Toen Eduard Douwes Dekker in januari 1839 in de koloniale hoofdstad op Java aankwam, was Junghuhn al meer dan drie jaar in de tropen. Toen Junghuhn van zijn twee eenzame en gevaarlijke jaren in Noord-Sumatra naar Java terugkeerde, stond Dekker op het punt scheep te gaan voor zijn eigen avontuur op Sumatra, twee romantische jaren waaraan hij later vol trots terugdacht. Verscheidene maanden nadat Junghuhn was vertrokken voor zijn lange en productieve verlof in Nederland werd Dekker op Celebes gestationeerd, en vervolgens op Ambon. Junghuhn was nog in Europa toen Dekker in Nederland aankwam voor zijn eigen dramatische verlof tussen 1852 en 1855. Beiden keerden in hetzelfde jaar naar de tropen terug. Junghuhn ging terug als een bekende geleerde, met de opdracht van de koloniale overheid om de kininewinning op poten te zetten, terwijl Dekker binnen enkele maanden werd benoemd op de hoge bestuurspost van assistent-resident, om nog in hetzelfde jaar op eigen verzoek uit de koloniale dienst te worden ontslagen. Toen Dekker in april 1857 voorgoed vertrok, had Junghuhn nog zeven jaar te leven. Vier jaar voor de dood van de natuuronderzoeker in 1864 publiceerde Dekker zijn invloedrijke roman Max Havelaar en nam hij openlijk de rol aan van de schrijver die hij Multatuli noemde.
Junghuhn was 26 toen hij Java voor het eerst zag, Dekker 18. Voor Junghuhn vulden de tropen zijn leven; voor Dekker bleek deze ervaring de belangrijkste vormende gebeurtenis van zijn loopbaan. Er is nog één ander verband tussen deze twee zo verschillende mannen. In 1855 richtte Junghuhn zijn liberale tijdschrift De Dageraad op. Een jaar later werd er een organisatie opgericht met dezelfde naam. Twee van de bestuursleden waren D'Ablaing van Giessenburg en F.C. Günst; beiden bleken toekomstige uitgevers te zijn van Dekkers werk. In het tijdschrift werd ook Dekkers eerste publicatie onder de naam ‘Multatuli’ afgedrukt: ‘Geloofsbelijdenis’, die verscheen in 1859. Dekker werd in 1882 benoemd tot erelid.1
Afgezien van hun tegendraadse denkwijze en tropische ervaring waren Junghuhn en Dekker geheel verschillend. Junghuhn was bijna een misantroop die alleen geloofde in de ecologische natuur buiten de mens, terwijl Dekker een sociaal wezen was voor wie ‘natuur’ een abstract begrip was dat stevig verankerd was in de menselijke intelligentie. Als men hun respectieve carrières in de tropen vergelijkt, ziet men dat Junghuhn veel minder bureaucratisch was dan Dekker.
Hij was in zekere zin in zijn eentje belast met zuiver wetenschappelijke projecten, terwijl Dekker deel uitmaakte van de regerende hiërarchie die in opdracht van de uitvoerende macht maatregelen tot stand bracht. Max Havelaar is de eerste grote koloniale tekst met de rijksbureaucratie als erkende of impliciete achtergrond.2 Evenmin kon Junghuhns zaak ooit de publieke aandacht trekken die Dekkers latere politieke discussie trok. In de negentiende eeuw bleef de onderdrukking van de natuur grotendeels onopgemerkt, terwijl de verlichting van menselijk lijden een belangrijke zaak aan het worden was.
De vooruitgang was voor Junghuhn een beproeving maar werd door Dekker toegejuicht. Dekker verbleef ruim veertien jaar in Indië en in die periode stond hij in dienst van een systeem dat de opkomende sociale en wetenschappelijke ontwikkeling die bekend werd als ‘de moderne tijd’ liever zou negeren. In deze tijd werd het woord ‘modern’ meestal in afkeurende zin gebruikt, maar dit was tevens de tijd waarin verandering en vooruitgang synoniemen werden. En ondanks het eentonige begin van de eeuw bleven de dingen veranderen. Toen Dekker in januari 1839 voet op Javaanse bodem zette, bestond de oude handelsmaatschappij alleen nog maar in de herinnering. De kolonie was verloren aan de Britten (1803) en tien jaar later herwonnen (1814). De autocratische maar doelbewuste Daendels was gekomen en gegaan (1808-1811) en zou in 1875 door Dekker worden geprezen in een aan Max Havelaar toegevoegde aantekening.3 Raffles, de Engelse interim-bestuurder, had ook zijn stempel op de koloniale politiek achtergelaten (1811-1815) maar zijn uitgesproken afkeer van de Nederlanders, gepaard aan zijn chauvinisme, dwong hem een belangrijke stad in Zuidoost-Azië te zoeken als concurrent van het Nederlandse Batavia. Dit werd in 1819 werkelijkheid toen hij de sultan van Johore overhaalde het eilandje Singapore aan hem af te staan. In enkele jaren werd dit anti-Batavia een bloeiend handelscentrum en tegen het einde van de eeuw zou het de Nederlandse koloniale hoofdstad overschaduwen. In de Nederlandse koloniale geschiedenis is 1819 net zo'n belangrijke datum als 1815 in de Europese geschiedenis. De laatste markeert Wellingtons overwinning over Napoleon bij Waterloo en bevestigde het belang van Engeland in de Europese politiek, terwijl de datum van Raffles' slimme verwerving van het ogenschijnlijk onbetekenende eiland het begin markeert van het einde van de Nederlandse rol in Zuidoost-Azië.
Economische zorgen beheersten de eerste helft van de negentiende eeuw. De Franse bezetting had Nederland bankroet achtergelaten. Het laatste wat het land nodig had was een armlastige kolonie, maar de zaken waren zeker niet hoopgevend. Er was de toegenomen en onophoudelijke Britse rivaliteit in de archipel, terwijl in de jaren 1820 de koffiemarkt instortte. De exportoogsten namen af. En wat erger was, tussen 1825 en 1830 was de koloniale regering gedwongen een langdurige guerrillaoorlog te voeren tegen de Javaanse edelman Dipo Negara en zijn neef Sentot. Een van de voornaamste oorzaken van het verbitterde en kostbare conflict was de wrok van de Javanen tegen de onverbiddelijke expansie van het Nederlandse koloniale bestuur. Door ziekte, hongersnood en strijd werden
grote gebieden verwoest en vele mensen gedood. Oproepen om financiële steun van het thuisland werden genegeerd omdat er in hetzelfde jaar waarin de Javaanse oorlog eindigde, vijandelijkheden uitbraken met separatistische Belgen. Het conflict in Europa zou negen jaar duren en de Nederlandse staat op de rand van het bankroet brengen. Alleen de koloniën leken in staat de grote financiële problemen te verlichten. Om grote opbrengsten af te dwingen, voerde Johannes van de Bosch, gouverneur-generaal van 1830 tot 1834, het zogenaamde ‘cultuurstelsel’ in. Dit bestond feitelijk tot 1870 toen de minister van Koloniën De Waal de gedwongen productie van suikerriet afschafte; andere gewassen volgden spoedig.
Het ‘cultuurstelsel’ was simpel gezegd een door de overheid gecontroleerd landbouwsysteem waarbij gebruik werd gemaakt van dwangarbeid door Javaanse boeren. Een vijfde van het land werd gebruikt voor de teelt van verplichte gewassen zoals suiker, koffie en indigo, omdat die voor de Europese handel het meest winstgevend waren. De producten werden geleverd aan de Nederlandse Handelmaatschappij, een in 1825 door koning Willem i gestichte handelsorganisatie die ze naar Holland bracht en op de Europese markten verkocht. Deze politiek werkte. Er werden grote overschotten geproduceerd en naar Europa gestuurd terwijl de uitgaven voor de kolonie tot het uiterste minimum beperkt bleven.
Zoals een commentator opmerkte: ‘De overheid werd planter op een bovenmenselijke schaal met de Nederlandse Handelmaatschappij als enige agent.’4 Deze handelsonderneming neemt een prominente plaats in in de ondertitel van Multatuli's beroemde roman. Een dergelijke schaamteloze uitbuiting kon geen stand houden, en omstreeks het midden van de eeuw begon zich dan ook een meer liberale oppositie te organiseren. In 1870 werd het cultuurstelsel door vrije arbeidskrachten, het inkomen uit staatslandbouw door belastingen vervangen, namen de overheidsbestedingen in de koloniën toe en werden er privé-ondernemingen aangemoedigd, hoewel de autocratische planter oude stijl na 1885 was vervangen door een directeur die werkte voor landbouwmaatschappijen van beperkte omvang.
Dekkers loopbaan in de tropen viel tijdens de hoogtijdagen van het cultuurstelsel toen er weinig aandacht werd besteed aan de andere delen van de archipel (de zogenaamde buitengewesten), toen militaire interventie voornamelijk om financiële redenen werd vermeden en toen de autoriteiten hoopten dat de status-quo zou standhouden omdat vrede en rust goed waren voor de economie. Maar verandering liet zich niet tegenhouden. In 1859, twee jaar nadat Dekker de kolonie definitief had verlaten, werd slavernij in Indië afgeschaft, vier jaar eerder dan in de Verenigde Staten. In 1869 werd het Suezkanaal geopend en de verkorting van de reis zorgde voor een opleving die duurde tot het begin van de twintigste eeuw. In deze zelfde periode viel echter de lange, wrede oorlog met Atjeh (1873-1904), hetzelfde islamitische sultanaat in Noord-Sumatra waar Frederick de Houtman bijna drie eeuwen eerder gevangen had gezeten.5 Tegen het einde van
de eeuw was een begin gemaakt met de exploitatie van olie en dit werd in 1890 officieel bekrachtigd door de oprichting van de Koninklijke Nederlandse Shellmaatschappij. Negen jaar later publiceerde Van Deventer in Nederland een artikel met als titel ‘Een eereschuld’, het begin van wat bekend werd als de ‘ethische politiek’, een handelwijze gericht op de bevordering van het welzijn van de koloniën in plaats van op de verrijking van het thuisland. Het was tijdens deze tweeslachtige periode van de koloniale geschiedenis dat Eduard Douwes Dekker het materiaal verzamelde en de inspiratie opdeed die hem tot Multatuli zouden maken, de beroemdste Nederlandse koloniale schrijver.
Hij was op 2 maart 1820 in Amsterdam geboren als het vierde van vijf kinderen. Zijn ouders waren respectabele leden van de middenklasse, nette mensen, meelevende protestanten die net genoeg geld hadden om hun kinderen een goede opvoeding te geven. De vader was kapitein bij de koopvaardij en was gewend bevelen te geven; net als zijn zoon was hij gevoelig voor vleierij. Door zijn vele jaren op zee was hij niet geschikt voor een normaal, gepensioneerd bestaan in de provincie. Zijn zoon merkte ook met enige trots op dat zijn vader graag met de dames sprak, een eigenschap die hijzelf tot een kunst zou verheffen.6
In zijn jaren op zee was de vader zelden lang thuis en de opvoeding van de kinderen werd grotendeels aan de moeder overgelaten. Het lijkt dan ook niet meer dan natuurlijk dat zij tijdens Dekkers jeugd de grootste invloed uitoefende en het weinige wat hij over haar zegt werpt wat licht op bepaalde aspecten van zijn volwassen persoonlijkheid.
Ze was afkomstig uit een verarmde familie van enig aanzien en haar huwelijk redde haar van een leven in stille wanhoop. Dekkers eigen huwelijk met Everdine van Wijnbergen, een arme vrouw van adel, vertoont hiermee enige overeenkomst. Niet alleen had Everdine, overigens een hoogstaande en verfijnde vrouw, ook de vernedering van de armoede meegemaakt, maar Dekker scheen later een soort begrip van haar te verwachten dat eerder leek op dat van een moeder die haar kind adoreert dan van een vrouw tegenover haar echtgenoot. Nadat zij definitief naar Nederland waren teruggekeerd, verweet Dekker zijn vrouw voortdurend dat zij jaloers was vanwege zijn talloze affaires; hij schrijft haar alsof ze deze ‘amourettes’ moet opvatten zoals een moeder zou doen, schattige escapades van een ondeugende maar in wezen toegewijde zoon.7 Het schijnt ook dat Dekker, nadat ‘Tine’ (onder welke naam zijn vrouw het grootste deel van haar leven bekend was, naar de op onderdanige wijze toegewijde vrouw in Max Havelaar) hun twee kinderen had gekregen, veel minder aanleiding zag om bij haar te zijn, alsof hij verwachtte dat zij, net als zijn moeder, genoeg had aan de zorg voor haar kroost. Het lijdt weinig twijfel dat zijn moeder geheel voor en door haar kinderen leefde, veel beslag op hen legde en het nauwelijks kon accepteren dat andere mensen hun gevoelens konden beïnvloeden.8
Dekker noemt de ‘zenuwachtigheid’ van zijn moeder, een probleem waarmee ook hij het grootste deel van zijn leven te maken had. In januari 1851 geeft hij dit
met zo veel woorden toe aan zijn broer.9 We weten dat hij 's morgens niet veel waard was, bijna alsof hij last had van een ochtendhumeur. Hij gaf over als hij op de foto moest en schreef zijn hoofdpijn (waaraan ook zijn moeder leed), rugpijn en astma terecht toe aan psychosomatische oorzaken, die hij moreel noemde, en aan irritatie weet.10 Het is mogelijk dat zij ook uiterlijk op elkaar leken. Aan Tine laat hij weten dat men zijn moeder acht jaar voor haar dood in 1864, toen zij achter in de vijftig moet zijn geweest, ‘voor een meisje kon houden’. Dekker schijnt haar ranke bouw en de jeugdige indruk die zij maakte te hebben geërfd; toen hij 42 was schreef hij aan de vrouw die zijn maîtresse en tweede vrouw zou worden hoe hij eruitzag: ‘mager (...) Maar toch zie ik er jonger uit dan ik ben. Ik ben vlug gefatigeerd, bleek, met omkringde oogen, maar daar ik vlug ben in bewegingen geloof ik nog altijd dat ik meer lijk op een jong mensch, die 'r oud uitziet, dan op iemand van 42 jaar! Ook is mijn hart nog altijd jong en kinderlijk’ (Dekkers cursivering). Hij had kleine voeten en handen, was heel blond en had fletse blauwe ogen.11 Over zijn jeugdige uiterlijk werden vaak opmerkingen gemaakt, vooral door vrouwen, zelfs toen Dekker de veertig al gepasseerd was.12
In zijn beschrijving van zijn moeder noemt hij ook een karaktertrek die mogelijk zijn eigen onrealistische verwachtingen van zijn meerderen, van de koning en misschien van het hele Nederlandse volk kan verklaren. Hij schrijft dat ze een warme persoonlijkheid bezat, maar: ‘niets krenkt haar meer dan koelheid. Er is niemand in staat haar zóo te beminnen, als zij wel verlangen zoude en dat veroorzaakt weleens, dat zij meent gemankeerd te zijn, al is dat werkelijk het geval niet, en dit heeft vader ook.’13 Dekker was herhaaldelijk het slachtoffer van dezelfde emotionele zwakte. Hij voelde zich vaak gekleineerd als dat niet het geval was, of vatte een gebrek aan aandacht op als een belediging. Omdat hij onmogelijk hoge eisen stelde, was hij natuurlijk snel teleurgesteld. Dit gebrek aan relativeringsvermogen maakte hem tot de grote schrijver die hij was, maar maakte ook dat hij heel serieus verwachtte dat de Nederlandse koning in het openbaar de zonden zou belijden waarvan Dekker hem beschuldigde, dat een gouverneur-generaal van Indië de voorzichtigheid uit het oog zou verliezen en politieke zelfmoord zou begaan of dat zijn kinderen hem zouden vereren hoewel ze het grootste deel van hun jeugd zonder hem doorbrachten en zagen dat hun moeder arm en eenzaam was en zich slaafs probeerde te vinden in de rol die Dekker voor haar had geschapen. Maar koningen, onderkoningen of kinderen hebben nooit zo veel consideratie met schrijvers gehad.
Na drie jaar op een Latijnse school en vier jaar werk bij een textielfirma verliet Dekker op 23 september 1838 Nederland. Hij was achttien jaar oud. Hij maakte de lange reis op de Dorothea, een schip dat onder bevel stond van zijn vader, met zijn broer Jan als tweede stuurman. In januari 1839 kwam hij in Batavia aan.
Hij werd eerst aangesteld bij de Rekenkamer in Batavia. Ondanks zijn jeugdige leeftijd werd hij als een bekwaam en veelbelovend kandidaat voor de kolonia-
le bureaucratie beschouwd. In februari 1840 maakte hij promotie. In 1841 werd hij verliefd op Caroline Versteegh, de knappe dochter van een rijk en vooraanstaand man. In augustus 1841 liet hij zich dopen als katholiek voor haar die hij had ‘verheven’ tot zijn ‘ideaal’,14 maar de bekering hielp niet, want Carolines vader weigerde hem als schoonzoon. Dientengevolge vroeg Dekker overplaatsing aan van Java, en in juli 1842 werd hij tot controleur tweede klasse op Sumatra benoemd. Dit was een verantwoordelijke positie, die Furnivall beschrijft als die van ‘de voornaamste Europese overheidsagent’ die hem in ‘nauw contact met de mensen’ bracht.15
Hij werd gestationeerd in Natal, een streek aan de uiterste noordwestkust van het eiland, in een district dat niet langer welvarend was. Het klimaat was ongezond, schepen voeren Natal liever voorbij vanwege de verraderlijke ankerplaats en het Nederlandse gezag was er niet stevig gevestigd.
Sumatra was verboden terrein voor ambitieuze jonge ambtenaren. De westkust werd bestuurd door gouverneur Michiels, die zowel met militair als met burgerlijk gezag was bekleed, wat in de praktijk inhield dat hij vrijwel dictatoriale macht bezat. Hij werd berucht omdat hij ieder ‘schorste’ die hij niet mocht of met wie hij het niet eens was. Toch genoot Dekker, pas 22 jaar oud, in Natal behoorlijk veel vrijheid als hoogste burgerlijk ambtenaar; er waren geen directe officiële beperkingen en hij was belast met opvallend uiteenlopende functies - onder andere was hij hoofd van politie, rechter, president van het inheemse gerechtshof, postdirecteur en belastinginspecteur.
In de meer dan negen maanden dat hij in Natal was, maakte Dekker verscheidene gebeurtenissen mee die voor hem persoonlijk van belang waren en een voorbode waren van de beroemde gebeurtenissen in Lebak, zo'n veertien jaar later. Zijn trouw aan de verantwoordelijkheid van de Nederlandse koloniale beambte voor het welzijn van de inheemse bevolking (de grondgedachte van Max Havelaar) werd in Natal getest. Dekker schreef een rapport over een inspectie van peperplantages om vast te stellen waarom deze niet veel opleverden. Hij gaf duidelijk de schuld aan de afschuwelijke leefomstandigheden van de inheemse werknemers en verzocht de overheid rijst aan hen uit te delen zodat zij meer geneigd waren de specerijen te produceren die de overheid eiste. ‘Men moet voor den arbeider eene meer lagchende toekomst, een vrolijker vooruitzigt daarstellen, en in dit geval een aanvang maken met hem te voeden.’16 Het verzoek werd afgewezen. Eerder koos hij al de zijde van een plaatselijke bewoner van wie men enkele gouden knopen afhandig had gemaakt en beboette hij een Nederlandse soldaat omdat hij als heler van de gestolen goederen was opgetreden. En zijn gunstige mening over Soetan Salim, een inheems hoofd, die rechtstreeks tegen die van Michiels inging, is te vinden in hoofdstuk 14 van Max Havelaar. In grote lijnen gedroeg Dekker zich al zoals hij later in Lebak zou doen. Hij zette zich herhaaldelijk in voor de zaak van de inheemse bevolking, tegen de wensen van de koloniale overheid in, was het oneens met zijn meerderen en negeerde herhaaldelijk het bureaucratische decorum. Het was eveneens
in Natal dat Dekker in een krant las dat Caroline Versteegh in 1843 op Java met een officier was getrouwd, een gebeurtenis waardoor hij ‘40 dagen krankzinnig’ is geweest.17 In dezelfde veelbewogen tijd woonde Dekker samen met Si Oepi Keteh, de dochter van een datoe (een lagere inheemse aristocraat) uit Atjeh. Zij stond model voor de vrouw aan wie Havelaar het verhaal van de Japanse steenhouwer in hoofdstuk 11 van Max Havelaar vertelde.
Na ongeveer negen maanden werd Dekker naar Padang teruggeroepen, waar hij in september 1843 aankwam. Maar in plaats van te worden overgeplaatst, werd Dekker door zijn voormalige chef in Natal evenals door Michiels beschuldigd van administratieve tekortkomingen en financieel wanbeheer. Het financiele probleem is gecompliceerd, maar er schijnt geen twijfel over te bestaan dat er een tekort op zijn rekeningen was en dat hij later gedwongen werd tot schadeloosstelling aan de koloniale overheid.18 Zijn leven lang was Dekker berucht om zijn onverschilligheid in geldzaken, en ging hij er onverantwoordelijk en nooit voorzichtig mee om, al naargelang de behoeften van het moment. Hij was een slordige boekhouder die altijd bereid was mensen te helpen, ook wanneer de regels of de realiteit voorzichtigheid eisten, en beschouwde de verantwoording van zijn uitgaven als een ergerlijke routineaangelegenheid. Hij ging liever met geld om op de royale manier van een aristocraat die boven zulke vulgaire dingen verheven is. In elk geval ontdekte hij toen hij in Padang aankwam dat Michiels hem wilde straffen op een wijze die niet in overeenstemming was met de veronderstelde misdaad. Spoedig na aankomst verbood Michiels hem het gebied te verlaten, hij hield zijn salaris in en in de eerste dagen van 1844 ontnam hij hem zijn positie en zijn vergoeding.
Bijna een jaar was Dekker gedwongen te leven zonder een cent, onteerd, verstoten door de Nederlandse gemeenschap, verdacht van fraude, maar zonder toestemming om te vertrekken. Al spoedig was het enige wat hij nog kon verkopen zijn kleding, die hij stuk voor stuk verkocht. Vaak zat hij zonder voedsel en eenmaal redde een Chinees hem van de hongerdood. Maar Dekker weigerde te buigen: ‘Men dreigde met criminele vervolging. Ik antwoordde: ga je gang, - en schreef op den grond op een omgekeerde kist, den eerlooze [zijn eerste toneelstuk].’ In het begin van dit dramatische jaar woonde Si Oepi Keteh nog bij hem. Zij verkocht zelfs een poesaka voor hem - een ontroerend gebaar van toewijding, want een poesaka is een heilig erfstuk dat men nooit mag wegdoen.19 Hij stal aardappels van de akkers, stal een kalkoen (die hij naar de eigenaar terugbracht toen hij ontdekte dat hij niet van Michiels was), schreef epigrammen over zijn kwelgeest, schreef het genoemde toneelstuk in vijf bedrijven De eerloze, waarin hij zichzelf in gedachten schadeloos stelt door de in ongenade gevallen Holm gelijk te laten krijgen en in ere te laten herstellen, schreef meer gedichten, en voltooide de opmerkelijke prozatekst ‘Losse bladen uit het dagboek van een oud man’.20 Het schijnt dat Dekker zeker niet onder de druk bezweek maar met zijn wanhopige situatie pronkte en ‘de gek’ en ‘de excentrieke lord’ werd genoemd, etiketten waarin hij plezier moet hebben gehad.21 Op een griezelig symmetrische
wijze bleek de episode op Sumatra een generale repetitie te zijn voor de zaak Lebak en Dekkers latere leven, en hoewel hij nog maar een jonge twintiger was, bleek hij tegen deze taak opgewassen te zijn. De regering beval Michiels ten slotte Dekker naar Batavia te sturen en op 25 september 1844 verliet hij Sumatra op het schip met de toepasselijke naam Orestes.
Meer dan een jaar had hij geen baan, maar in september 1845 werd hij weer als tijdelijk ambtenaar tot de rangen van de koloniale bureaucratie toegelaten. In hetzelfde jaar ontmoette hij Everdine Huberta van Wijnbergen, een wees en een verarmde barones. Ze was naar Java gekomen met een grote groep familieleden en was afhankelijk van hun liefdadigheid en goede bedoelingen. Op 10 april 1846 trouwde hij met haar en in de maand daarna werd hij tot commies benoemd, een rang boven die van klerk maar lager dan die welke hij op Sumatra had bekleed. Als pasgetrouwd man bleef hij tot september 1848 op zijn nieuwe post, Poerworedjo in de residentie Bagelen in Zuidwest-Java.
In oktober 1848 werd hij opnieuw benoemd op een positie die beantwoordde aan zijn ervaring en dienstjaren: secretaris van de residentie Menado in Noord-Celebes. Hij arriveerde in april 1849 en bleef daar tot begin 1852. Zijn positie in wat een deel van de ‘buitenbezittingen’ was, was veel belangrijker dan de titel aangeeft. Zijn enige superieur was de resident en omdat de man niet getrouwd was, werden Dekker en zijn vrouw het voornaamste paar van de Europese gemeenschap. Evenals vroeger het geval was, bezat Dekker een hele reeks verantwoordelijkheden en had hij heel wat speelruimte bij de uitoefening van zijn gezag.22
In 1850 liet hij een huis bouwen op een verwaarloosde cacaoplantage en hij speelde zelfs met de gedachte het landgoed te herstellen en wat geld te verdienen als planter. In hetzelfde jaar schijnt hij zijn positie te hebben gebruikt om enkele slaven te kopen van het landgoed van een overleden eigenaar om hen vrij te laten. Ondanks ziekte en een drukbezet leven moet Dekker van deze jaren genoten hebben. Zijn meerdere, de resident Scherius, had een hoge dunk van Dekkers prestaties en bekwaamheden en beval hem aan voor zijn eigen positie toen hij op het punt stond naar Holland te vertrekken.
De Heer Douwes Dekker heeft juist die periode van het leven bereikt, waarin men met den edelsten ijver is bezield, de energie het hoogste is, het denkbeeld van rust nog ver in het verschiet en het intellectueel geenen anderen prikkel noodig heeft, dan zich in eenen ruimen en nuttigen werkkring verdienstelijk te kunnen maken, deze persoonlijke hoedanigheden gaan gepaard met vele en grondige kundigheden, een karakter wel wat excentriek, maar van innerlijke hooge waarde voor hen die het wel weten te begrijpen.23
Maar deze promotie zou niet plaatsvinden. In oktober 1851 benoemde de gouverneur-generaal Dekker tot assistent-resident op Ambon, en met een andere ironische wending van het lot werd Brest van Kempen benoemd tot resident van
Menado. Dit was dezelfde die vijf jaar later zijn meerdere in Lebak zou zijn en de man die hij in Max Havelaar portretteerde onder de geringschattende naam Slijmering.
In februari 1852 kwam Dekker op Ambon aan. Misschien heeft hij wel in Valentijns huis gewoond. Opnieuw bekleedde Dekker een positie met aanzienlijk gezag. Zijn enige chef was de gouverneur van de Molukken, maar in zijn dagelijkse activiteiten was hij in alle opzichten eigen baas. Hij had te maken met een rusteloze bevolking, politieke ballingen en gevangenen, een epidemie en brandstichting. Hij was commandant van de militie van 1600 man en dertig officieren.24 Hij bleef echter maar vijf maanden, waarna hij vooral wegens ziekte vertrok. Op 24 juli 1852 verliet hij Ambon per schip en na een kort verblijf op Java voer hij met zijn vrouw naar Nederland voor een verlof van twee jaar.
Hij was bijna dertien jaar in de tropen geweest, waar hij als jongen aankwam en als man van 32 wegging. In die tijd had hij als een vorst met bijna dictatoriale bevoegdheid een jaar op Sumatra, drie jaar op Celebes en minder dan een half jaar op Ambon geleefd. Deze machtsposities, met hun bijkomende glans en romantiek, bevredigden bepaalde aspecten van Dekkers persoonlijkheid omdat zij een psychologisch en symbolisch gebied vertegenwoordigden dat weinig gemeen had met de wereld waarin hij geboren was en waarheen hij op het punt stond terug te keren.
In Dreams of Adventure, Deeds of Empire bespreekt Martin Green de tegenstrijdige factoren waardoor het imperialisme in stand werd gehouden: het kapitalisme van de handelsklasse en de trots van wat hij de ‘aristomilitaire kaste’ noemde. Beide waren nodig om een koloniaal rijk te stichten. Het eerste stond voor overleg, voorzichtigheid, zuinigheid en het vasthouden aan regels, bepalingen en de bureaucratische hiërarchie. Men was niet geïnteresseerd in het individu maar steunde op aantallen en werd beloond door promotie. Maar de handelsklasse kon zich pas in de koloniën vestigen nadat de ‘aristomilitaire kaste’ dit rijk met daden van individueel heldendom, romantische moed en strijdlustig individualisme had veroverd. Men kan het verschil samenvatten als de spanning tussen het individu en de gemeenschap, tussen romantiek en realisme, tussen het werkelijkheidsprincipe van het ego en de instinctieve drijfveren van het id. In een opmerking over de militaire macht die het Britse imperium schiep, vermeldt Green nog een tegenstelling. De voornaamste deugd van het imperium was de discipline, die een fel contrast vormde met de chaos van inheemse legers. Discipline was echter niet voldoende om succes te garanderen; bij ‘grote soldaten moest deze gepaard gaan met een stoutmoedige vindingrijkheid [en] onafhankelijkheid... eigenschappen die vaak samengaan met het aristocratische temperament’.25 Door dergelijke tegenstrijdige krachten worden de kapiteins hoger geplaatst dan de klerken. In de tweede helft van de negentiende eeuw werd dit proces omgekeerd.
Overzeese bezittingen in de tropen werden bijna altijd beschouwd als gebie-
den die rijk waren aan kansen, overdaad, weelde, vrijheid, mogelijkheden en avonturen. Negatieve sociale factoren die in de goed geordende restrictieve thuismaatschappij verboden waren, konden in de tropen nuttige eigenschappen blijken te zijn. De onhandelbaarheid van het id, van de jeugd, zou niet gemakkelijk worden afgestraft door de door het ego vereiste controle, door de realistische eisen van het oudervolk thuis op het Europese continent. De suggestie van een generatieconflict is niet toevallig. Een man die het als jongeling waagde carrière of fortuin te gaan maken in Indië, placht naar zijn geboorteland terug te keren om op zijn lauweren te rusten met een gevestigd belang in de statusquo. Eenmaal gepensioneerd, tolereerde hij jeugdige excessen en overmoed even weinig als hij voorzichtigheid of overleg had betracht toen hij voor het eerst voet aan de tropische wal zette. Dit conflict wordt volmaakt geïllustreerd als Dekker, die zichzelf altijd als jeugdig beschouwde, zijn levenslange haat tegen gepensioneerde gouverneurs-generaal tot uitdrukking bracht en spotte met hun onverstoorbare ongevoeligheid voor pleidooien om verandering. Dit is vooral zo duidelijk omdat hij de uitdrukking ‘gouverneur-generaal in ruste’ gebruikt.26
Het meest voor de hand liggende symbool van deze tegenstelling is wellicht de eerste confrontatie met de tropische natuur. Men kan Charles Darwin nauwelijks een romanticus noemen, maar een reis die hij als jonge man naar Zuid-Amerika maakte bleef hem zijn leven lang inspireren. Hij begreep de betovering van de tropen even goed als de gevaren. Hij schrijft dat hij zocht naar een goede stijl om zijn ervaring van de tropische natuur onder woorden te brengen.
Het ene woord na het andere bleek te zwak te zijn (...) om het gevoel van vreugde dat de geest ervaart over te brengen... Het land is één grote, wilde, slordige, weelderige broeikas, gemaakt door de Natuur zelf, maar in bezit genomen door de mens... De vorm van de sinaasappelboom, de kokospalm, de mango, de boomvaren, de banaan blijft helder en apart; maar de duizend schoonheden waardoor zij tot één volmaakt schouwspel worden verenigd, moeten wegebben; toch laten zij, zoals een sprookje dat je in je jeugd hebt gehoord, een beeld bestaan dat vol is van vage, maar zeer schone figuren.27
Een dergelijke weelde werd ook toegeschreven aan seksualiteit. In de negentiende-eeuwse Nederlandse samenleving waren seksuele zaken onzichtbaar aanwezig, en de kennis ervan kwam overwegend langs negatieve, indirecte weg tot stand. De exotische tropen voedden voor de romanticus de droom van ongeremde hartstocht met de onbeperkte genoegens van een sensuele ‘broeikas’. De mannen gaven zich over aan seksuele hartstocht met inheemse maîtresses, maar dachten meestal alleen aan een huwelijk met Europese vrouwen. Dekker is hiervan een voorbeeld. Zijn tweede vrouw merkte fijnzinnig op dat Si Oepi Keteh - den naam van de dochter van de dakoe op Sumatra die ‘Juffertje’ betekent - Dekkers ‘eerste vrouw’ was die hem op zijn tweeëntwintigste met seks vertrouwd maakte. Zijn bijnaam voor haar was Clio, de naam van een van de negen muzen. Opge-
merkt moet worden dat haar vader ‘er een eer in stelde zijn dochter (...) te geven’ aan zijn Nederlandse chef, ook al beschouwde de Europeaan haar als ‘naïef’.28 Als de libido volgens de definitie van Jung ‘eetlust in natuurlijke staat’ is,29 kan men geen toepasselijker symbool vinden voor de ongeremde energie van de tropen. Volgens Dekker was Si Oepi Keteh niet meer dan een van zijn ‘menigvuldige eerste liefden’, maar het einde van zijn kuise hofmakerij aan Caroline Versteegh maakte hem ‘40 dagen krankzinnig’. De ontkoppeling van seksualiteit en huwelijk is duidelijk. In Dekkers geval is deze nog toepasselijker omdat zijn eerste vrouw, Everdine, verre van hartstochtelijk was, hoewel heel respectabel.30 Deze dubbele moraal vindt men in veel van de koloniale literatuur terug: de inheemse vrouw is meestal erotisch en aantrekkelijk maar niet achtenswaardig, en de Europese vrouw is zelden uitdagend maar men maakt haar het hof om haar eerzaamheid en positie.
Martin Green merkt op dat ‘seksuele aantrekkelijkheid meer hoort bij de aristomilitaire kaste dan bij de koopman’.31 Psychologisch verwant met seksuele aantrekkelijkheid is de glans van de macht. Heer en meester zijn in exotisch gebied, regeren over een bevolking die in omvang vergelijkbaar is met een provincie, is een romantische voorstelling van macht die in Europa zelden kon worden beleefd. Figuren als Napoleon, die ook Dekker inspireerde, werden een mythe voor zowel Romantiek als imperialisme. De overdaad aan macht is net zo betoverend als de overdaad van de natuur of de sensualiteit. Het kolonialisme, dat heel vaak lijkt op een politieke uitloper van de Romantiek, was aanvankelijk een soort avontuur voor jonge mannen; voor opstandige, briljante, ruwe en melancholieke mannen, zoals bijvoorbeeld Clive die op vijfentwintigjarige leeftijd een groot Indiaas leger versloeg. De verantwoordelijkheden van een dergelijke ongewone macht werden later tot een kruistocht op zichzelf, maar wat de nieuwkomers het meest trof was het uiterlijk vertoon ervan. Dekker was zich hiervan goed bewust. Toen hij in de vijftig was schreef hij de volgende passage over de gevolgen van zulke ongewone voorrechten.
Ik was nog geen volle drie-en-twintig jaren oud, en ‘kommandeur’ van de provincie Natal. De officiële nederlandse benaming van die betrekking is civiel-gezaghebber, maar in de wandeling, en vooral tegenover inlanders, blyft die beambte sedert den ‘engelsen tyd’ den naam dragen van commodore.
De funktiën van zo'n gezaghebber zyn alleraangenaamst, en meermalen heb ik in later tyd me teruggewenst op 't standpunt dat ik uit onervarenheid niet genoeg waardeerde toen ik 't innam. Wie niet geleden heeft, of niet genoeg geleden, is altyd dom. 't Spreekt vanzelf, dat ik hierby niet denk aan Feithse Weltschmerz-tranen, die de romanhelden voor hun plezier storten, en die 'n mens geen zier wyzer maken. Ik bedoel de pynlyke wryving met de wereld.
Doch ook zonder die wryving, de toestand van zo'n fêtor - zoals de by Maleiers der Sumatrase kustlanden gebruikelyke arabische benaming is - kan inderdaad enig genoemd worden. Men is op zo'n plaatsje iets meer nog dan de eerste. Men is alles
[sic], en menige Caesar zou daarmee tevreden kunnen zyn. 't Is waar dat de hoogte waarop zo'n gezaghebber geplaatst is, eigenlyk wordt teweeggebracht door zekere leegte om hem heen, daar hy veelal, op den militairen commandant na, de enige Europeër op de plaats is, en zelfs in de gehele provincie. Maar wie jong in Indië kwam, zodat-i nog tyd had zich goed in te burgeren, voelt zich in de aanraking met inlanders weldra geheel op z'n plaats. De leegte van 't kluizenaarschap als blanke wordt aangevuld door 'n soort van koninklyke waardigheid tegenover de bevolking, die van haar kant de hoogheid van den gezaghebber zeer ernstig opneemt. Ernstiger gewoonlyk dan hyzelf. De oudste inlandse hoofden behandelen hem met kinderlyken eerbied, en door grysaards wordt hy ‘vader’ genoemd. Men mene vooral niet - een europees dwaalbegrip! - dat zulke verhoudingen geregeld worden naar de omschryving der Wet. De inlander kent noch begrypt onze finesses van gezagsverdeling... Een inlands hoofd zal even deemoedig de goedkeuring van den heer fêtor komen inroepen op 't voorgenomen huwelyk zyner dochter, als op den aanleg van nieuwe pepertuinen. Zodanige hartelyke aartsvaderlyke verhouding bestaat op Sumatra en sommige andere buitenposten, in veel hogere maat dan op Java. De Javaan is onderdaniger, maar kan in de omgang niet zulke aangename gegevens leveren als byv. de maleier, wiens aanhankelykheid, juist omdat-i meer karakter heeft, van groter waarde is. En... op Java zyn sedert 'n paar eeuwen te veel Europeanen geweest - waaronder de rykworders! - dan dat de inlander niet schuw zou geworden zyn. Dat men alzo, in de meer onbedorven binnenlanden van Sumatra met gezag bekleed, veel goeds kan doen, ligt in de rede. Nog thans betreur ik het, daarvan geen ruimer gebruik te hebben gemaakt, Maar ik was jong, ál te jong!32
Bijna een eeuw na Dekkers ervaring zouden de resten van dit verleidelijke lokaas ook J.C. van Leur, een begaafd onderzoeker van Indië die op drieëndertigjarige leeftijd overleed, doen watertanden. Op een tocht over Java in 1935 merkte hij op dat het uniform van een Nederlandse ambtenaar nog altijd ontzag wekte bij de Javanen.
Ik ben in streken geweest waar ik als een ridder te paard langs de weg reed, gevolgd door de Javaansche ambtenaren te voet en te paard; dan hield alle tegemoetkomend verkeer stil; ieder ontdekte zich 't hoofd, velen hurkten langs de weg. (...) Of: je bent uitgezonden voor een onderzoek naar een stuk grond, (...) bij je aankomst het heele dorpsbestuur plus de opgeroepen dorpsleden (stemmende dorpelingen), je gaat op weg: tachtig menschen in ganzemarsch achter je; ter plaatse ben je de eenige die staat: de rest hurkt op de grond.33
G.J. Resink heeft erop gewezen dat een Europeaan bijna onvermijdelijk grootheidswaanzin ging koesteren alleen al omdat het feit dat hij daar als Europeaan was, op een hogere kaste duidde: ‘Men werd er dadelijk Toean besar - en waande zich de grote mijnheer - of njonjah besar - en voelde zich grande dame.’34 Men bedenke ook dat Conrads Jim in havensteden gewoon een manusje-van-alles
was, maar in Patoesan was hij toean (meneer) Jim.
Deze buitensporige macht jaagt zelfvertrouwen op tot eigenwaan en maakt de drager ervan totaal ongeschikt voor de alledaagse Europese werkelijkheid. Zulk feodalisme bestond in Europa niet meer en op allerlei manieren was de blanke heer in een eeuw van toenemende democratisering een excentrieke figuur met een aangenomen aristocratie, levend in ‘splendid isolation’. Dit geeft ook voedsel aan de gedachte dat aristocratie, of althans de accessoires ervan, niet beperkt hoeft te zijn tot de lijn van het bloed. Men kon streven naar een idealistische adel, wat vaak betekende dat men minachting koesterde voor de plebejische hiërarchie van de klerken. Of deze kon de vorm aannemen van een bewust isolement met een bepaalde levensstijl, een minachting voor conventies die aan excentriciteit een distinctie verleende die vroeger voor de hogere standen was gereserveerd. Dit past opnieuw ook bij de romantische held.
Dekker leefde in zo'n traditie. Vanwege zijn onorthodoxe gedrag werd hij door de Europese gemeenschap van Padang op Sumatra als een ‘excentrieke lord’ beschouwd. Zijn chef op Celebes zag dat het een integraal deel van zijn persoonlijkheid was en tijdens zijn verlof in Nederland beschreef iemand die hem ontmoette hem als ‘in vele opzigten, in zijne wijze van handelen excentriek’.35 Dekker was een lid van deze om zo te zeggen omgekeerde aristocratie, in de adelstand verheven door af te wijken. Hoewel zeker niet zo succesvol als Raffles, Rajah Brooke of Daendels, leidde hij op kleiner schaal een soortgelijk leven, maar hij droomde volop van een nog grandiozere toekomst. Men moet niet vergeten dat ‘excentriciteit’ van alles kon betekenen, hoewel het meestal sloeg op elke daad die de Europese maatschappij niet zou hebben goedgekeurd. Nogmaals, de werkelijkheid van Indië tolereerde zulk gedrag, als ze het al niet uitlokte. De briljante linguïst Van der Tuuk leefde in zijn eentje op Bali, halfnaakt, en behandelde koloniale ambtenaren met minachting, alsof hij hun meerdere was. Andere vertegenwoordigers van deze mode waren Courier dit Dubekart, Sicco Roorda van Eysinga, of Junghuhn in de Nederlandse koloniën, Blunt of Clive in India en Richard Burton in Afrika.36
Dekker vertoonde ook meer tastbare kenmerken van de aristocratie. Hij verdedigde bijvoorbeeld het duel, zeer zeker een methode met ridderlijke trekken om ruzies te beslissen. Men zegt dat hij op tweeëntwintigjarige leeftijd op Sumatra op de sabel heeft gevochten terwijl hij, zoals hij met ironische grootspraak zegt, daarbij ‘nooit mijn sigaar liet uitgaan’, terwijl hij in 1881, toen hij 61 was, nog altijd dacht: ‘het duel (als principe) is nuttig in 'n maatschappy waar eergevoel niet bestaat’.37 Hij trouwde met een vrouw van adel, alsof hij via haar de status wilde verwerven die hij al bij zijn geboorte had willen hebben. Hij maakte zijn verloofde duidelijk dat hij zich goed bewust was van hun verschil in sociale status maar vertelde haar met ongeveinsde zelfverzekerdheid dat hij daar niet van in de war raakte. Hij wenste in feite dat ze gravin in plaats van barones was, want ik ‘hou veel van adel’ en heb ‘er een soort van eerbied voor’. De redenen hiervoor zijn vergelijkbaar met de hierboven gesuggereerde. ‘Begrijp mij wel,
lieve, tot waarlijken adel zoude ik mij kunnen opheffen, - tot koopmansadel (die toch wel beschouwd, nonsens is) nooit.’ En hoewel hij toegeeft dat hij zich nog steeds schaamt voor zijn afkomst uit de middenklasse, kan hij haar ook de geldigheid van zijn streven bewijzen door op te merken dat hij in Indië ‘zoo menigmalen den baas gespeeld [heeft...] over adel van allerlei soort’.38 Maar in overeenstemming met Greens bewering dat de koloniale adel zijn handelsverleden niet kon loochenen, verdedigde Dekker de superieure achtergrond van zijn eigen familie door een beroep te doen op deugden die niet noodzakelijk via de lijn van het bloed worden doorgegeven. Hij gebruikt de uitdrukking ‘deftigheid’, die kan duiden op statigheid, waardigheid, modieusheid, kwaliteit en rang, exclusiviteit of aanzienlijkheid. In 1875 schreef hij dat zijn familie in sociale status net beneden het gemiddelde was, maar toch zegt hij dat hij nergens ter wereld ooit is tegengekomen
een deftiger toon, zelfs niet by adel, hoogen adel en prinsen, ja zelfs by orthodoxe professoren in theologie of parvenus van drie geslachten hèr (m'n jazelfs hier, is geen lapsus). In myn jeugd... och, de beschryving der deftigheid waarin ik werd opgebracht, zou me te ver leiden. Ik weet dat gy van fatsoenlyke familie zyt, maar gis dat er ten uwent woorden zullen gebruikt zyn, die in myn kringetje 'n algemeene siddering van ontsteltenis te voorschyn riepen. Wy kinderen hadden een lange lyst van (heel onschuldige) woorden die verpönt waren.39
Indië verleende het streven naar grootsheid een tastbare realiteit.
Dekker ging in zijn gedrag levenslang opzettelijk in tegen de burgerlijke normen. Veel van zijn liefdadigheidsacties gaven voedsel aan de legende van een heilige Multatuli wie het leven zuur werd gemaakt door een harde, ongevoelige wereld van geldwolven. Ik ontken de waarde van deze acties niet, maar beweer wel dat zij vaak schijnen voort te komen uit een opschepperige ridderlijkheid, een morele zelfverheffing als het ware. Dit doet ook denken aan de romantische held die zich bewust is van zijn eigen gedrag alsof zijn acties vragen om een esthetische formulering, hoewel het in de imperialistische tropen niet zo ongewoon was zijn gedrag af te stemmen op het effect. Dit werd ongetwijfeld aannemelijk gemaakt door de manier waarop de Europese meesters omgingen met de pracht en praal van het Aziatische feodalisme. En opnieuw gaf Dekker, evenals de romantische held, de beste analyse van zichzelf en ontleedde hij zijn ziel en zijn motieven als Byrons Childe Harold of Baudelaires dandy. Voor zijn verloofde beschreef hij een voorval uit zijn jeugd in Amsterdam toen hij in een sluis naar beneden klom om de muts van een joods jongetje te redden. Toen hij weer omhoogklom, herinnert Dekker zich,
scheurde [ik] mijne kleederen en schaafde mij de handen, maar niet genoeg naar mijn zin. Ik heb in mijn leven weinig genot gehad, dat boven de aandoening ging die ik gevoelde toen ik weder boven stond. Ik wilde mijn portret wel hebben van
dat oogenblik. Twintig of dertig menschen, allen lieden van geringeren stand en meest joden, juichten mij toe... O, die vervloekte ijdelheid! ik gloeide van genot... Alles zag op mij, alles noemde mij, alles prees mij! Die menschen zouden mij op dat oogenblik gehoorzaamd hebben als ik - kleine jongen - hen iets gelast had... ik liep dien dag op stelten des hoogmoeds voort... Heb mij lief, Everdine, als gij kunt... maar acht mij niet teveel. Stel het vuurwerk, dat schittert, niet boven het lampje, dat licht geeft.40
In het licht van Dekkers persoonlijkheid, die zo nauw verwant was aan de romantische held en was gestimuleerd door de koloniale ervaring, is het niet verbazingwekkend dat hij onder invloed van de koloniale aristocratie imperialistische dromen ging dromen. Sietske Abrahamsz, een van een aantal jonge minnaressen die hij erop na hield nadat hij met zijn gezin naar Holland was teruggekeerd, zegt in haar memoires dat Dekker haar ooit verteld heeft ‘in een soort extase, Keizer te willen worden’ en dat zij de troon zou erven als ‘Kroonprinses van Insulinde’. Insulinde was de aantrekkelijke naam die Dekker Indië had gegeven. ‘Op de munt van 't nieuwe Keizerrijk zou de beeldenaar mijn kop vertoonen. Voorloopig zou mijn titel worden: Hertogin van Sumatra.’41 Bewonderaars van Dekker hebben dit opgevat als speelse dromerij, maar het komt overeen met het karakter van de romantische buitenstaander en koloniale aristocraat die er met een briljante en gedurfde actie heel gemakkelijk toe over zou gaan geweld te gebruiken om een einde te maken aan de laffe voorzichtigheid van de klerken en het gebied veilig te stellen voor een revolutionaire filantropie. Want er is ook een romantiek van oorzaken, speciaal als de werkelijkheid een dynamische handelwijze in de weg staat.
Het was in 1861 toen Dekker zijn dynastieke dromen aan Sietske toevertrouwde. Voordien had hij al gedachten gekoesterd van een verheven positie die hem zou worden verleend, waaronder het ambt van gouverneur-generaal, op eigen aanbeveling. Dekkers naïviteit schijnt onuitputtelijk te zijn geweest, maar de realiteitszin van de romantische psyche heeft nooit bekendgestaan om zijn bijzondere stevigheid. Deze machtsdromen bleven, in het bijzonder nadat de literaire uitdaging met zijn roman Max Havelaar was genegeerd door een verre van ridderlijke natie van winkeliers. In 1876, op 56-jarige leeftijd, gaf hij toe:
Ik ben despoot uit overleg, uit berekening, met studie. Ik heb myzelf dezen karaktertrek opgedrongen, omdat ik na ingespannen opmerken en diep denken tot de conclusie was gekomen dat deze richting de eenige is waarmee iets te bereiken valt. Bovendien, ik ben bereid m'n eventueel aantewenden despotisme met den kop te boeten, wat dan ook wel 't slot wezen zal, want de indische maatschappy zal 't me niet vergeven dat ik haar gered heb. Dit ligt in de natuur der dingen en ik heb er vrede meê. Wanneer 't me gelukt, Holland uit Insulinde te jagen, mag men my doen wat men verkiest. En ook zonder de traditioneele ondankbaarheid van naties en publieken, ikzelf verlang niet naar hoogheid of schyn daarvan. Ik ben er te hoog-
moedig toe. Met pleizier wil ik hertogen maken, maar ikzelf verlang geen andere hoogheid dan anderen verheven te hebben. En dit nog slechts voor zoover 't noodig is tot algemeen welzyn. Indië heeft nog 2, 300 jaar lang 'n regeerstelsel noodig dat eenigszins met het leenstelsel overeenkomt. Maar vóór alles, gedurende de organisatie, onbeperkt despotisme, onbeperkt [sic]. Alleen daarmee kan Insulinde beschermd worden tegen anarchie, polyarchie, oneindige burgeroorlog en invallen van industrieele barbaren uit alle hoeken van de wereld!42
Acht jaar later laat hij zich nog bondiger uit dat hij er absoluut van overtuigd is dat er maar één praktisch wapen is, en dat is geweld.43 Dekkers idealistische tirannie zou naar men hopen mag een verlicht despotisme zijn geweest, maar er bestond in zijn geest twijfel dat het een absoluut karakter zou hebben gehad: ‘Ik kan geen andere betrekking aannemen dan van dictator.’44 En als keizer zou zijn principe zijn: ‘Weet te weigeren! Dat toegeven in 't laf genoegen iemand een plezier te doen, is 'n ware uitspatting.’45 Een merkwaardig standpunt voor iemand die in 1856, het jaar van zijn koloniaal Waterloo, zijn meerderen om dezelfde ‘lafhartige’ toegeeflijkheid had gevraagd.
Ooit had Dekker gedacht dat het voor grootheid voldoende was heroïsche daden alleen maar te overwegen,46 maar het fiasco van zijn eigen pogingen en de ijdelheid van zijn literaire kruistocht maakten dat hij snakte naar actie. Het schijnt dat Dekker, net als Rimbaud, de literatuur wilde verruilen voor actie. De man die is gezien als een tegenstander van het kolonialisme, een voorvechter van de massa en een martelaar voor menselijkheid, smachtte privé naar iets veel zwaarders dan cultureel of moreel martelaarschap. In overeenstemming met zijn napoleontische mythe is zijn gedachte: ‘Macht, gezag, geweld is 't eenig middel waarvan goed gevolg te wachten is, geloof me.’47 ‘Ja, als ik de macht had gekregen waarnaar ik uit bestwil gestreefd heb, zou ik honderden koppen hebben laten vallen. Misschien duizenden.’ Hij bekent dapper de zonde van de hoogmoed, maar voegt er onmiddellijk aan toe dat er ernstiger fouten zijn.48
Het is daarom bijzonder ironisch dat Dekker in de Sovjet-Unie werd vereerd als een voorbeeldig kampioen van anti-kolonialisme en socialisme. Lenin noemt Multatuli driemaal in zijn aantekeningen over het imperialisme; een Russische vertaling van Max Havelaar is sinds 1916 verscheidene malen herdrukt en selecties uit zijn andere werk zijn eveneens met enige regelmaat herdrukt. Dekker werd vereerd als de schrijver van het Nederlandse proletariaat en als een ‘revolutionaire democraat’, maar niets kon minder waar zijn.49
Dekker was niet tegen kolonialisme; maar dat was Marx ook niet. Marx beschouwde het Europese kolonialisme als een wrede maar noodzakelijke stap in de ontwikkeling van Aziatische samenlevingen of, zoals Engels schreef over de Franse bezetting van Algerije, ‘een belangrijk en gelukkig feit voor de voortgang van de beschaving’. Marx heeft de Aziatische samenleving nooit geromantiseerd. Hij beschouwde haar als barbaars, vond er weinig in dat bewaard moest blijven
en meende dat sociale verandering het gevolg zou zijn van Europese inspanningen en niet van Aziatische initiatieven.50
Dekker probeerde Marx te lezen maar vond hem onverteerbaar.
Karel Marx! Herhaaldelyk ben ik begonnen z'n werk te lezen. De man schryft slecht, doch juist slecht op 'n manier die sommigen doet denken dat-i flink op de hoogte is. Hy doet - even als de mannen en place - in fraze. En terdeeg! Het kapitaal, myne heeren... Ei! Ik begryp zelfs dat ‘het’ niet. En om dat kapitaal te bestryden, ‘het’ kapitaal, moeten de werklui zich vereenigen, geld by eenbrengen en dus... kapitaal vormen!51
Deze veronderstelde kampioen van het proletariaat kon evenmin veel met het socialisme aanvangen. ‘Regeering moet beperkt worden tot het onmisbaar noodige, evenals elk noodzakelyk kwaad. En die malle socialisten willen alles aan dien staat opdragen, tot de verdeeling van de arbeids vruchten toe! 't Komt me voor dat ik in een gekkenhuis leef.’52 Toch gaf Dekker ook niet om de conservatieven van zijn dagen, en de enige revolutie waarvan hij ooit droomde, was die van eigen makelij en met als doel de kroning van zichzelf tot keizer van Indië.
Per slot van rekening moest Dekker het afleggen tegen de harde realiteit. Een van de kwaadaardigste gestaltes daarvan was gedurende het grootste deel van zijn leven het geld. Hij verachtte deze macht en probeerde hem te overwinnen met een onverstandige verkwistendheid. Maar in 1885 schreef hij: ‘Met macht - d.i. in onze dagen: geld - kan men elke opinie doen zegevieren.’ En elders schreef hij dat hij de rijkste levende man wilde zijn. Dan zou men hem geloven, ook al zei hij de waarheid.53 Hij probeerde zijn geldgebrek te compenseren door te gokken in de casino's in Duitsland; weer een romantisch gebaar dat mislukte. Geld was macht, geld was realiteit, met name in het pragmatische, zakelijke Holland.
En welke gestalte de realiteit ook aannam, ze was levenslang zijn wraakgodin - een tegenstander waarmee alle romantici te maken hadden.
In 1845, toen hij 25 jaar oud was, schreef hij aan Everdine over zijn bewondering voor Rousseau en merkte op dat de romantische denker ‘in de wereld niet paste... Ik denk niet zoo stout, zoo verheven als J.J.R. maar zijne onbekwaamheid voor het dagelijksch leven heb ik, helaas geheel en al.’54 De realiteit, en speciaal de dagelijkse lasten, waren voor Dekker wat zij ook waren voor Shelley: ‘de dorens van het leven’. In 1861 schreef hij in Minnebrieven over Christus, met wiens lijden hij zich verwant voelde, al vereerde hij hem niet als een godheid: ‘'t Is een raar idee, maar ik vraag altyd hoe Christus zich zou gedragen hebben by zinkings of kramp? Hoe, als hy wissels te betalen had gehad, zonder 't nodige daartoe? En, als hy gelukkig getrouwd was? - een doodsteek voor 't genie... ik leef nog, helaas! - En, als hy zich verstuikt had? En, als 't was begonnen te rege-
nen, in 't midden van de bergrede?’55 Meer dan twintig jaar later (1885) staan de zaken in wezen nog net zo.
't Is nu eenmaal zoo dat we ons buigen moeten onder de meest triviale eischen van 't leven. Geen geestkracht is bestand tegen uitputting, tegen honger, tegen 'n speldeprik. Wat zyn de evangelien onvolledig! Daarin wordt Jezus nooit voorgesteld als in stryd met het banale. Hy had het geluk heel onnoozele vyanden aantetreffen, die hem toelieten z'n stryd te voeren op 't gebied van schitterende tragiek. In onze dagen, in onze maatschappy, zou men hem anders geplaagd hebben.56
En in 1876: ‘De materieele en finantieele macht die er vereischt wordt om Insulinde vry te maken is zeer gering in vergelyking van den vermoedelyken uitslag, maar ze gaat altyd het vermogen te boven van iemand die proeven korrigeert om den kost te verdienen. Die vervloekte dagelyksheid!’57 De voorbeelden zijn legio. Het is niet alleen de begrijpelijke klacht van een man die werd gefrustreerd in zijn verwachtingen en dromen, maar het is ook de aangeboren situatie van de romantische kunstenaar of van ieder die niet de mammon maar de herinnering dient.
In 1852, toen Dekker en zijn vrouw Indië verlieten voor hun verlof in Nederland, wist hij natuurlijk niet wat er vier jaar later in Lebak zou gebeuren. Men kan hem met enig recht karakteriseren met de uitdrukking van Burke: ‘hij die als een onbetekenende jongen uitreist, komt enkele jaren later terug als een grote nabob’.58 Want het moet nog eens benadrukt worden dat Dekker in de kolonie een hoge post had gekregen, dingen had gedaan en meegemaakt die niet te vergelijken waren met wat Nederland hem had geboden of ooit zou kunnen bieden, en dat hij terugkwam in stijl. De lijst van dure cadeaus waarmee hij familie en vrienden wilde overladen heeft iets van de nabob, evenals de dure kleren die hij zou kopen en het amusement dat hij voor zichzelf uitkoos.59
Het schijnt dat het hem in minder dan een jaar aan voldoende middelen ontbrak. Dekker bezocht casino's in België en Duitsland om er te gokken en met zijn ‘onfeilbare’ systeem een fortuin te verdienen. Hij verloor, zoals hij in de toekomst zou blijven doen. Het idee dat zijn vrouw een aanzienlijk bedrag van haar familie te goed had, bleek een vergissing en Dekker had geen andere uitweg dan de autoriteiten om voorschotten te vragen. Hij schijnt er serieus over nagedacht te hebben niet naar Indië terug te keren, ervan overtuigd dat hij spoedig een rijk man zou zijn, maar alles mislukte en nadat zijn verlof verscheidene malen was verlengd, keerde hij in 1855 met zijn vrouw en pasgeboren zoon naar Java terug.
In Indië werd hij met nog meer financiële problemen geconfronteerd: - tekorten van zijn ambtstermijn op Celebes en Ambon. In januari 1856 benoemde gouverneur-generaal Duymaer van Twist hem tot assistent-resident in Lebak, in de residentie van Bantam op West-Java. Hij aanvaardde zijn ambt op 22 januari 1856 en hij vertrok op 20 april, nauwelijks drie maanden later, nadat de koloniale
overheid hem eervol ontslag had verleend. Hij bleef nog ongeveer een jaar op Java en verliet Indië in april 1857, alleen, met achterlating van zijn vrouw die in verwachting was, en zijn zoontje. Hij zag de tropen nooit terug.
De gebeurtenissen zoals deze worden verteld in Max Havelaar zijn van Dekkers gezichtspunt uit in wezen juist. Aanvullende ondersteuning van Dekkers standpunt werd in 1937 in eerste instantie verschaft door zijn geestelijke helper, Du Perron, en later door Stuiveling, de eerste redacteur van de verzamelde werken.60 De zaak-Lebak is duidelijk van cruciaal belang voor Dekkers loopbaan als koloniaal bestuurder en als schrijver. Nadat in 1860 Max Havelaar was gepubliceerd, werden deze gebeurtenissen in wat in zekere zin een onbetekenende plaats was, het centrale probleem zowel voor zijn critici als zijn bewonderaars.
Omdat Dekker qua temperament en in artistiek opzicht een hele vreemde Nederlander was en omdat zijn levenswijze in strijd was met de overheersende sociale norm, is het niet verbazingwekkend dat hij tijdens zijn leven, en nog jaren daarna, te maken had met een menigte boosaardige vijanden. De meesten waren onbenullig maar boosaardig, en Du Perron bestreed deze ‘luizen’, zoals hij ze noemde, alsof hij een nest ongedierte vertrapte. Du Perrons voornaamste publicaties ter verdediging van Multatuli stammen uit de jaren 1930 en 1940. Na de Tweede Wereldoorlog keerde het tij ten gunste van zowel de mens Dekker als de schrijver Multatuli, en ontstond iets wat op vleierij lijkt, een vlekkeloze legende van een onberispelijke morele verhevenheid. Toen R. Nieuwenhuys in 1957 een afwijkende mening publiceerde, raakte hij in een polemiek verwikkeld die vaak zo hevig was dat het leek alsof hij een nationaal symbool had aangetast. Hij had alleen maar de andere kant laten zien - de kant van de regent, de resident, en de gouverneur-generaal - en beweerd dat Dekkers standpunt uitsluitend koloniaal was en dat hij op een onbezonnen manier optrad.61 Nieuwenhuys' stellingname is zowel respectvol als overtuigend en levert een hoogst noodzakelijk contrapunt.
Zonder in te gaan op de enorme hoeveelheid secundaire literatuur over Dekker wil ik het volgende toevoegen. Ten eerste dat Dekkers gedrag zoals dit tot nu toe is geschetst, noodzakelijkerwijs romantisch was en daarom onvermijdelijk nadelig voor de regent. Ten tweede dat hij, hoewel hij bereid was de rechten van de Javanen te verdedigen, dit deed op een Europese manier; hij was niet tegen kolonialisme zoals zijn voormalige sovjet-bewonderaars wilden doen geloven, en hij maakte de zaak van de Javanen tot een persoonlijke kruistocht die ten slotte weinig meer met de werkelijkheid van doen had.
Waar het hier om gaat, is de aard van de tegenstrijdigheid tussen Nederlands bestuur en Javaanse traditie. Dekker was heel sterk de koloniaal die westerse hervormingsideeën wilde toepassen op een oud systeem dat in elk opzicht verschilde van het Europese denken. Ik zal hoofdzakelijk verwijzen naar moderne studies in het Engels waarin de naoorlogse Javaanse maatschappij wordt beschreven, om te benadrukken dat dat wat archaïsch kan lijken nog sterk aanwezig is
in de hedendaagse, ogenschijnlijk progressieve en gemoderniseerde Javaanse maatschappij. In zijn sociologische studie over de religie op het moderne Java, gepubliceerd in 1960 en gebaseerd op veldwerk in de jaren vijftig, merkt Clifford Geertz op dat de adel (de prijaji-klasse) en de boeren (abangan) ‘op symbiotische wijze van elkaar afhankelijk’ zijn.62 Zelfs vandaag, nu de meeste prijaji's witte-boorden-aristocraten zijn, is adellijke afkomst nog belangrijk en kan zij nog opvallen door rijkdom, levensstijl en gedrag. Hun ethiek is omringd door een ‘intens gevoel van statusverschillen, een kalme vaststelling van geestelijke superioriteit en een dubbele nadruk op het innerlijke leven van verfijnde gevoelens en het uiterlijke leven van beleefde vormen’. Boeren zochten bij een prijaji geestelijke leiding omdat deze bezat wat Max Weber charisma noemde, de leiderschapskwaliteiten die een beroep doen op niet-rationele motieven.63 In de secundaire literatuur wordt herhaaldelijk gezegd dat Dekkers tegenstander, raden Adipati Karta Natanegara, door de abangan van zijn district juist op die manier werd vereerd. Toen de jonge geleerde J.C. van Leur in 1938 Lebak aandeed, bezocht hij op de begraafplaats van de plaatselijke moskee het graf van Karta Natanegara dat als santri of heilig werd beschouwd.64
Geertz vermeldt eenzelfde tegenstelling als hierboven is genoemd toen wij Junghuhns gedrag bespraken: aloes en kasar. ‘Aloes betekent zuiver, verfijnd, gepolijst, beleefd, voortreffelijk, etherisch, subtiel, geschaafd, glad... Kasar is louter het tegenovergestelde: onbeleefd, ruw, onbeschaafd... Tussen deze beide polen rangschikt de prijaji iedereen, van boer tot koning.’65 Na de waarschuwing dat dit alleen geldt voor Java, kan men de algemene uitspraak doen dat de hogere Javaanse regerende stand aloes was en de Nederlander, de westerling, onvermijdelijk kasar. Het was de zaak van de Europeaan te streven naar de superieure verfijning van het aloes-zijn, en niet die van de Javaan om zich te verlagen tot kasar, een status die hij fysiek verafschuwde. Geertz wijst erop - wat in het bijzonder relevant is voor Dekker - dat de prijaji's, hoewel zij door de Nederlanders van hun militaire macht en onafhankelijke gezag waren beroofd,
zowel de culturele als, voor zover het de inheemse maatschappij betrof, de politieke leiders bleven ook al was iedereen zich ervan bewust dat het uiteindelijke machtscentrum binnen de maatschappij in vreemde handen was overgegaan. De grote aandacht voor etiquette, kunst en mystiek bleef bestaan, evenals de imitatie door de boeren van de vormen die daaruit waren ontstaan.
Keert men zich vervolgens tot Geertz' bespreking van de prijaji-eriquette, dan voelt men onmiddellijk dat Dekkers gedrag ernaast zat, en dat de gematigde benadering die Brest van Kempen voorstond, veel gevoeliger was voor de manier waarop de regent, gebonden aan een eeuwenlange traditie, moest reageren. De ethische en gedragscode van de prijaji was voor de krachtige westerse doelgerichtheid afstotelijk, zo niet onbegrijpelijk. De Javaanse aristocraat koestert
aspecten van het gedrag die niet alleen in de westerse maatschappij sterk worden afgekeurd, maar zelfs als immoreel worden beschouwd. Gebrek aan directheid en veinzerij zijn voor de prijaji deugden. Hij probeert zijn ware gedachten en gevoelens te verbergen, vooral als deze gevoelens negatief zijn. Het doel van het sociale gedrag van de prijaji is orde en zelfcontrole uit te drukken, en de kern is terughoudendheid: in spreken, in lichaamsbewegingen en in emoties. Zoals Geertz het zegt: ‘botheid is gewoonweg geen deugd’, en ‘spontaniteit of natuurlijkheid in gebaren of taal is alleen passend voor hen die “nog niet Javaans” zijn - dat wil zeggen, voor gekken, kortzichtigen en kinderen’.66
Afgezien van waardeoordelen zijn de principes van prijaji-gedrag - die gebaseerd zijn op religieuze en mystieke uitgangspunten - geheel het tegenovergestelde van de romantische persoonlijkheid en de westerse psychologie zou van twijfelachtige eigenschappen spreken. Dekkers persoonlijkheid en dientengevolge zijn gedrag stonden diametraal tegenover deze idealen. Zijn literaire werk evenals zijn leven leggen getuigenis af van een wispelturige aard, mentale beweeglijkheid, bruuskheid, hartstochtelijk vasthouden aan een voorgestane zaak en een levenslange afkeer van compromissen en decorum. Hij droeg het hart op de tong en vertaalde zijn gevoelens snel in woorden en daden. Men hoeft alleen maar opnieuw de pagina's te lezen waarin het gedrag van Max Havelaar wordt beschreven (hoofdstuk 11-14), of te letten op de felheid en impulsiviteit die de roman evenals zijn andere geschriften bezielen, om zich te realiseren dat Dekker deze houding tegenover het leven, die zo vreemd aan de zijne was, nooit zou begrijpen. Hierbij sluit dan ook naadloos aan dat Dekker zich van deze tegenstelling alleen bewust is geweest in taalkundige termen. In hoofdstuk zes van Max Havelaar tekent hij zorgvuldig het veronderstelde karakter van de Javaanse taal, een taal die nooit ‘bruske’ of beweeglijk zou kunnen zijn. Maar het is typerend dat hij uit deze overigens correcte interpretatie niet de relevante conclusies trekt. Het advies dat hij geeft, is ‘diplomatische voorzichtigheid’ en ‘eenvoudige oprechtheid’ te gebruiken, een taalgebruik dat geen aanbeveling inhield voor de Javaanse prijaji.67
Dienst in de buitenbezittingen zou hem niet hebben voorbereid op Java. Het leven in de afgelegen gebieden was (en is) heel verschillend van dat op Java en het was dit eiland en zijn beschaving die altijd een overheersende rol speelden in de lotgevallen van Indonesië. Met andere woorden, Dekker kon zijn romantische heerszucht botvieren op Sumatra of Celebes, maar op Java ontmoette hij een diepgewortelde realiteit die net zo weinig open stond voor verandering als Nederland in de negentiende eeuw. In het negentiende-eeuwse Amerika vindt men een soortgelijke tegenstelling. In Huckleberry Finn (1884) voelt Huck een zeer krachtige behoefte ‘om ervandoor te gaan naar het Territorium’ omdat zijn tante Sally ‘mij wil adopteren en civiliseren en ik kan er niet tegen’. ‘Het Territorium’ correspondeert met een willekeurige plaats in de archipel met uitzondering van Java, terwijl Java overeenkomt met het Missouri van tante Sally, waar het ‘afschuwelijk regelmatig en netjes’ is, of, in koloniale termen, tante Sally
woont in Nederland en de gezegende vrijheid van ‘het Territorium’ werd geacht in Oost-Indië te liggen.
In Niels Mulders sociologische studie, gebaseerd op veldwerk dat hij meer dan tien jaar na Geertz heeft uitgevoerd, worden de wezenlijke punten van de andere geleerde bevestigd. In Mysticism and Everyday Life in Contemporary Java laat Mulder zien dat individualisme in de Javaanse samenleving verboden is en dat onderwerping aan een sociale hiërarchie als een positief doel wordt beschouwd.68 Mulders analyse van het hedendaagse Java bevat toevalligerwijs een bespreking van status en hiërarchie die van toepassing is op de zaak Lebak. Hij maakt duidelijk dat wat wij knoeierij noemen en als een negatieve inbreuk op de maatschappij beschouwen, in de Javaanse samenleving een normale en verwachte praktijk is, enigszins vergelijkbaar met mordida in Mexico.
Met status en hiërarchie moet men voor de dag komen en van leiders, mogelijk met uitzondering van religieus en spiritueel leiderschap, wordt verwacht dat zij de symbolen van hun macht vertonen om geloofwaardig te zijn. Volgelingen streven ernaar een machtige bapak [hier leider, letterlijk vader] te hebben - terwijl de macht van de bapak tot uitdrukking komt in zijn vertoon van de gepaste symbolen.
In het geval Lebak, dat een arme streek was, zouden deze symbolen moeten bestaan in pantjen-diensten, het ongeregelde werk dat een dorpeling aan zijn heer verschuldigd was. En hoewel er vanuit westers gezichtspunt misbruik van macht en corruptie waren (en zijn), had de inheemse bevolking dit door de vingers moeten zien. Mulder toont aan dat voor de Javanen ‘corruptie niet inherent slecht is - maar wel het aan het licht brengen daarvan’, iets wat voor een westerse progressieve mentaliteit aanstootgevend is.
Status brengt kostbare verplichtingen met zich mee en het inkomen dat nodig is om zowel aan status als verplichtingen te voldoen, moet worden gezocht in het grijze gebied van bureaucratische en politieke macht, van verleende gunsten en ontvangen gunsten; kortom, het moet komen uit de prebenden die horen bij een overgeërfd ambt. Sommigen noemen misschien de begeleidende praktijken corruptie of exploitatie, maar zij zijn ook noodzakelijk om een leiderschapspositie te handhaven en bescherming te bieden. Ten diepste zijn de normen rond instellingen van leiderschap en patronage veel sterker dan de controle op bronnen van inkomsten.
En voor hen die tegenwerpen dat het hedendaagse Java heel anders is dan dat van Dekkers tijd, stelt Mulder (evenals Geertz eerder had gedaan) dat ‘de Javaanse cultuur en identiteit aan de basis in de loop der tijden niet veel is veranderd, en de Javanen zijn zich sterk bewust van en trots op hun culturele continuiteit’.69 Ironisch genoeg maakt ditzelfde zelfvertrouwen de Javanen heel tolerant, veel toleranter dan Dekker ooit is geweest.
Het lijkt dan ook aannemelijk dat Dekkers beperkte begrip voor de Javaanse
sociale regels die bekendstaan als ‘adat’ (een woord dat in Max Havelaar niet voorkomt) en de neiging tot een kortaangebonden romantisch idealisme leidden tot een crisis die, als hij met geduld en tact was behandeld, een veel betere afloop had gehad. Dat geduld zou vertegenwoordigd zijn geweest in de Javaanse drieeenheid die wordt gebruikt om iemands emoties in bedwang te houden, iklas, sabar en trima: dat wil zeggen, onthechting van de omringende wereld, ‘een afwezigheid van haast, van ongeduld, van koppige hartstocht’, en ‘het gracieus accepteren van het onvermijdelijke’.70 Dit zijn zeker geen deugden die men gewoonlijk in verband brengt met westers radicalisme of het revolutionaire idealisme van de romantici.
Dit zou ook de veronderstelling dat Dekker het slachtoffer was van een slimme en subtiele politieke intrige tussen de Soendanese partij van de regent en de Javaanse inheemse bureaucratie geïllustreerd door de djaksa, aannemelijker maken. Dit is althans de mening van J.C. van Leur, de Indonesische geleerde die hiervoor is genoemd. Nadat hij in de archieven op Java documenten had geraadpleegd (die later door Du Perron zijn gepubliceerd) schreef Van Leur in 1938 dat de intrige van de djaksa werkte, omdat hij erin was geslaagd het zaad te planten in ‘de fantast D.D. [Douwes Dekker] in [zijn] onrijp, onevenwichtig koloniaal machts- en humaniteitsideaal’ en dat hij er het slachtoffer van werd vanwege zijn ‘Don Quichotische molenstrijd tegen de Regeering en het beproefde beleid’.71 Dekker was inderdaad een van Hannah Arendts ‘tragische en wereldvreemde dwazen van het imperialisme’.
In zijn studie The Peasants' Revolt of Banten in 1888 noteert de Javaanse geleerde Sartono Kartodirdjo Dekkers ‘gebrek aan begrip voor de achtergrond van de Javaanse erfelijk-bureaucratische structuur’ en dat de ‘knevelarijen’ - het woord dat Dekker gebruikte - te wijten waren aan een ‘institutioneel conflict’ waardoor de traditionele vereisten van de positie van de regent, zoals boven geschetst, ‘onverenigbaar waren met de normen die het koloniale bestuur oplegde’.72 En in een geschiedenis van Indonesië geschreven vanuit Indonesisch standpunt wordt Dekker door de Javaanse schrijver Mochtar Lubis kort vermeld in de opmerking dat Max Havelaar invloed had op progressieve Nederlanders en Indonesische nationalisten omdat de Nederlandse koloniale praktijken erin werden veroordeeld.73 De nadruk op een Nederlandse progressieve politiek is juist, want uit die hoek kwamen de hervormingen, zoals Marx had voorspeld. Maar de discussie over de waarheid is niet afgenomen. Meer dan een eeuw later kunnen zelfs Javaanse intellectuelen het niet eens worden over een uitspraak waarmee iedereen tevreden kan zijn.74 Als men afziet van haar transcendentie en zich alleen maar op haar algemeen aanvaarde politieke waarheden concentreert, lijkt het erop dat de waarheid, als altijd, strikt partijdig blijkt te zijn.
Maar het droeve lot van de Javaanse boeren laat zien dat Dekker gelijk heeft. Het cruciale punt, dat ook spoort met zijn romanticisme, is denk ik dat hij de geringe overtreding van de regent dat deze te veel grassnijders gebruikte (20 februari 1856), samenvatte in de apodictische waarheid dat de Javanen werden
uitgebuit en mishandeld. Het is deze sprong van het bijzondere naar het algemene die ons herinnert aan de revolutionaire filantropie van de Engelse romantische beweging. Om het zo simpel mogelijk te stellen: met een algemene waarheid valt niet te discussiëren. Het verschil tussen de bijzondere werkelijkheid van de Javaanse en koloniale maatschappij halverwege de negentiende eeuw en de onweerlegbare waarheid dat de gewone man op het eiland Java niet leefde volgens Rousseaus contrat social, is het verschil tussen theologie en geloof. De eerste staat open voor discussie, het laatste kan men alleen maar aanvaarden.
Waarom Lebak? Daarop zal waarschijnlijk nooit een definitief antwoord gevonden worden. Men kan er slechts over speculeren. Waren de omstandigheden in Menado of Natal aantoonbaar beter dan in Lebak? Was Dekker in die tijd te jong voor een drastisch optreden - een vraag die, in het licht van het romantische ethos van de jeugd, negatief beantwoord moet worden. Of is het misschien een meer persoonlijke en psychologische zaak? Waren bepaalde gebeurtenissen in Dekkers eigen leven de oorzaak van zijn handelwijze? Dekker kwam platzak en gedesillusioneerd terug naar Indië. Zijn dromen over de erfenis van zijn vrouw waren verstoord; nog meer illusionaire pogingen aan de speeltafels in Duitsland waren op een volledig fiasco uitgelopen; en toen hij op Java aankwam werd hij opnieuw beschuldigd van wanbeheer van overheidsgelden. Hij had geen indruk gemaakt, had ontdekt dat Nederland zich er hardnekkig tegen verzette een bron van roem voor hem te zijn en liep al tegen de veertig. Met de naïeve illusie dat de gouverneur-generaal een verwante geest was - gewoon omdat Dekker verscheidene malen op party's met hem had gepraat - en oog in oog met een opvallend duidelijk geval van onderdrukking dat schreeuwde om heldhaftige maatregelen, leek het een ideaal moment om de progressieve menslievendheid aan een overwinning te helpen en beloond te worden met de bijval van het publiek en het hoogste ambt in de koloniën. Dekkers acties in Lebak kunnen getypeerd worden als een bureaucratische staatsgreep die mislukte.
Dat Dekker het gevoel had dat hij in overdrachtelijke en psychologische zin op de barricaden stond, heeft enige grond. Tussen Dekkers aantekeningen in zijn ‘memoriaal’ - naar het Franse woord, in gewoon Nederlands een opschrijfboekje - ontdek je dat onder de summiere en vaak cryptische verwijzingen naar de zaak-Lebak de langste notities Franse citaten van Napoleon iii zijn. In al deze citaten krijgt een leider op de een of andere manier het advies stoutmoedige acties te ondernemen als hij tot de voorhoede van zijn tijd wil behoren, wat misschien het best wordt samengevat in de door Dekker overgeschreven uitspraak van Napoleon iii: ‘Marcheer aan het hoofd van de ideeën van je eeuw en deze ideeën zullen je volgen en steunen.’ Het lijkt erop dat Dekker zichzelf hier aanspoort tot drastisch optreden of, zo hij al niet met klem beweerde dat de handelwijze die hij op het punt stond te gaan volgen gerechtvaardigd en legitiem was, ook al was ze niet in overeenstemming met de alledaagse werkelijkheid, dan toch ongetwijfeld zichzelf hiervan probeerde te overtuigen. Het laatste citaat is ontleend aan Napoleon i: ‘In alles wat men onderneemt, dankt men twee der-
den aan de rede en een derde aan geluk. Vergroot het eerste en je zult lafhartig zijn, vergroot het tweede en je zult bang zijn.’ Om aan de horens van dit dilemma te ontkomen, moet je natuurlijk het ogenblik aangrijpen zonder te veel over het waarom en waartoe na te denken. Deze passages passen uitstekend bij Dekkers persoonlijkheid en zijn hierboven aangegeven machtsdromen. Het laatste wat een romantische held wil, is beschuldigd worden van angst of lafheid. Dekker schreef in het voetspoor van Napoleon iii: ‘la lâcheté ne profite jamais’, ofwel: ‘lafheid levert nooit voordeel op’.75
In februari 1856 stak hij zijn Rubicon over, maar hij behaalde geen overwinning. Hij werd door de werkelijkheid verslagen - de werkelijkheid in twee gestalten, de hiërarchie van de oude prijaji-klasse en de hiërarchie van de koloniale overheid. Beide waren van nature immuun voor plotselinge veranderingen. C. Fasseur maakt in een artikel over de officiële relatie tussen de koloniale regering en de regenten duidelijk dat er een officieel beleid bestond waardoor een regent soms kon worden ontslagen als er genoeg bewijzen van voldoende belang waren geleverd. ‘Maar’, merkt hij op, ‘Douwes Dekker miste de tact en omzichtigheid die nodig waren om in dit geval zijn doel, de verwijdering en het ontslag van de regent, te bereiken.’76 Dekker verloor, keerde naar Europa terug en maakte in september 1859 onder een andere naam aanspraak op zijn eigen rijk: Multatuli had Insulinde gesticht.
Was Dekker blind voor de realiteit van de situatie toen hij zijn directe chef, de resident, buitenspel probeerde te zetten door een rechtstreeks beroep te doen op de gouverneur-generaal? Ik bedoel niet blind voor het lot van de Soendanezen in Lebak, maar blind voor de politieke realiteit - en voor de realiteit van de triviale banaliteiten van het gewone leven waar hij zo'n hekel aan had. Evenals de meeste romantici kende Dekker deze vijand heel goed. Zijn literaire verpersoonlijkingen ervan, Droogstoppel en Kappelman, wijzen daarop.
In Max Havelaar is Droogstoppel ironisch genoeg een veel opmerkelijker karakter dan de titelheld. Dekker schonk hem een van de fraaiste openingszinnen in de Nederlandse literatuur: ‘Ik ben makelaar in koffie, en woon op de Lauriergracht, No. 37.’ Dit adres is in het Nederlands net zo beroemd geworden als ‘7 Eccles Street’ in de Engelse literatuur. Droogstoppel is alles bij elkaar genomen fysiek sterker aanwezig en is een veel meer ‘afgerond’ karakter (om Fosters term te gebruiken) dan de vage Havelaar, die verstrooid, ongrijpbaar en praatziek is.77
Dit is misschien weer een voorbeeld van de dwingende invloed van grote literatuur: ze heeft haar eigen despotisme. De verbijsterende briljantheid van de kwikzilverige Havelaar verdwijnt op de manier waarop door een gewaad van lovertjes dat de heldere zonnestralen weerkaatst, de duidelijke contouren van de drager onzichtbaar worden, wat maakt dat de toeschouwers hun ogen afwenden. Havelaar is steeds de romanticus, maar hij is geen inspirerende romanticus. Tenslotte bestaat de heldendaad die bedoeld is om ons te verbijsteren uit een serie memo's tussen verschillende afdelingen. De passieve lijst van onderwerpen in
hoofdstuk 4 legt veel boeiender getuigenis af van zijn veelzijdigheid. En toch is Droogstoppel, die in zijn eenvoud vermoeiend zou moeten zijn, een echt karakter en als zodanig onuitwisbaar en levend. Havelaar is een merkwaardig bleke afschaduwing - Dekkers brieven laten zien hoeveel interessanter hijzelf was, hoewel even kwikzilverig en ijdel als zijn alter ego - terwijl Droogstoppel een echte creatie, een groot karakter is.78 ‘Droogstoppel’ is in zekere zin onsterfelijk geworden door in het Nederlands een zelfstandig naamwoord te worden (een ‘prozaïsch persoon’) terwijl hij, als formidabele tegenstander van Havelaar en als literaire creatie, nauwelijks zijn gelijke heeft. Evenals Dekker is Havelaar excentriek, dat wil zeggen, niet gereguleerd door een centrale controle, maar Droogstoppel is veel meer gecentraliseerd en heeft daarom veel meer gewicht als fictieve figuur. Dekker schreef aan zijn vrouw dat Droogstoppel was bedoeld als ‘repoussoir’,79 en als men een ‘dictionaire des arts’ raadpleegt, zoals hij haar aanraadde, zal men ironisch genoeg ontdekken dat dit wordt omschreven als het deel van een schilderij dat ‘een krachtiger toon bezit om meer perspectief te verlenen aan de andere delen’ (partie d'un tableau plus vigoureuse de ton pour donner l'éloignement aux autres parties). En omdat het zo bedoeld was of door de ontrouw van het literaire scheppingsproces overschaduwt deze ‘repoussoir’ met zijn krachtige toon datgene wat hij in een gunstiger licht had moeten stellen.
Koos Dekker de kant van de duivel? In 1884 schreef hij aan Walter Paap: ‘In veel opzichten gelyk ik vry precies op m'n vyand Droogstoppel, al zy 't dan uit geheel andere beweegredenen’ (Brieven, x. 235). Zeker; maar uit deze (beperkte) erkenning kunnen we iets afleiden. Dekker moest zijn eeuwige vijand overwinnen door te ver te gaan, door middel van romantische overdrijving. Men kan het beschrijven als een mikken op het onmogelijke om de werkelijkheid te ontkennen of te vermijden. In 1886 geeft hij een onthullend advies aan een meisje over de voordelen van werk om verdriet te verlichten.
't Gebeurt wel dat wy ons vergissen in de soort van arbeid die hier dienen kan. (Ik ken deze fout by ondervinding.) De praktische mogelykheid van uitvoering is er by noodig. Het tellen en weer tellen van 'n klein getal steentjes is degelyker dan de poging om te weten hoeveel sterren er aan 't firmament staan. Dikwyls kiezen wy uit traagheid 'n onmogelyk te bereiken doel, ons opdringende dat het verhevener is, ten einde ons voorwendsel ter vergoelyking van 't mislukken te menageeren. Zoo zal 'n leerling die te lui is om z'n ‘sommen’ te maken zich verdiepen in 't zoeken van de cirkelkwadratuur. Nog eens, ik ken die kwaal.80
En het was nu juist het gebrek aan ‘praktische mogelijkheden’ waardoor zijn ethos werd bepaald. Dekker ging van het specifieke gegeven van de Soendanezen in Lebak over op het algemenere ‘Javanen’, die al spoedig de hele mensheid gingen vertegenwoordigen die langs de evenaar leefde. De mishandeling van de Javanen was ‘myn zaak’ (de cursivering is van Dekker).81 Algauw was hij de voorvechter van de hele mensheid, met het veelomvattende idealisme van de
beweging van de Romantiek. Zijn idealisme leek op dat van Napoleon die op Sint-Helena meende dat zijn leven een roman was geweest en hijzelf een martelaar voor universele vrijheid die de volkeren van Europa vrijheid, broederschap en gelijkheid had proberen te brengen. Napoleon voelde dat hij zijns ondanks een despoot was geweest, een idealistisch strijder voor mensenrechten die, als een ‘gekroonde Washington’, oorlog had gevoerd voor het welzijn van de wereld - een mening waarvoor zeker argumenten aan te voeren zijn. Dit is waarmee Dekker zich identificeerde. Het lot van de Javanen was zíjn zaak: als men tegen de Javanen was, was men tegen hem, en als men tegen hem was, was men tegen de Javanen.
Dekker was zijn hele leven een imperialist, ondanks zijn zeer reële zorg voor de verdrukte Aziaten. Als keizer Multatuli zou hij de Javanen hebben gered, gered omdat zij kennelijk zichzelf niet konden redden. Als de koloniale overheid haar ambtseed letterlijk had opgevolgd, zou alles goed zijn geweest, hoewel Multatuli niet bestaan zou hebben. Nergens is er, voor zover ik weet, een aanwijzing in zijn geschriften dat hij de gedachte van de Indonesische soevereiniteit koesterde. Zeker, hij voelde dat een revolutie onvermijdelijk was, maar men krijgt duidelijk het gevoel dat hij aan een paleisrevolutie denkt. Hij was bang dat de Verenigde Staten zich van Indië meester zouden maken en hij voer tegen Amerika uit alsof het een republiek van Droogstoppels was. ‘Ik moet geld hebben, veel en spoedig,’ schreef hij in 1873, ‘anders wordt America en verder gespuis uit de heele wereld baas op Java! Dát zou vreeselyk zyn! Ik moet gauw iets doen, of nooit. Maar geld is no een. De rest is kinderspel.’ Indië moet worden gered van ‘Amerikaansche flibustiers en dergelyken. Liever nog Holland, sukkelend zooals 't geval is, met z'n geknakt gezag, dan 'n Z.-Amerikaansche warboel, met twee-maandelyksche pronunciamento's, presidents-veranderingen, bloed- (en inkt!) baden, enz. enz.’82
Zoals eerder opgemerkt, meed Dekker zowel marxisme als socialisme, zowel liberalen als conservatieven. Hij vond soelaas bij Marx noch Monroe, Lenin noch Lincoln, kapitalisme noch communisme. Hij kende slechts één heiland. Hij had geen plan, geen samenhangend programma of politiek. Dat zou tegen de opvattingen van de Romantiek zijn geweest. Evenals Byron was Dekker een aartsrebel, hij was tegen elk systeem, of het nu de overheid, de kerk of sociale conventies waren. Hij bewonderde Voltaire nu juist omdat hij geen systeem had.
Voltaire is een prul in de ogen van Kantianen, Hegelianen, Spinozisten, Cartesianen en Leibnitzers... Waarom? Omdat hy niets heeft gezegd wat niet ieder kan begrypen, en omdat hy geen stelsel heeft saamgeknoeid... wat hy toch met zyn vernuft heel goed had kunnen doen. Hy toont aan wat niet waar is, en dat willen de mensen niet, tenzy men hun iets anders in de plaats vertelle, wat evenmin waar hoeft te wezen. Men hongert naar leugen [cursivering van Dekker].83
Wat had hij dan? Hij wilde het niet toegeven, vervloekte zijn talent, zweeg de laatste tien jaar van zijn leven, maar Dekker was een geniaal schrijver, met een enorme fantasie. Toen de werkelijkheid hem niet toestond Indië te veroveren, annexeerde hij het in zijn verbeelding onder de prachtige naam Insulinde en schonk hij zichzelf de welluidende naam Multatuli met zijn echo van Romeinse keizers.84 In het begin van zijn gedroomde regering verbeeldde hij zich (en ‘Verbeelding’ was zijn religie, zoals het geval was bij de Britse Romantiek) dat hij een leger supporters bezat: ‘'t legioen der kinderen van Insulinde, die mij moet helpen in den strijd tegen al wat laag en slecht is’.85 Deze legioensoldaten waren vrouwen, de ‘dochters van Insulinde’, blijkbaar een privé-versie van zoiets als de ‘dochters van de Amerikaanse revolutie’. Helaas groeiden zij op en trouwden.
Toen de hoge verwachtingen van Max Havelaar niet uitkwamen, toen Dekker niet werd gerehabiliteerd en de koning zich niet bij hem verontschuldigde, was er voor hem, op zijn veertigste, niets anders over dan zijn talent als schrijver. Hij had zijn schepen achter zich verbrand. Hij kon alleen naar Indië terugkeren op zijn eigen voorwaarden en die waren veel te hoog. Max Havelaar had, volgens de liberaal Van Hoëvell in 1860, een ‘zekere beroering’ in Holland teweeggebracht, maar die haalde het maar nauwelijks bij Lincolns opmerking toen hij mevrouw Stowe, de schrijver van De negerhut van Oom Tom (een boek dat Dekker had gehoopt te evenaren), ontmoette:86 ‘Dit is dus de kleine dame die deze grote oorlog heeft ontketend.’87 Multatuli was een succes d'estime een verafgood auteur, maar slechts voor een nogal klein deel van de Nederlandse samenleving. Toch had hij niets over dan wat Irih, de Soendanese vrouw van Willem Walraven, eens oeang kepala of ‘hoofdgeld’ noemde. Dekker maakte in 1845 bijna dezelfde opmerking tegen zijn toekomstige vrouw: ‘Ik bezit niets als mijn hoofd, - dat is het kapitaal, waarvan wij leven moeten.’88
Dekker had al literaire ambities voordat hij Max Havelaar schreef, en die waren serieus. In 1845 schreef hij aan Tine dat geen enkel beroep beter bij hem paste dan dat van schrijver. Er is het toneelstuk dat hij in Padang schreef, de gedichten die hij in Holland evenals in Indië schreef, de opmerkelijke tekst ‘Losse bladen uit het dagboek van een oud man’, de verbluffende brief aan Kruseman, enzovoort. De prototypen van Frits en Marie in Max Havelaar zijn te vinden in Frits en Mathilde in ‘Losse bladen uit het dagboek van een oud man’; een couplet uit een gedicht dat Dekker opnam in zijn brief aan Kruseman wordt gebruikt in hoofdstuk 8 van Max Havelaar, een ander gedicht uit die brief bevindt zich in hoofdstuk 11 en nog een in hoofdstuk 12. Er zijn nog veel meer ontleningen als deze - waaronder zinnen, alinea's en uitspraken - die in zijn latere werk terugkeren. In Lebak schreef Dekker een ontwerp van een lange brief aan de gouverneur-generaal die hij nooit heeft verstuurd. In plaats van een protestbrief is het een schitterend stuk retoriek dat diende als basis voor de beroemde laatste pagina's van Max Havelaar.89 En in hetzelfde ‘memoriaal’ uit Lebak waarnaar hierboven is verwezen, staat een kort item dat suggereert dat er toen al sprake was van een vooropgezet plan: ‘Ik sta alleen tegen velen, mijn stem zou
verdoofd worden als ik niet harder riep (i.e. heviger schreef) dan anderen.’90
Dekker was net zomin naïef over zijn creatieve plannen als over de alledaagse werkelijkheid of de goedwillendheid van de koloniale regering. In 1853, tijdens zijn verlof in Nederland, legde hij het toneelstuk dat hij op Sumatra had geschreven, aan Kruseman voor om
van hem te weten te komen of ik talent had uit het oogpunt van een boekhandelaar. Gij begrijpt dat ik dit weten moest. De toejuiching van een tafelvriend &c beduidt niets, maar een boekhandelaar moet de waarde van het talent als koopman kunnen schatten. Hij moet kunnen weten of er door de natie geld voor zal gegeven worden want zonder dat loopt alles spaak. [cursivering door Dekker]
Droogstoppel zou zo'n gezond zakelijk gevoel hebben goedgekeurd. Nadat hij zijn roman Max Havelaar had geschreven bekende hij aan een andere instantie met artistiek gezag:
Nu ik er over nadenk vind ikzelf het boek aardig, om de manier waarop ik iets droogs en onbelangrijks (mijn strijd tegen het gouvernement) tot iets gemaakt heb dat ook voor uitspanningslektuur dienen kan. 't Is een drankje dat het publiek inkrijgt zonder het te weten. Als ik had geschreven eene aanklagt of eene verdediging, of eene memorie, had de minister het in een hoek kunnen gooijen. Nu zal het volk hem rekenschap vragen, en hij moet er wel notitie van nemen.91
De romantici stelden menselijke emoties graag gelijk aan ‘stemmingen’ van de natuur. Het seizoen van hun voorkeur was de herfst, die overeenkwam met de beroemde romantische Melancholia. Men zal ontdekken dat men Dekkers persoonlijke gewoonten evenals het verloop van zijn carrière symbolisch kan vergelijken met de voorliefde van de romantici voor de melancholie van de herfst. Zijn meest productieve jaren lagen tussen 1859 en 1874, toen hij in zijn veertiger en vroege vijftiger jaren was, en hij schreef niets voor publicatie in de laatste twaalf jaar van zijn leven. We hebben reeds vermeld dat Dekker 's morgens niets waard, vaak nagenoeg onpasselijk was en Spigt zegt dat Dekker in de schemering of vroeg in de avond op z'n best was. Hij was daar in hoofdstuk ii van Max Havelaar ook al met zo veel woorden voor uitgekomen: ‘'s morgens bij het ontwaken valt je de wereld op het hart, en dat is zwaar voor een hart, al is het sterk. Maar 's avonds heb je een pauze. Er liggen tien volle uren tussen nu en het ogenblik dat men zyn rok weerziet. Tien uren: zes-en-dertig duizend sekonden om mens te zyn!’92 Spigt heeft zelfs aangetoond dat Dekker het liefst in de herfst schreef. In een brief uit 1876 wijst Dekker duidelijk op de bovengenoemde overeenkomst tussen menselijke stemmingen en de stemmingen van de natuur in verband met zijn geliefde jaargetijde:
Laat me nu beginnen met de betuiging van m'n spyt dat ge verhinderd zyt dezen zomer hier te komen. Maar, is dat zoo zeker? De beste maanden moeten nog komen en by de late hedendaagsche lenten hebben we aanspraak (of kans tenminste) op schoone herfstdagen. Wat my betreft ik vind 'n herfst heerlyk. Niet alleen de buitennatuur maar ook de natuur ín ons, is in 't derde jaarkwartaal rustiger. Ik vind de lente, en ook in zekeren zin den zomer, agitant. Van de lente is 't bekend en erkend, maar ik geloof dat deze opmerking omtrent den zomer nog niet zoo algemeen is doorgedrongen. Hoe dit zy, ik houd van avend en najaar. Daarin ligt iets kalmeerends, iets dat denken doet aan zich ter rust te begeven, en m'n voorkeur voor dien indruk klopt heelemaal met m'n verlangen naar den dood.93
Dekker was de eerste Nederlander die werd gecremeerd.
Dekker was een hoogst ongewone Nederlander. Zijn leven in Indië was onconventioneel geweest - hoewel non-conformisme daar niet zo zeldzaam was als in West-Europa - terwijl zijn gedrag in het vaderland zeker provocerend was. Zo verborg hij het feit dat hij een gokker was niet. Hij schreef een vreemdsoortig boek over de casino's in Duitsland (Millioenenstudiën, geschreven en gepubliceerd tussen 1870 en 1873), een afwijkende gebeurtenis in de Nederlandse letteren. Dostojevski's De speler was een paar jaar eerder verschenen, in 1867. Dekker was een rokkenjager die in het openbaar steun betuigde aan de vrouwenemancipatie. Hij omhelsde luidruchtig liberale dogma's, was voortdurend platzak, leefde geen normaal, burgerlijk bestaan ook al had hij vrouw en kinderen: kortom, Dekker voldeed niet aan en leefde niet volgens de norm. Hij was wat men in die tijd een ‘avonturier’ noemde, een bijnaam die in de tweede helft van de negentiende eeuw gelijkstond met ‘outcast’.
In 1891, vier jaar na Dekkers dood, publiceerde een zekere ‘A.J.’ een positief commentaar op Dekkers afwijkende leven en ongebruikelijke fictie. De auteur (het bleek Lodewijk van Deyssel te zijn) stelde dat Dekker waarschijnlijk het grootste deel van zijn leven een ‘avonturier’ was, maar suggereerde ook dat bepaalde aspecten van zo'n leven een bepaalde verdienste konden hebben. Van Deyssel ontkent niet dat de laat-negentiende-eeuwse avonturier gerekend wordt tot de ‘drinkers, spelers, hoereerders’;94 anderzijds pleit hij sluw voor hetzelfde bewegingsvermogen dat Zimmer en Whitehead beter vonden dan conventionele onbeweeglijkheid, een gedachte die Multatuli tot een principe had verheven.95 Ik geef toe dat Van Deyssel de discussie over het avontuur op een laag niveau houdt, maar hij slaagt erin onvergelijkbaarheid en bewegingsvermogen als deugdzame eigenschappen voor te stellen. Hoe afkeurenswaardig sommige van hun activiteiten ook waren, men kon niet ontkennen dat avonturiers op diverse locaties waren geweest, dat zij herhaaldelijk interessante plaatsen zoals cafés, casino's en bordelen hadden bezocht, en dat zij daarom interessante verhalen te vertellen hadden. Het ‘avontuurlijke leven’ is het ‘leven van reizen en trekken’ en dat betekent een voortdurend veranderende show van indrukken.96
Ook Multatuli beweerde dat een uitgebreide ervaring wezenlijk was voor de romantische held.97 Van Deyssel breidt deze fysieke activiteit uit tot geestelijke beweeglijkheid en merkt op dat zo'n leven een avonturier verrijkt met een ‘vernuftig gemak van beweging en konversatie’.98 Plotseling begint de twijfelachtige mislukkeling verdacht veel te lijken op een begaafde verteller en kunstenaar.
De combinatie van illegaliteit en intelligentie biedt de avonturier volgens Bakthin een unieke mogelijkheid het normale, alledaagse leven te bespioneren. Avonturiers, bandieten, bedienden en hoeren hebben het voordeel van de zelfkant: ze kunnen onder contract staan maar ze maken geen deel uit van het normale leven en zijn daarom ideale rechters en getuigen.99 De meest subversieve en de gevaarlijkste hiervan is de avonturier omdat hij, zoals Van Deyssel laat zien, ook meester in het overtuigen, een bekwaam redenaar en een begaafd verhalenverteller is.100 De schrijver is zoals men van hem verwachten mag: hij is niet onbesproken en beschouwt dit als een teken van achting. Daarom kan Van Deyssel een verband leggen tussen rechtsgeleerdheid en linguïstiek en beweren dat Dekker ‘de wetten en konventiën van de maatschappij zoo wel als van de orthographie, de grammatica en de syntaxis’ doorbrak.101 Dekker schiep in werkelijkheid een nieuwe stijl en een nieuw soort roman, die het moderne Nederlandse verhalend proza veranderde.
Evenals Dekkers leven tegendraads was, was zijn stijl het tegenovergestelde van het bureaucratische proza en Max Havelaar een omkering van wat in de negentiende-eeuwse Nederlandse literatuur doorging voor een roman. D.H. Lawrence had in zijn eigenaardige maar diepzinnige inleiding tot de Amerikaanse uitgaven van Max Havelaar van 1927 gedeeltelijk gelijk toen hij schreef dat het boek geen ‘verhandeling [maar] een satire’ was, geheel gelijk toen hij Dostojevski erbij haalde (hoewel om de verkeerde redenen) en absoluut ongelijk toen hij het boek ‘de grootst mogelijke warboel’ noemde. Want dat is het niet. Max Havelaar is de eerste moderne roman uit de Nederlandse literatuur en een volmaakte illustratie van Bakhtins bewering dat de roman een dialogisch of polyfoon proza-discours is - het discours dat de literatuur van de twintigste eeuw is gaan beheersen.
Dekker wilde een dialoog op gang brengen over het lot van de Javanen, een dialoog op gang brengen met de individuele lezer, met de Nederlandse koning, en met de Nederlandse samenleving in het algemeen. Maar een dialoog houdt, zoals Bakhtin wist, een context in en een ‘context is altijd persoonlijk’.102 Dekker wilde zijn lezers overtuigen van de waarheid dat de Javanen mishandeld werden. Hij twijfelde niet aan deze waarheid maar hij werd tot razernij gebracht door de aanhoudende eisen van objectieve nauwkeurigheid van een bureaucratie die beweerde wetenschappelijke bewijzen voor het tegendeel te bezitten. Maar betekenis is niet wetenschappelijk, betekenis is cognitief. ‘De grens,’ zoals Bakhtin schreef, ‘van nauwkeurigheid in de natuurwetenschappen is identificatie (a = a) (...) Het criterium is [echter] niet hoe nauwkeurig de kennis is maar hoe diep
het inzicht.’103 Dit geeft, in een notendop, Dekkers dilemma aan en suggereert wat hem tot schrijver maakte. Het geeft ook aan waarom zijn werk zo lang omstreden bleef. Alles aan Max Havelaar duidt erop dat dit de eerste moderne prozatekst in het Nederlands was waarin de mogelijkheden van heteroglossie schitterend werden toegepast; het was daarom niet alleen een kritiek op de politieke maar ook op de literaire orthodoxie. Dit werd genegeerd ten gunste van felle debatten over het waarheidsgehalte van het boek. Zelfs Du Perrons voornaamste taak bestond erin te bewijzen dat Dekker nauwkeurig was geweest, de gegevens van zijn tekst te controleren en deze te herhalen, terwijl het er eigenlijk om had moeten gaan te laten zien wat er was gecreëerd, Dekkers opvattingen opnieuw te interpreteren in een nieuwe context, vast te stellen wat onherhaalbaar was. Na de Tweede Wereldoorlog groeide Dekkers literaire faam aanzienlijk door studies waarin men probeerde te bewijzen dat Max Havelaar niet de ‘warboel’ van Lawrence was maar een bekwaam netwerk van correspondenties.104 Maar Dekkers werk verzet zich tegen formalisering omdat het zijn uitgesproken plezier in de polyfonie van het leven en de manieren waarop deze in proza kan worden uitgedrukt, niet wil opgeven.
Meervoudigheid was datgene waar levenslang de aandacht naar uitging van Michail Bakhtin (1895-1975), de Russische denker die men ‘de grootste literatuurtheoreticus van de twintigste eeuw’ heeft genoemd.105 Met behulp van zijn onderzoek naar wat hij de ‘dialogische’ of ‘polyfone’ roman noemde, kunnen we het belang van Dekkers Max Havelaar beter begrijpen. Dit boek verhief niet alleen de koloniale literatuur in één beweging van de monologische, aan de roman voorafgaande teksten tot het complexe verschijnsel van de moderne roman (hoewel zij bepaalde elementen gemeen hebben), maar verhief ook de Nederlandse literatuur van de dodelijke orthodoxie van de negentiende eeuw tot de ‘expressieve mogelijkheden’ van de moderne prozatekst. De meeste aspecten van Bakhtins denken zouden toegepast kunnen worden op Dekkers werk, maar omdat dit niet de plaats is voor uitvoerig onderzoek, beperk ik mij er in de volgende bespreking toe aan te geven hoe Max Havelaar vele algemene en tevens sommige specifieke factoren van Bakhtins interpretatie van de roman illustreert - een interpretatie die hij beschrijft als de ‘mogelijkheid om op het niveau van een enkel werk gebruik te maken van diverse typen discoursen waarvan alle expressiemogelijkheden intact zijn, zonder tot een grootste gemene deler te worden gereduceerd’.106
Bakhtins literaire theorie is beter dan andere twintigste-eeuwse onderzoekingen, omdat zij gebaseerd is op een alomvattende interpretatie van het menselijk bestaan die breed genoeg is om plaats te bieden aan een literatuurtheorie naast een ‘filosofische antropologie’.107 Omdat Bakhtin in het bijzonder gevoelig was voor het pluralisme van de ervaring, kon hij, evenmin als Dekker,108 pleiten voor een abstract formalisme (Bakhtin wilde een ‘open eenheid’ (SG 6)), hoewel hij levenslang trouw vasthield aan bepaalde fundamentele uitgangspunten. Het eerste is dat de mens een homo loquens is, dat taal ons belangrijkste kenmerk is.
Maar taal is, ‘evenals de levende, concrete omgeving waarin het bewustzijn van de woordkunstenaar leeft, nooit eenvormig’ (DI 288). Op soortgelijke wijze is de roman ‘de uitdrukking van een Galileïsche opvatting over taal, een opvatting die het absolutisme van een enkele en eenvormige taal afwijst’ (DI 366). De reden voor de afwijzing is dat de meest fundamentele ‘eenheid van gesproken communicatie’ voor Bakhtin niet de zin is, maar een ‘uiting’ (SG 73). Communicatie impliceert een antwoord, een antwoord impliceert een ander, impliceert een context. Bakhtins nadruk is sociaal (‘Ik leef in een wereld van woorden van anderen’ (SG 143; DI 294 en verwijzend (‘De wereld heeft contextuele betekenis’ (SG 159)). Van deze essentiële basis van verbondenheid leidt Bakhtin zijn karakteristieke afwijzing van alles wat op monolithische eenvormigheid lijkt, af. Zijn geliefdste begrippen hebben allemaal een element van diversiteit gemeenschappelijk: dialogisme, heteroglossie, hybridisatie, polyglossie, polyfonisch en orkestratie. (Bakhtins voorkeur voor de prefixen hetero- en poly- (in tegenstelling tot homo- dat op gelijkheid en enkelvoudigheid duidt) wordt na uitvoerig lezen duidelijk.)
Bij Bakhtin is niets enkelvoudig. Zelfs het woord niet. Het woord is allesbehalve een beperkte eenheid, het is ‘een drama waaraan drie personen deelnemen’. Om Bakhtins geliefde muzikale beeldspraak te gebruiken: het woord is geen duet - zoals verwacht mocht worden van een dialogische theorie die stelt dat ‘elk verstaan doordrenkt is van antwoord’ (SG 68) - maar een trio. De derde partij is ‘een of andere hogere manifestatie van antwoordend verstaan’ (SG 126). Deze hoop op een uiteindelijk verstaan, te eniger tijd, op een of andere plaats, is de fundamentele reden voor het schrijven zelf. Het is de uitroep aan het slot van Max Havelaar. ‘Ik wil gelezen worden (...) Ja, ik zal gelezen worden’ (VW, i. 292).
In Bakhtins theorie is niets enkel of eenzaam. Het is zowel passend als ironisch dat deze man die leefde in het tijdperk van Stalin de taal weer bekleedde met troost: want als we alleen zijn met het woord, zijn we niet eenzaam maar samen. Stilte is de slechtst denkbare zin. Maar er is weinig stilte bij Bakhtin. Om zijn typering van Goethe te gebruiken: alles in zijn wereld is ‘intensief’ (SG 42). De wereld die hij ziet en hoort is dynamisch, actief, bewegend, gevuld met een volheid van stemmen, en dientengevolge beladen met een volheid aan ideeën. Kenmerkend voor deze nadruk op variatie en verschil is Bakhtins neologisme ‘heteroglossie’ dat hij omschrijft als ‘de sociale diversiteit van spraaktypen’ (DI 263). Heterologie doordringt de taal.
Voor ieder individueel bewustzijn dat erin leeft, is taal geen abstract systeem van normatieve vormen maar eerder een concrete heteroglotte opvatting van de wereld. Alle woorden hebben de ‘smaak’ van een beroep, een genre, een tendens, een partij, een speciaal werk, een speciale persoon, een generatie, een leeftijdsgroep, de dag en het uur. Elk woord smaakt naar de context en contexten waarin het zijn sociaal belaste leven heeft geleid; alle woorden en vormen worden bevolkt door bedoelin-
gen. Contextuele ondertonen (algemeen, tendentieus, individualistisch) zijn in het woord onvermijdelijk. (DL 293)
Bakhtin is vrolijk anti-provinciaal. Hij treft overal heterogeniteit aan, in de wereld van de taal even goed als in de sociale wereld; ongerijmdheid wordt in feite verwelkomd en als beter beschouwd. Polyglossie bijvoorbeeld, de ‘gelijktijdige aanwezigheid van twee of meer nationale talen in een enkel cultureel systeem’ (DI 431), is een voordeel dat in de literatuur moet worden onderzocht. Ons huidige onderwerp zou een mooi voorbeeld van deze ‘wederkerige bezieling van taal’ vormen: in de Nederlandse koloniale literatuur is de traditionele linguïstische eenheid van het Nederlands doorspekt met Maleis. Het Nederlandse kolonialisme schiep zijn eigen ‘polyglossic’ variant in het petjo, een mengsel van Javaans, Nederlands en Maleis, dat zijn eigen specifieke literaire uitdrukking heeft in het werk van Jan Boon (zie hoofdstuk 17). Dit betekent echter niet dat Bakhtin iedere beperking verwerpt. Hoewel hij consequent pleit voor het doorbreken van grenzen, was hij zich ook sterk bewust van wat Michael Holquist noemt ‘de macht van kaders’ (SG, p. xx) en de ‘duidelijke grenzen’ van taalgemeenschappen. Feitelijk klinkt Bakhtin soms bijna als Whorf (bijvoorbeeld SG 93, of DI 62).
We kunnen hier niet op alle onderdelen van Bakhtins theorie ingaan. De belangrijke termen (zoals heteroglossie, polyglossie en polyfonie) overlappen elkaar echter, zodat wij ze in de huidige context in een meer omvattende zin kunnen gebruiken. Men hoeft zich er echter niet over te verbazen dat voor iemand met een dialogische opvatting van taal de roman het invloedrijkste model van het artistieke denken is (PDP 270). De roman die Bakhtin leest is de polyfone roman, de roman met vele stemmen, talen en discoursen: ‘een ware polyfonie van volkomen geldige stemmen’ (PDP 6). Deze definitie doet denken aan de Whorfiaanse opvatting van grotere linguïstische structuren, doordat de uiteenlopende stemmen van een polyfone roman onafhankelijk blijven (PDP 21). Zij bestaan naast elkaar en beïnvloeden elkaar, maar zij staan hun specifieke toon niet af. In een monologische roman daarentegen ontkent de enkele stem die voortkomt uit één bewustzijn ‘het bestaan buiten zichzelf van een ander bewustzijn met gelijke rechten en gelijke verantwoordelijkheden’ (PDP 292-3). Daarom is de registratie van anders-zijn en onvergelijkbaarheid een zaak van de moderne roman. Dit is een moeilijker kunstvorm, maar wel een die past bij een ingewikkelde tijd. ‘De opgaven waar de auteur en zijn bewustzijn voor staan in een polyfone roman zijn heel wat ingewikkelder en diepzinniger dan in een homofone (monologische) roman. De eenheid van de wereld van Einstein is ingewikkelder en diepzinniger dan die van de wereld van Newton, het is een eenheid van een hogere orde (een kwalitatief andere eenheid)’ (PDP 298).
Al Bakhtins uitspraken over de roman hebben het wezenlijk polynome (om deze term van de wiskunde te lenen) karakter van de volgende definitie gemeen: de roman is ‘een verschijnsel dat multiform is in stijl en variform in spraak en
stem’ (DI 261; zie ook pp. 262, 263, 264, 274, 299, 335). Dostojevski's werk is Bakhtins model voor deze polyfone roman: voor de Nederlandse koloniale literatuur is het Dekkers werk onder de naam Multatuli; en in de Verenigde Staten zou Faulkner (The Sound and the Fury of As I Lay Dying bijvoorbeeld) het volmaakte voorbeeld zijn. Om Bakhtins verbijsterend ingewikkelde opsomming wat hanteerbaarder te maken kan men - zonder alle mogelijke variaties uit het oog te verliezen - drie hoofdcategorieën onderscheiden, te weten de directe spraak van de auteur, het gerepresenteerde woord (represented speech) en dubbel georiënteerde of dubbelstemmige spraak.109 Voor de polyfone roman is de laatste van deze stilistische eenheden de belangrijkste en Bakhtin droeg aan de uitwerking hiervan bij met enkele van zijn meest originele ideeën. De belangrijkste ‘verschijnselen van artistieke taal’ in deze categorie zijn stilering, parodie, skaz en dialoog (PDP 185). Het wezenlijke aspect voor Bakhtin is dat deze vier nooit op zich worden gebruikt voor een referentieel doel, maar dat zij zich altijd bewust verhouden tot het discours van een ander, tot de spraak van iemand anders (PDP 185). Stilering is bijvoorbeeld het gebruik van het discours of de stijl van iemand anders voor eigen doeleinden, hoewel de bedoelingen van de teksten zullen convergeren en de beide stemmen heel goed zouden kunnen versmelten (PDP 189-94). Parodie maakt ook gebruik van een ander discours, maar doet dat om uiteenlopende redenen die in strijd zijn met de oorspronkelijke bedoeling. Een voorbeeld van stilering zou Don Quichotte zijn, terwijl Bouvard et Pécuchet een voorbeeld is van parodie. Skaz is volgens de definitie van David Lodge ‘een informele vertelling in streektaal’,110 hoewel het niet slechts een imitatie van gesproken taal is (ook al is deze niet-literaire injectie in de roman heel belangrijk). Als uitdrukking van dubbelstemmig discours kan de specifiek orale stem en stijl van skaz worden gebruikt met een nieuwe semantische bedoeling. In zo'n geval is er sprake van ‘gestileerde skaz’ (PDP 189), waarvan Huckleberry Finn een goed voorbeeld zou zijn.
Zodoende wordt in de huidige tekst altijd hetzij ‘lexicaal hetzij grammaticaal’ de spraak van een ander of van een vorig discours opgeroepen.111 Maar deze aanwezigheid kan ook verborgen blijven (DI