[p. 18]

1. Inleiding

Toen ik meer dan een decade geleden - het was drie januari 1986 - in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag aan het zoeken was naar een mogelijk scriptieonderwerp over Dirk Volckertszoon Coornhert (1522-1590), kon ik de verleiding niet weerstaan om toch even in het kaartenbakje onder het trefwoord Anna Maria van Schurman te kijken. Ook al was ik tijdens de studie Nederlands in Utrecht met het weggroeien van thuis ook de affiniteit voor haar een beetje kwijt geraakt, het was toch aan haar te danken geweest dat ik mijn streng-calvinistische ouders in 1980 had kunnen overtuigen dat een vrouw studeren mocht. Anna Maria van Schurman had immers in hun ogen dezelfde ‘geestelijke ligging’ als zij, dachten ze.

Ik vroeg de documenten aan en was meteen verkocht toen ik op een Nederlands gedicht in haar fraaie handschrift stuitte: O Utreght, lieve Stadt hoe soud' ick U vergeeten. Mijn doctoraalscriptie ging toen over dat gedicht: Aan Babylons stromen: Anna Maria van Schurman in Keulen. 1   Een paar jaar later verscheen Verbastert christendom: Nederlandse gedichten van Anna Maria van Schurman (1607-1678), een editie van vrijwel al haar Nederlandse gedichten. 2  

Tijdens het voorbereiden van die editie ontdekte ik dat het niet goed mogelijk was om een juist oordeel over Van Schurman te geven als ik niet ook haar anderstalige werk er bij betrok. Van Schurman lijkt zich namelijk in haar Nederlandstalige, hoofdzakelijk vrome werk aan te passen aan de toenmalige strenge puriteinse opvatting dat het vertoon van klassieke geleerdheid, het gebruik van mythologische beeldspraak zondig was. Maar slechts een oppervlakkige blik op haar niet-Nederlandse werk leerde dat ze er niet voor schroomde om er daar lustig mee te spelen.

Geïntrigeerd daardoor ben ik toen Latijn en Grieks (en nu ook Hebreeuws) gaan studeren om zelf te kunnen lezen wat ze schreef. Het beeld van Van Schurman dat nu aan het opstijgen is - ik ben nog lang niet klaar met het vertalen van al haar teksten - is totaal anders dan wanneer je alleen op de Nederlandse, vooral vroom-piëtistische teksten zou afgaan: Anna Maria van Schurman is deel van de Republiek der Letteren en heeft een eigen Vrouwenrepubliek der Letteren: dat houdt onder andere in dat ze over lands-, geloofs- en klassegrenzen heen schrijft in

 1  Van Beek 1987.
 2  Van Beek 1992a.


[p. 19]

Latijn, Grieks, Hebreeuws en Frans en Arabisch met andere geleerde mannen en vrouwen in heel Europa over allerlei onderwerpen, niet alleen over theologie.

Het hoofddoel van mijn voorafgaande studies en artikelen, en nu ook van dit proefschrift, is om een meer compleet beeld van Van Schurman te geven dan tot nu toe gedaan is. Van Schurman is exemplarisch voor veel vrouwen uit het verleden. Hun werk is of nooit uitgegeven of achterin andermans werk opgenomen of is uit het zicht geraakt omdat het niet in de mannelijke canon van later eeuwen is opgenomen. Ze zijn vergeten of liever, verzwegen. 3   Dat geldt des te meer voor geleerde vrouwen omdat die in talen schreven die bijna niemand meer machtig is. Het is voor ons beeld van het verleden en ook als voorbeeld voor de vrouwen van vandaag belangrijk dat die vrouwen weer in beeld gebracht worden. 4   Vandaar dat vergeten vrouwen, vooral in de feministische hoek, veel in de belangstelling staan en dat geldt ook voor Van Schurman. 5  

Veel onderzoekers echter beperken zich tot een paar toegankelijke (vertaalde) bronnen in het Nederlands. Een paar onderzoeksters hebben de bronteksten wel zinvol gebruikt: Katlijne Van der Stighelen bijvoorbeeld in haar prachtige studie over het kunstzinnige werk van Anna Maria van Schurman, of Brita Rang. 6   Zij hebben hun vertalingen van haar klassieke teksten echter

 3  Bovenschen 1979; Crawford 1985:211-282; Kelly-Gadol 1987; King 1991; Women of the Golden Age 1994; De vrouw in de Renaissance 1994; Kloek 1994.
 4  Female scholars 1980; Beyond their sex: Learned Women of the European Past 1980; Das Wohlgelahrte Frauenzimmer 1984; Becoming visible: Women in European History 1987; Women Writers of the Renaissance and Reformation 1987; Rang 1988; Geleerde vrouwen 1988; Women of the Golden Age 1994; Kloek 1995.
 5  Over Van Schurman: Schotel 1841; Schotel 1853; Toussaint 1850; Van Lennep 1862; Verwey 1867; Tsackert 1876; Greebe 1878; De Waal 1891; Birch 1909; Douma 1924; Ghijsen 1926; Voisine 1972; Van Lieburg 1975; Winsemius 1976; Winsemius 1978a; Winsemius 1978b; Winsemius 1978c; Janssonius 1978; Nepveu 1978; Van der Linde 1978; Van Buuren 1980; Irwin 1977; Irwin 1980; Irwin 1989; Irwin 1991; Rikkers 1979; Dubois 1984; Van der Stighelen 1985a; Van der Stighelen 1985b; Van der Stighelen 1986a; Van der Stighelen 1986b; Van der Stighelen 1986c; Van der Stighelen 1987a; Van der Stighelen 1987b; Van der Stighelen 1992; Van der Stighelen 1996a; Van der Stighelen 1996b; Korte 1985; Korte 1987; Spies 1986; De Baar 1986; De Baar 1987; De Baar 1988; De Baar 1991; De Baar 1992; De Baar 1993; De Baar 1994a; De Baar 1994b; De Baar 1996; De Baar en Rang 1992; De Baar en Rang 1996; Gispen 1986; Van Beek 1987; Van Beek 1992a; Van Beek 1992b; Van Beek 1995a; Van Beek 1995b; Van Beek 1996a; Van Beek 1996b; Van Beek 1997a; Van Beek 1997b; Rang 1992; Rang 1996; Roothaan 1991; Roothaan 1992; Roothaan 1996; Roothaan en Van Eck 1990; Roothaan en Ter Haar 1996; Scheenstra 1992; Scheenstra 1996; Sneller 1992; Sneller 1993; Sneller 1995; Sneller 1996a; Sneller 1996b; Moore 1990; Van Eck 1992; Van Eck 1996; Miller 1991; Bulckaert 1995; Anna Maria van Schurman (1607-1678): een uitzonderlijk geleerde vrouw 1992; Choosing the better part: Anna Maria van Schurman (1607-1678) 1996.
 6  Van der Stighelen 1987; Rang 1992:29-47.


[p. 20]

voor zichzelf gehouden. Ik wil Van Schurmans werk toegankelijk maken voor een breed publiek. Ik wil niet dat slechts de happy few die de oude talen nog machtig zijn, kunnen lezen wat ze schreef, nee, het hele Nederlandse publiek. Ze was immers de eerste vrouw in Nederland die studeerde.

Een paar uitgangspunten spel ik uit: ik beschouw mezelf als een archeoloog, filoloog en feminist. Archeoloog: ik graaf teksten op uit een ver verleden en wil die beschikbaar stellen door middel van edities en vertalingen. Daarbij sta ik in de school van Margaret Ezell, die in haar boek Women Writing Literary History pleit voor het opgraven en contextualiseren van vroege vrouwenteksten die helemaal uit het zicht verdwenen zijn, omdat ze ofwel buiten de mannelijk canon vielen of in de ogen van veel feministen nog niet radicaal genoeg waren. Het gaat erom om zicht te krijgen op wat vrouwen in het verleden schreven en welke vrouwelijke netwerken zichtbaar worden. 7  

Ik ben filoloog: ik zorg voor een getrouwe weergave van die oude teksten van Van Schurman, vertaal ze, plaats ze in context, en maak ze toegankelijk in edities, artikelen en boeken. 8   Wat mijn proefschrift betreft kon dat nog niet letterlijk volgens de regels van Naar de letter: Handboek voor de editiewetenschap. 9   Het wonen aan de andere kant van de aarde bleek een grote belemmering voor het analytisch bibliografisch onderzoek. 10   Dit proefschrift is dan ook te beschouwen als een voorstudie. 't Liefst had ik de hele Opuscula als proefschrift genomen, maar dat zou voor een Zuidafrikaans proefschrift veel te omvangrijk worden (meer dan duizend bladzijden). Ik heb een selectie gemaakt. De hele Opuscula zal toch op den duur als een studie-uitgave in de Nederlandse Geleerdenreeks uitgegeven worden door het Constantijn Huygens Instituut van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen in Den Haag. Een van de verplichtingen die het Handboek voor de boekwetenschap stelt is dat alle exemplaren van het boek onderzocht moeten worden (de interne collatie) en dat alle verschillende drukken van een boek

 7  Ezell 1993. Voor haar: Female Spectator: English Women Writers before 1800 1977; Van Buuren 1977; Paradise of Women 1981; Crawford 1985; Brinker 1988; Hobby 1988; Kissing the Rod 1988; Becker 1989; Alenius 1991; Van Beek 1992a. Na Ezell: Davis 1995; Spies 1993; Schenkeveld 1994; Schenkeveld 1996; Met en zonder lauwerkrans 1997.
 8  Heesakkers 1980; Matthijsen 1995.
 9  Matthijsen 1995.
 10  Dit is het vergelijken van zoveel mogelijk exemplaren van alle (tijdens het leven van de auteur verschenen) vroege drukken, ook van één en dezelfde druk, om zoveel mogelijk alle verschillen binnen één druk op te sporen en te achterhalen welk exemplaar van de druk voor de editie gebruikt moet worden.


[p. 21]

vergeleken moeten worden (de externe collatie). 11   Dat was voor de Opuscula onmogelijk. Sowieso is er nog nooit onderzoek geweest naar dit boek, ik ben dus een pionier. Exemplaren van de Opuscula blijken over de hele wereld verspreid te liggen. Hoe graag ik ze ook achterna gegaan was en ze allemaal in handen gehad had, dat was alleen al om financiële redenen onhaalbaar. Daarbij komt dat juist uit mijn onderzoek blijkt dat er niet eens zekerheid is over het aantal herdrukken van de Opuscula. 12  

Last but not least: ik ben feminist: ik kies een boek uit dat door een vrouw geschreven is. Bovendien kies ik vooral teksten die de uitzonderlijke, humanistische Van Schurman aan of voor vrouwen schreef. Daarbij nam ik ook haar Dissertatio op over het recht van de vrouw op studie die ze aan professor Andreas Rivet schreef op, de gedichten op de stichting van de Universiteit van Utrecht waarin ze voor toelating van vrouwen pleit en een aantal teksten die met haar maagdelijkheid verband houden: de briefwisseling in Grieks tussen haar en de bisschop van Efeze, het gedicht In symbolum suum en het gedicht op de geruchten dat ze een Franse herdersroman vertaald zou hebben.

Hoe graag ik ook de teksten te lijf zou willen gaan met genderspecifieke vragen als bijvoorbeeld: is er verschil tussen Van Schurmans brieven aan mannen of aan vrouwen?, kan ik dat slechts in het voorbijgaan doen. De vergelijking kan mijns inziens pas zinvol gemaakt worden als de hele Opuscula en al haar andere werk vertaald en toegankelijk gemaakt is.

Ik benadruk nog eens: door de sluier op te lichten van een stukje onbekend gebleven leven van Anna Maria van Schurman aan de hand van haar boek de Opuscula Hebraea Graeca Latina et Gallica, licht ik ook een aantal onbekende vrouwen op uit haar omgeving. Hoe moeilijk het vaak was om iets over die vrouwen te weten te komen, mag blijken uit het feit dat vele van hen niet eens zijn opgenomen in naslagwerken als Lesser Known Women. 13   Soms is er slechts iets over hen te vinden in de voetsporen van mannelijke familieleden, soms helemaal niets, zoals in het geval van Anne de Merveil. Verder wil ik Van Schurman ook de eer geven die ze toekomt. Wat te

 11  Matthijsen 1995:38-56, 65-67.
 12  Zie hoofdstuk 3.2.
 13  Lesser Known Women 1992; The Europa Biographical Dictionary of British Women: over 1000 notable Women from Britain's Past 1983; Dictionary of British and American Women Writers 1660-1800 1984.


[p. 22]

denken van de overigens zeer verdienstelijke hoogleraar Neo-Latijn uit Leuven die in 1990 in zijn Companion to Neo-Latin studies nog schrijft:

Latin literature is by and large a men's affair [...] only a few women progressed so far as to become distinghuised Latin writers themselves. [...] Similarly the rarity of the phenomenon made a few women famous for their skill as humanists and Latin writers, although in most cases their literary output is very limited. Such is the case of [...] Anna Maria van Schurman. 14  

Nogmaals wil ik benadrukken dat het belangrijk is dat al het werk van Van Schurman beschikbaar komt in vertalingen en edities. Ze was de eerste vrouw in Nederland die studeerde, die zich duidelijk uitsprak over de studie der vrouw, die haar eigen gang ging, haar visie volgde, hoe weinig die ook door de massa gedeeld werd. Een markante vrouw als zij verdient dit.

In de inleiding van ‘Verbastert christendom’: Nederlandse gedichten van Anna Maria van Schurman (1607-1678) schreef ik :

[...] zolang de nodige bronnen over haar leven nog in Neo-latijn of in stoffige archieven liggen te wachten op ontsluiting hapert het schrijven over Anna Maria van Schurman. Ondanks dit besef heb ik me aan deze uitgave gewaagd. 15  

Datzelfde geldt nog steeds. Want hoewel ik sindsdien veel tot nu toe onbekend en ongepubliceerd (bronnen)materiaal vond en verwerkte, besef ik maar al te goed hoeveel materiaal er nog ligt te wachten op ontsluiting en hoeveel nieuwe inzichten daar nog sluimeren. 16  

Ooit verweet men vrouwen hun praatziekte:

 14  IJsewijn 1990:31.
 15  Van Beek 1992a:7.
 16  Tijdens mijn laatste (congres)bezoek aan Europa (augustus 1997) vond ik bijvoorbeeld nog een brief van een Amsterdamse uitgever waarin verwezen wordt naar een boek dat Van Schurman in 1666 zou uitgegeven hebben. Het was tot nu toe niet bekend dat ze in dat jaar gepubliceerd had.


[p. 23]

It 's objected against Women, as a reproach, that they have too much Tongue: but it 's no crime they have many Tongues [...] The Tongue is the only Weapon Women have to defend themselves with, and they had need to use it dextrously. Many say One Tongue is Enough for a Woman: it is but a quibble upon the word. 17  

Gelukkig trok Van Schurman (en andere vrouwen) zich niets van dat gezegde aan. Ze leerden vele talen en tongen en lieten van zich horen. Maar ze werden in de loop der eeuwen stom gemaakt en zijn vergeten. Ik hoop dat ik in dit proefschrift hun stemmen weer hoorbaar gemaakt heb.

 17  Makin 1673:11.