+Hierneffens2) staet een figuerken om een fonteyne te maken van twee tonnen,

Fig. 43.
de eene in d'ander, met het bomgat omlege. Het water wort door het opperste gat gegoten totdat de spatie tusschen de tonnen vol is, want in de middeltonne en sal niet veel waters loopen omdat de locht nergens uyt en kan. Als nu die spatie vol is, so sal mena) het water, dat in het tobbeken is, dat op de tafel staende aen de buyse dicht vast is, met eenb) pompstockxken neerwaerts in de tonne stooten, so langhe alsmer nyetc) meer in kryghen kan.
Nu de middeltonne van buyten bynad) sowel alse) van binnen geperst synde, en sal soseer in de gerren niet open gaen ende sal ronsom altyt met water bevochticht staen ende also sal de locht te beter daerin blyven. Maer de buytentonne moet wel vast ende sterck, met ysere banden, soo men wilt, dat se niet en rollef), gebonden syn. De binnentonne moet wel dicht sluyten, principael boven, daer van binnen noyt water aen en kompt om haerg) daer te doen swellen.
Als nu het water in de tonne al genoegh geperst is, dan drayt men de krane, daer het klapken in is, half omme, opdath) het te dichter syn soude, of misschien tusseni) het leer van het klapken ende het hout van de krane wat waters door leeckt3). Dan treckt men het pompstoxken uyt ende stelt sulcken fatsoenkenk) <so>l) dicht in de buyse alsmen wilt. Dan drayt men de krane dat het klapken omhooghe kompt; aldus wort het water van de locht in de middeltonne, tot syn voorighe grootte ende uytbreydinghe kommende, door het onderste gat lanckx, de tusschenspatie door het kraentjen ende het klapken oplichtende, van selfs uytgedreven ende valt weerom | in het tobbeken, dat op de tafel staet.
Als nu de fonteyne niet meer en loopt, so steeckt men het water, dat in dat tobbeken gekommen is, met het pompstockxken wederom in de tonnem) ende doet als vooren.
+Aer non longè videtur abesse à vacuo. Idcirco non commodè in eo observari potest an major globus non celeriùs cadat minori ejusdem materiae; tam celeriter enim uterque cadit ut tempus vix notari possit1). Ad hanc rem igitur commodior est aqua in quâ procul dubio deprehendes majores lapides celeriùs descendere minoribus. Atque ita D. Mersennus qui contrarium sustinet2), refutatur. Imò in ipso aere si duos globosa) inaequalis magnitudinis componas, major inferiùs cadet.
+Calida in vacuo posita, dissipantur si partes compositorum non aliter cohaereant quàm per compressionem corporis ambientis. Calor enim est ignis motus. Composita autem in vacuo posita, etiam levissimo tactu cedunt, cùmque intus ab igniculis tanguntur, partes omnes ab invicem dehiscunt, nisi siderum radij ea comprimantb).
+Met ysere pylen uyt een geschut geschoten, sal men meer machts doen dan met ysere bollen van evenveel gewichts, want de pylen vliegen rasscher, omdatse min lochts te scheyden hebben doordien al dat achterkompt en raeckt geen locht.
Menc) mocht de pylen vooren wat swaerder maken opdatsed) recht vliegen souden, want het swaerste) vlieght altyt vooren alser kracht genoch by is3).
+De dycken, die men teghen de baren van het water maeckt, worden gemeenelick noes geleydt ende nu tegenwoordichf) wort den dyck van Westcappel in Walcheren4) so scheuns teghen het water afdalende geleydt alst moghelick aldaer is. Jae, de opinie is, waert sake datter eenen dyck so lanckxsaem opginck dat men niet sien of mercken en konde dat se rees, dat dan het water gansch gheen kracht teghen den dyck hebben en soude. Twelck so waerachtich is, dat ick segghe dat horisontael of gans waterpas voorlandt van het water niet met allen en lydt; want watter soude moghen door de baren losgemaeckt worden dat blyft ligghen ende en rolt niet af.
Daerenboveng) so moet men weten dat de baren der see, gelyck overeynde
+ staende mueren, na de dycken toevloeyen, het onderste deel van de bare so rasch voortgaende als het opperste. Dierhalven, als het onderste teghen de opgaende hooghte stoot ende weerhouden wort, so gaet het opperste evenwel noch voorwaerts; ende hoe hoogher, hoe min dat die beweginghe vertraeght wort. Nadien dan dat de bare al wat aeneen kleeft, so moet nootsakelick het opperste neerstorten, gelyck het geschieden soude indien een muer also voortgaende, onder gesteut wert. |
+Maer soude men also waterpas, of byna, de dycken maken, denckt eens wat kost dat dit syn soude door de overgrootte breette. Daerom soude het misschien beter syn dat men al de onkost dede aen eenen perpendicularen dyck met steenen, taras etc. so sterck te maken dat de baren daer niet teghen en konden doen. Ofte liever, omdat het onderste deel dickwilder aenstoot lydt dan het opperste, so mocht men het voorlandt waterpas maken ende een stuck weechs innewaerts een hoeghte rechtop van een voet 3 of 4 seer sterck teghen het water van vooren; ende van het opperste innewaerts al waterpas, so hooghe alom als dit stuck dyckx

Fig. 44.
is; ende dan noch een weynich innewaerts wederom; also in forme als hier aen de kandt geteeckent staet, alwaer vier hooghten dickxt staen, 1, 2, 3, 4, ende vier effen waterpasse vloeren a, b, c, d. Het water en kan a geen leedt doen omdat het waterpas licht, ende gaet sonder steuten ofte branden (gelyck de schippers spreken) naer 1 toe, daer de bare gelyckelick teghen stoot, onder ende boven even gelyck. Daerna so oock lanckx b tot 2, etc. Ende soveel als 1, 2, 3, 4 tsamen korter is dan de gestipte linie da, sooveel min onkost kanmen doen aen 1, 2, 3, 4 dan men aen a, d soude hebben moeten doen. Ende indien men al den onkost daeraen doen wilde, so en soude 1, 2, 3, 4 niet alleenelick soveel sterker syn als d, a alser maer onkost op elcke roe aen gedaen wort, maer daerenboven soude het byeen syn groote kracht hebben secundùm illud: virtus conjuncta fortior est eâdem dispersâ, gelyck <ick>a) vooren ergens1) getoont hebbe, dat een solder stercker is met balcken dan of al het houdt tot plancken gemaeckt ware ende overal gelyckelick geleydt.
+Cùm Terra nostra ubiqueb) non sit ejusdem materiei, sed hoc loco constet exc) corporibus utpote metallis, lapidibus etc., alio loco ex levioribus utpote aquâ, lignis, hiatibus etc., necessè est aliud esse centrum ejus gravitatis, aliud magnitudinis sive globi; et axis Terrae, circa quem motu diurno movetur, per utrumque centrum necessariò transit. Nam dum Solis radij annuatim Terram circumducunt, semper nova Terrae pars Soli sese offert, quae quoque a radijs percutitur cogiturque
+ versus eam plagam ad quam ipsi radij tendunt. Quoniam igitur a radijs percussa, non possit non moveri Terra, movetur secundùm eam partem quae stat in aequilibrio quae sola est secundùm axem qui per duo haec centra transit. Nam aliae diametri omnes eam unâ parte reddunt ponderosiorem, non quòd pondus ibi habeat Terra, sed plus corporeitatis quaea) in hac quàm in illâ medietate illi est loco ponderis; vel si axem per centrumb) gravitatis duntaxat transire facias, una medietas plus habebit magnitudinis quàm altera. |
+Omdat men het glas aen glas met cement niet wel lochtdicht maken en kan1),

Fig. 45.
so sal men het weerglas ab omkeeren ende daeraen den koperen of glasen dobbelen-elleboogh-buysken cementerenc) f, g, c, d, ende daeraen de glase langhe buyse ef. So sal het water door e ingegoten, den hals ende het geheel koperen buysken tot boven f vullen, daer het cement alleen kompt. Ende also en behoeven de jonctueren maer waterdicht gecementeert te wesen.
+Flamma candelae generatur, quia per calorem priorem halitus procreatus, ascendens per ellychium ad meditullium flammae prioris, ibidem ad justam flammae et lucis tenuitatem scinditur.
+Ongesonde krakende lieden konnen wel langher leven dan gauwe, omdat taye humeuren traegh uytdoomen.
+Den 51en Psalm toont dat nota finalis wel mach wesen een quarte onder de principale, want den psalm eyndicht in la ende elck veers in mi. Ergo den toon is re la mi.
+Als men int koken of int macereren seu in funderen, de spiritus behouden wilt, so sal men het glas of pot daer het kruyt in is, omkeeren, ende met den mont in een hol becken stellen ende so opt vier of in balneo stellen. Doch het becken moet so groot syn dat het al de vochtigheyt, die van de gemaeckte spiritus uyt de pot gestooten wort, vaten kan.
+Een spelle in een wratte gesteken, so diep totdat het begindt seer te doen ende met de vlamme van een keerse het hooft van de spelle soo heet gemaeckt alsment verdraghen kan, hebbe ick sien genesen aen myn broeder Abrahams'2) handt, also
+ dat die leelicke wratte binnen weynich daghen af viel, de wortel sonder twyffel ontrent de punt van de spelle geleghen, geschroyt ende gelyck verbrandt synde, gelyck op een verbrande plaetse gheen haer meer en wast.
So soude men oock moghen genesen de exterooghen aen de voeten. Meughelick soude men die oock konnen afnypen met een schroeve, alle daghe die wat toedrayende.
+Sennerti tartarus quem facit materiam arthritidis1), positis ijs quae ille ponit, ex venis in totum corpus inter musculos et sub cute per venarum orificia ab illarum membranis ab illo punctis, expellitur; indea) sponte cadit quia alienob) sed potentissimoc) motu manuum et pedum ad articulos proijcitur. Cùm enim manus movetur, omnia quae in brachio sunt, unâ moventur; cùm totum corpus movetur, omnia quae in eo sunt, etiam unâ moventur. At cùm vel manus vel corpus subitò, ut fit, quiescunt, necdum contenta quiescunt, sed pergunt moveri atque ita pedetentim omnia aliena ad extremitates corporis perveniunt. |
+Het becken om op te slypen, daer vooren2) van gesproken is, wort best geschuert alser aen den hangenden stock een swaer gewichte hanckt, heel omleege. Want dat is gelyck een slyngherwicht ende dringht hart deur, ende men en hoeft niet te douwen; neempt daerom gelyckelick af.
Om te weten of des stockx vast punt ende den asd), daer het becken op draeyt, in een rechte liny staen, so laet het punt van de hangende stock een seker punt in het becken effen raken ende draeyt het becken om dat punt van den stock, dattet selfde punt vant becken allom raeckt, dan ist so ende wel in een rechte linie. Ende indien des stockx punt met een punt van het becken sus is, ende met een ander punt anders, dan en is den asd) selve niet recht, dat is den hals en is niet ront ofte der halsen plana niet paralleele).
Om den stock hoogher, leegher, vooren, achter, ter rechter ende slyncker syde te versetten, hebbe ick 3 schroeven doen maken, die ineen steken. Die daer de stock aen hanght, kan over ende weer gaen met de stock, sonder d'ander twee te moyen. Maer als de tweede over ende weer gaet, so gaet de eerste oock so. Ende
+ als de derde, die alles hooger ende leegher maeckt, over ende weer gaet, so gaen de eerste twee oock mede. Is seer bequaem hiertoe.
+Om sonder touwe de stock aen alle syden te roeren, make ick

Fig. 46.
sulcken instrument: De stock steeckt in a ende alsse na d of e gaet, so draeyt het instrument op bc, maer alse na b of c gaet, dan drayt het op ed, sodat b ende c mede op ende neer gaen, maer e ende d blyven altyt vast.
+Psalm 68, versu 8, singht het volck in stede van mi fa la, mi la la.
De reden is omdat fa la op dien toon niet en past, ende het blyckt hier in desen psalm aldus: Int derde ende seste veers singht men van la tot mi, die dan springht; ergo la mi is hier een goede consonantie. Nu mi sol is oock goet, omdatter staet ut mi ende ut sol. So is dan la sola) eenen kleynen toon. Maer op re draeyt de cadentie tot ut; ergo re maeckt een consonantie met een principale note, ergo met sol. Indien <men>b) dan mocht fa la singhen, so soude re fa oock goet syn, ende so oock re la, ende die is van re sol eenen grooten toon verschillende, daer flus gevonden is dat la sola) eenen kleynen toon is. Ergo fa la, noch re fa en syn hier niet goet. |
+Aldus kan men een fonteyne maken om het water in te steken dat de pompe

Fig. 47.
niet hoogher en sy dan de krane. De pompe blyft staen ende men setter wat op om door te springhen als de pompstock uyt is. Ende de krane moet men dan andersom draeyen, want het klapken is in de krane.
+Om van eenen ordinaren blaesbalck eenen suyger te maken, sal men een stockxken in het gat, daer de klappe tegen kompt, steken, also dat die klappe niet toe en kan, ende een ander klappe daer bovenop maken.
+Propositio, id est enuntiatio finita negata aequipollet infinitae verae, id est cùm totum praedicatum infinitum est, id est cùm particula negationisc) copulam immediatè sequitur. Nam <in> exemplisd) quae affert Burgersdyck1): Adam none) potuit peccare, et Adam potuit non peccare, ibi negativa non convertitur in infinitam, quia pars tantùm praedicati infinita est; potuit enim est etiam ejus pars.
+ Dicendum enim erat: Adam fuit talis qui non potuit peccare; tum utrumque est falsum.
Claudius potest non currere et Claudius non potest currere, non sunt eadem. Una enim non est alterius infinita. Verùm solve crypsim per copulam est: Claudius non est potens currere, et Claudius est non potens currere idem sunt. Et patet illud, quod in potuit est materiale fuisse partem praedicati.
Ubi igitur doceo negativam in infinitam convertere semper totum praedicatum infinitum fieri debet.
+Om gemackelick een glas te slypen, so bol ende so vlack als ghy begeert, so hanght u glas aen een touw, die door een ront effen gadt steeckt, het gadt so groot synde als de touwe dick is. Hanght dan aen het houtjen, daer u glas op gecementeert is, een swaer loot, hoe swaerder, hoe beter. Onder leght eenen grooten slypsteen vast, so groot als u handt verheyscht int gins ende weer gaen. Stoot dan sonder douwen aen dat gewichte, even gelyck men slypt, so sal het glas bol worden ende den steen hol, waervan den halven asa) van den sphaere effen so groot is als de lenghte van de touwe. Ende omdat de steen ende het glas altyt afslypen, so laet de touwe met het gat metal leger ende leegher, of den steen hoogher ende hoogher dat het glas den steen altyt geraeckt.
Maer alsmen het becken draeyt ende so snydt, schaeft, of slypt, met een hangende touwe ofte stock, so moet den asa), daer het becken aen vast is, ende het gadt, daer de touwe deur steeckt, in een rechte linie syn1). Andersins wort het centrum van het becken te leeghe, so men den beytel aen de oversyde houdt, ofte te hoogher, soo men hem aen deselfde syde houdt daer de stock hangt. |
+Venenum nihil videtur esse aliudb) quàm ignis qui tales particulas de se eijcit, quae cùm poros corporis ingressae sunt, iterumc) dissiliunt, ideòque ibi incendium excitant. Quamquam autem antehac2) eam esse ignis naturam dixi, ut eundo ad aerem etc. semper usque ad ultimam dissolutionem dissiliatd), tamen in eo à veneno differre potest, quòd veneni particulae tam tenaciter cohaereant ut, nisi a calore nostro iterum calefactae fuerint, dissilire nequeant. Hinc venenorum differentia petatur ut aliaee) particulae citiùs, aliaef) tardiùs, saepiùs, rariùs, crassiùs, tenuiùs, etc. dissiliant.
+Sic videmus fumum candelae multò esse perniciosiorem flammâ, hanc etiamg) ob causamh) quia fumi homogenea intra cerebrum ingressa et ibi calefacta, ini) plures multò <crassiores>k) particulas dissolvuntur quàm homogenea flammae.
+Als men een becken slypen wilt met eenen stock, die hanckt, om so recht spherael te maken, so sal men aen den stock vesten eenighe stoffea), die door slypen afneempt. So salt gebeuren dat sowel de stoffe, daer men mede slypt, spherael wort, als het becken. Jaeb), al ware het becken ende de slypsteen beyde plane, souden beyde al slypende net ront worden, het eene hol ende het andere bol. So ist dan goet sachter ende sachter stoffe te nemen om het becken so op het laetste te polysten. Want hoe ment maeckt, alles blyft altyt ront, so langhe als men met den hanghenden stock wryft.
Het is lanck ende ongheleghen werck alsmen een becken, dat vast light, met eenen slypsteen, ofte yet anders, afnemen ende effenen wil, die aen eenen stock ofte touwe hanght. Want wilt men dat met een yser doen, so en moet dat yser het becken maer met een puntje raken, dewyl het allom niet gelyckx de hollecheyt en staet, ende dan ist seer lanck werck ende meughelick al vol strepen, omdat de handt so rasch niet over ende weer gaen en kan gelyck het becken soude konnen draeyen.
Hierteghen is de voorgaende lesse goet1), voornementlick indien den slypsteen

Fig. 48.
groot is, opdat sy op veel plaetsen seffen vatten mochte. Maer om rasch te doen met een radt, so laet ab ende cd vast staen ende drayen, te weten a ende c omhooge ende b ende d opt pampier, sodat ab ende cd teghen het planum perpendiculaer sync), maer den slypsteen ligghe also op het becken, synde soveel kleynder dan den slypsteen als de krompten van ab ende cd bedraghen, opdat het becken noyt ontbloot en worde, in geen van syn deelen, van den slypsteen, maer altyt allom gerocht worde; ende den slypsteen sy so dat se doort slypen slydt.
Alsdan ab omge | draeyt wort door hemselven, of liever door noch een ander radt (opdatd) ment so snel doe omdrayen als men wilt)e), so sal cd oock omdrayen even rasch, omdat de stock aen beyder krompten vast is. Ende den slypsteen, daer oock aen vast synde, sal niet alleen gins ende weer getrocken worden, maer oock aen alle syden eveneens, gelyck men met de handt soeckt te doen, also dat elck puntjen van de slypsteen eenen gelycken circkel beschryven sal op het becken, waerdoor het becken gelyck allomf) sal slyten. Want de circkels sullen alle deur malkanderen kommen gelyck se met de handt doen.
Indien men te veel af te nemen heeft, so mach men sien waer het becken int
+ slypen eerst drooghe wort, ofte van de slypsteen eerst vuyl, ende dat daer met eenen hamer neerkloppen, so de materie tin is, ofte yet dat het kloppen verdraghen mach.
Ad Fromond., Meteorol., p. 3041). Ros fit non uti hic, aut (ut ipse ibi dicit) ut Benedictus2) putat, sed quia sub auroram per Solis calorem aer tenuior factus, vaporem noctu elevatum non ampliùs potest ferre. De quâ re antehac3) saepiùs.
+Nix sordes in se habet quia et aqueum quod per frigus seorsim constrictum fuisset in pluviam (nisi frigus tam vehemens fuisset ut ipsum vaporem constringeret)a) et terreum etc. quod in ventos aut aliud quid abijsset, simul constricta in vapore sub formâ nivis cadunt.
+Cataplasmata frequenter sunt renovanda et calida tumoribus imponenda. Ita enim calor educens tenuiores cataplasmatis particulas, cum ijs se intra poros tumoris insinuat; calore verò jam evanescente, non plus ingreditur tumorb) quàm calor corporis nostri circa tumorem educit. Ad haec tenuiores partes in initio per calorem educuntur, at ijs jam magnam partem eductis, crassiores solae restant. Idcirco cataplasma idem numero non est calefaciendum, sed omninò recens praeparandum.
+Dese figueren toonen hoe men een becken op verscheyden mannieren sal slypen met een touwe ofte stock, daeronder een slypsteen aenhanght.

De eerste is om het becken net spherael te maken. Doch also de touwe boven aen het gadt van het yser, daer se door steeckt, alsse na den limbum ofte uyterste van | het becken, toegaet, een weynich kroockt, so gebeurt het dat de diameter van het voorschrevena) gadt tot de limbum van het becken so lanck niet en is als het gat tot het centrum van het becken, doch hoe dunder ende hoe swacker de touwe is, hoe dat min verscheelt. Ende so het noodich ware dat gansch te voorkommen, so soude men het yser moghen maken als vooren1) getoont is om sonder touwe alleen met een stock te slypen.
De tweede figuere dient om het becken also te slypen dat de diameter vant centrum des beckens lanckxtb) is, ende hoe nader den limbus, hoe korter. Dat geschiet als men boven, niet verde van het gat, daer de touwe door steeckt, een swaerachtich gewicht hanght, twelck niet over ende weer en gaet, juist gelyck de slypsteen; ende de onderste touwe, daer den slypsteen aen vast is, nochtans so gaet, dattetc) gewichte een weynich over ende weer <kan gaen>d). Sodat alse) alles perpendiculaer hanght, is den diameter so lanck als vant gadt tot het centrum van het becken, maer naer den limbum ofte rant van het becken slypende, so kroockt die linie aen het gewicht, hoe nader den rant hoe meer; ook hoe swaerder gewichte hoe meer; oock hoe lichter slypsteen hoe meer; oock hoe leegher het gewichte hanckt etc. Dit mach men gebruycken daert schier of morghen te passen kompt.
Maer de derde figuere is oock met een gewichte als de tweede, doch de touwe ofte stock is vast aen den limbum van het gewichte. Daerom gebeurt het dat den diameter van het gat tot den limbus of rant van het becken de langhste is ende tot het center van het becken de kortste, want de touwe kroockt alse naer het centrum toe gestooten wort. Ende het gewichte draeyt aan allen syden. Doch indien men meynt dat de touwe te veel draeyt door het keeren gins ende weer van het gewichte, men mach de knoopen, die op de gaten kommen van het yser ende van het gewichte, so maken, dat se in de gaten draeyen.
Men mach dicker, dunder, styver, swacker touwen, ofte buyghende stocken of yserken of stale latten nemen, naerdat men int gebruyck dienstich vinden sal, want die dient om allerhande ellipses, parabolen ende hyperbolen te slypen. Ende men mach het gewichte ende touwe etc. so langhe veranderen totdat men sulck forme heeft als men begeert.
+Hetgene ick voor desen geseyt hebbe2) van een glas met water dat het ronsom den kant gewreven synde, sprinckelinghen van water daeruyt vliegen gelyck oft water sode, so kan men oock sien, als men met heel sandt een glas op een ysere becken slypt, dat elck sandeken danst. Waeruyt blyckt dat al dat geluyt geeft, uyt
+ ende ingaet, by deelkens buygende. | Ende is af te nemen dat de locht het becken ofte den roomer rakende, eveneens uytgeworpen wort, gelyck het water ende het sandt.
+Het yser wort door het water hardt gemaeckt als men het gloyende daerin steeckt, omdat de materie des viers in de gaetjens van het yser allom gelyckelick is; ende scheydt de homogenea ferri allen van malcanderen ende maeckt also de gaetjens even groot, daer andersins in het yser het een brockxken grooter ende dichter is als het ander. Als het water dan daerby kompt, dat stopt alles van buyten toe, also dat het vier niet meer vervlieghen en kan; waerdoor kompt dat de materie in de gaetjens, die noch niet vervloghen, dat is verbrandt en is, blyft gelick se was, ende het vervlieghen staet stil, also dat hetgene, dat noch niet en vloogh, niet ontsteken en wort. Het stil syn anders is niet dan doof syn. Het vier dan in de gaetjens doof synde, blyft daerin; dewelcke vol synde, so en kan het yser niet byeen vallen gelyck te vooren, maer moet so gescheyden staen gelyck het stondt alst gloyde, dat was met syn deelkens gelyck vaneen. Ende elck deelken, dat plach sich uyt te geven, moet nu dicht gedronghen blyven staen; want als het subtylste vier uyt de gaetjens vlieght door de homogenea, so en konnen de homogenea niet seer swellen, omdat de materie des viers de groote gaten ronsom vervult; ende het vier doovende, so krimpense inéén doordien dat de materie des viers in de groote gaetjens tusschen de homogenea blyft ligghen pranghende. So moeten dan de homogenea harder syn dan sy souden geweest hebben, indien men het yser hadde laten koudt worden; dat is, al de materie des viers laten vervlieghen. So wort het oock kordtbrakich ende verliest syn tayheyt, omdat hetgene dat placht byeen, jae inéén te steken, nu vanéén staat, gelyck het oock geschiet in het glas.
+Vox acuta et gravis non per oris amplificationem eta) contractionem, sed per faucium aperturam eta) clausuram majorem et minorem efficitur. Una enim littera quae per os formatur, id est ore in eâdem formâ manente, omnes in acumine et gravitate variationes subit; id est per A litteram omnia possumus canere. Fauces autem cavae sunt et cavitas potest fieri major et minor.
+Om pertinent te schaken1) sal men elck een sandtlooper omkeeren, elcke reyse als d'ander staet ende versindt; ende diet wint, sal soveel meer of min hebben als den tyt van versinnen bedraeght naerb) proportie. Ende naerdatc) ymant stucken overhoudt van importantie, sal hy meer winnen of min verliesen. Ende naerdatterd) in de victorie meer stucken op het bort blyven, sal men meer winnen; te weten, blyvenser al op aen weersyden, so sal hy dobbel winnen, ende so naer advenandt. |
+De doppen, daer men de glasen met peck aen vast maeckt, die en moeten niet hooghe syn, want als sy teghen een sandeken ofte teghen een plaetsken, daer geen sant op en is, stooten, ofte wat tragher voortgaen, soo blyft het opperste van den langhen dop al steevast in synen ouden voortganck. Ende so kompt het dat het glas met de kant teghen het becken stoot. Dit gebeurt voornementlick als het sandt ofte de schuersteen geheel fyn geslepen is, sodat het dan by horten gaet ende begint te schueren, twelck het glas vol strepen maeckt, omdat het sant allom noch niet ongevoeligh gebroken en is. Alsser dan een sandeken, dat noch niet fyn genoegh en is, onder het glas raeckt, terwylen datteta) so teghen het becken schuert, so wryft het glas daerover ende maeckt een strepe gelyck of men met het ameril of diamant sneedt na de dickte om het voorseydeb) sandeken.
Daerom ist best den dop heel leeghe te maken ofte, indien het glas styf genoegh is, met het bloote glas te slypen; ende alsmen het polysten wilt, dan eerst aen den

Fig. 50.
dop vast te maken, ofte te gebruycken een manniere van doppen, gelyck hierboven staet1). ab is het becken, c den dop, daeraen dry styvec) ysers even groot gemaeckt syn cd, ce, cf, onder met dry ander ysers, die men af ende aen doet, aeneen gemaeckt.
Alsmen dan met den dop slypt, ende dat se wat steut, so sal het gewichte d e f in synen loop blyvende, maken dat het glas niet en kandt, maer vooren wat oplicht, ende also sal men veel langher konnen het glas over het gebroken sandt doen rollen, welck rollen het sant kleyn maeckt, ende, in stede van streken, maeckt putteken; ende hoe kleynder het sandt wordt, hoe kleynder puttekens. Ende hoe kleynder puttekens, hoe min stralen datter verstroyt worden, ende hoe klaerder dat het glas gepolyst kan worden; want het potey2) ofte de veselinghen van het laken, kan de ondiepe puttekens best tot op den grondt suyveren (dit syn de puttekens, daer ick voor desen3) af geseydt hebbe dat de stralen des lichts in schieten, ende tegen aen reflecterende ende so deurgaende, een refractie causeren).
+De brilmaker te Middelborgh4) slypt altyts in syn stale of ysere becken heel op,
+ met polysten met al, seght hy, alleen met wit sandt ende water, van eersten af.
Hy seyde oock dat de beste beckens syn van stael, dat ontlaten is; dan ist sachte om geschuert te worden,
Glas, hoe meer gekoockt, hoe min sandich.
Hy kan oock (seght hy) van gebroken roomers glas gieten int kleyn.
Amaril gegloydt, breeckt beter.
De puttekens, die te diep syn, kommen van grof sandt. |
+Neempt sulck loot daer <men>a) hagel van giet, te weten twelck gesmolten synde int water gegoten, sich in ronde bollekens verdeelt; ofte koopt twee oncen al gemaeckte hagel ende smelt die. Als het loot begint styf te worden ofte een weynich te vooren, so giet daerop anderhalf once quicksilver (het loot en mach so heet niet syn dat de quicksilver, daerin gegoten synde, opvlieght, want den damp is fenyn; men kant met een weynich seffens proeven; het gesmolten loot heeft vetticheyt op hem; dat moet men eerst afschuymen)b). Dit quicksilver menght sich gansch met dit loot ende laet sich gieten tot bollekens, so groot ende so kleyn alsmen begeert; dewelcke uyt een musquet geschoten synde, bedeelt sich in ontellicke deelen. Hoe meer quicksilver daerby is, hoe eer sich den bol begint te deelen, sodat een pampier byna tot poyer in stuckxken geschoten kan worden, ende een katte doot, sonder te sien dat se ergens gequetst is.
Dit seyde my desen 6en Decemb.1) 1632 een soldaet dat hy dickwils gedaen hadde, ende was goet om veel vogels seffens te schieten.
+Qui cupit corporum cadentium celeritatem variantem per spatia majora et minora explorare2), erigat tubos perpendiculares eosque aquâ repleat; in eosquec) descendat lapis aut aliud corpus aquâ gravius. Videbis quanto tempore per duo, tria, quatuor spacia cadat etc.
+Item sic potest quis per tubum horisontalem, aquâ limpidâ plenum et utrimque vitro claro clausum, explorare quantò celeriùs per aerem quàm per aquam lux candelae aut scintillae lapidis transeat3.
+Alsmen int slypen wilt dat het loot ofte steen rasscher over ende weer gaet dan na gelegentheyt van de lenghde van den hangenden stock, so mach men een groot gewicht int midden van de stock hoogher of leegher hanghen, want hoe hooger het gewichte hanght, hoe rasser den stock over ende weer gaet. Het is goet dat men het over ende weer gaen van de handt doe accorderen met het over ende weer gaen van de stock, gelyck se doen soude, eens geroert synde, want so en geschiet er niets hortende of violentera).
+Het regent somtyts smiddachs omdat de locht, onder de wolcken dunder wordende door de wermte van de Sonne, de wolcken so wel niet meer draghen en kanb). Somtyts houdt den regen smiddachs op omdat de verspreyde vochticheyt warm wordende, beter opwaerts klimpt. Hieruyt vindt men de gelegentheyt van de oorsaken van dauwe, rym, mist ende so voorts, soo men op elck syn onderscheyt welledt.
+De maendstondenc) van een vrouw-persoon konnen bequaemelick verweckt worden door hinckelen, dat is, gelyck de kinders op één been huppelen, ende veel beter dan door dansen. Want int dansen valt men saghtjens neder, maer int hinkelen plotselick, sodat de humeuren int lichaem haren loop houdende, sterckelick nederwaerts sacken. |
+17en Sept.1) 1632, in navi post prandium, door het eten van viskens diemen vorentjens noemt, uyt het water sonder botter daerover ghesmolten, ende daerop wyn gedroncken, kreegh ick pyne in myn hooft des avons. Doch ick dede het luyck dicht toesluyten ende leyde myn hoet over myn aensicht, ende wert seer warm, ende de pyne verginck, niettegenstaende dat ick altyt mediteerde ende niet en sliep.
+Ick achte dat de watersuchtighe, leucophlegmatici genoemt, best genesen konnen worden, als men sich gewent syn asem langhe in te houden ofte dickwils <een>d) weynich touback te drincken, ofte met yet anders, daer men de longher mede warm maken kan, dewelcke dane) dit phlegma per insensibilem perspirationem evacueert.
+Valsch silverdraet dat niet van oprecht silver en is, brandt in de vlamme van de keerse gehouden synde, ende het oprechte niet, seggense.
+Flamma candelae, tam longè quàm fieri potest visa, talis pars est ejus circumferentiae cujus semidiameter est distantia oculi videntis à flammâ, qualis fixa est sui circuli. Ad haec fixarum lumen in vacuo movetur perpetuò, si ipsarum et nostrum aerem exceperis; flammae lumen verò toto itineris spatio per aerem. Ergo fixarum diametri visibiles multò minores sunt quàm putantur1).
+Een bolleken in een donkere kamer aen een drayken gehanghen, daerop door een kleen gaetjen de Sonne schynt, ende nergens anders teghen eenighe mueren etc., dat sal de Mane gelycken, pro ratione qualitatis et quantiën.
+Een loode buyse, met keersroet warm bestreken ende so in de aerde geleydt, wort in een jaer 2 of 3 wel de helft dunder, seght de lootgieter.
+Om int slypen de kanten vant glas niet te stooten ende also de forme des beckens niet te missen, so mach men het becken hanghen ghelyck de schippers haer compassen doen, want dan sal men altyt recht nederwaerts douwen. Ende als den vyngher op het centrum vant glas light, dan sal dat centrum altyt op de leegste plecke van het becken syn, ende also niet steuten, noch stooten.
Als men siet dat de kanten altyt meest afnemen door het schueren, so mach men een becken maecken, dat int midden een groot gadt heeft, jae ist van noode, so groot dat den overighen randt niet breeder en sy dan het glas groot is, of noch minder. So sal het centrum vant glasa) dickwilder gerocht worden dan de plaetsen aen de kanten, want het centrum blyft altyt op het becken ende en raeckt noyt int gadtb) of over den rant vant becken. Atque ita etiam semper erit idem manûs ambitus; utrimque enim ambitûs meta erit posita, hinc concava, illinc verò convexa. |
+Men soude een kam konnen maken, wiens tanden heel deur gaen ende also en sal de vuylicheyt daer niet in blyven steken. Maeckt alle de tandekens vaneen, ende int midden wat breeder, ende heght se door die breette hooghe genoegh aeneen.

Dits de forme van eenen tant, de kam op haer kant ligghende gesien.
+Eenen yseren bol, gegloyt synde, trekt door een gaetjen, dat men int water steeckt, heel vol water, meyne ick, ende also synde, en wasser in den gloyenden bol gheen locht, tensy dat men gheloove dat se so dun wort, datse met het vier door de gaetkens des ysers treckt.
+Bruno Nolanus, pag. 213, lin. 101), non reddit meo juditio veram rationem cur aves supra in aere meliùs volitent. Ego verò aliàs2) dixi id fieri quia aer ibi ob frigus est crassior.
+In horologijs parvis, qualia praesertim ea sunt quae in saccis femorum circumferunt3), reciprocatio debet esse frequentissima et celerrima, ne ob parvam corporeitatem motus ejus ab aere occursante omninò tollatur aut nimium impediatur.
+Ad sedandam narium haemorragiam4) expirandum est per os apertum, inspirandum verò per eam narem ex quâ fluit sanguis, adhibitis (nisi hoc solum juverit)a) vaporibus ad id aptis. Nares verò interdum digitis premendaeb); ita enim meatûs fiunt angustiores, in ijsque faciliùs sanguis concrescit, et aer frigidior magis eumc) per angusta retroagit aut sistit.
+Motus Terrae infert autumni tempore ventos Septemtrionales vesperi et manè, meridie verò N.O., mediâ nocte N.W. Tunc enim ob praecedentes calores maris partes subtiliores exhalarunt, quae per se ventos Occidentales apud nos, quibus mare est, ad Occidentem parerent. Verè coincidunt marisd) venti cum ijs qui fiunt ob Terrae motum; hinc tantae tunc tempestates.
+Te beproeven of een licht, dicht, styfe), groot, hol dinck, de locht daer soveel uytgetrocken synde, niet min en weeght dan te vooren, al en scheelt het niet veel, want de locht is geweldich dun ende en scheelt niet veel van 't ydel of vacuum in regaert van water etc.5). Ende voorts te sien of ment niet en soude so licht konnen maken dat het in de locht optrock, gelyck den roock ende een blase int water6).
+Sant drooght so wel omdat het, uyt kleyne, ronde bollekens bestaende ende so wyt van een ligghende, allom van de locht ende de warmte gerocht kan worden. Waerdoor de kleyne corporeiteyt des waters, die daerin is, lichtelick uytgedrooght kan worden. |
+Bruno, pag. 2131), malè dicit tantò graviora pondera natare posse quantò plus aquae subest.
+Sonus magnus qui utrumque aerem penetrare potest, hinc ad Lunares non perveniet, nisi etiam tantus sit ut ob distantiam non sit nimium rarus.