terug  begin  verderprepost
[p. 155]

IV De negentiende eeuw

[p. 157]

7 F.W. Junghuhn (1809-1864): verheffing van de tropische natuur*

Driemaal is Nederland verwoest door een vreemde mogendheid. De eerste keer door het koninkrijk Spanje in de zestiende eeuw. Twee eeuwen later was het Frankrijk, in het bijzonder tijdens de regering van Napoleon, tot 1813. De Duitse bezetting in de Tweede Wereldoorlog was de derde maal.

In 1813, toen Nederland weer vrij was na de nederlaag van Napoleon in Leipzig, werd het geconfronteerd met een economische ramp. Er werden diverse oplossingen voorgesteld en uitgeprobeerd, maar uiteindelijk dacht men dat het het makkelijkst was de kolonie in Azië te laten betalen voor het herstel van de Nederlandse economie. Voor dat doel introduceerde Van den Bosch het beruchte ‘cultuurstelsel’, een systeem van gedwongen teelt van marktgewassen in opdracht van de koloniale regering. Dit werkte. Tussen 1831 en 1877 genereerde het stelsel een heleboel geld, dat voornamelijk in Europa werd uitgegeven, maar het stelsel leidde ook tot excessen en corruptie, die echter weer snel werden overvleugeld door de liberale ideologie die de Franse Revolutie had overleefd.

Enkele van de problemen die samenhangen met deze gecompliceerde strijd tussen materialisme en liberale ideologie zullen in de volgende vijf hoofdstukken worden vermeld. In dit hoofdstuk wordt het werk onderzocht van een man die weleens de laatste koloniale intellectueel kan zijn geweest die wetenschappelijke deskundigheid paarde aan literaire begaafdheid. Hoewel een literaire reputatie, als ze eenmaal is gevestigd, behoorlijk stabiel is, gaat de tijd zelden zachtzinnig om met wetenschappelijke reputaties. Hij spaarde Junghuhn niet, de ‘Humboldt van Java’, die bij zijn leven werd geëerd als geograaf, cartograaf, etnoloog, vulkanoloog, klimatoloog en botanicus, maar nog geen halve eeuw na zijn dood voor niet meer dan een slechte of onbelangrijke topograaf, paleontoloog, linguïst, etnograaf en geoloog gehouden werd.1 Zijn reputatie als botanicus bleef echter in stand en zelfs degenen die hem kleineerden prezen hem als kenner van de natuur en voortreffelijk schrijver.2 Juist deze laatste kwalificaties pleiten voor Junghuhns opname in dit boek, benevens het feit dat essays over de natuur in de geschiedenis van de Nederlandse koloniale letteren betrekkelijk zeldzaam zijn.

Tot de twintigste eeuw was de tropische natuur ofwel van weinig belang of een sierlijk literair cliché. De Nederlandse kolonie was een kustkolonie en de wilde binnenlanden (die geacht werden slechts een paar mijl van de kust te beginnen) waren verboden terrein. Zowel in de achttiende als in de negentiende

[p. 158]

eeuw zouden de Nederlanders hebben ingestemd met de eigenaardige mening van Aldous Huxley van wouden als ‘vreemd, afschrikwekkend, fundamenteel en uitermate vijandig voor de mens die erin doordringt’.3 Zij gaven de voorkeur aan bewerkte natuur, dat wil zeggen bewerkt land dat winst oplevert.4 De overheersende mening over de natuur in Indië werd op de spits gedreven door Bas Veth (1860-1922), die in zijn boek Het leven in Nederlandsch-Indië (in 1900 uitgegeven in Amsterdam) zijn lezers ervan probeerde te overtuigen dat er niets was om de koloniën aan te bevelen, zelfs niet de tropische natuur want deze ‘geeft geen vreugde’. Voor Veth was het een begrafenisnatuur, een ‘dode pracht’, die hij zelfs arctisch wist te maken: voor de repatriërende Europeaan moest alleen al de belofte van Holland voldoende zijn: dan ‘ontdooit bij hem de Indische verijzing’.5

Junghuhn hield er een volmaakt tegenovergestelde mening op na. Hij had een hartstochtelijke belangstelling voor de tropische natuur, met zijn romantische karakter genoot hij van onbekende streken, en zijn houding tegenover agrarische kolonisatie was hooguit ambivalent. Tot de twintigste eeuw waren de twee grootste natuuronderzoekers van Indië genaturaliseerde Nederlanders geweest die in Duitsland geboren waren. Rumphius offerde, zoals we zagen, zijn gezichtsvermogen op aan de liefdevolle registratie van ook het kleinste Ambonese kruidje en bloempje, terwijl Junghuhns leven werd bekort door zijn ingespannen onderzoek van de vulkanen van Java. Het werk van deze twee mannen - de een bijna microscopisch, de ander meer telescopisch - bleef een unieke uitzondering op de afwijzende regel, tot de tropische natuur in de verhalende literatuur van de twintigste eeuw (met schrijvers als Couperus, Vuyk, Dermoût of Alberts) eindelijk onbelemmerd en ongecensureerd werd gepresenteerd.

Men kan Junghuhns omvangrijke geschriften niet als fictie opvatten, hoewel zijn stijl als het meest blijvende element van zijn werk werd gewaardeerd. Bijnatijdgenoten prezen zijn ‘poëtisch elan’ (poetischem Schwung), zijn rijke vocabulaire en de ongeëvenaarde wijze waarop hij de ‘natuur schilderde’, waaruit onvermijdelijk een ‘meesterwerk’ moest voortkomen.6 De wetenschappelijke critici voegden hieraan toe dat de andere eigenschap waardoor Junghuhns oeuvre zich onderscheidde bestond in zijn kracht als natuuronderzoeker (Naturforscher), iemand die zich scherp bewust was van de natuurlijke omgeving en gezegend met ‘het fijn ontwikkelde gevoel voor het schoone in de natuur’.7 Dit natuurlijke esthetische gevoel werd, naar zij meenden, altijd in toom gehouden door zijn deskundigheid, zijn nauwkeurige waarnemingen en zijn talent om dingen met elkaar in verband te brengen.8 Met andere woorden, Junghuhn maakte voortreffelijke natuurbeschrijvingen, een literair genre dat voortkwam uit de romantische beweging aan het einde van de achttiende eeuw en dat vooral van belang werd in de literatuur van het negentiende-eeuwse Amerika.

In een poging een indeling van natuurbeschrijvingen te geven, onderscheidde Thomas J. Lyon drie hoofdcategorieën, die, zoals hij onmiddellijk waarschuwt, verre van exact zijn en die ‘heel vaak in elkaar overlopen’: ‘natuurhistorische informatie, persoonlijke reacties op de natuur, en filosofische interpretaties van

[p. 159]

de natuur’. De bedoeling van de eerste categorie is uitsluitend kennis verschaffen, van de tweede ‘het overbrengen van duidelijk onderricht over de feiten van de natuur [binnen] een literair kader’, terwijl bij de derde categorie ‘interpretatie overheerst en de natuurhistorische feiten of de persoonlijke ervaringen beslist secundair zijn’.9 De onderdelen van Junghuhns werk die kritische aandacht verdienen, vallen in al deze categorieën en bevatten ze dikwijls alle drie binnen dezelfde tekst. Deze werken zijn in chronologische volgorde: Die Battaländer auf Sumatra (De Bataklanden op Sumatra; twee delen; 1847; geciteerd als Batta. deelnummer en paginanummer); Java, zijn gedaante, zijn plantentooi en inwendige bouw (vier delen; 1850-1853; tweede druk 1853-1854; de laatste geciteerd als Java, deelnummer en paginanummer); Terugreis van Java naar Europa (1851; geciteerd als Reis); en Licht- en Schaduwbeelden uit de binnenlanden van Java (1854; geciteerd als Licht).

De eerste twee teksten werden in die tijd beschouwd als wetenschappelijke onderzoekingen, maar we zijn ons er tegenwoordig goed van bewust dat als wat placht te worden beschouwd als pragmatische informatie, in geschreven vorm werd overgedragen, elke aanspraak op objectiviteit zeker niet impliciet en in feite toevallig was: subjectiviteit manipuleert de presentatie. In de negentiende eeuw kende men dit nog niet als kennistheoretisch probleem. Daarom waren wetenschappelijke documenten eveneens literaire teksten, verbale boodschappen die trachtten te overtuigen; en overreding maakt gebruik van retoriek en retoriek is stijl.10 Alexander von Humboldt (1769-1859), waarschijnlijk de enige van wie Junghuhn zou hebben erkend dat hij hem als voorbeeld bewonderde en de invloedrijkste wetenschapsbeoefenaar van de eerste helft van de negentiende eeuw, gaf deze wens om effect te sorteren graag toe: in het voorwoord van Kosmos, dat grote werk van zijn oude dag, schreef Humboldt dat hij wilde aantonen dat ‘een bepaalde mate van wetenschappelijke volledigheid in de behandeling van afzonderlijke feiten niet geheel onverenigbaar is met een schilderachtige stijl’.11 Junghuhn vroeg zijn lezer excuus voor een soortgelijke bedoeling: hij verontschuldigde zich ervoor dat hij zijn ongewijzigde veldnotities had gebruikt om zijn taferelen van Java te schilderen hoewel hij zegt dat zij ‘meerdere frischheid der beelden, en de levendigheid der schilderingen van natuurverschijnselen’ (Java, i. 48) bieden. Evenals in andere werken uit die tijd vormden wetenschap en poëzie nog een vruchtbare eenheid in Junghuhns natuurgeschriften, hoewel de tegengestelde eisen van nauwkeurigheid enerzijds en gevoeligheid anderzijds soms spanning konden veroorzaken en om een beslissing vroegen. Een analyse van deze werken als literaire teksten wijst erop dat Junghuhn in de meeste gevallen overhelde naar de kant van de literatuur en intussen vorm gaf aan een uitzonderlijke visie op de Indonesische natuur, waarbij hij er steeds van overtuigd was dat hij een onbevooroordeeld beeld van de werkelijkheid gaf. Junghuhn werd zijn leven lang geplaagd door disharmonie. Het schijnt dat hij een terugkerend gevoel van vervreemding en dubbelheid slechts kon overwinnen wanneer hij helemaal alleen was met de natuur. Het past dan ook goed dat hij in zijn eerste gepubliceer-

[p. 160]

de werk, Reisen durch Java (1845), de wanhopige woorden van Faust citeert - ‘Zwei Seelen wohnen, ach! in meiner Brust’ (helaas, twee zielen wonen in mijn borst) -, een kreet die ook het dilemma van de romantische kunstenaar samenvat.12

Hij werd in 1809 geboren in Mansfeld (Saksen), in die tijd een stad aan de oostkant van het koninkrijk Pruisen.13 Zijn vader was een barbier-chirurgijn die wilde dat zijn oudste kind en enige zoon arts werd en die over de middelen beschikte om deze wens te realiseren. Zoals heel gebruikelijk was aan het begin van de negentiende eeuw, was Junghuhn senior een autoritair man, met het gevolg dat, ook al moest de zoon voldoen aan de wensen van zijn vader, zij vaak en heftig met elkaar in botsing kwamen. Om hem op de universiteit voor te bereiden stelde de oude Junghuhn een theoloog aan om zijn zoon op het vereiste toelatingsniveau te brengen. Het privé-onderwijs slaagde, gezien het feit dat Junghuhn zich reeds toen hij pas zestien was als student liet inschrijven, maar de methodiek van zijn leermeester moet weerzinwekkend zijn geweest, want de man bracht hem een levenslange haat tegen georganiseerde godsdienst en het christendom in het bijzonder bij.14 Als student in Halle en Berlijn studeerde Junghuhn trouw medicijnen, hoewel hij in werkelijkheid de botanie en geologie was toegedaan. De spanning van het generatieconflict kwam op dramatische wijze aan het licht toen de zoon in 1830 een zelfmoordpoging deed. Gelukkig slaagde hij er niet in, maar we weten dat de vader hem om zijn mislukte poging minachtte en de onhandigheid van zijn zoon belachelijk maakte. Het enige positieve gevolg van deze ongebruikelijke kreet om hulp was de toestemming zijn studie voort te zetten in het verre Berlijn in plaats van in het naburige Halle.

Het onbuigzame vaderlijke gezag en de langdurige botsing van twee koppige persoonlijkheden maakten Junghuhn het grootste deel van zijn leven tot een onhandelbaar burger. Hij had altijd onenigheid met zijn meerderen, wilde niet schipperen met rechtvaardigheid en zocht vaak verlichting in de eenzaamheid. Hij werd een eenling die zijn eigen strengste opdrachtgever was. Anderzijds duiden de chronologische feiten erop dat hij ook de wensen van zijn vader honoreerde, want hij legde met succes zijn medische examens af en verdiende tot de dood van zijn vader in 1844 als medicus de kost in het Pruisische, Franse en Nederlandse leger.

De redenen om zijn toevlucht in Afrika te zoeken waren bijzonder en zeker romantisch. Nog als medisch student in Berlijn raakte Junghuhn volgens zijn eigen verhaal op een feest betrokken bij een gevecht en voelde hij zich gedrongen zijn tegenstander uit te dagen tot een pistoolduel. Hoewel het in latere bronnen wordt ontkend, hield Junghuhn vol dat híj gewond werd en dat zijn tegenstander geen schrammetje opliep.15 Hoe dit ook zij, de koning had duels verboden en overtreders werden zwaar gestraft. Junghuhn had in 1831 als militair arts dienst genomen in het Pruisische leger, hetzelfde jaar waarin het duel plaatsvond, en terwijl hij in en om Koblenz (in het Rijnland) was gestationeerd, schijnt de misdaad te zijn vergeten. Met Kerstmis werd hij echter plotseling

[p. 161]

gearresteerd, tot tien jaar celstraf veroordeeld en op nieuwjaarsdag 1832 overgebracht naar de militaire gevangenis in de vesting Ehrenbreitstein bij Koblenz. Aanvankelijk gaf het zware vonnis hem het gevoel een ‘ongelukkig slachtoffer van een harde tirannie’ te zijn, terwijl de schrik hem volgzaam en toegeeflijk maakte.16 Maar gedurende de volgende twintig maanden werd de gedachte aan ontsnapping een obsessie en moest Junghuhn een uitweg bedenken. Hij wendde een longontsteking voor en werd in januari 1833 overgebracht naar een ziekenhuis in Koblenz. De tijd verstreek en hij slaagde er niet in een ontsnappingsroute te ontdekken. Toen het duidelijk werd dat men op het punt stond hem naar zijn cel terug te brengen, besloot Junghuhn net te doen of hij gek was en hij vertelt ons, zoals past bij de existentiële gespletenheid van zijn leven, dat zijn ‘krankzinnigheid zeer methodisch was’.17 Hij maakte lijsten van zijn vijanden, tekende duivels op de muren en praatte 's middernachts met hen, terwijl hij, geheel in de geest van de romantische verhalen van Tieck, Chamisso of Hoffmann, speelde dat de andere patiënten monniken waren en hijzelf de abt van een klooster. Meer in overeenstemming met zijn bewondering voor de natuur was de bewering dat de raven daar boze geesten, en troepen mussen betoverde prinsessen waren. Een team legerartsen werd om de tuin geleid en gaf opdracht Junghuhn voor observatie in het ziekenhuis te houden. In een septembernacht zag hij zijn kans schoon. Hij liep in de nacht door het Rijnland, passeerde vijandelijke grenswachten, reisde door België (waar hij enig begrip voor zijn lot ontmoette) en verder te voet door heel Frankrijk. Terwijl hij van de hand in de tand leefde en zo nu en dan iets verdiende met tekenen en schilderen, vertelde men hem dat zijn problemen opgelost konden worden door zich bij het Franse Vreemdelingenlegioen aan te sluiten. Volgens het beproefde recept beloofde de sergeant die hem ronselde, dat hij als militair arts bij het Legioen zou komen, maar toen hij in Algiers aankwam werd hij als gewoon soldaat bij de garnizoensdienst ingedeeld. Ironisch genoeg gingen romantische vooroordelen over het Vreemdelingenlegioen in Junghuhns geval niet op. Afgezien van zijn deelname aan één strafexpeditie tegen Arabische soldaten, mocht de jonge rekruut wat botanisch veldwerk doen, kreeg hij toestemming een aantal ruïnes te bezoeken, en werd hij na slechts vijf maanden dienst als legionair, in juni 1834, ontslagen als ‘ongeschikt voor de dienst’ en naar Frankrijk teruggestuurd.18 Een maand later was hij als burger terug in Parijs.

Junghuhns eerste liefde was de mycologie. Zijn eerste publicatie (1830) was een wetenschappelijk artikel, in het Latijn, over paddestoelen, zodat hij waarschijnlijk wist dat C.H. Persoon (1761-1836), de grondlegger van de moderne mycologie, sinds 1802 in Parijs woonde. Junghuhn slaagde erin hem op te sporen, maar trof slechts een misantropische oude man aan die hem de raad gaf dienst te nemen in het Nederlandse koloniale leger en uit te reizen naar Indië. Maar hij moest zichzelf eerst zuiveren, en met de steun van Alexander von Humboldt vroeg hij de koning van Pruisen om kwijtschelding, en ontdekte dat die al veertien maanden geleden was verleend. Na een kort verblijf thuis in

[p. 162]

Duitsland legde Junghuhn de nodige officiële examens af en voer in juni 1835 naar Java als ‘Officier van Gezondheid derde klas’; zo begon een verblijf van bijna dertien jaar in de tropen.

Als onverschillig geneesheer kwam hij spoedig vanwege plichtsverzuim in moeilijkheden, waaruit hij werd gered door zijn meerdere, E.A. Fritze, die hem onder zijn hoede nam en Junghuhn, tot officiële medewerker op zijn inspectiereizen maakte. Fritze, die tweemaal zo oud was als Junghuhn, stierf twee jaar later, in 1839. In 1840 belastte de toekomstige gouverneur-generaal Merkus Junghuhn met een onderzoek van het Batak-gebied op Sumatra, waaraan hij in zeer moeilijke, vaak levensgevaarlijke omstandigheden twintig maanden besteedde. Hij publiceerde zijn waarnemingen in 1847. Op dat tijdstip was zijn vader gestorven, was hij ontheven van militaire dienst, benoemd tot lid van de Natuurkundige Commissie en had hij een beschrijving van zijn reizen door Java gepubliceerd. Een jaar later zeilde hij naar Europa om te beginnen aan een lang verlof van zeven jaar. Hij reisde niet langs de gebruikelijke route maar ging per boot naar Suez, per reiswagen naar Egypte, opnieuw per boot van Alexandrië naar Triëst en zo over land naar Nederland. In 1851 publiceerde hij een verslag van zijn reis. Hij verbleef in Leiden terwijl hij zijn belangrijkste werken schreef en publiceerde de vier delen van Java (uitgegeven tussen 1850 en 1854), een catalogus van de planten die hij zowel op Sumatra als op Java had ontdekt en verzameld getiteld Enumeratio plantarum, quas in insulis Java et Sumatra, detexit Fr. Junghuhn (uitgegeven tussen 1851 en 1856), en zijn filosofische verklaring Licht- en schaduwbeelden (anoniem gepubliceerd in 1854 en pas bij de vierde druk in 1866 onder zijn eigen naam). Als logisch vervolg op de laatste publicatie richtte Junghuhn in 1855, samen met negen gelijkgezinde geesten, het voor vrijdenkers bedoelde tijdschrift De Dageraad op.

Hij trouwde in 1850 en keerde in 1855 met zijn vrouw naar Java terug. Hij had de rang van inspecteur gekregen en was belast met de taak de kinateelt te vestigen. Hiermee hield hij zich tot zijn dood bezig en dit verwikkelde hem in nog meer wetenschappelijke en professionele uiteenzettingen en discussies.19 Ironisch genoeg werd Junghuhn vooral bekend als de grondlegger van de kinineproductie in Nederlands Oost-Indië, terwijl zijn veel indrukwekkender prestaties als natuuronderzoeker slechts door weinigen werden erkend. Hij stierf in 1864, pas 54 jaar oud, in Lembang op West-Java. Zijn betekenis als pionier-natuuronderzoeker staat nu vast, en evenals bij Rumphius worden Junghuhns verdiensten als botanicus als even groot beschouwd als zijn literaire vaardigheden. Geschreven op een pragmatisch lyrische toon, biedt Junghuhns beste werk zijn lezers een eerbiedige doch weloverwogen waardering voor de tropische natuur.

 

Junghuhns wetenschappelijke voorbeeld was Emersons ‘homo universalis’, Alexander von Humboldt (1769-1859), die al een beroemdheid was toen Junghuhn geboren werd en later de beroemdste man van Europa werd genoemd, de evenknie van Napoleon. Men doet Junghuhn niet tekort als men zegt dat de

[p. 163]

prestaties van Humboldt groter waren, al was het alleen al in omvang en gevarieerdheid, want het succes van de Pruis was overweldigend, zelfs in die verbazingwekkende tijd toen het optimisme van de Romantiek sommigen inspireerde tot zeer ambitieuze ondernemingen. Levendigheid, zowel geestelijk als fysiek, was een van de belangrijkste eisen van de romantische beweging en Humboldt had zich over zijn tijd niet nauwkeuriger kunnen uitdrukken dan toen hij in 1822 aan zijn broer Wilhelm schreef: ‘Wij leven in een eeuw waarin niets op zijn plaats blijft.’

De grote vooruitgang waartoe de Romantiek in de negentiende eeuw inspireerde, was niet langer gebaseerd op academische speculaties maar op het onderzoek van de dingen aan de bron. In Duitsland kan men wijzen op het werk van de gebroeders Grimm op het gebied van folklore en filologie of op Humboldts eigen grandioze poging, in Kosmos, om (zoals de ondertitel zegt) ‘een fysieke beschrijving van het heelal’ te bieden; in Engeland was er Darwin, met vijf avontuurlijke jaren op de Beagle gevolgd door zijn uitgebreide onderzoek dat zijn alomvattende evolutietheorie ondersteunde; in Finland verzamelde Elias Lönnrot in een tijd van twintig jaar traditionele liederen, lyriek en magische formules van ongeletterde boeren en ontdekte en bewaarde zo het mondelinge heldendicht van Finland, de Kalevala (eerste uitgave door Lönnrot in 1835); en in de Verenigde Staten bereisde Audubon te paard de jonge republiek om álle vogels en viervoeters af te beelden binnen één ‘tastbaar beeld van de Nieuwe Wereld’.

Deze herculische ondernemingen werden gedreven door een aanstekelijk optimisme. De metafoor die er het best bij past, is misschien de titel van Humboldts onvoltooide laatste werk: Kosmos (1845-1862). De titel alleen al sprak van een geloof in de harmonieuze orde van de fysieke wereld en sprak onbevreesd uit dat alles behandeld zou worden ‘wat we vandaag weten van de verschijnselen van de hemelruimten en van het leven op aarde, van de sterren in de nevels tot de geografie van mossen op granietrotsen, en wel in een boek dat de verbeelding prikkelt door zijn levendige taal’.20 De prolegomena voor deze hoogste synthese was een lang leven vol ongelooflijke activiteit. Daar waren bijvoorbeeld vijf jaren van reizen met Bonpland in Latijns-Amerika, waar Humboldt de berg Chimborazo in Peru beklom (waarmee hij de volgende zesendertig jaar het hoogterecord bergklimmen bezat); Humboldt bevestigde de verbinding tussen de Orinoco en de Amazone, reisde talloos veel kilometers door ongerept gebied en verzamelde zo'n enorme rijkdom aan gegevens in zo'n diversiteit aan onderzoeksrichtingen dat het hem eenentwintig jaar kostte om zijn bevindingen op een rij te zetten en te publiceren onder de algemene titel Voyage de Humboldt et Bonpland (1807-1834). Ten slotte bestond het uit dertig delen; het werd echter nooit voltooid en was zo duur dat het de schrijver financieel ruïneerde en hij niet eens een exemplaar van de reeks voor zichzelf kon houden. Deze enorme inspanning bewaarde echter zijn roem voor het nageslacht. Humboldt bedacht en introduceerde bijvoorbeeld het idee van isothermen (lijnen die plaatsen met een gelijke temperatuur met elkaar verbinden) en ontwikkelde het begrip ‘plantengeografie’ aan de

[p. 164]

hand van het toen nieuwe idee dat organisch leven wordt beïnvloed door fysieke factoren in zijn omgeving. Feitelijk loopt de centrale stelling van zijn werk vooruit op het hedendaagse begrip ecologie. Verder mat hij de snelheid van oceaan-stromen en legde hij de grondslag voor de studie van de oceanografie; zijn metingen van afnemend magnetisme tussen de polen waren baanbrekend; een bijdrage aan de geologie leverde Humboldt met zijn onderzoek naar de bergketens van de Nieuwe Wereld in de vorm van belangrijke theorieën over het ontstaan en de verspreiding van vulkanen en hun seismologische eigenschappen; en zijn uitvoerige en sympathieke beschrijvingen van Mexico en Cuba kan men opvatten als de eerste voorbeelden van de hedendaagse culturele en politieke antropologie.

De populairste werken van Humboldt waren: Ansichten der Natur (1807), in 1850 in het Engels uitgegeven (Views of Nature); het eerste deel van zijn enorme Zuid-Amerikaanse opus, Voyages aux régions équinoxiales du nouveau continent fait dans les années 1799 à 1804 par Alexandre de Humboldt et Aimé Bonpland, uitgegeven in Parijs tussen 1814 en 1819 en in 1825 in het Engels in Londen uitgegeven als Personal Narrative of Travels to the Equinoxial Regions of the New Continent during the Years 1799-1804; en Kosmos (eerste twee delen 1845 en 1847, derde en vierde tussen 1850 en 1858, en het vijfde postuum in 1862), dat in de uitgebreidste Engelse editie in 1888 werd gepubliceerd als Cosmos: A Sketch of a Physical Description of the Universe. Het eerstgenoemde werk was voor Junghuhn belangrijk omdat het hem liet zien dat ‘de combinatie van een literair en zuiver wetenschappelijk doel, de wens om de verbeelding te prikkelen en tegelijkertijd het leven te verrijken met nieuwe ideeën door de toename van kennis’ mogelijk was binnen een ‘eenheid van compositie’.21 In zijn monumentale beschrijving van Java stelde Junghuhn op soortgelijke wijze dat hij een wetenschappelijk verantwoorde ‘physico-geographische’ beschrijving van het eiland wilde geven (i. 43) waarbij hij wilde afzien van lange topografische beschrijvingen omdat deze ‘droog en vermoeijend voor den lezer’ waren (i. 44). In Ansichten had Humboldt bewezen dat (in zijn eigen woorden) ‘losse, ter plekke geschreven fragmenten’ op een boeiende wijze onderdeel van het geheel konden uitmaken, maar hij was bang dat zo'n ‘esthetische wijze om natuurhistorische onderwerpen te behandelen in de praktijk vol grote problemen’ was en hij voelde dat zijn boek ontsierd werd door ‘overvloedige voorbeelden van zulke afwijkingen en van zo'n gebrek aan eenheid’.22 Junghuhn is eveneens terughoudend aangaande zijn veldnotities en hun opname: ‘Moge de gelijkvormigheid van stijl en voordragt in dit werk daardoor eeniger mate hebben geleden, zo hoop ik, dat dit nadeel eenigzins zal zijn vergoed geworden door de meerdere frischheid der beelden, en de levendigheid der schilderingen van natuurverschijnselen’ (Java, i. 48). In Kosmos zou hij nog meer steun hiervoor gevonden hebben in de opmerking, geformuleerd met Humboldts karakteristieke gebruik van litotes, dat ‘een bepaalde mate van wetenschappelijke volledigheid in de behandeling van afzonderlijke feiten niet geheel onverenigbaar is met een schilderachtige stijl’.23

Junghuhn had niet alleen steun gevonden voor een speciale esthetica en een

[p. 165]

manier van schrijven over de natuur, hij ontdekte ook een natuurfilosofie waarmee hij kon instemmen. Ondanks zijn vele en gevarieerde prestaties in een heel scala van specialisaties, had Humboldt altijd gedroomd van een synthetische visie (in feite vanaf 1794, toen hij al de gedachte van een physique du monde koesterde), en wilde hij de natuur weergeven ‘als één groot geheel, bewogen en bezield door interne krachten’.24 Hij vatte de kosmos op als ‘een harmonie die alle geschapen dingen, hoe verschillend ook in vorm en eigenschappen, met elkaar verenigde; één groot geheel, bezield door de adem van het leven’.25 Dit werd ook het credo van Junghuhn. Hij verwoordde het kort in de laatste zin van Licht- en schaduwbeelden: ‘Schoone, onuitputtelijke, door Gods adem bezielde natuur’. Het pantheïsme dat Junghuhn en Humboldt deelden was geen blinde verering maar een conclusie die berustte op wetenschappelijke bewijzen. Humboldt definieerde wetenschap als ‘de inspanning van de geest toegepast op de natuur’, een elegante definitie die des te inspirerender is vanwege haar organische inslag. Daarom zou het een vergissing zijn te denken dat Humboldt of Junghuhn keken door een wolk van romantische onwetendheid; integendeel, zij onderzochten de natuur ‘rationeel [sic], dat wil zeggen, onderwierpen haar aan de processen van het denken [en ontdekten dat ze] een eenheid in verscheidenheid van verschijnselen is’.26 Beide mannen spanden zich in om in het veld bewijzen voor hun geloof te vinden, geholpen door wetenschappelijke hulpmiddelen en hun zintuigen. Zowel Humboldt als Junghuhn was in zijn tijd een rigoureuze wetenschapper maar wat voor onze analytische tijd zo romantisch blijft is hun zelfvertrouwen en geestkracht. Als zij klaar waren met hun onderzoek, konden zij pauzeren en serene rust ontdekken te midden van onophoudelijke verandering. Hun wereld was een stralende wereld die nog troost kon bieden.

Junghuhn vond in Humboldt een methode, een stijl en een geloof. Hij citeert Humboldt overal in zijn werk, citeert hem vaker dan geliefde dichters zoals Schiller, Goethe en Shakespeare. Andere wetenschappelijke verwijzingen zijn zeldzaam, omdat hij het idee had dat hij pionierswerk verrichtte. Zijn Pruisische landgenoot beval zelfs een specifieke locatie aan omdat niemand vóór Humboldt de grootsheid en variatie van de tropische natuur zo onvermoeibaar had geprezen. Dit aspect van Humboldts werk beïnvloedde ook Darwin. Humboldts Personal Narrative was een van de weinige boeken die Darwin meenam op zijn gewichtige reis met de Beagle tussen 1831 en 1836, en overal in de notitieboeken die de basis van zijn revolutionaire theorieën vormen, verwijst hij naar Humboldt. Darwin merkt op: omdat ‘de kracht van indrukken over het algemeen afhangt van vooropgezette ideeën, mag ik eraan toevoegen dat de mijne ontleend zijn aan de levendige beschrijvingen in het Personal Narrative van Humboldt, die qua verdienste alles wat ik heb gelezen verre overtreffen’.27 Op één punt schreef hij vanuit Zuid-Amerika naar Engeland: ‘vroeger bewonderde ik Humboldt, nu vereer ik hem bijna; alleen hij geeft enig idee van de gevoelens die in je opkomen als je de tropen betreedt.’28

Tot de specifiekere voorbeelden van de intellectuele verwantschap tussen

[p. 166]

Humboldt en Junghuhn behoort hun gedeelde hartstocht voor wat men wetenschappelijk alpinisme kan noemen, hoewel Junghuhns onvermoeibare onderzoek van de bergen van Java veel meer van een obsessie heeft dan de eenmalige bedwinging van de bergtop in Peru door Humboldt. Toen Humboldt in 1802 de berg Chimborazo beklom, was het in feite nog geen halve eeuw geleden dat men de bergen had ontdekt als esthetische voorwerpen, en toen Junghuhn de vijftig vulkanen op Java en Sumatra beklom niet meer dan driekwart eeuw. Natuurlijk waren er altijd bergen geweest maar de westerse geest gunde hun pas een bestaan toen Rousseau in La Nouvelle Héloïse, uitgegeven in 1761, in zijn eentje hun schoonheid uitvond.29 Zoals Michel Tournier opmerkte, waren bergen vóór Rousseau hoogstens ‘afschrikwekkende nabootsingen van de hel’, terwijl hun schoonheid na 1761 plotseling ‘vanzelfsprekend’ was.30 Junghuhns beschrijving van Java had dezelfde functie voor de bergstreken van dat eiland: na zijn lofredes op de Indonesische vulkanen kon men er nog altijd bang voor zijn, maar men kon hun sublieme aanwezigheid niet langer negeren. Kant had nog niet lang geleden het begrip van het sublieme gedefinieerd in zijn Beobachtung über das Gefühl des Schönen und Erhabenen (1764) en zijn Kritik der Urteilskraft (1790), en opgemerkt dat men het in de geest moest zoeken en niet in de natuur. In het eerste deel van het eerstgenoemde werk wees Kant bergen duidelijk aan als voorwerpen die verheven gevoelens wekken. Maar een geest moest dit ontdekken en dat is de reden waarom de Alpen vóór Rousseau niet bestonden en waarom Junghuhns obsessie in die tijd zo bijzonder was.31

Junghuhns uitvoerige werk over de vulkanen van Java bracht Humboldt ertoe hem in het vierde deel van Kosmos lof toe te zwaaien. Hij citeerde vaak en lang uit Junghuhns beschrijvingen van de twee Grote Soenda-eilanden, baseerde grote stukken van het gedeelte over ‘echte vulkanen’ op Java, en prees de auteur ervan als een ‘geleerde, dappere, onvermoeibaar actieve natuuronderzoeker’. En voor zijn bespreking van de ‘vulkanische eilandenwereld tussen 10 graden zuideren 14 graden noorderbreedte’ was hij helemaal afhankelijk van Junghuhns werk, dat hij niet alleen aanbeval vanwege de beschrijvingen uit de eerste hand van grote vulkanen maar ook vanwege Junghuhns bespreking van sedimentformaties, vanwege ‘het eerste voorbeeld van de fossiele flora van een zuiver tropisch gebied’, en vanwege diens bewijs van ‘geribbelde vorming’ (gerippter Gestaltung) van Javaanse vulkanen. Algemeen gesproken loofde hij Junghuhn om zijn ‘bewonderenswaardige waarnemingen over de structuur van de vulkanen, de geografie van planten en de psychrometrische condities van vocht’ in de Maleise archipel.32

Humboldts geliefde idee van een ‘geografie van planten’ werd door Junghuhn toegepast op Java en als zodanig uitgewerkt in het eerste deel van Java, een onderdeel van het werk dat lange tijd werd bejubeld om zijn welsprekendheid en nauwkeurigheid.33 Humboldt had zijn theorie in 1805 gepubliceerd als een afzonderlijk Essai sur la géographie des plantes - waarbij hij de Duitse uitgave, die in hetzelfde jaar verscheen, opdroeg aan Goethe, de auteur van Die Metamorpho-

[p. 167]

se der Planzen (1790) - en haar sterk ontwikkeld in Ansichten der Natur en in Kosmos. Algemeen gesproken werd de verandering van flora opgevat als het gevolg van variaties in het klimaat. Bij het in kaart brengen van een dergelijke ‘geografie’ kon Humboldts verlangen naar rationeel onderzoek goed samengaan met het genot van de natuurbeschouwing omdat ‘de indruk die het uiterlijk van de vegetatie op de geest maakt, afhankelijk is van de plaatselijke verspreiding, het aantal en de weelderige groei van de plantaardige vormen die in het geheel de boventoon voeren’. Zo ‘leidt beschrijvende botanie [mits] niet langer beperkt tot de enge kring van het determineren van geslachten en soorten, de waarnemer die verre landen en hoge bergen bereist tot de bestudering van de geografische verspreiding van planten over het aardoppervlak volgens de afstand van de evenaar en de verticale hoogte boven de zee’.34

Ook het project van Junghuhns laatste jaren is mogelijk gestimuleerd door Humboldt. Van 1855 tot zijn dood in 1864 was Junghuhn officieel belast met de introductie van kinabomen in Nederlands Oost-Indië. Op zijn reis in Zuid-Amerika onderzocht Humboldt in de bovenloop van het Amazonegebied de natuurlijke omgeving van de boom (Cinchona condaminea) die de ‘koortsbast’ leverde. In 1807 publiceerde hij een verhandeling over de ‘Quina Tree’, hij schreef erover in Ansichten der Natur, en opnieuw, uitvoerig, in Plantes équinoxiales (1805-1817). Zowel Engeland als Nederland stuurde botanici naar de door Humboldt beschreven gebieden om exemplaren mee terug te brengen voor regionale cultivering in hun koloniën. Omstreeks de eeuwwisseling hadden de Nederlanders een monopolie opgebouwd in de productie van kinine op hun uitgebreide plantages op Java. Het was Junghuhn geweest die terecht de bergen boven Bandoeng op West-Java had aangewezen als de beste plaats om de bomen te laten groeien. Hij werd zwaar bekritiseerd om zijn methode de jonge bomen te planten in gevestigde bossen en omdat hij aan één soort (Cinchona pahudania) de voorkeur gaf boven alle andere. Hij won niet alleen het debat, zij het postuum, maar met zijn werk legde hij de grondslag voor een zakelijke onderneming die de eerste dertig jaar van de twintigste eeuw een nettowinst opleverde van meer dan vierenhalf miljoen dollar.35

Wat hier in het kort is beschreven bepaalde tot op grote hoogte de vorm die Junghuhns werk zou aannemen. Door zijn leven en zijn ongewone avonturen ontwikkelde hij een opstandige visie op het bestaan; de tijd waarin hij leefde stond hem bepaalde intellectuele vrijheden toe, maar verklaarde andere onwettig of gevaarlijk; en Alexander von Humboldt leverde hem een royaal model waaraan hij advies en instemming ontleende. Maar Junghuhn was ook een felle individualist, zodat zijn werk, hoewel onmiskenbaar bepaald door deze bredere factoren, tevens een persoonlijke dimensie vereiste, wilde hij het het zijne kunnen noemen. Daarom zal een nauwkeurig onderzoek van zijn teksten ons een Java onthullen dat in zijn details een product was van aantoonbare feiten, maar dat alles bij elkaar genomen een plaats was waarin de verbeelding gestalte kreeg.

Het gezichtsvermogen is het overheersende zintuig in Junghuhns werk. Mis-

[p. 168]

schien mag men dit verwachten van een man die eilanden in kaart bracht, maar het heeft niet alleen met praktisch nut te maken, het wijst op een manier om de wereld te ervaren, een kennisleer zo niet een filosofie.36 Humboldt wist dat zien meer is dan een mechanisch proces - het hoornvlies dat ergens op wordt gericht en het netvlies dat registreert. Het menselijk gezichtsvermogen is gekoppeld aan begrijpen. Voor hem was het oog ‘het middel waardoor we het heelal kunnen beschouwen’,37 een onderwijs, zou Thoreau zeggen, dat veel grootser is dan geschiedenis, filosofie of zelfs poëzie, zodat hij ooit vol verbazing uitriep: ‘Hoe groot is de kracht van eenvoudigweg zien.’38 Die kracht is afgeleid van de fundamentele noodzaak van onze zintuiglijke participatie in de wereld. Nihil est in intellectu nisi prius fuerit in sensu (‘Niets is in het verstand dat niet al eerder in de zintuigen was’; Nevizanus volgens Aristoteles.) Zien is kennen.

De oude Grieken waren zich van dit feit bewust en erkenden dit met zo veel woorden in hun filosofie en religie. Op zijn verheven plaats in het Griekse pantheon is Apollo de zonnegod, de god van het licht, en dientengevolge de brenger van licht, helderheid, vorm en distantie (objectiviteit). Walter Otto vatte Apollo op als de god die staat voor de ‘houding van het kennen. (...) In Apollo worden wij begroet door de geest van helderziende kennis die het bestaan en de wereld confronteert met een ongeëvenaarde vrijheid - de waarlijk Griekse geest die was voorbestemd niet alleen de kunsten maar uiteindelijk elke wetenschap voort te brengen.’39 Thoreau identificeerde zichzelf met de apollinische geest,40 en evenals hij probeerde Junghuhn het goddelijke te ontdekken in de natuurlijke wereld, uit de natuurverschijnselen een zinnig plan af te leiden (dat de Grieken en Humboldt kosmos noemden), een samenhang die men een wet kan noemen.

Het kennende oog is het oog van de wetenschapsman. In Junghuhns beschrijving van het Batakgebied op Sumatra, geschreven in het Duits, gebruikt hij een aantal malen de onthullende uitdrukking ‘belehrende Aussicht’ (Batta. 20, 231, etc.) - een ‘leerzaam uitzicht’ dat men alleen van grote hoogte heeft. Zien onderwíjst (belehren) en de overdracht van dergelijke kennis is niet mogelijk met een simpele ‘aanblik’ (of Ansicht, een deel van de titel van Humboldts eerste populaire werk: Ansichten der Natur) maar alleen met een Aussicht, een verre aanblik, een telescopisch overzicht van het landschap dat voor hem ligt. Het oog van de wetenschapper is een bevelend oog maar zelfs dit is blind zonder licht, die onontkoombare voorwaarde om dingen zichtbaar te maken. Op Sumatra was het weer vaak onvoorspelbaar, zodat Junghuhn de vaste punten voor zijn overzichtswerkzaamheden niet kon zien. Op de een of andere manier moest hij hoger komen dan de ongerepte bossen die zo hoog waren dat zij elk panorama verhinderden.41 Daarom bouwde hij in een hele hoge boom een platform en in dit ‘luchtige observatorium tussen Usnea [korstmos] en nevelwolken’ wachtte hij drie dagen tot de lucht opklaarde. Toen dat het geval was, overzag de zon met één snelle verlichting het landschap voor hem en maakte onmiddellijk een ‘kaart van het Batak-gebied’; in feite was één enkele zonnestraal genoeg om ‘een kleine, vreemde wereld’ te onthullen waarvan hij het bestaan eerder niet had gekend (Batta. 47-8).

[p. 169]

Deze passage onthult enkele cruciale zaken die heel goed passen bij een romantische geest. Het ogenblik waarop de zon te voorschijn komt spot met Junghuhns moeizame werk en confronteert hem met zijn ontoereikendheid. De romantici waren meesters van de ironie, en de tekst suggereert, door alinea's naast elkaar te zetten, dat Junghuhn zich bewust was van zijn belachelijke situatie daar hoog op een twijfelachtig platform in een grote ‘Leptospermum’ [een myrte], met al zijn onhandige instrumenten om hem heen, zonder geschikt gezelschap, rillend, het tegenwerkende weer vervloekend. Maar de volgende alinea, om niet te zeggen de rest van zijn omvangrijke geschriften, wijst erop dat hij stug doorging met zijn werk, een voorbeeld van die hardnekkige wilskracht waaraan zoveel van de gewaagde ondernemingen in die tijd hun kracht ontleenden. Het is een beeld van achttiende-eeuws verlicht rationalisme, onthuld door het licht van een natuurlijke ster dat zowel wreed als stralend was, een licht dat er altijd al was geweest maar zelden was gezien. Het wierp de waarnemer in de twijfel van de negentiende eeuw (Java, iii. 1001-2), confronteerde hem met zijn wezenlijke eenzaamheid, en spotte met genadeloze onverschilligheid met zijn vertoon van zelfvertrouwen. Er is maar één manier om zo'n tegenstander te bestrijden: door het behalen van kleine overwinningen. Junghuhn kon nooit de natuurlijke epifanie in het Sumatraanse oerwoud evenaren, maar hij kon kleine feitelijke epifanieën verzamelen.

Het menselijk oog, zelfs het wetenschappelijk oog, heeft voor zo'n taak versterking nodig; daarmee ‘wapent’ Junghuhn het (Java, ii. 326). De wapens worden opgesomd in Licht- en schaduwbeelden: ‘een aard- en hemelglobe, een sextant en kunstmatigen horizon, een verrekijker, een chronometer, een barometer, een thermometer, een psychrometer, een kompas, een kunstmagneet, een microscoop, een araeometer van Nicholson, een prisma, een draagbare camera obscura, een daguerreotyp-toestel, een kastje met scheikundige reagentia, en andere dergelijke werktuigen der toegepaste wetenschap’ (p. 87; zie ook Java, i. 99). Hij noemt het ‘zinnebeelden van mijn geloof’ maar men kan ze opvatten als hulpmiddelen voor de technische beheersing van de wereld. Vele veroveringen zijn totstandgekomen door de symbolen van een geloof, dus lijdt het geen twijfel dat dit gedeeltelijk Emersons ‘tirannieke oog’42 is dat, net als Coopers Dr. Battius in The Prairie, classificeert om te overwinnen.43 Maar Junghuhn bleef een hartstochtelijk wetenschapper in een romantisch tijdperk en daarom eerlijk genoeg om toe te geven dat hij soms twijfelde. Maar in alle andere opzichten komt Junghuhn over als een modelgeleerde. Meten is een vreugde, en Junghuhn had met Walt Whitman kunnen uitroepen: ‘Hoera voor de positieve wetenschap! Lang leve de exacte demonstratie!’ (Song of Myself). Wanneer hij 's morgens boven op de berg Tjikorai wakker wordt, is hij dolblij dat hij zijn theodoliet (een instrument waarmee een landmeter horizontale en verticale hoeken kan meten) nog kan gebruiken omdat de zon nog niet boven de horizon is (Java, iii. 582). Zo ging het ook op de berg Tampomas:

[p. 170]
Ik had nu (...), met de grootste inspanning, echter mijn doel bereikt, en was nog bij tijds op den top aangekomen, terwijl alle bergkruinen zigtbaar en zij door de opstijgende wolken nog niet waren omhuld; ik hing mijne thermometers en mijn barometer op, nam peilingen naar alle onderscheidenlijk waar te nemen punten en bezag naauwkeurig, alvorens tot het onderzoek der kruin zelve over te gaan, den terreinvorm van de omringende landschappen, welke hier duidelijk voor mijne blikken ontrold lagen, doch waarvan een groot gedeelte nog behoorde tot de terra incognita! (Java, iii. 613; zie ook 675, 779)

Niet het schouwspel maar de gelegenheid inspireerde hem.

Zelfs het serieuze gevaar weerhoudt de onverschrokken wetenschapper niet zijn zorgvuldige waarnemingen vast te leggen. De werkende vulkaan Keloed joeg Junghuhn werkelijk angst aan (Java, iii. 696-7), maar hij dwong zichzelf zijn instrumenten te gebruiken en het schijnt dat de feitelijke informatie hier nog overvloediger is dan normaal (696-8, en verder), alsof de redelijke rituelen de angst onder controle houden. Een andere keer vergroten empirische bewijzen zijn moed en kan hij een superieure houding aannemen. In de Diëngketen was een plaats die algemeen bekendstond als Java's Doodsvallei, volgens Junghuhn eigenlijk een ‘hol’ waaruit soms een dodelijk gas ontsnapte. Uit onderzoek aan het lichaam van een Javaanse man dat van 1838 tot 1840 op de bodem van het hol niet verteerde, concludeerde Junghuhn dat de gevreesde gassen kooldioxide moesten zijn, omdat voor ontbinding zuurstof nodig is en kooldioxide zwaarder is dan de lucht die we inademen en, zoals hij terecht beredeneerde, dicht bij de grond zou blijven in een laag van zestig centimeter (Java, ii. 284-5). Hij controleerde zijn waarnemingen proefondervindelijk door een hond met zich mee naar beneden te nemen en hij zag hoe het dier stikte terwijl hij over zichzelf opmerkte dat hij rond kon lopen ‘zonder eenige steken hoegenaamd in de longen waar te nemen’ (ii. 285).

Hier staat geen dichter op het toneel. Thoreau had geen Javaans lijk en een stervende hond kunnen waarnemen zonder enige emotie te voelen. Kennis wordt overheersend en vreemd aan gevoeligheid. Het feit dat de identiteit van het lijk (‘blijkbaar het lijk van een Javaan der lagere klasse’) tussen haakjes wordt vermeld (ii. 285) zou een bewijs kunnen zijn van de meedogenloosheid van het kolonialisme. En Junghuhn was ongetwijfeld arrogant,44 en zeer bepaald (en op een verwarde manier) een voorstander van het kolonialisme. Maar een dergelijke onbewogenheid schijnt veel meer typerend te zijn voor de Europese wetenschappelijke geest, die niet ontvankelijk was voor gevoelens die de rede niet bevorderden of geen resultaten opleverden. Zelfs de aantrekkelijke beschrijving van The Malay Archipelago door een sympathieke natuur als Alfred Russel Wallace (1823-1913) is doorspekt met het doden van dieren. Waar deze reizende wetenschappers ook rondzwierven, op aandrang van de wetenschap offerden zij de fauna en flora waarvan zij hadden gedroomd rustig op. Het geweer diende niet alleen ter bescherming, maar was ook een wetenschappelijk hulpmiddel.45

[p. 171]

Deze negentiende-eeuwse geschriften bevatten nauwelijks tekenen van spijt en Junghuhn is slechts in zoverre een uitzondering dat hij heel zelden zulke voorvallen vermeldt. In het eerste deel van Junghuhn treft men één ander voorbeeld aan, namelijk waar hij met liefde de majesteitelijke Rasamalaboom beschrijft, een van de meest grandioze ‘woudburgers’ en een uitstekend voorbeeld van de ‘majesteit, van de verbazende groeikracht der tropische streek’ (i. 443), om slechts terloops te vermelden dat hij de gemiddelde hoogte ervan kende omdat hij er een aantal van had geveld om ze op te meten (i. 441). En dit van een man die meer van bomen dan van mensen hield en vond dat het kappen van wouden een onmenselijke misdaad was. Ten slotte is er een brief uit 1849 aan het Museum voor Natuurlijke Historie in Leiden waarin de directie wordt meegedeeld dat er twee kisten aankomen met een ‘schedel en geraamte van een rhinoceros’. Junghuhn noteert zorgvuldig dat hij het dier in 1847 ten zuiden van Bandoeng heeft geschoten. In deel twee van Java (ii. 233-4) benadrukt hij het feit dat er in 1847 ten oosten van de vulkaan Slamat, dat wil zeggen in een gebied dat groter is dan de helft van het eiland, geen enkele neushoorn te vinden was. Waarom was hij dan medeplichtig aan de uitroeiing van deze merkwaardige dieren? Junghuhns reden is afschuwelijk pragmatisch: hij had er al eerder een geschoten en naar Leiden gestuurd, maar hij had nooit gehoord of de gift ook was aangekomen, daarom stuurde hij voor alle zekerheid een ander karkas.46 Zo werden er gewelddaden gepleegd om de wetenschappelijke vooruitgang veilig te stellen. Geen enkele rechtvaardiging kan het gezegde van Wordsworth weerleggen, en de paradox blijft bestaan.

Het oog van de kennis zou beter bewapend kunnen worden met een camera; de natuur ‘schieten’ zou dan nog maar een beeld zijn. Junghuhn werd inderdaad een hartstochtelijk fotograaf die grote sommen geld uitgaf voor zijn uitrusting en het maken van een groot aantal foto's.47 Maar de techniek van het tekenen met licht was pas in 1839-1840 gerealiseerd, toen Junghuhn zich voorbereidde op zijn expeditie naar de Bataklanden op Sumatra, en de fotografie bleef veel te lastig en ingewikkeld om tijdens zijn leven van groot belang te zijn.48 Junghuhn moest het doen met een potlood, en de schetsen en platen die hij tekende om zijn wetenschappelijke verhalen te illustreren, verraden een opmerkelijk talent waarmee hij afbeeldingen van een vreemde schoonheid doch hoogstwaarschijnlijk van twijfelachtig nut voortbracht.

Wetenschap is ook een dominante factor vanwege de alomtegenwoordige wetenschappelijke terminologie. Deze bevordert de schoonheid zeker niet: ‘De woudboomen alhier waren hoofdzakelijk Casuarina's en eiken, waar tusschen op vele plaatsen Polyosma ilicifolium Bl. werd aangetroffen, terwijl het kreupelhout merendeels uit Rubus- en Strobilanthes-soorten bestond’ (Java, iii. 1080). Dit is van belang voor de specialist maar niet aantrekkelijk voor een literair publiek. Om soortgelijke redenen is het laatste deel van Junghuhn het minst interessante van de vier. Hierin beschrijft Junghuhn het ‘tertiaire gebergte’ van Java in een ongewoon droge, wetenschappelijke stijl die sober en zonder beeldspraak is. Als

[p. 172]

al zijn werk zo was geweest, zou hij volledig vergeten zijn, omdat het evenals de geschriften van Lamarck een ‘proza is [dat] misschien informatief is, maar zeker niet boeiend’.49 Dat zou tegen zijn uitgesproken program zijn geweest: de lezer een tekst bieden die zichzelf zou aanbevelen vanwege de ‘levendigheid der beschrijvingen van de natuur-physiognomie en aan de frischheid der beelden’ (Java, ii. 470). De meeste tijd slaagde hij hierin; het lijkt er feitelijk op dat Junghuhn na uitgesproken wetenschappelijke passages opgelucht is dat hij in een meer sprekende stijl kan vervallen. De toon verandert dan van strak onderricht in verleidelijke beeldspraak. In het eerste geval wil de auteur louter de onderdelen van het schouwspel meedelen, terwijl hij ons in het laatste geval wil overtuigen van zijn organische schoonheid.

Licht- en schaduwbeelden is helemaal in deze laatste stijl geschreven en is bedoeld om te overtuigen in plaats van te informeren, maar er zijn talloze passages in zijn andere werk waarmee hij hetzelfde beoogt. In het volgende voorbeeld bespreekt Junghuhn het oninteressante onderwerp van klimaatveranderingen. Plotseling steekt een windvlaag op en veranderen de toon en de stijl meer in poëzie, om dan weer terug te keren tot nuttige informatie.

(...) de drooge weêrsgesteldheid, die, in de maanden Julij en Augustus wordt waargenomen; dan waait er geen westewind, dan worden de benedenste lagen des dampkrings, algemeen genomen, door geen anderen stroom in beweging gebragt dan door de land- en zeewinden, die elkander regelmatig afwisselen. Mogen de zeelieden, die zich aan boord op de reede (van Batavia) bevinden, den landwind hoogst welkom heeten, wanneer hij des avonds, doch menigwerf eerst laat zich verheft, en hij hun den welriekenden geur van het bloemrijke land toevoert, zoo bespeurt men hem op het land zelf in eene zeer geringe mate; stil en helder verstrijkt de nacht, de koelte des dampkrings neemt meer en meer toe, naar gelang het morgenuur nadert en de waterdamp, dien de heetelucht gedurende den loop des daags opgelost kon houden, is dan neêrgeploft en bevochtigt als een rijke dauw gras en struiken, ja, somtijds ligt hij als eene nevellaag ter dikte van vier à vijf voet op de grasvelden, wanneer de temperatuur - ten gevolge van uitstraling der warmte bij windstilte en heldere lucht - beneden 16,8 graden R. of 70,0 graden F. is gedaald. (Java, i. 221)

Deze passage bevat enkele karakteristieke elementen. Junghuhns lange, samengestelde zinnen zijn meestal heel uitvoerig en bestaan uit een aaneenrijging van (stukken van) zinnen. Veel daarvan zijn ondergeschikte bijzinnen, maar er is een hoog percentage nevenschikkingen, een grammaticaal verschijnsel dat bijdraagt aan het hypnotische ritme van zijn proza. Ondergeschikte bijzinnen zijn een cognitief hulpmiddel: zij maken de hoofdzin nauwkeuriger, rusten deze als het ware toe, vormen het illustratieve materiaal ervan. Nevengeschikte bijzinnen daarentegen geven een aanvulling zonder dwingende noodzaak, zij kunnen schoonheid uitdrukken zonder syntactische dwang. Junghuhns stijl weerspiegelt daarom de eerder genoemde tegenstelling: de bijzinnen delen de ordenende

[p. 173]

functie van de wetenschap, terwijl de nevengeschikte zinnen genoegen nemen met het verschaffen van meer toevallig materiaal dat gewoonlijk esthetisch aantrekkelijk is. Daarom is het een stijl die afwisselend meeslepend en belerend is, een stijl waarvan men zou denken dat hij voornamelijk wordt gebruikt in teksten over de natuur in het algemeen en in het bijzonder door negentiende-eeuwse onderzoekers. Wat echter hun bedoeling mag zijn, zo'n stijl is niet langer objectief, en evenmin naïef.

Junghuhns stijl is als zijn voorkeurszintuig: hij blijft niet gefixeerd (behalve in opdracht van de objectiviteit, en dan nog alleen zo nu en dan) maar zwerft, op de manier waarop het oog over een natuurlijke ruimte zwerft. Het is een onderwijzende stijl die ook aangenaam wil zijn. Idealiter zou dit ook moeten gelden voor het verband tussen auteur en lezer en Junghuhn wil inderdaad, in tegenstelling tot de kille afstandelijkheid van de hedendaagse wetenschappelijke specialist, gastvrij en onderhoudend zijn. Zoals hij ons vertelt, is de meest geschikte methode voor presentatie de ‘narratieve’. ‘Nu eens zullen wij den lezer verzoeken zijn paard te doen zadelen, of, waar geen gebaande weg wordt gevonden, waar eene ongerepte, woeste natuur zich vóór ons uitbreidt, dan zullen wij hem uitnoodigen den reisstaf ter hand te nemen, ten einde ons te begeleiden op onzen tocht door de verschillende oorden en landstreken, die wij hem als typen wenschen af te malen’ (Java, i. 200; cursivering in het origineel). Vele bladzijden later noemt hij zichzelf ‘de schrijver van dit verhaal’ (iii. 889; ook 875). De lezer wordt ‘verzocht’ en ‘uitgenodigd’ de schrijver te ‘vergezellen’, als een goede kennis die in vertrouwen wordt genomen. De lezer in de rol van de medereiziger van de auteur is een gemeenplaats in de negentiende-eeuwse literatuur, maar diverse directe aanspraken van de lezer hebben een merkwaardige smekende toon (Java, i. 12, 44, 47-8, 200-1, 215-16; ii. 470; iii. 875, 889). Het lijkt op een man die dolgraag zijn diepste geheimen aan een geliefde wil meedelen, maar onzeker is.

Is dit aannemelijk? Ludmilla Jordanova stelt ronduit dat ‘veel wetenschappelijke geschriften vol [zijn] van seksueel taalgebruik’.50 Geconfronteerd met iemand als Junghuhn lijkt dit uitgesproken dwaas, maar zijn teksten vertellen een ander en ingewikkeld verhaal. De hiervoor genoemde overheersing van het zien wijst op een zintuig dat kan vereren maar geen nabijheid vereist. Beelden van aanraking zijn zeldzaam in Junghuhns geschriften. Intimiteit was een bedreiging voor hem, maar toch wendt hij vertrouwdheid met de natuur voor. Junghuhn was in veel opzichten een misantroop maar hij was ook emotioneel even inconsistent als ieder van ons: hij haakte naar eenzaamheid maar onderging het alleenzijn niet met genoegen. Hij vond het eerste in de onbewoonde natuur terwijl hij het tweede kon verlichten door een niet-substantiële abstractie genaamd ‘de lezer’. Met de laatste kan een intiem contact voorgewend worden maar hij is nooit een realiteit, terwijl zelfs de gewenste relatie met de natuur dankzij de eisen van de wetenschap voor ongecontroleerde hartstocht wordt bewaard. Cognitieve voorschriften konden altijd voor emotioneel evenwicht zorgen: de ge-

[p. 174]

reedschappen van zijn beroep meten, formuleren en objectiveren. Als schoonheid je dreigt te overweldigen, analyseer haar dan. Men kan een beschrijvende analogie vinden in een van Junghuhns belangrijke beelden van het dynamische gevoel voor proportie van de natuur: in Java merkt hij op hoe het creatieve ‘vegetabile leven’ van het tropische woud de hellingen van een vulkaan dreigt te overweldigen, maar vanaf de top wordt lava naar beneden gestuurd ‘ten einde hunnen voortgang [van de bossen] binnen zekere grenzen te beperken’ (iii. 1114). In zijn eigen geval betekende dit dat als het wetenschappelijke gezag tiranniek dreigde te worden de dichter in hem zijn arrogante objectiviteit placht te ondermijnen, maar als de dichter op het punt stond te stikken in een overweldigend gevoel, placht zijn apollinische geest ertegen in te gaan met concrete dingen en de zuiverheid van de vorm. Je zou hier kunnen spreken van een verantwoordelijke wijze van liefhebben die niet bindt.

De natuur is in Junghuhns geschriften vrouwelijk, de taal die hij gebruikt om haar te beschrijven is zintuiglijk en zijn geliefde figuurlijke hulpmiddel is de beeldspraak. Het plantenrijk van de natuur wordt vaak met een hoofdletter geschreven (dat wil zeggen ‘Flora’; Java, ii. 237 bijvoorbeeld), het is expliciet een ‘levende’ natuur (Java, i. 669) en heeft vrouwelijke attributen als een ‘schoot’ (Java, i. 49). Water is ‘bezwangerd’ met kooldioxide (Java, i. 332-4; ook iv. 232) dat uitgefilterd wordt uit kalksteen. Hier hebben we een van de vele voorbeelden waaruit blijkt dat door een nauwkeurige beschouwing van een tekst overhaaste conclusies kunnen worden voorkomen. Gegeven het feit dat kooldioxide mensen en dieren in de Diëngbergen doodde, is men geneigd bovenstaande metafoor negatief te interpreteren. Het blijft echter een positieve en vruchtbare vergelijking omdat Liebig heeft aangetoond dat kalksteen die rijk is aan kooldioxide alleen oplosbaar is vanwege de ‘aanwezigheid van vruchtbare aarde, ontstaan uit vergane plantaardige zelfstandigheden’, dat wil zeggen humus die in regenwater is opgelost (i. 332). In werkelijkheid levert deze kooldioxide de ‘groeikracht’ die op zijn beurt ‘kolossale vijgenboomwouden, waarvan de weelderigheid alle beschrijving te boven gaat’ voortbrengt (i. 333). Wat hier aan het werk is, is de ‘stiller, langzamer werkende kracht van het plantenrijk’ (i. 334-5).51

Figuurlijk taalgebruik wordt gecompliceerder als we rekening houden met het feit dat bergen - een van Junghuhns grootste obsessies - beslist mannelijk van karakter zijn. In de volgende passage valt de nacht, maar er ligt nog enig licht van de ondergaande zon op de ‘eerbiedwekkende kruin van den Goenoeng Slamat... Op hem waren aller oogen gevestigd, als op het beeld eener verwijderde hoop; wij zwegen stil, want de natuur sprak. Zij sprak en zong haar verheven loflied: ook de gloed, welke gindschen berg in vuurschijn hulde, werd uitgedoofd en de donkere schaduwen van den nacht spreidden zich uit over de wolkenzee’ (Java, iii. 580; cursivering toegevoegd). De bergen van Java zijn vaak levensgevaarlijk maar we zagen al dat hun geweld ingetoomd is (lava die overtollige plantengroei inperkt) en hun mannelijke aanwezigheid lijkt ondergeschikt aan de vrouwelijke natuur in haar geheel. Op de hellingen van de berg Kembang

[p. 175]

kwam Junghuhn voor een afgrond te staan die hem vrees inboezemde. De reden voor zijn aanvankelijke huivering was dat er ter plaatse niets groeide, het was er doodstil, zonder een spoor van leven. Toch beschrijft hij dit stenen landschap in beelden van geslacht en voortbrenging. Zo'n landschap moet stom zijn, maar voor Junghuhn spreekt het van de ‘vermetele weetgierigheid der menschen, die de geheimen der natuur durfden bespieden’.52 Het is een plaats van ‘genesis’ die, evenals wanneer men een heilige plaats nadert die aan een Griekse godin is gewijd, de indringer waarschuwt voor zijn hubris en de harde consequenties als hij blijft aandringen. Er is hier geen gevoel van gelijkwaardigheid: bergen zijn een ondergeschikt (of hoogstens een nevengeschikt) aspect van iets wat individuele manifestaties van de natuur te boven gaat. Een mens vertegenwoordigt zelfs nog minder.

Een ander soort beeldspraak is een verleidelijke woordenschat waar het planten en in het bijzonder bloemen betreft. Uitzonderlijke soorten lokken de reiziger - bedenk dat Junghuhn de botanist als de ideale reiziger beschouwde (Java, i. 501) -: ‘[daar] trekken allerwege kleine, vurig gele bloemen het oog tot zich’; de Badóri-struik ‘trekt de blikken tot zich door zijne lila-blaauwe, tuilvormige bloesems, die zich tusschen het bleeke kopergroen der groote bladeren van dezen struik aan het oog voordoen’ (i. 319). Bladeren kunnen al even verleidelijk zijn; van diverse soorten bomen geldt: ‘Onweêrstaanbaar trekt het groen van hun gebladerte het oog tot zich’ (i. 344). Pandanusbomen van zestien meter hoog zijn niet minder verleidelijk; ook deze ‘trekt (...) de blikken des reizigers tot zich’ (i. 268), ja zelfs hele bergen strijden met elkaar ‘om den voorrrang in schoonheid van het geboomte, dat hen siert’ (i. 344). Ook dit is overal aanwezig en het heeft weinig zin nog meer voorbeelden te geven. Waar het om gaat is dat de natuur een rol toegewezen krijgt die de negentiende eeuw vrouwelijk vond.

Niet alleen de natuur is verleidelijk maar ook een schrijver moet zijn lezers verleiden zoals Humboldt en Junghuhn beiden bepleitten. Junghuhn beloofde zijn lezers ‘levendigheid der beschrijvingen van de natuur-physiognomie’ en ‘frischheid der beelden’ (Java, ii. 470) en hij gebruikte inderdaad dikwijls levendige beeldende taal. Toen hij de uiterlijke natuur van Java besprak stelde hij het beeld voor van het eiland dat langzaam in de Indische Oceaan zonk om zijn lezer vertrouwd te maken met acht verschillende hoogten en hun overeenkomstige flora en fauna (Java, i. 148-76). Dit was ongetwijfeld gebaseerd op Humboldts uitvinding van geografische profielen en het toont Junghuhns fantasierijke gebruik van esthetische hulpmiddelen om verband te leggen tussen wat anders een uiteenlopende massa pragmatische waarnemingen zou zijn. Behalve de hierboven genoemde voorbeelden zijn andere, zuiver literaire stijlfiguren uit Java de volgende: een moerasplant, Lemma minor, wordt een ‘een echte kosmopoliet’ genoemd, die ‘overal een vaderland vindt’ (i. 285-6); als je neerkijkt op een bloeiende Ploso-boom maken de felrode bloemen dat het lijkt of je neerkijkt op ‘gloeijende kolen’ (i. 311); waterhoentjes op een schaduwrijk telega of bergmeer zijn ‘zoo vele lichtpunten op zijn donkeren spiegel’ (ii. 276); rustende wa-

[p. 176]

terbuffels worden vergeleken met ‘olifantskalveren’ (iii. 600); een van de hellingen van de berg Batoel heeft regelmatige hoeken en lijkt daarom op ‘een ten halve geopenden regenscherm’ (iii. 856); lagen in het gesteente van bergen worden vergeleken met een rij ‘planken, welke met hare smalle zijden naar boven gekeerd en verticaal nevens elkander zijn geplaatst, ten einde te droogen, gelijk bij zaagmolens dikwerf geschiedt’ (iv. 82). Schepen die voor anker liggen op een volkomen stille zee lijken op ‘de huizen eener stad’ (Reis, 4), terwijl de berg Manoembing op het eiland Banka hem herinnert aan ‘een gekromde katterug’ (Reis, 9). In een bespreking van zijn cartografische activiteit in het Batakgebied van Sumatra gebruikt Junghuhn de expressieve samengestelde zelfstandige naamwoorden ‘Gebirgsplastik’ en ‘Gebirgsgezimmer’ (Batta. 49), die verwijzen naar de plasticiteit van bergvormen en de structuur van een berg, dat wil zeggen, de manier waarop de natuur het in elkaar heeft gezet. Het laatste voorbeeld van deze willekeurige lijst beelden is Junghuhns heerlijke metafoor voor paddestoelen in een herfstbos: ‘ein Nachtraum der Blüte des Sommers’. Dit betekent zoiets als ‘de na-droom van de bloei van de zomer’, maar het is moeilijk de woordspeling in het samengestelde zelfstandig naamwoord weer te geven.53

Junghuhn kon deze originaliteit in lange stukken proza niet volhouden en verviel vaak in kant-en-klare clichés, romantisch puin dat zich nestelde in de stijl van het negentiende-eeuwse Europa. Het woud ‘weergalmt’ altijd van het geluid van dieren, hij staat altijd op bij het ‘krieken van de dag’, vulkanen laten nooit na te ‘braken’ tenzij anders aangegeven, water is altijd ‘kristalhelder’, de vlammen van het houtvuur kunnen alleen maar ‘vrolijk’ zijn, de rijstplanten op de sawa's worden onveranderlijk vergeleken met ‘groene tapijten’ en een schip is altijd op de ‘boezem’ van de zee. Andere herhalingen zijn interessanter. Junghuhn laat zelden na de top van een berg anders te benoemen dan als ‘schedel’. Dit zou een verleidelijk bewijs kunnen zijn van mijn bewering dat Junghuhns stijl lichamelijk is. Dit is echter geen poëtische uitdrukking maar eenvoudigweg een germanisme waarvan Junghuhn zich niet bewust was. Het gebruikelijke woord voor ‘top’ is in het Nederlands ‘kruin’, terwijl een ‘schedel’ duidelijk het cranium aanduidt. Het Duitse woord Scheitel daarentegen verwijst zowel naar het hoofd als naar een berg en wordt zo door Junghuhn gebruikt in zijn originele Duitse tekst over het Batakgebied. Zo is ook Junghuhns irritante gewoonte om het bijwoord ‘eigendomlijk’ te gebruiken (als adjectief en als substantief) in principe niets anders dan een lelijk germanisme afgeleid van ‘eigentümlich’ en meestal door Junghuhn gebruikt als hij ‘karakteristiek’ of ‘merkwaardig’ bedoelt.54 Een ander, op het eerste gezicht onbegrijpelijk woordgebruik is ‘diepland’, waarmee Junghuhn ‘vlakte’ of ‘laagland’ bedoelt. Dit is bijna een regelrechte transcriptie van het Duitse zelfstandig naamwoord Tiefland.

In het licht van Junghuhns zintuiglijke stijl, zijn vrouwelijke interpretatie van de natuur, liefde voor wouden en verspreide gebruik van clichés, zou men verwachten dat hij ongerepte, tropische bossen herhaaldelijk aan zou duiden als ‘maagdelijke bossen’. Hij doet dat weleens, maar zelden. Het adjectief dat hij het

[p. 177]

meest gebruikt, is ‘oorspronkelijk’ in de betekenis van ‘oer-’, ‘ongerept’, zelfs ‘inheems’ of ‘autochtoon’. Een ander veelzeggend gegeven in Junghuhns vocabulaire is ‘physiognomie’, dat hij en als bijvoeglijk naamwoord en als zelfstandig naamwoord gebruikt. Ook Humboldt gebruikte het heel vaak, evenals andere negentiende-eeuwse auteurs die over de levenswetenschappen schreven. Het slaat op een manier om de wereld te zien die nabijheid bezit zelfs ten koste van de objectiviteit. Het suggereert een levendige begrijpelijkheid waardoor Junghuhn plotseling heel dicht bij Rumphius in de buurt komt. De simpele betekenis van het woord suggereert al nabijheid: de gezamenlijke trekken van een gelaat. Deze kan men niet gedetailleerd onderscheiden als men een objectiverende afstand in acht neemt. Ik heb gezegd dat Junghuhn bang was voor menselijke intimiteit, maar visuele nabijheid kon worden overgedragen op de natuur en Junghuhn gebruikt de term meestal in de zin van een ‘karakteristiek aspect’ van de natuur. Dit was een gangbaar bijvoeglijk gebruik gebaseerd op de gedachte dat het gelaat een aanwijzing was van iemands verstand en karakter. Zo'n somatische ‘interpretatie’ was de samenwerkende inspanning van verstand en oog die Junghuhn reserveerde voor de organische wereld om hem heen. Daarom kan men voorlopig concluderen dat het voornaamste effect van Junghuhns geschriften over de natuur, hoewel zijn middelen empirisch en analytisch waren, eerder subjectief dan objectief was, dichter bij een kunstvorm staat dan bij een techniek. Dit doet evenmin afbreuk aan de nauwkeurigheid, omdat er evengoed sprake is van de precisie van de liefhebber als van die van het laboratorium. Wat voor beeld van Java levert deze speciale organische perceptie op en hoe werd deze visie overgebracht in zintuiglijke taal?

 

Het doel van de reis die Junghuhn voorstelt met zijn lezer te ondernemen, ligt verborgen in het binnenland van Java. Hij voelt dat het niet mee zal vallen zijn metgezel weg te lokken van de overvolle kusten en daarom zal hij hem eerst als lokmiddel trakteren op wat ‘den blik des reizigers het eerst boeit’, dat wil zeggen ‘de steden, de dorpen en de velden’. Maar de fictieve vriend moet ook worden losgemaakt van de stedelijke beschaving en de cultuurlandschappen. Junghuhn doet dit met verleidelijke werkwoorden die beweging uitdrukken: hij zal de lezer van de kust ‘leiden’ en ‘voeren’ en terwijl zij ‘elk gebied der flora doorwandelen’ zullen zij ‘in treden’ in het binnenland en hun reis voortzetten ‘totdat wij worden overschaduwd door het bladerendak der majestueuse, maagdelijke wouden’ (Java, i. 226). Dit is inderdaad het reisschema van de vier delen van Java, zowel fysiek als emotioneel. (In de volgende analyse slaan alle paginaverwijzingen op de vier delen van Java, tenzij anders aangegeven.) Junghuhn bewijst slechts de meest plichtmatige lippendienst aan de ontwikkelde streken van Java, ook al zouden de meeste bezoekers en commentatoren, om maar niet te spreken van de koloniale overheid, deze beschouwen als de belangrijkste gebieden van het eiland. Een goed voorbeeld is zijn afkeer van gecultiveerd land.

Aarzelend bespreekt Junghuhn een van de voordeligste ondernemingen van

[p. 178]

de kolonie: de thee- en koffieplantages. De aanplant van theestruiken eist dat de ‘zacht glooijende hellingen’ ‘van alle geboomte zijn ontbloot’, zodat ze typisch ‘kaal’ achterblijven. Opvallend is dat de ‘kleine struiken in zulke regte rijen en op regelmatige afstanden van elkander op den bruinkleurigen, zeer zuiver gehouden bodem zijn geplant’ (i. 408). Koffieteelt is echter een veel succesvoller en winstgevender aangelegenheid. De koffiestruiken worden ook ‘op regelmatigen afstanden’ geplant, maar in tegenstelling tot thee vereist koffie schaduwbomen zodat wanneer de ‘oorspronkelijke wouden’ worden gekapt om plaats te maken voor deze handelsgewassen sommige bomen worden ‘gespaard, ten einde lommer te verspreiden over de koffijstruiken’ (i. 410), terwijl er bovendien andere snelgroeiende schaduwbomen worden geplant. Theeplantages worden oppervlakkig behandeld in een halve pagina en in uitgesproken negatieve termen: bruin is een onaantrekkelijke kleur voor Junghuhn (zie bijvoorbeeld Reis, iii), regelmaat is hem een gruwel, en, als ergste belediging, de mensen geven de voorkeur aan Chinese thee (i. 408). De beschrijving van de koffieteelt vergt daarentegen acht pagina's (i. 409-16) en ondanks de vereiste uitroeiing van ongerept woud blijft de bespreking vervat in positieve termen. De enige reden is dat koffieteelt niet zonder bomen kan.

Terwijl bij een theeplantage sprake is van het ‘kale, eentonige’ uiterlijk, ‘vertoont een koffijtuin zich aan het oog des beschouwers als een welig, groen woud, dat verlevendigd wordt door insekten, vogelen en een aantal kleine viervoetige dieren’. Verder bereiken koffiestruiken hoogten die meer in overeenstemming zijn met Junghuhns idee hoe hoog een echte boom moet zijn. Theestruiken worden alleen maar klein genoemd (Junghuhn gebruikt het verkleinwoord; i. 408) maar Junghuhn vermeldt zorgvuldig dat jonge koffiestruiken een hoogte bereiken van vier tot vijf meter en wat belangrijker is, zij kunnen een hoogte bereiken van tien of meer meter op oude, verlaten plantages ‘waarvan men de boomen in het wild heeft laten opgroeijen, sedert zij geene vruchten meer gaven’. Het laatste ‘verdient te regt den naam van woud’ (i. 413; cursief in het origineel). In dat stadium zijn zij ‘van hunnen voet tot aan den top met mos, Usneen en Orchideën beladen, bezitten een buitengewonen rijkdom aan takken, bladeren en hout, maar reeds sedert verscheidene jaren brengen zij geene enkele vrucht meer voort’ (i. 414; spelling en cursivering in het origineel).

Koffieplantages zijn echter verplaatsbare landgoederen omdat de plant alkali - volgens Junghuhn het voornaamste mineraal in koffie - uit de grond haalt en dit niet wordt vervangen. Een alkali-arme bodem kan ‘voedsel (...) opleveren tot het bevorderen van den wasdom van het hout en van de bladeren der koffijstruiken, maar geen koffij-vruchten meer (...) voortbrengen’ (i. 414; cursivering in het origineel). Merk op dat als dit is gebeurd, de ‘struik’ is gepromoveerd tot een ‘boom’. Koffieplantages verdienen de voorkeur boven theeplantages omdat zij op een bos lijken ook al zijn het nog bloeiende ondernemingen en omdat zij in een wild bos veranderen als ze geen vrucht meer opleveren. Dat wil zeggen: als deze commerciële landerijen economisch árm worden, krijgen zij een grotere

[p. 179]

ríjkdom aan bladeren en takken. Voor Junghuhn zijn de koffiebonen taboe. Een hoogst eigenaardig standpunt voor het tijdperk van het cultuurstelsel! Hij geeft zijn minachting voor de winstgevende boon nog beeldender aan door een bijzonder aantrekkelijk beeld te schetsen van de moesang, een carnivoor die op een marter lijkt. In de koloniale literatuur wordt de moesang gewoonlijk een schadelijk dier genoemd, een kippendief met een enorme eetlust. Junghuhn heeft echter alleen weet van een opgewekte deugniet wiens vernietigingsdrang heel vertederend is. Het dier is ‘vrolijk van aard’, ‘zeer vlug en gemakkelijk in zijne bewegingen’ en ‘zonder moeite laat hij zich temmen’. Zelfs de beruchte kruimeldiefstallen van de moesang worden ongegeneerd vermeld. ‘Het zuigt de eijeren uit van wild en tam gevogelte, waarop het zeer verlekkerd is en maakt eene menigte wilde hoenders tot zijne prooi’ (i. 413). Junghuhns liefde voor de moesang hangt samen met het feit dat het dier koffiebonen eet. Vruchten maken deel uit van zijn voedselpakket en het ‘geeft (...) de voorkeur aan de vrucht van den koffijboom’. Het eet alleen het sappige vruchtvlees en ‘de onverteerde kern werpt hij later weder uit, welke, naar de verzekering der Javanen, de lekkerste koffij oplevert, hetgeen waarschijnlijk hieraan moet worden toegeschreven, dat het dier de rijpste vruchten nuttigde’ (i. 413). Hier lijkt Junghuhns moesang op de trickster van de Noord-Amerikaanse indianen. Het dier is een bondgenoot als het erom gaat koffieplantages sneller in de gewenste toestand van nutteloosheid te brengen en zijn oneerbiedige manier van reclame maken voor de beste kwaliteit koffie is een pikante beschuldiging waarover echte negentiende-eeuwse wetenschappers niet beschikken.

In zijn behandeling van deze plantagegewassen introduceert Junghuhn twee negatieve gegevens in zijn naamgeving: regelmaat en struiken. Grote struiken of lage bomen zijn lelijk (iii. 958), zijn heet en doornig, dicht en ondoordringbaar, geven aan waar het oerwoud éindigt (door een ‘gordel’ te vormen) en je vindt ze meestal op ‘woudeilanden’ in de ‘Alang-woestijnen’ (i. 299). Fruticeta of ‘boschjes’ zijn voor Junghuhn pseudo-bomen en men moet ze verachten alleen al omdat zij voorkomen naast de Javaanse grasvlakten die bedekt zijn met alang-alang. Velden met dit taaie gras hebben bij Europese reizigers nooit enige sympathie opgeroepen, maar voor Junghuhn is hun oorsprong al verkeerd: alang-alang betekent dat oerwouden zijn gekapt en verbrand om landbouw te plegen (i. 296, 293, enz.). Steeds wanneer hij naar deze ‘wildernissen’ verwijst, is Junghuhns vocabulaire uitgesproken negatief. Omdat dit gras zo groot wordt als een man (i. 290) en heel dicht is, valt een reiziger snel ten prooi aan een gevoel van claustrofobie omdat zijn richtingsgevoel door het dichte scherm van gras ernstig wordt aangetast. Het scherpe gras snijdt in het gezicht en de handen van de reiziger, als hij op de grond in elkaar zakt, wordt hij geplaagd door mieren, hij wordt voortdurend bedreigd door tijgers die in deze ongastvrije wildernis op de loer liggen (i. 291) en wordt letterlijk verblind omdat de ‘millioenen’ grassprieten evenzoveel spiegelende oppervlakken vertegenwoordigen (i. 296, 278). Het licht van de apollinische ‘levenwekkenden agens’ (iii. 582) is schadelijk geworden en

[p. 180]

de zon begaat de misdaad van het teveel: het licht maakt zien onmogelijk (i. 278). Verstikkende hitte (i. 291, 196) en gebrek aan water (i. 291) maakt de helse ervaring van het reizen door deze ‘graswoestijn’ (i. 291) die niet eens groen maar ‘zilverwit’ (i. 290) is en waar ‘zelfs geen bloempje verheugt het oog’ (i. 291), compleet. Alleen een zeldzaam en solitair soort blauwe gentiaan vormt een uitzondering in deze zee van gras zonder bloemen, ze doet hem bijna letterlijk herleven en houdt hem gaande (i. 292).

Hoewel de afwezigheid van groen en bloemen indirecte negaties kunnen lijken, zijn zij binnen het kader van Junghuhns betoog zeer betrouwbare informanten. Dit is niet zo duidelijk wanneer Junghuhn zegt dat herten zich in het bos verbergen om de hitte van de alang-alang-velden te vermijden (i. 306). In Junghuhns geheimschrift laat hun voorkeur voor het bos zien dat zij intelligenter zijn dan de babi oetan of wilde zwijnen die rondom deze zelfde helse woestijnen wroeten en daarmee tijgers aanlokken die op hun beurt deze troosteloze en eenzame streken nog gevaarlijker maken. Feitelijk beweert Junghuhn dat de mensen die in de buurt wonen, omringd zijn door tijgers en heel arm zijn. Maar het waren niet de vreselijke economische omstandigheden die hun depressieve geestestoestand veroorzaakten, maar het eentonige, treurige, wilde gebied waarin zij leefden. Daarom zijn politieke en economische omstandigheden niet de bepalende factoren van het Javaanse leven, maar de fysische geografie.

James Fenimore Cooper, die ook de vernietiging van bossen haatte en een hekel had aan de boomloze vlakten ten westen van de Mississippi, beschreef de prairies als ‘qua karakter weinig gevarieerd’ en als een landschap waar ‘het oog moe wordt van de eentonigheid en griezelige saaiheid’.55 De kritiek was zowel bij Junghuhn als bij Cooper waarschijnlijk gebaseerd op directe waarneming van de natuur, maar gekleurd door romantische literatuur. Junghuhn stelde categorisch dat ‘schoonheid der natuur’ identiek is met de ‘werking der tegenstellingen’ (iii. 542); de natuur houdt niet van eenvormigheid en bevordert actief de variatie (i. 339). Dichte wouden vormen bijvoorbeeld ‘levendigste kontrast’ met ‘de vlakke streken in het rond (...), waarop slechts het dorre Alang-gras’ groeit (i. 331). ‘De schoonheid der natuur wordt vernietigd door het toenemen der bevolking en der bebouwing des bodems’ (i. 639).

Levendigheid (die hij ook in zijn stijl gelegd hoopte te hebben, ii. 470), contrast en variatie zijn kenmerken van de romantische literatuur. Ook Junghuhn was met afschuw vervuld als hij de onderdrukkende macht van gewoonte en routine tegenkwam, een kracht die alle plezier vergalt (iii. 542). Ook hij zou de voorkeur hebben gegeven aan Victor Hugo's keuze voor een Amerikaans oerwoud (l'oeuvre de la nature) boven de koninklijke tuinen in Versailles, omdat het eerste een ‘schoonheid zonder regels’ (beau sans les règles) vertoont die lijkt op ‘oorspronkelijke poëzie’ (poésie originale), terwijl het koninklijk domein louter ‘conventionele schoonheid’ bezat (qui est beau de convention). Hugo maakt nog een onderscheid dat een schijnbare tegenstelling in Junghuhns bespreking van Java's natuurschoon verklaart. Een voorbeeld hiervan is het feit dat de nette,

[p. 181]

ordelijke aanplant van theeplanten op de een of andere manier inferieur is aan die van koffiestruiken. Het antwoord op de vraag waarom dit zo is, is te vinden in het onderscheid dat Hugo maakt tussen orde en regelmaat. Evenals Junghuhn verklaarde de Franse dichter dat er in de ongerepte natuur een orde bestaat en ‘orde is volmaakt verenigbaar met vrijheid’ (l'ordre se concilie merveilleusement avec la liberté). ‘Regelmaat is de smaak van de middelmaat, orde is de smaak van het genie.’56 Regelmaat is het kweken van een gewas om de winst, orde is het ‘innige verband, dat tusschen alle krachten der natuur bestaat, dien onderlingen zamenhang, welken alle deelen van het geschapenen zaâmverbindt’ (i. 106) en waarvan Junghuhn in Licht- en schaduwbeelden een geloofsbelijdenis maakte: ‘de voortdurende gelijkvormigheid in alle verschijnselen der natuur’ (Licht, 4).

De gedachte dat orde verenigbaar kan zijn met vrijheid is een aanklacht tegen de onderdrukkende alang-alang-vlakten en Coopers ruige prairies ten westen van de Mississippi. Zij kan ook Junghuhns eigenaardige beschrijving van een typisch ‘woudeiland’ in de zee van alang-gras helpen verklaren. Junghuhn stelt deze bosjes voor in termen waarmee hij ze - in het licht van zijn uiteenzetting - schuldig verklaart door tekstuele associatie. Ze zijn ‘heet’, ‘stekelachtig’, bijna niet te onderzoeken omdat ze ‘door slingerplanten in allerlei rigtingen doorvlochten’ zijn (i. 299). Men vindt ze als eenzame archipels in de zee van gras of ze ‘vormen een gordel rondom de eigenlijk oorspronkelijke wouden’ en doen dat waar zulke wouden ‘aan bebouwde streken grenzen’ (i. 209). We kennen Junghuhns tekstuele wereld nu voldoende om te weten dat deze kleine bosjes de verschoppelingen van het paradijs zijn. Hun beschrijving veroorzaakt echter een nieuwe verwarring. Deze bosjes lijken meer op een verwarde bol van kruipplanten dan op een bosje van bomen: ‘Als ware het weefsel van bladeren en takken nog niet digt genoeg zaâmgegroeid, zoo wassen hier slingerplanten (...) wier klimmende stengels de digtheid van het bosch vermeerderen’ (i. 300). De lange lijst van kruipende planten en lianen omvat planten met stengels die ‘worden gebezigd als strikken’ (i. 301) en een wilde bamboe die ‘de laatste hand legt aan (...) de digtheid van dit alles (...) met hare dunne, Rotan-achtige ranken’ (i. 301).

Junghuhn beschrijft een typisch bosje als volgt: ‘het boschje, dat al die struiken, boomen en lianen gezamenlijk vormen, deed zich, in zijn geheel genomen, aan mijn oog voor als een laag, klein, maar met een digt loof gedekt woud, omgolfd door de bleek gekleurde graszee, waarin geene enkele opening werd gevonden, waardoor nergens het daglicht van ter zijden kon doordringen.’ Binnen deze ontoegankelijke vesting ‘liet zich de zonderlinge gedaante van een Pandanus [-boom] bespeuren’ (i. 303). Deze geïsoleerde bosjes wekken de indruk van een ingesloten woud. Junghuhn kan ‘hunne physiognomie (...) bezwaarlijk met kort woorden afmalen’ omdat het zowel individualiteit als orde mist: de wirwar van soorten ‘ontstaat slechts door de zamensmelting van allen tot één geheel’ (i. 303). Het bosje is een abstractie geworden (wat tegen het organische denken ingaat), het mist variatie (wat de romantische diversiteit ontkent) en ontbeert

[p. 182]

levendigheid en beweging (nog een essentiële ingang in Junghuhns lexicon; zie i. 51). Als hij zou proberen erin door te dringen, zou het netwerk van stekelige, taaie kruipplanten hem beroven van zijn bewegingsvrijheid en het zou lijken alsof hij was opgesloten in een tropisch Fort Ehrenbreitstein. Verwarring dwingt ook tot nabijheid, precies het tegenovergestelde van de apollinische distantie en de hoogte waarvoor Junghuhn een voorkeur heeft om vandaar een leerzaam uitzicht te kunnen hebben. In feite suggereert de lexicale combinatie van termen die eerder in specifieke contexten werden gebruikt dat verwarring synoniem is met stedelijke ontwikkeling. De heggen en groentetuinen van dorpen zijn ‘doorvlochten’ met diverse kruipplanten die samen een ‘digt, brandend bladerenweefsel’ vormen (i. 320).

Een omvangrijke tekst als die van Junghuhn schept een eigen syntagmatische ordening, hiërarchieën die ontkennen wat in het normale geval als tegenstellingen word beschouwd. Er zijn bijvoorbeeld een hiërarchie van paradijzen, een hiërarchische schaal van geografische zones, of zoals in het onderhavige geval een kleine hiërarchie van verwarringen. Als Junghuhn op Ceylon landt, op zijn terugweg naar Europa, wordt hij overweldigd door mensen alsof hij door een luidruchtige vloedgolf van de mensheid wordt meegesleept (Reis, 38-9). Iets later noemt hij deze verwarde mensenmassa een ‘warreboel’ (‘warboel’: verwarring, rommel, wirwar, knoop), een ‘dooreen kruisende menigte’, waarbij hij hetzelfde werkwoord ‘dooreenkruisen’ (Reis, 40) gebruikt dat hij elders gebruikte om het ‘ondoordringbaar palissadenwerk van takken, wortelen, die elkander in alle rigtingen doorkruisen’ van de mangrove te beschrijven (i. 256). Voor Junghuhn zijn mangrovebossen niet veel beter dan struikgewas en hun enige functie is louter het aangeven van de kust. Daarom is, volgens de speciale logica van zijn betoog, een ‘verwarring’ (wirwar) van stammen in een palmbos boven de stad Punto Galle een positieve verwarring (Reis, 40). De twee woorden zijn synoniem, zij delen de wortel ‘war’ (verwarring in het Middelnederlands), maar als Junghuhn mag kiezen, kiest hij voor de verwarring van de bomen boven de luidruchtige wirwar van menselijke lichamen. Dit geldt nog steeds, ook al zijn palmen niet zo positief als bijvoorbeeld Rasamalabomen. Gebang-palmen (waaierpalmen) nemen een lage plaats in op de ranglijst van bomen omdat zij tussen alang-alang groeien, zichzelf met een geometrische regelmaat uitzaaien en van zeelucht leven (Java, i. 277-9; cf. iii. 542). Van pinangpalmen en kokospalmen geldt: ‘nimmer treft men deze palmen in oorspronkelijke wildernissen aan’ (i. 245).

Palmen kondigen ook inheemse dorpen aan en vormen daarom een metonymie voor beschaving. Anderzijds zijn Javaanse dorpen veel beter dan steden omdat je ze van een afstand niet kunt ontdekken; ze zijn volledig verborgen in groene vegetatie. In werkelijkheid noemt Junghuhn het ‘dorpsboschjes’, waarbij het laatste deel van de samenstelling (boschje) het eerste (dorp) in waarde doet stijgen, omdat hierdoor een verband wordt gelegd met die andere ‘boschjes’ in de zee van alang-gras. Ook hier is de toegang hem ontzegd door een ‘ondoordringbare haag’, een ronde palissade van bamboe (i. 233). Maar dit is een ander

[p. 183]

soort versterking. De kring om het ‘boschje’ dat het dorp is, wordt gevormd door de grootste verandering die een gras kan bereiken: het is een ‘boomachtige gras’ (i. 234). Terwijl er geen enkele opening in het onaanlokkelijke bosje was, is er toevallig wel een in dit ommuurde kamp: ‘Als door een poortgewelf treden wij door deze opening het woud binnen’ (i. 234). ‘Gewelf’ in Junghuhns ‘poortgewelf’ is een positief woord in zijn woordenschat omdat het wordt geassocieerd met het overhangende gebladerte van de fraaiste bomen (i. 509), terwijl het ook deel uitmaakt van de architectuur van zijn ideale kerk: ‘de hooggewelfde kerk, waarvan het dak met sterren is bezaaid’ (Licht, 33; cursivering toegevoegd). In deze door de bomen goedgekeurde woonplaats is geen sprake van verwarring. De ‘geelachtige halmen’ van de bamboe, die met hun lengte van vijftien tot vijfentwintig meter langer zijn dan koffiebomen, worden op regelmatige afstanden van elkaar geplant. Hun geplande rangschikking benadert echter orde en het vocabulaire drukt Junghuhns goedkeuring uit: ‘hunne toppen, met een zacht loof versierd, dat door den ligtsten adem des winds wordt in beweging gebragt, hellen boogsgewijs over, waardoor de schoonste zuilengangen worden gevormd’ (i. 233). Deze koele, uitnodigende, schaduwrijke onderkomens zonder dorens herbergen een gemeenschap van bomen en niet een eenzame Pandanus-gijzelaar.

De ‘physiognomie’ van deze bosjes is eveneens moeilijk te beschrijven, maar in tegenstelling tot die bosjes in de alang-zee ontdekt men dat divers geboomte ‘de blikken des reizigers (...) tot zich trekt’ (i. 242-3). Het is een lange passage, verteld met een visueel vocabulaire waartoe ‘zien’, ‘het oog’, ‘blik’, ‘bespeuren’ en diverse combinaties van die woorden behoren. Het Javaanse dorp is dus goedgekeurd, niet vanwege zijn agrarische of economische waarde, maar omdat het zich verzet tegen abstractie, vrijheid van beweging toelaat, op een bosje lijkt en omdat het de verlichte blik niet in verwarring brengt.

Het beeld van het inheemse dorp of de kampong als een tropisch prieeltje kan romantisch lijken, wat het tot op zekere hoogte ook is, maar de in de tekst gemaakte associaties geven ook aan dat het hier om een bijzondere beschrijving gaat. Zo biedt de tekst ons bijvoorbeeld in plaats van een menselijke woonplaats een plaats waar gedomesticeerde bomen samenleven, zodat de metonymie voor deze kampongs niet de Javaanse boer of abangan is, maar de waringin. Op het dichtst bevolkte Soenda-eiland is het niet de mens die er de paradigmatische vertegenwoordiger van is, maar een grote ficusboom waarvan de superioriteit door Junghuhn wordt benadrukt met het epitheton ‘een berg! van loof’.57 De waringin werd vaak beschouwd als de typisch Javaanse boom omdat hij zo nauw verbonden was met de Javaanse maatschappij. De inheemse bevolking beschouwde hem als heilig en bijna alle dorpen en steden beroemden zich op een van deze grote bomen op hun aloen-aloen of centrale plein. Junghuhn negeert deze stedelijke en gewijde associatie, hoewel zijn evaluatie niet zo extreem is als die van Bas Veth, die in overeenstemming met zijn eerder genoemde mening over Indië de waringin afdeed als een symbool van onbeweeglijkheid van de begraafplaats. Ondanks de duidelijke connectie van de boom met de beschaving

[p. 184]

kiest Junghuhn ervoor veel positiever te zijn, hoewel hij onmiskenbaar idiosyncratisch blijft. Hij gebruikt hetzelfde beeld uit de bouwkunst dat eerder op voortreffelijkheid duidde en zegt dat het ‘loofgewelf’ van de ficusboom zijn aandacht trok (i. 353). Vanuit dit gewelfde baldakijn reiken luchtwortels tot op de grond waar zij stevig wortelen als een menigte ‘nevenstammen’ (i. 353). Een ‘dooreengewarde’ (vergelijk ‘verwarring’ en ‘warreboel’) hoeveelheid van deze dikke wortels vormt wat men een arboriserend gebouw kan noemen, compleet met zuilen en een netwerk van gangen. Hoewel de terminologie er een van verwarring is, blijkt dit groene herenhuis net zo uitnodigend en gastvrij te zijn als een Javaans ‘dorpsboschje’. De luchtwortels

trekken tot steun aan de takken en omgeven als zuilengangen den hoofdstam, die op zijne beurt uit niets anders bestaat dan uit verscheidene tientallen van dergelijke dooreengewarde en zaâmgevlochten nevenstammen. Op die wijze verkrijgt een Ficus-stam eene middellijn van 20, 50, ja, menigwerf van verscheidene honderd voet, hij vormt een vlechtwerk, een traliewerk, dat de onderste, horizontaal uitgestrekte takken met den bodem verbindt, in het midden openingen, als het ware deuren en vensters heeft, waardoor men kan heenkruipen en in het rond met zuilengangen is versierd, waar tusschen men zijn togt kan voortzetten. (i. 353)

Opnieuw werkt verwarring niet verstrikkend en kan wanorde zich oplossen in orde, maar dit gaat alleen op als de context het bos is en de beschaving buitengesloten wordt.

Symbolisch fungeert de waringin en als vertegenwoordiger van het dorp en als intermediair tussen boomloze vlakte en ongerept bos. Want de waringin wordt vaak alleen aangetroffen, maar maakt ook deel uit van gemengde bossen. Hij vormt ook heel letterlijk een schakel met Junghuhns paradigmatische bomen, de ‘reusachtige woudburgers’, zoals hij bomen als de Rasamala, de Acacia en de Podocarpus-soorten vaak noemt. Een bepaalde soort klimmende vijg lijkt volmaakt op een Rasamalaboom, schiet tussen twintig en vijfentwintig meter omhoog tot hij de zware kroon van zijn buurman heeft bereikt: ‘dan eerst schiet hij zijne luchtwortelen en omknelt daarmede in spiraalvormige kringen den hoofdstam. Hooger opwaarts worden deze spiralen tot een net of vlechtwerk, dat den Rasamala omkleedt en waarop zich eindelijk het loof van den vijgenboom, 120 à 150 voet boven den grond, vereenigt met het loof van den Rasamala’ (i. 442-3). Het taalgebruik waarmee dit bomenhuwelijk wordt beschreven bevestigt de seksuele vurigheid ervan, want het blijkt een voorbeeld te zijn van de wonderbaarlijke vruchtbaarheid van de natuur.

Hangt dan, op zekeren afstand van den stam, aan een der takken een Cissus-rank (C. papillosa, dichotoma) ter lengte van honderd voet in eene verticale rigting zoo hoog opwaarts (ik weet niet, aan welke dezer beide uitdrukkingen de voorkeur behoort gegeven te worden), dan heeft de reiziger bij het beschouwen van een dergelij-
[p. 185]
ken Rasamala-stam, op die wijze [sic] omvlochten en met nevenstammen omgroeid, een tafereel voor oogen, dat meer dan elk ander geschikt is om hem eene ware voorstelling te leveren van de majesteit, van de verbazende groeikracht der tropische natuur. (i. 443)

Die vitaliteit is bij wijze van spreken de ‘waarheid’ van de natuur, ware seksualiteit. Hindoeïstische goden vertegenwoordigden haar in diverse vormen, maar hun beelden liggen nu in verspreide brokstukken in verlaten heiligdommen (i. 421). Junghuhn heeft geen behoefte aan door de mens gemaakte gedenktekens; in plaats daarvan kiest hij ervoor de natuur te dienen op met ongerepte oerwouden bedekte berghellingen, bossen die bestaan uit gigantische bomen (i. 339). Wat deze bomen gemeen hebben zijn heel lange, kaarsrechte stammen die zich pas vertakken op twintig tot dertig meter boven de grond. Hun verheven toppen moeten hun kronen meer dan dertig meter boven de bosbodem dragen en een ‘loofgewelf’ van uitzonderlijke schoonheid vertonen. Het gebladerte kan doen denken aan coniferen, zoals de diverse soorten Podocarpus (i. 509) of aan bolvormige kronen zoals de Rasamala (i. 443), of lijken op het dunne, doorzichtige gebladerte van de Acacia's (i. 342-3). Nog een belangrijk onderscheid is een heel laag verwarringsgehalte (i. 342, 442, 508); de lichte, gladde stammen zijn zelden beschadigd door parasieten. De geliefde streken van deze onvergelijkelijke bomen zijn de hellingen van bergketens en hun paradijselijk klimaat (i. 34) is het koelste van de hogere regionen van Java. Dat deze oerwouden aan het paradijs doen denken wordt gesuggereerd door toespelingen op eeuwigheid. Zij zijn van wortel tot tak tijd. Hun beeld blijft de reiziger het langst bij (i. 505) en de tijdloosheid die zij uitstralen is het wezen van de natuur omdat zij ‘in den regten zin des woords’ ‘physiognomische boomen’ zijn (i. 507). Deze wouden hebben sinds ‘eeuwenheugende tijden’ (ii. 84) bestaan en zij behouden een gevoel van ontzag en mysterie, wat Junghuhn ‘het geheimzinnige kleed van onbewoonde, oorspronkelijke wouden’ noemt (ii. 8). Maar al toen Junghuhn erover schreef, halverwege de negentiende eeuw, waren er nog maar weinig van deze gelukzalige wouden over. Zij waren opgeofferd aan een ander soort tijd: de chronologie van de vooruitgang die moet vernietigen om verder te komen. Junghuhns compromisloze veroordeling van de beschaving (die hij ‘cultuur’ noemde) laat opnieuw zien dat zijn strijdvaardige romanticisme gemakkelijk de eisen van de politiek en de positivistische wetenschap kon negeren, zelfs als dit hem soms in moeilijke situaties bracht.

Junghuhn was eerlijk over het bedreigde bestaan van de bossen van Java. Hij besluit het eerste deel van zijn beschrijving van Java met de volgende militante constatering:

‘Kultuur is de ondergang der botanie;’ dit zijn de woorden van een beroemde, sedert lang gestorven kruidkundige, die zijn verdriet gewoonlijk op deze wijze te kennen gaf, wanneer hij op zijne botanische uitstapjes eene zeldzame plant niet meer kon
[p. 186]
vinden ter plaatse, waar hij ze vroeger in menigte had aangetroffen. Met een gelijk regt kan dit van de wilde dieren gezegd worden die zich van planten voeden en die, wanneer zij verdelgd worden, op hunne beurt weder den ondergang der roofdieren ten gevolge hebben, waaraan zij tot voedsel strekken. De schoonheid der natuur wordt vernietigd door het toenemen der bevolking en der bebouwing des bodems. Eentoonigheid komt in de plaats der verscheidenheid en schilderachtige afwisseling van vormen.
Deze heerlijke, met een overvloed van bloemen bedekte boschjes, deze grasvelden waarop zich groepen van woudgeboomte verheffen, verlevendigd door eene menigte van verschillende dieren, hoe uiterst boeijend, hoe liefelijk doen zij zich aan het oog des reizigers voor! Maar, helaas! zij zullen eindelijk vervangen worden door het floragebied, dat in Midden-Europa alle anderen heeft verdrongen, door den ‘eentonigen, akeligen akker’, dien men niet zien kan zonder den wensch te koesteren, zoo ver en zoo spoedig mogelijk van daar verplaatst te zijn, en waarop men niets ontwaart dan vervelende, door de beschaving bedorvene menschen, die zes dagen in de week het ploegijzer volgen, de natuur uitroeijen, des zondags in de kerk gaan, geboren worden en sterven. (i. 638-9)

De voornaamste thema's van Junghuhns werk zijn in deze passage allemaal aanwezig: de weeklacht voor de wildernis, de haat tegen de beschaving, Victor Hugo's romantische voorkeur voor variatie boven regelmaat, en wat we nu het ecologische besef van het natuurlijke ecosysteem met zijn onderlinge afhankelijkheid zouden noemen. Junghuhn zag het laatste speciaal in het vermogen van het bos om vocht te hergebruiken. Hij maakte een eenvoudige en ware vergelijking: gebrek aan bomen staat gelijk met een gebrek aan water (ii. 320-1). Door directe waarneming (op de berg Goerat bijvoorbeeld) raakte Junghuhn op de hoogte van ‘het klimmende en dalende spel van den in damp, nevel, wolken en dauw herschapen waterdruppel, welks gedaanteveranderingen, waarvan de vruchtbaarheid of de dorheid van een land afhangt, honderd andere natuurverschijnselen doen geboren worden, zoo wel eene ruischende stortbeek of een buiten zijne oevers tredenden vloed, als windstilte, en ratelenden donder’ (iii. 582-3; zie ook iii. 894 en ii. 320). Of meer rechtstreeks: ‘De invloed, te weeg gebragt door de uitbreiding van den landbouw, openbaart zich voornamelijk door het vellen van wouden, ten gevolge waarvan de dampkring drooger wordt, en beken en stroomen een geringeren toevoer van water verkrijgen’ (i. 205). Junghuhn noteerde zijn waarnemingen tussen 1830 en 1845 en publiceerde ze in definitieve vorm in de jaren 1850, wat veel eerder is dan John Muir, de kampioen van de bergen en bomen van Californië, die erom wordt geprezen dat hij ‘al in 1875 stelde dat het behoud van bossen alleen al zinvol was voor het intact houden van waterscheidingen’.58

Junghuhns symbool voor de toenemende vernietiging van bossen is de bijl en hij gebruikt deze metonymie met dezelfde kracht als Cooper en Thoreau.59 Hij formuleerde zelfs wat men een alternatieve definitie van een oerwoud kan noe-

[p. 187]

men: het is een woud waarin nog nooit een bijl werd gehoord (iii. 254) of ‘hetwelk nog nimmer door de bijl werd geschonden’ (ii. 809), en, meer in overeenstemming met de seksuele beeldspraak van de tekst, een maagdelijk woud is een woud dat nooit door een bijl is overweldigd (ii. 254; zie ook 23, 313, 353). Junghuhns militante houding blijkt ook uit het frequente voorkomen van deze ver doorgevoerde vergelijking (zie bijvoorbeeld i. 334-5, 410, 428, 549; ii. 23, 313, 353; iii. 819, 821), terwijl deze ook zijn positie als koloniaal wetenschapper aan het wankelen brengt. Hoe boomachtiger Junghuhn wordt, hoe meer de dichter in hem opstaat.

De tegenstellingen werden opnieuw verscherpt tot conflicten. De natuur van Indië begrijpen hield in deze in kaart brengen voor exploitatie. De Nederlandse koloniale regering gaf hem opdrachten, betaalde zijn salaris, steunde zijn wetenschappelijke publicaties. Daarom kon zijn wetenschappelijke werk nooit altruistisch of nutteloos blijven. Het kennende, ordenende oog was ook een slaafs oog. Dit knaagde aan Junghuhn. Voordat Junghuhn naar Indië voer, somde hij zijn ‘sacra principia’ op. Een daarvan was de voorspelbare eis van eerbied voor de natuur, maar hij noteerde ook het gebod ‘gij zult geen voldoening vinden onder anderen’. Waar hij het grootste deel van zijn leven als volwassene naar streefde was ‘dat hooggestemde genot van een vrij leven in de schooner verhevene, rijke natuur’.60 Wanneer men wordt betaald door een koloniale overheid kan zo'n ideaal soms moeilijk blijken te zijn, omdat men nooit vrij van haar gezag kan zijn noch haar vraag naar economisch nut kan negeren. De faustiaanse krachten zijn hiermee duidelijk in strijd: het zoeken naar kennis vraagt om het offer van schoonheid en onafhankelijkheid. Junghuhn wilde dit niet accepteren en deze weigering, gepaard aan zijn misantropie, zorgde voor enkele eigenaardige inconsequenties. Zo geloofde Junghuhn dat alleen de Javanen een bijl hanteerden.

Evenals het geweer is de bijl een instrument, een door en voor mensen gemaakt werktuig. Wanneer men er een radicaal gebruik van maakt, verandert het de physiognomie van de natuur (Licht, 173). Zoals we zagen, is ‘physiognomie’ identiek met de ‘essentie’ van de natuur, zodat het gebruik van een bijl betekent dat de natuur onherkenbaar wordt verminkt. Op een bepaald punt onderscheidt Junghuhn tussen ‘bewerktuigde en onbewerktuigde natuur’ (ii. 207), waarvan de eerste die van het huidige moment en de laatste die van de eeuwen is. Beide zijn aan verandering onderhevig maar volgens Junghuhn betekent verandering in de onbewerktuigde natuur uitwisseling, terwijl verandering in de onderworpen en bewerktuigde natuur plaatsvindt om de verandering zelf. De bijl bevordert verandering, maar geen wederkerigheid.

Cooper noemde zijn fictieve vernietiger van bomen Ishmael Bush en liet hem zijn ruwe conservatisme als volgt onder woorden brengen: ‘de aarde is gemaakt voor ons gemak; en wat dat betreft ook haar schepselen’. Hij is blind voor zijn vastgestelde plaats in de natuur en is een schepsel van het bewerktuigde heden die geen benul heeft van toekomstige consequenties of vroegere voordelen.

[p. 188]

Coopers woudloper, Deerslayer of Leatherstocking, hoort ‘het geluid van bijlen en het neerstorten van vallende bomen’ aankomen uit ‘het Oosten’, die magnetische richting die duidde op macht, rijkdom en economische ontwikkeling.61 Zoals zal worden aangetoond in het hoofdstuk over P.A. Daum (hoofdstuk ii) stond het ‘Yankee Oosten’ voor Indië gelijk met de Nederlandse regering in Den Haag en ook ten opzichte van haar koesterde de overwegend grond bezittende elite van de kolonie afkeer en wantrouwen. Hoewel Junghuhn een hoogst ambivalente verhouding tot de koloniale machtsstructuur bezat - men herinnert zich wellicht de arrogante kaneelinspecteur (iii. 1060-1), of men kan denken aan het incident met de gekke ‘controleur’ die mensen van de weg af rijdt (iii. 605) - klaagt Junghuhn haar aanwezigheid of beleid niet rechtstreeks aan. Junghuhns Ishmael Bush is de abangan, de Javaanse boer.

Junghuhns weinig vleiende en ongevoelige tekening van de inheemse bevolking van het eiland valt vooral op in zijn grote werk over Java, waar zijn commentaar door de hele tekst verspreid voorkomt. Zijn kritiek herinnert ten dele aan soortgelijke gefrustreerde opmerkingen van andere reizigers in andere gebieden ter wereld: vervoermiddelen, of ze nu dierlijk of menselijk waren, waren altijd berucht om hun eigenzinnigheid. Het andere probleem is dat hij de Javanen beziet vanuit een Noord-Europees standpunt en, anders dan zijn Duitse landgenoot Goethe, niet in staat was een volkomen vreemd volk te begrijpen.62 Daarom beschouwt hij de Javanen als lui (iii. 558; ii. 141) en weinig enthousiast (ii. 332). Zijn lofrede op enthousiaste initiatieven (ii. 332) is werkelijk één lofzang op het romantische principe van vitaliteit en de karakteristieke Europese eigenschap van individueel initiatief. Het is dan ook niet verrassend dat hij de Javanen als dociel beschouwt (ii. 240), een negatieve eigenschap die hij aan de natuur toeschrijft! Hij vindt de natuur van Java zo groots en indrukwekkend dat de inboorling van jongs af gedwongen is zich aan haar macht te onderwerpen (Licht, 208; zie ook i. 105). Toch verhindert dit inzicht (als we het zo mogen noemen) Junghuhn niet woedend te worden als de Javanen weigeren voor hem, een onbekende vreemdeling, te werken, maar hem met hulp overladen als zij daarvoor opdracht krijgen in een officiële mededeling (iii. 1062-3).

Junghuhn schijnt in het geheel niet op de hoogte te zijn geweest van een fundamenteel begrip als ‘adat’: de Javaanse sociale mores. Hij heeft gelijk als hij zegt dat de Javaan in wezen conservatief is (iii. 770) en zeer geïnteresseerd in de uiterlijkheden van de maatschappelijke rangen en standen (iii. 762) maar hij schijnt niet te weten dat dit voor hen volkomen logisch is. Junghuhn moet zich niet bewust zijn geweest van de polaire Javaanse tegenstelling tussen kasar, belichaamd in de negatieve wereld van materiële zaken, onhandig sociaal gedrag en trots op werk, en het tegenovergestelde, aloes, vertegenwoordigd door de verfijnde Javaanse maatschappij. Zoals Niels Mulder in zijn studie heeft aangetoond, bestaat deze merkwaardige wereld, totaal vreemd aan de westerse mentaliteit, nog tot op de huidige dag.63 Mulders studie (of wat dat aangaat, Couperus' en Dermoûts romans) laat zien dat Junghuhns uiterlijk en optreden

[p. 189]

hopeloos ongepast moeten zijn geweest. Feitelijk zijn er geen meer tegengestelde principes denkbaar dan het romantische temperament en de Javaanse maatschappij!

Voor de negentiende-eeuwse Javaan moet Junghuhn de belichaming van kasar zijn geweest. Op een bepaald punt beschrijft hij zichzelf: zijn kleren zijn bedekt met vulkanische as, zijn schoenen zijn stuk, zijn hoofd is bloot en zijn gezicht rood verbrand door de zon (iii. 995). De afschuw van mensen die harige personen bijzonder lelijk vinden, moet door zijn volle baard en snor en zijn verwarde haar alleen maar zijn toegenomen, terwijl zijn ruwe taalgebruik en ongeduldige gebaren de belichaming van alles wat de Javaanse maatschappij afstotelijk vindt, moeten hebben voltooid. Geld is kasar, en daarom heeft het absoluut geen zin als je hun er meer dan normaal van aanbiedt (iii. 1062), en minachting voor gewin (iii. 597) is volkomen logisch en niet, zoals Junghuhn aannam, de reden voor hun gastvrijheid. Het laatste is een kwestie van adat en wordt vereist door de sociale voorrechten van de bezoeker. Het is inderdaad grappig als Junghuhn de Javanen ‘halfbeschaafd’ (iii. 647) noemt, want vanuit hun standpunt waren híj en alle westerlingen onherroepelijk barbaren. Al Junghuhns klachten (die net zo klinken bij veel andere Europeanen) over Javaanse incompetentie (iii. 553), afkeer van vooruitgang (iii. 554), onderworpenheid (iii. 636) en zorgeloosheid (iii. 671) waren voor de Javanen evenzovele triviale westerse irritaties. Voor hen duidden deze op materiële stimulansen en moesten dus worden vermeden. De materiële wereld, die voor hen de natuur insluit, is veel meer een obstakel dan een inspiratie. Een boom kappen is een kleinigheid in een maatschappij die primair is ‘gericht op mensen en ceremoniën’.64

De wereld van de Javanen bezat geen aanbeveling voor een zo weinig sociaal iemand als Junghuhn. Het lijkt er echter op dat zijn onliberale gevoelens minder de voorspelbare antwoorden van een koloniale racist waren dan reacties die voortkwamen uit een bijzondere psychologische gesteldheid, gekwetst door een ongelukkige jeugd en adolescentie. Maar dit betekent evenmin dat Junghuhn tegen kolonialisme was. Eén veelzeggend voorbeeld leert ons het tegendeel. Op een zeldzaam moment van neerslachtigheid - want over het geheel genomen is Junghuhns werk merkwaardig optimistisch - geeft hij toe dat hij lijdt aan eenzaamheid (iii. 593), maar elders horen we dat hij met een gevolg van veertig man reisde (iii. 671). Men moet onvermijdelijk concluderen dat Javaanse koelies geen gezelschap voor hem zijn. Een andere keer is hij woedend dat een Javaanse opzichter hem durft te vertellen wat hij moet doen (iii. 629), en hij voegt eraan toe dat een echt Javaans opperhoofd vrees moet tonen voor Europese functionarissen (iii. 752). Koloniaal bestuur is een zegen (iii. 906) en Junghuhn biedt zijn lezers een hoogst verwerpelijke apologie van het Nederlandse kolonialisme (ii. 358), ook al legt hij deze in de mond van zijn Duitse weldoener, dr Fritze. Desondanks klinkt er in Junghuhns steun voor het Nederlandse kolonialisme, voor zover het niet gaat om een onvrijwillige reactie van een heerszuchtige negentiende-eeuwse Europeaan, iets onwaarachtigs door.

[p. 190]

Junghuhn noemt de Nederlandse koloniale hiërarchie bijna steeds ‘Europees’. Een onwetende lezer van zijn werk zou moeite hebben vast te stellen dat Java een Néderlandse kolonie was, en zou evenmin weten dat Junghuhn in dienst was van het Nederlandse koloniale bestuur. De eerste keer en een van de zeldzame keren dat Nederland in zijn werk wordt genoemd - aan het begin van het semi-autobiografische Reisen durch Java (1845) - doet hij het land af als ‘zonder natuurschoon en eentonig’, wat voor Junghuhn zoals we zagen een vernietigende kritiek inhoudt, om maar niet te spreken van de negatieve Nederlandse contacten met de zee.65 Zes jaar later eindigt Junghuhns verhaal over zijn terugreis naar Nederland met een felle filippica tegen de Nederlanders die in Leiden wonen (Reis, 126-7). Verder is er de merkwaardige ontmoeting met enkele Nederlandse kapiteins in Tegal. Junghuhn beschrijft hun grove gedrag niet alleen op zijn meest misantropische manier, maar ook alsof hij er met Javaanse ogen naar kijkt: de luidruchtige, vloekende en drinkende mannen lijken volmaakte voorbeelden van kasar. Het viel hem op dat zij zich met elkaar

over de eenvoudigste zaken ter wereld op eene wijze onderhielden als of zij, met de spreektrompet in de hand, hunne bevelen aan de matrozen uitbulderden, ja als of het in de herberg even hard stormde als op zee! De jongste van het gezelschap was zulk een dolleman, dat hij zich den tijd niet gunde om te eten, maar als een wilde door het huis liep. Ware het van mijne keuze afhankelijk geweest, dan had ik liever den nacht in den eenzaamsten krater doorgebragt dan hier! Het gemis aan rustige bedaardheid, dat voortdurende opbruischen des gemoeds, die hartstogtelijke drift maakten een even onaangenamen indruk op de Javanen. (iii. 631-2)

Hoewel Junghuhn de Javanen insluit, schijnt hij zich niet te realiseren hoezeer hijzelf klinkt als een aristocratische Javaan (prijaji). Junghuhn sluit de passage af met nog een verwijzing naar de natuur: de grote hitte van het land zou een ‘verkoelende werking’ op de ziel van een mens hebben (iii. 632). Deze Nederlandse zeelieden zijn inderdaad onnatuurlijk.

We zijn terug bij de ‘natuur’ van Junghuhn. Zijn teksten onthullen een diëgetische gelaagdheid waaruit we kunnen concluderen dat zijn ‘natuur’ niet alleen die van de romantici, van Humboldt, was, een negentiende-eeuwse abstractie van een concreet landschap, maar dat ze bovenal een norm aangaf die al het andere uitsloot. In Junghuhns ‘wetenschappelijke’ en verhalende teksten (die samen in werkelijkheid één paradigmatisch genre vormen) is een opvatting over de natuur verwoord die zo hoogstaand is als een religie en zo concreet als de strengste wet. De natuur wordt alles. Ze is onnavolgbaar, boven menselijke overwegingen verheven, Spinoza's natura naturans. Wat Junghuhns tekst zo eigenaardig maakt, is het simpele maar verbazingwekkende feit dat er voor hem geen ruimte zit tussen teken en betekende zaak. De natuur is geen abstractie maar een constante werkelijkheid, een fenomenale onvermijdelijkheid. Wat er gebeurt is dat, als in Junghuhns werk begrippen belangrijk worden, of het nu uit de codex

[p. 191]

van de positivistische wetenschap, van de Romantiek of van Humboldt is, het teken ‘natuur’ plotseling het belangrijke begrip overweldigt omdat de natuur nooit de mindere kan zijn. Dientengevolge bouwt Junghuhn hiërarchieën op van boven - dat wil zeggen de natuur - naar beneden. Hij kan de wereld alleen maar behandelen vanuit het perspectief van de natuur, kan alleen maar denken in organische termen.

Junghuhn kan zich