stam drukte en toen zijn voorhoofd.

Zijn lippen bewogen, zijn handen streelden de stam, zijn vingers volgden de ongelijkheden en knoesten in de bast. Hij dankte. Maar hij dankte de boom, niet de Maagd.

Dus toch nog een heiden, dacht Alijt en ze glimlachte stilletjes voor zich heen.

terug  begin  verder