De monniken bij het hek verkochten aan bedevaartgangers kleine van pijpaarde gebakken kopieën van het houten beeld van Onze Lieve Vrouwe. Elke pelgrim kocht er een, want het vormde het bewijs dat zij hier waren geweest en met Maria hadden gesproken. Agnes kocht beeldjes voor Aagje, haar zuster, voor zichzelf en voor... Tieske. Zelfs één voor Danga, die op de hele wereld nog geen oortje bezat.
Senhor Carvalho kocht er een voor zichzelf. Hij was nog altijd verbijsterd en keek een beetje ongelukkig. Toch twijfelde hij geen moment aan het wonder van Danga's bevrijding; hij wist er alleen niet goed raad mee. Wanneer zijn blik die van zijn voormalige slaaf kruiste verscheen er iets van angst in zijn ogen.
Langzaam en nog diep onder de indruk van de gebeurtenissen leidde hij zijn groepje in de richting van Deventer. Danga's ketting en halsband bleven achter aan de voet van de Heilige Boom. Blij huppelde het negertje om de beide meisjes heen. Hij woelde met zijn handen in Tieskes ruige vacht, hij lachte al zijn prachtige tanden bloot. Daarbij zong hij een vreemd liedje waarvan niemand een woord verstond, maar niemand zei dat hij stil moest zijn. Danga was een vrij mens geworden.
Zelfs Aagje had nu al haar angst en wantrouwen jegens Danga verloren. Een neger over wie Onze Lieve Vrouwe zich had ontfermd kon geen duivel zijn! Maar Agnes was woedend. Ze trok haar zusje aan de mouw en nam haar
terzijde. ‘Dat was bedrog, heiligschennis,’ siste ze kwaad. ‘Jij hebt die ketting losgemaakt. Dat was wat je vannacht uitvoerde, je stal de sleutel van de Portugees. Het was geen echt wonder. Hoe durfde je!’
‘Het was wel een wonder,’ zei Alijt zacht en ze geloofde het zelf. ‘Onze Lieve Vrouwe wílde dat ik het deed. Ze gebruikte mij voor de bevrijding van Danga. Zij... zij heeft het mij opgedragen.’
‘Weet je het zeker?’
Alijt knikte vol overtuiging.
‘Ja, heel zeker. Vannacht zorgde Maria ervoor dat senhor Carvalho nergens iets van merkte. Zij liet hem zo vast slapen... En ook zorgde Zij ervoor dat hij en al die andere bedevaartgangers niet zagen hoe ik de ketting losmaakte en het sleuteltje tussen haar voeten legde. Zij liet het mij doen. Ik moest het doen.’
Met diep ontzag keek Agnes op haar zusje neer.
‘O Alijt...’ En toen: ‘Was je niet bang?’
‘Doodsbang. Maar ik kon toch niet ongehoorzaam zijn aan Maria!’
‘Nee, natuurlijk niet.’
Tieske, al flink moe, sjokte achter hen aan, met hangende kop. Hij snuffelde zelfs niet meer aan de bomen langs het karrespoor.
De mare van het wonder bij de Heilige Boom had het dorp Schalkhaar al bereikt, zodat ze geen kans kregen de herberg daar voorbij te lopen. De waard riep hen binnen en trakteerde op bier. Het hele dorp kwam uitlopen om de Moriaan te zien aan wie de Maagd het wonder had voltrokken. Vooral de herbergier zelf was in zijn schik, want het verhaal over Danga's bevrijding door Onze Lieve Vrouwe zou veel bedevaartgangers aantrekken en dat was goed voor de zaken. Nadat hij flink wat bier had
uitgeschonken stelde hij de Portugese koopman voor om Danga aan hem over te doen. Alijt kon haar oren niet geloven.
‘Nee!’ riep ze woedend. ‘Dat kan niet. Danga is nu een vrij mens, geen slaaf meer. Niemand mag meer over hem beslissen, dat kan alleen hijzelf.’
Senhor Carvalho keek haar boos aan.
‘Danga mijn bediende,’ zei hij stug. ‘Niet mee bemoeien.’ Agnes schoot haar zusje te hulp.
‘Jazeker,’ zei ze afgemeten, ‘als Danga bij u in dienst wil blijven is dat zijn zaak. U zult hem dan wel een bediendenloon moeten betalen, net als welke knecht ook. U kunt hem ontslaan en naar een andere knecht uitzien, of hij kan zelf zijn dienst opzeggen. Maar u kunt hem niet overdoen aan een andere meester zonder dat hij dat wil. Onze Lieve Vrouwe zou dat als een diepe belediging opvatten en als ontkenning van het wonder dat Zij heeft verricht.’
Aagje zat bij die woorden ijverig te knikken; Alijt keek haar zus dankbaar aan.
‘Als u Danga niet wilt houden zal ik mijn vader vragen hem in dienst te nemen,’ zei ze.
‘Alijt!’ riep Aagje geschokt.
‘Waarom niet?’ zei Alijt koppig. ‘Ik vind Danga aardig.’ De waard droop af, hij had al spijt van zijn traktatie. Die Kampenaren waren toch maar raar volk.
Op dat moment kwam Jochum de jager de herberg binnenstormen. Naast zijn pijlkoker droeg hij een juten zak op de rug.
‘Gelukt!’ riep hij vrolijk. ‘Waard, een kruik van je wijn. Vandaag ben ik een rijk man.’
Toen kreeg hij de bedevaartgangers in het oog en Tieske, met het pijpaarden beeldje van Maria aan de halsband.
‘Ah, dat zijn oude bekenden,’ riep hij. ‘De Portugese heer met zijn slaaf en die aardige meisjes. Hoe was het in Frieswijck, heerschappen? Jullie hebben er mooi weer voor uitgezocht, moet ik zeggen.’
Hij schoof bij hen aan. ‘Voor de vreemdeling ook een kroes wijn, waard.’
Senhor Carvalho glimlachte.
‘Wat zit er in die zak?’ vroeg Agnes nieuwsgierig.
Jochem liet de juten zak met een bons op de grond vallen. ‘Je mag driemaal raden, lief kind.’
Alijt kreeg plotseling een angstig voorgevoel.
‘Ik zal het jullie laten zien. Dan weten jullie meteen waarom ik zo'n goede bui heb. Vanavond als ik uit Deventer terugkom ben ik tien zilveren guldens rijker.’
Hij bukte zich, opende de zak en toonde de beide meisjes de inhoud: de kop van een jonge wolf. Alijt wendde zich snel af, maar ze had het gescheurde oor herkend.
Vreemd, ze was bang voor wolven, het waren verscheurende dieren die veel kwaad onder de veestapels aanrichtten. Maar nu voelde ze hetzelfde wat ze ook had gevoeld toen ze de rijkgeklede gesluierde dame de voeten van Onze Lieve Vrouwe had zien kussen of wat ze had gevoeld toen Danga aan een ketting door de stad Deventer werd geleid. Een diepe bewogenheid, gemengd met een vaag gevoel van schaamte. Ze begreep zichzelf niet. ‘Bah, wat een engerd,’ riep Aagje, plezierig huiverend. Tieske blafte tegen de wolvekop. Snel sloot de jager de zak weer.
‘Hij was alleen, hij moet door een of andere oorzaak van het pad zijn afgedwaald.’
Alijt zei niets. Ze gaf Tieske een tik omdat hij bleef blaffen tegen de juten zak en de jager. Maar ze vond Jochum plotseling niet aardig meer.
‘Gaan we verder?’ vroeg ze ongeduldig, nadat senhor Carvalho zijn beker wijn had geledigd.
‘Ja,’ zei Agnes snel, ‘het is nog een eind naar Deventer.’ ‘Goed,’ zei senhor Carvalho opstaand. Oudergewoonte hees Danga de reiszak op zijn schouders.
Na dit lange oponthoud kwamen ze pas laat in de middag terug in Deventer. Senhor Carvalho ging meteen op zoek naar schipper Harkema om hun reis naar Kampen te regelen. Maar Harkema was niet van plan meteen af te varen. Hij wachtte nog op de lading linnen die hem was beloofd. Gelukkig konden ze ditmaal wel terecht in het herenlogement op de Nieuwe Markt, omdat ook in Deventer het wonder van Onze Lieve Vrouwe van Frieswijck bekend was geworden, en dat betekende dat Danga niet langer als een getemde duivel of demon werd gezien, maar als een mensenkind aan wie bijzondere genade was geschonken, ook al was hij zwart. Enkelen van de gasten wilden hem zelfs aanraken om iets van die genade aan hun handen te krijgen. Danga liet het breed grijnzend over zich heen komen. Hij was eraan gewend de dingen te nemen zoals ze waren. Alijt echter betwijfelde of hij precies begreep waardoor al die opwinding werd veroorzaakt.
Maar Aagje kreeg eindelijk haar zin: die avond aten ze gestoofde stokvis, met rozijnen en appels. Het smaakte hun heerlijk. En het was ook precies zoals het hoorde: een reiziger die Kampen aandeed at steur, een reiziger die in Deventer verbleef at stokvis.
De volgende ochtend kwam de knecht van schipper Harkema vertellen dat de schuit geladen was en dat ze konden vertrekken. De terugreis verliep zeer vlot, want nu ging het stroomafwaarts, en de zuidoostenwind in de zeilen maakte dat ze snel over het water scheerden. Alijt zat
met Tieske en Danga aan dek (het roefje was haar te benauwd), en net als enkele dagen tevoren keek ze naar de voorbijglijdende oevers. Ze wees van alles aan en benoemde de dingen voor Danga, die ze haar nazei.
‘Huis.’
‘Huis.’
‘Paard.’
‘Paard.’
Hij wees nu zelf ook. ‘Boom.’
‘Ja, dat is een boom!’
‘Koe.’
‘Nee Danga, dat is een stier. Stier. Mannekoe.’
‘Stier?’
‘De man van de koe.’
Hij grijnsde breed.
‘Stier,’ wees hij weer.
‘Nee, dat is nou een os. Os.’
‘Waarom?’
Alijt probeerde het hem uit te leggen. Ze bloosde erbij. Zo ging de dag snel voorbij en tegen de avond kregen ze Kampen al in zicht.
Hand in hand stonden Agnes en Alijt aan dek toen ze in de verte de torens van de stad zagen opdoemen. O, wat verlangde Alijt naar moeder Mette en vader Hendrik!
Ze had van de reis genoten, maar was er iets heerlijkers denkbaar dan thuis te komen? Ze kon nauwelijks wachten tot de schuit had aangelegd, en ze was de eerste die op de kade sprong, regelrecht in de armen van haar vader. Iemand had Hendrik gewaarschuwd dat de schuit van schipper Harkema er aankwam en hij had zich naar de kade gehaast om te zien of zijn dochters veilig en wel aan boord waren.
‘Vader, o vader,’ riep Alijt opgetogen. ‘Onze Lieve
Vrouwe van Frieswijck heeft een wonder verricht. Ze heeft Danga uit slavernij bevrijd. Ik ben zo gelukkig!’
Ze probeerde hem alles tegelijk te vertellen, zodat Hendrik er weinig van begreep.
‘Kalm toch, kalm toch, mijn hartje,’ lachte hij.
Agnes, Aagje en Tieske kwamen er nu ook bij en het was Agnes die rustig vertelde wat hun was overkomen.
‘Vader,’ vleide Alijt, ‘wilt u ons een plezier doen? Neem dan Danga in dienst als huisbediende. Hij is zo aardig en gewillig en helemaal niet dom. Ik heb hem al een beetje Nederlands geleerd en hij begrijpt een heleboel. Senhor Carvalho wil hem nu wel kwijt omdat hij hem voortaan een loon zal moeten betalen.’
Verbaasd keek Hendrik op zijn jongste dochter neer.
‘De Moriaan in dienst nemen?’
‘Ja,’ riep Agnes. ‘Daar krijgt u beslist geen spijt van.’
‘Aagje zal het vreselijk vinden.’
‘Nee hoor, die is allang aan zijn zwarte gezicht gewend. Nietwaar, Aagje?’
De meid knikte. ‘Ik kan in dat grote huis van u wel wat hulp gebruiken, heer Kuinretorf.’
‘Ja maar,’ stamelde Hendrik, ‘je moeder...’
‘O, moeder vindt het vast goed. Ze is nooit bang geweest voor Danga.’
Hendrik keek naar de zwarte jongen, zag zijn stralende lach. Agnes zei lachend: ‘Wie in Kampen heeft een zwarte bediende? En dan nog wel een die een bedevaart heeft gemaakt en door Onze Lieve Vrouwe van Frieswijck eigenhandig is bevrijd uit slavernij.’
Nou ja... eigenhandig, dacht Alijt.
‘Ja vader, doet u het?’
‘Ik zal erover denken,’ beloofde Hendrik, en dat was zoveel als een toezegging.
Aan de hand van haar vader, terwijl Tieske vrolijk om haar heen sprong, ging Alijt met de rest van de bedevaartgangers naar de Burgwal. Blij keek ze op naar de gevel van het huis. Moeder verscheen in de deuropening, met een van de katten in haar armen. Tieske sprong verheugd tegen haar op en trachtte haar in het gezicht te likken, maar kreeg daarbij een haal van de kat over zijn neus. Jankend deinsde hij terug.
Alijt lette er niet op. Ze stapte over de drempel en keek rond in de vertrouwde voorkamer. Ze was weer thuis! En nergens, nergens op de wereld was het beter dan thuis.