[p. 84]

3.4. Indeling

Afgaande op de titelpagina Nobiliss. Virginis Annae Mariae à Schurman Opuscula Hebraea Graeca Latina et Gallica, prosaica et metrica verwacht je in het boek proza en poëzie in Hebreeuws, Grieks, Latijn en Frans, in moeilijkheidsgraad aflopend. Het proza is inderdaad in de vier genoemde talen, de poëzie slechts in Latijn en Frans. Als je op de typografie afgaat zit er wel een duidelijke ordening in de Opuscula. Zo staan er fleurons als begrenzing of afbakening tussen de verschillende geleerdenbrieven als De Vitae Termino, de Dissertatio (voorheen uitgegeven boeken) en tussen de brieven en de gedichten in en tussen de gedichten en de Franse brieven in, en tussen deze en de Elogia in. Onder die fleurons staat dan in kapitale letters welke afdeling volgt. Maar in onze ogen is die ordening niet helemaal consequent. Zo worden de Griekse en Hebreeuwse brieven niet apart onderscheiden. Vielen die brieven dan in dezelfde categorie als Neolatijn? Orde was echter wel de bedoeling, zoals ook blijkt uit een ‘Advertissement au Lecteur’ dat achterin het boek opgenomen is (in de 1e en 2e druk):

Les Imprimeurs estans à la fin de cest ouvrage, ces lettres suivantes sont tombées entre leur mains, c'est pourquoy on ne s'estonnera pas, de ne les voir pas en leur ordre.
Toen de Drukkers reeds aan het eind van dit werk gekomen waren, vielen deze brieven hen in handen. Daarom moet men zich er niet over verwonderen om ze niet in volgorde te zien. 209  

Men heeft ook geprobeerd om per afdeling chronologisch te werk te gaan, maar dat is niet helemaal gelukt, zoals te zien is aan de inhoudsopgaven van de vier verschillende Opuscula's. 210  

Volgens Mollerus zag de eerste druk van de Opuscula het licht tegen de zin van Van Schurman. 211   Dat klopt niet. Er was wel wat overredingskracht nodig geweest, maar ze heeft hard

 209  Opuscula 1652:364.
 210  Zie bijlagen.
 211  Mollerus 1744:815.


[p. 85]

meegewerkt en toen het Klein Werk uitkwam was ze juist erg blij en voldaan. 212   Mollerus geeft de volgende beschrijving die de inhoud beter dekt dan de typografische indeling:

In prima anni 1648. editione, qvam invita prodiise Schurmannia Spanhemii editoris docet praefatio, duabusqve seqventibus, haec exhibentur:
I. Epistola ad Joh. Beverovicium de vitae termino (p.1-28)
II. Problema Practicum ad Andr. Rivetum, num foeminae Christianae conveniat studium literarum, seu Diss. Logica de Ingenii muliebris ad doctrinam aptitudine, cum Epistolis ipsius ac Riveti de eodem argumento αμοιβαιαις, A. 1638. exaratis (p.28-95)
III. Epistolae Latinae, paucaeque Graecae et Hebraeae, de argumentis variis, praesertim Theologico-Philologicis, ad Joh. Smithum, Jac.Lydium, Joh. Cloppenburgium, Frid. Spanhemium, Cl. Salmasium, Joh. Beverovicium, Jac. Catsium, Ad. Vorstium, Const. Hugenium, Andr. Rivetum, Dan. Heinsium, Guilh. Staeckmannum, Joh. De Laet, Pet. Gassendum, Lamb. Gorisium, Jac. Crucium, aliosque; nec non quaedam Virorum horum doctorum ad Schurmanniam, propriis ipsius passim immixta (p.95-256)
IV. Poemata varia (de quibus honorifica Barleai, Balsacii, Desselii, Borrichii, Morhofii, Rachelii et Sperlingii, judicia paulo ante, inter elogia nostrae, sunt recitata (p.256-277)
V. Epistolae Gallica ad Pet. Molinaeum, Elisabetham Principem Bohemicam, dominam de Coutel, Annam de Rohan, Frid. Spanhemium, Mariam Jarsiam Gornacensem, etc (de quibus Salmasii et Balsacii judicia in iisdem invenies Elogis) (p.277-321)
VI. Elogia quibus Homines eruditi Schurmanniam ornarunt ex illorum scriptis, epistolis et carminibus, collecta (p.321-369)
VII. Tres Epistolae ad Cl. Salmasium ejusqve uxorem, Gallicae, a Schurmannia scriptae (p.369. et seqq.).

Van de eerste editie van 1648, die tegen de wil van Van Schurman is uitgegeven zoals het voorwoord van de editor Spanheim leert en in de volgende twee uitgaven ziet de inhoud er als volgt uit:

 212  Zie hoofdstuk 3.1.


[p. 86]

I. Een brief aan Joh. van Beverwijck over het levenseinde (p.1-28).
II. Aan Andreas Rivet: Praktisch probleem of de studie der letteren voor christelijke vrouwen geschikt is of liever logische uiteenzetting over de geschiktheid van het vrouwelijk verstand tot de wetenschap met brieven van haar en Rivet over en weer over hetzelfde onderwerp in 1638 uitgegeven (p.28-95).
III. Brieven in Latijn en een paar in Grieks en Hebreeuws over verschillende onderwerpen, vooral over theologisch-filologische aan Joh. Smith, Jac. Lydius, Joh. Cloppenburg, Frid. Spanhemius, Cl. Salmasius, Joh. Beverovicius, Jac. Catsius, Ad. Vorstius, Const. Hugenius, Andr. Rivet, Dan. Heinsius, Guilh. Staekmannus, Joh. De Laet, Petr. Gassendus, Lamb. Goris, Jac.Crucius en anderen; en ook verschillende brieven van deze geleerde mannen aan Van Schurman zelf, overal in haar werk verspreid (p.95-256).
IV. Verschillende gedichten (waarover positieve oordelen van Barlaeus, Balsac, Desselius, Borrichius, Morhofius, Rachelius en Sperlingius) die een stukje verderop gegeven worden tussen onze Elogia (p.256-277).
V. Franse brieven aan Petr. Molinaeus, prinses Elizabeth van Bohemen, mevr. de Coutel, aan Anna de Rohan, Fred. Spanhemius, Maria Jars de Gournay en Balzac (de mening van Salmasius en Balsac over haar Frans kun je vinden in diezelfde lofgedichten) (p.277-321).
VI. Lofgeschriften waarmee geleerden Van Schurman hebben geprezen en die uit hun geschriften, brieven en gedichten verzameld zijn (p.321-369).
VII. Drie brieven aan Cl. Salmasius en aan zijn vrouw, geschreven in het Frans door van Schurman (p.369 e.v.).

Opuscula is een veel voorkomende naam van boeken, maar er is geen genre aan de term opuscula op te hangen, zo hemelsbreed verschillen de boeken die onder die dekmantel uitgegeven zijn. Zo staan er in de Utrechtse Universiteitsbibliotheek alleen al 15 titels in de computercatalogus die deze naam dragen, bijvoorbeeld de Opuscula Erasmi, de Opuscula patristica en de Opuscula des. Hl. Franziskus von Assisi. Het verkleinwoord slaat op de kleine werkjes, of op eerder uitgegeven werkjes die nu samen met ander los, klein werk worden uitgegeven. Opuscula is mengelwerk. Het kan natuurlijk ook de connotatie hebben dat de auteur (quasi) bescheiden zijn werk slechts Klein Werk noemt. Die bescheidenheid was vaak niet gemeend, maar was een veel voorkomend topos in

[p. 87]

die tijd. Als Van Schurman verwijst naar de Opuscula, noemt ze die les exemplaires de mes lettres (exemplaren van mijn brieven) of lucubratiuncula (stukjes bij lamplicht geschreven) 213   of nugae (frutsels). 214  

Zoals ik al eerder gezegd heb, ga ik uit van de uitgave van 1652 omdat die het meest uitgebreid is. Zo staan er in deze uitgave de extra brieven in die bij een set brieven over een bepaald onderwerp gaan. Bijvoorbeeld is nu de brief van de bisschop van Efeze opgenomen. Die brief verduidelijkt Van Schurmans brief die in de eerste twee drukken alleen opgenomen is. Of de brief van Joh. Smith. Voor de rest is duidelijk te zien aan de inhoudsopgaven van de verschillende Opuscula's waar ze overeenkomen en verschillen. 215  

Nogmaals: als we de uitgave van 1648 even als basis nemen dat staat er kort gezegd het volgende meer of minder in de volgende drukken:
=1650: plus gedicht op Utricia Ogle plus bedankingsbrief voor het verschijnen van de Opuscula voor Frederik Spanheim.
=1652: plus Hebreeuwse aanbevelingsbrief van Johannes Leusden plus Griekse brief van Meletios, plus 2 brieven van Smetius plus ander portret en bijschrift plus drie extra gedichten (het Franse gedicht op de stichting van de universiteit van Utrecht, en twee Latijnse gedichten).
=1749: minus De vitae Termino; minus brief aan Salmasius; voor de rest gelijk aan die van 1652 plus nieuw voorwoord plus aantekeningen.

De catalogus van de Bibliothèque Nationale in Parijs maakt een onderscheid tussen druk 2a en 2b en 3a en b. In de b-drukken is namelijk steeds de derde Hebreeuwse brief aan Dorothea Moore gedupliceerd. 216  

Maar ondanks de fouten is er toch verbetering in de derde druk: de Franse brieven staan nu allemaal bij elkaar en daardoor kon het woord van de drukker over nieuwe brieven die hem in handen gevallen waren, vervallen. Ik kan nu niet in detail ingaan op de letterlijke verschillen. Dat is ook niet nodig voor een studieuitgave. Liever wil ik aandacht schenken aan het nogal ongewone

 213  Opuscula 1652:237: cum reliquis nostris lucubratiunculis.
 214  Opuscula 1652:213.
 215  Zie bijlagen.
 216  Catalogue generale des livres imprimés de la Bibliothèque Nationale 1971:798.


[p. 88]

voorwerk, dat wil zeggen aan de documenten en prenten die vóór het eigenlijke werk, dat begint met de brief De Vitae Termino, staan. 217  

 217  Typografisch worden die bladzijden ook niet genummerd maar door sterretjes aangegeven.

3.4.1. Voorwerk

Over de titelpagina met de klassieke verwijzingen sprak ik al eerder. Nu staat er in veel exemplaren van de Opuscula het zelfportret van Van Schurman naast de titelpagina. Maar in heel veel exemplaren is het portret eruit verwijderd. Als het nog aanwezig is, zit het vaak op verschillende plekken in het boek: naast de titelpagina of na het voorwoord van Spanheim of voor de geleerdenbrief De Vitae Termino. Het zelfportret draagt de datum 1640. ANNA MARIA A SCHVRMAN AN. AETAT XXXIII MDCXL staat er op de rand van het medaillon. Waarom ze niet een nieuwe gravure stak - ze was immers in 1648 al 41 - is onduidelijk. Mogelijk vond ze haar symbolische leeftijd van 33 op de gravure te mooi om op te geven. Het suggereert dat ze de hoogste leeftijd die Jezus bereikt had en die algemeen beschouwd werd als de volmaakte leeftijd, een toppunt, in haar achterhoofd had.

Van Schurman graveerde dit portret zelf. Dat blijkt volgens Van der Stighelen uit wat Voetius in maart 1641 aan Constantijn Huygens schreef:

Schurmannae nostrae eicona, quae ipsa pinxit et sculpsit si forte nondum videris, hic exhibio. 218  
Ik laat je hierbij het portret van onze Van Schurman zien dat ze zelf getekend en gestoken heeft, in geval je het nog niet gezien hebt.

Ook maakte ze het distichon eronder zelf zoals blijkt uit de bedankbrief aan Spanheim:

Pour ce qui est du pourtrait que l'imprimeur y a mis avec les vers emprunter de mien. 219  
 218  Huygens 1914 deel III:157 nr.2670.
 219  Opuscula 1652:292.


[p. 89]

Van Schurman vraagt dan op 19 januari 1648 aan Adolf Vorstius om het portret aan Spanheim over te dragen:

[...] verum cum hoc frigus in praesentiarum et calamum et Musae nostrae venam constringat, hanc saltem effigiem, quam a me petiit, ipsi, si videtur, cum excusatiuncula tradendam curabis. 220  
[...] maar omdat de kou zowel mijn dichtader als de schrijfstift van mijn Muze dichtschroeft, moet jij alsjeblieft aan hem, bij gelegenheid dit portret, dat hij van mij gevraagd heeft, met excuusjes overhandigen.

Er bestaan vier verschillende staten van deze prent, de eerste zonder haar handtekening en zonder haar distichon, de tweede met. In de derde en vierde staat veranderde haar kapsel en de kraag. 221   Het distichon eronder luidt als volgt:

 Cernitis hic picta nostras in imagine vultus
 Si negat ars formam, gratia vestra dabit
 Hier ziet u mijn gezicht in dit geschilderde beeld.
 Waar de kunst schoonheid niet toelaat, zal uw welwillendheid het toevoegen.

Vooral de vierde staat is vaak vermenigvuldigd, aangepast en veranderd. Zo is er een hele stamboom van verschillende portretten ontstaan (zie de portretten na 3.4.1.)

In de Opuscula van 1652 is een heel ander portret opgenomen. 222   Het is gespiegeld ten opzichte van dat uit 1648. Ook staat er slechts in de rand rondom de medaillon: Anna Maria à

 220  Opuscula 1652:236.
 221  Van der Stighelen 1987:120.
 222  Schotel 1853:aanteek. 68. nr.30.


[p. 90]

Schurman. Bovendien is het portret dit keer niet gesigneerd. Het zelfportret is ook meer conform haar leeftijd die toen ook al 45 was. Ook staat er nu een distichon van Antonius Aemilius onder dat als volgt luidt:

 Non nisi dimidia spectatur imagine virgo
 Maxima quod totam nulla tabella capit.
 Hier wordt de uitmuntende maagd slechts voor de helft in beeld gezien:
 geen enkel frame kan haar totaal omvatten.

Volgens Kamphuis was dit thema een terugkerend refrein onder portretten en gaat het terug op Ovidius. 223   Aemilius was de eerste hoogleraar geschiedenis aan de Universiteit van Utrecht en was ook drie keer ouderling in de gereformeerde kerk. 224   We lazen al eerder het voorwoord van Frederik Spanheim aan de lezers waarin hij een volmaakt beeld van Anna Maria van Schurman oproept. Ze was er nogal ingenomen mee. Ze zal het met dit distichon van Aemilius ook geweest zijn.

In de derde druk is ook een Hebreeuwse brief in het voorwerk opgenomen, en wel van Johannes Leusden, Utrechtse hoogleraar in Grieks en Hebreeuws sinds 1650. 225   Hij behoorde tot de vriendenkring van Voetius en was vanaf 1661 ook geregeld ouderling in de Gereformeerde Kerk in Utrecht. 226   Zijn brief aan Van Schurman is - hoe typisch eigenlijk - gericht aan mannen. Ze moeten naar hem luisteren, schrijft hij, ze moeten aan dit eeuwig wonder aandacht geven. Ze moeten haar boek kopen en lezen. Als ze het lezen zullen ze stil worden van verbazing over deze wijze maagd. Wedijver met haar of vlucht. 227   De aanname was dat dit boek voor mannen geschreven was. We zullen in hoofdstuk 3 zien dat er wel degelijk vrouwen waren die het hele boek van a tot z konden lezen. Het blijft natuurlijk wel erg speciaal dat er, behalve een lovende

 223  Kamphuis 1952.
 224  Duker 1900 (deel III):124; Lieburg 1975:152; Aemilius dichtte onder een portret van Van Schurman ook een Latijns gedicht in 1657 Schotel 1853:aanteek.69 nr. 37.
 225  Duker 1900 (III):192, 83, 124.
 226  Lieburg 1988:156.
 227  Met dank aan Liezl Kruger en professor J. Cook voor de vertaling.


[p. 91]

aanbevelingsbrief in Latijn aan de lezer, ook een aanbevelingsbrief staat in Hebreeuws en die het lezerspubliek ook nog eens expliceert: komt mannen, koopt en ‘eet’ dit boek.

Het boek opent niet met drempelgedichten zoals gewoonlijk wel werd gedaan. Maar de intro door Spanheim en de afdeling Elogia compenseren ruimschoots ervoor, hoewel die Elogia niet specifiek voor de uitgave geschreven zijn. Nergens wendt Van Schurman zich direct tot de lezer. Ze laat zich introduceren door Spanheim en is daar dik tevreden mee. Hooguit kunnen we het gedichtje dat in de eerste twee drukken onder haar zelfportret verscheen wel als zelfintroductie lezen. 228  

Na al dit voorwerk komt het enige theologische tractaat dat over is geleverd. In het Nederlands getiteld Paelsteen van den tijd onses levens, maar in het Latijn De Vitae Termino.

 228  Dat distichon is niet door Smetius gemaakt zoals Van der Stighelen 1987a:134 noot 32 beweert, maar door haarzelf. Opuscula 1652:292.


[p. 92]



Zelfportret in de editie van 1648

 



[p. 93]



Zelfportret in de editie van 1650

 



[p. 94]



Zelfportret in de editie van 1652

 



[p. 95]



Zelfportret in de editie van 1749

 



[p. 96]

3.4.2. Latijnse Brieven

3.4.2.1. De Vitae Termino

De Vitae Termino van Van Schurman verscheen in 1639, eerst in Latijn, toen in Nederlands, twee drukken binnen een jaar, in 1647 nog een herdruk, en later werd het opgenomen in de drukken van de Opuscula. 229   Maar in de druk van 1749 ontbreekt het (zie onder over het waarom). De Vitae Termino was een onderdeel van een wetenschappelijke discussie die in 1632 door de Dordrechtse arts Johan van Beverwijck (1594-1647) was geïnitieerd over de waarde van de medische wetenschap. De hoofdvraag hierbij was of een mens z'n leven, dat door God bepaald was, kon verlengen. 230   Hij had talle geleerden in Europa gevraagd om hun mening te luchten over dit moeilijke vraagstuk.

In 1634 publiceerde Van Beverwijck het eerste deel over de discussie, Epistolica quaestio de vitae termino, fatali an mobili? 231   Maar hij beschouwde dit boek niet het laatste woord over de kwestie en vroeg nog een andere groep geleerden om hun mening. In 1636 werd er een vermeerderde editie in twee delen gepubliceerd. 232   In 1639 verscheen er een compleet nieuw deel, vaak samengebonden met de 1636-editie of later met een andere editie van de twee delen die in 1651 verscheen. 233   Totaal hadden er vierentwintig geleerden meegedaan, waarvan er twaalf theologen waren. De deelnemers kwamen uit Nederland, Frankrijk en Italië. Het boek bevatte niet alleen de calvinistische toegestane visie van Andreas Rivet, Voetius en Johan Godschalk van Schurman, maar ook standpunten van remonstranten en rooms-katholieken zoals Caspar Barlaeus, Simon Episcopius (Remonstrants predikant), Mersenne, Naudé, Liceti en de Joodse geleerde Menasseh ben Israel.

Van Beverwijck was een open-minded man die een controversieel onderwerp bediscussieerd wilde zien vanuit verschillende gezichtspunten. Uit het boek als zodanig blijken die

 229  Van Schurman 1639a; Van Schurman 1639b; Van Schurman 1647; Van Schurman 1728. Opuscula 1648:1-27.
 230  Zie over Johan van Beverwijck: Baumann 1910; Nellen 1991; Van Gemert 1992; Van Gemert 1994; Moore 1994.
 231  Van Beverwijck 1634.
 232  Van Beverwijck 1636
 233  Van Beverwijck 1639a.


[p. 97]

verschillen nauwelijks, gladgestreken als ze zijn door de editeur. Maar als we letten op de mensen die in eerste instantie uitgenodigd waren, maar die geen plaats in het boek kregen of hun antwoord later afzonderlijk publiceerden, zoals Hugo de Groot, dan zien we duidelijk verschillen. Claude Saumaise's antwoord was zo uitgebreid dat hij het advies van Van Beverwijck kreeg om het afzonderlijk te publiceren. Maar ook al werd het aangekondigd in de tweede editie, het is er nooit van gekomen. Hij veranderde van gedachten en besloot dat hij geen zin had om z'n vingers te branden aan het onderwerp. Van Schurman schrijft in haar Opuscula in een brief aan Salmasius erover:

Pour finir, je ne puis m'empescher de vous presser encore sur vostre promesse j'interprete ainsi les dernieres paroles de vostre Livre que vous nous communiquerez un jour vostre traicté De Termino Vitae. 234  
Om te besluiten, ik kan mezelf niet verhinderen om u nogmaals met uw neus op uw belofte te drukken, - zo interpreteer ik de laatste woorden van uw boek - dat u ons een dag uw verhandeling over het levenseinde zult meedelen.

Menasseh ben Israel, rabbi en arts te Amsterdam schreef een verhandeling waarin hij in zijn opvatting diametraal stond tegenover de calvinisten. Het moment van de dood lag niet vast, de mens kon er enige invloed op uitoefenen door goede voeding en een gezonde levensstijl. Ook berouw over de zonde kon God van gedachten doen veranderen. Maar hij wilde niet in Van Beverwijcks boek staan, bang als hij was voor de gevolgen die het kon hebben voor de reeds benarde positie van de Joodse gemeente. Hij publiceerde het afzonderlijk, onder de titel De Termino Vitae. 235   Van Schurman was de enige vrouw temidden van al de mannen die aan deze discussie deelnamen. Zij krijgt dan ook de eer om de discussie te sluiten met haar bijdrage die ‘een marmeren top op dit treffelijk en van alle kanten volmaeckt gebouw zou plaetsen’. Ze schreef haar mening neer ‘de palen niet als sommigen van vermolmt hout maer van eycke ende vaste balcken diep in den grondt der waerheydt geheydt’, aldus Van Beverwijck en staafde het

 234  Opuscula 1652:289: 18 maart 1648.
 235  Nellen 1991:731-740.


[p. 98]

door logische redeneringen en het gezag van vroegere en latere wijzen. Beverwijck voegde haar antwoord in sierlijk Latijn geschreven, bij dat van de overige geleerden en liet het drukken en over heel de beschaafde wereld verspreiden. Hoewel onze levenstijd precies van te voren bepaald was door God, kon dat volgens haar geenszins gezien worden als fatalistisch. Gods heilsplan was uitgelegd tot in het kleinste detail en dit betekende dat op een lager plan de medische wetenschap een essentiële rol te vervullen had. Dokters werden ook ingeschakeld in Gods plan en hoewel de toekomst van te voren bepaald was, had de mens de plicht om het leven dat God gegeven had tot het einde toe te leven.

Schotel beweert dat Van Beverwijck de vertaling maakte, maar in de vertaling staat steeds I.P, een persoon die nog altijd schuil gaat achter deze initialen. 236   Er volgden verschillende herdrukken en Beverwijck stopte haar Paelsteen ook nog als aanhangsel bij zijn veel gelezen Schat der Gezondheid en der ongezondheid. Ook in Frankrijk en Duitsland werd het boekje vertaald 237   en met lofverzen uitgegeven. Schotel:

Uit deze landen, ja uit Italie, Spanje ontving ze felicitaties. Menage, Balzac, Huet, Laurenberg, Conringius, Fred. Lucas prezen het en noemden het een heerlijk tractaat. Ook de Nederlandse dichters zwegen niet: Boy, Beverwijck, Huygens, Lydius, Joncktys, Cats bekroonden het met hunne zangen.
Haar werk werd dus zowel door letterkundigen die haar schoonheid van taal en stijl prezen als door de rechtzinnige godgeleerden die het zagen als ‘een staal van de onvergelijkelijke wijsheid daar God almagtig haar mede begaafd had’. Maar het viel geenszins in de smaak van de Remonstranten en Lutheranen en onder de laatste was het vooral de Straatsburger godgeleerde Joh. Conr. Dannhauer, die in meer dan één geschrift hevig tegen het werk en de schrijfster uitvoer, en haar ‘belgica Lachesis, fatorum nutrix, altera Clotho, filia fati’ noemde. 238  
 236  Schotel 1853:81.
 237  Schotel 1853:aantekeningen 17: ‘in het hoogduits door S.W.Z.B. Des Marcksteins vom Ziel und Zeit unseres Lebens. z.p. 1678 octavo. In 1730 verschenen bij Rebuffé te Parijs in duodecimo, Lettres traduites du Hollandois par Madame de Zoutelande. Deze brieven zijn de beide aan Beverwijck geschrevene over den paalsteen en over den door Jezus genezen blinde’.
 238  Schotel 1853:83-84.


[p. 99]

In de aparte uitgave stonden gedichten van Cats, Boy en anderen ter ere van Van Schurman plus een introductiebrief van Van Beverwijck. Maar die zijn in de Opuscula weggelaten. 239  

 239  De Vitae Termino is afzonderlijk verschenen onder de titel Paelsteen van den tijt onzes levens. Dordrecht 1639 in quarto; in Amsterdam 1639 in octavo; in het Latijn te Leiden in 1639 in quarto en in 1651 in quarto; idem te Rotterdam bij Arn. Leers in 1644 in duodecimo Schotel 1853: aantekeningen 17; Van Lieburg 1975:406-411.


[p. 100]

3.4.2.2. De Dissertatio

De Dissertatio verscheen in 1641 onder de volgende titel:

Nobiliss. virginis Annae Mariae a SCHVRMAN Dissertatio, de ingenii muliebris ad doctrinam et meliores litteras aptitudine. Accedunt quaedam epistolae, eiusdem argumenti. Lugd. Batavor., ex officina Elseviriana, 1641.
Verhandeling van de zeer edele jonge vrouw Anna Maria van Schurman over de aanleg van vrouwen tot de wetenschap en schone letteren. Gevolgd door enige brieven die over dezelfde kwestie gaan. Leiden, Elzeviers, 1641.

In de tekst zelf wijkt de titel af: Annae Mariae a Schurman Problema Practicum, maar boven de rechterbladzijde staat steeds Dissertatio als kopje. Dat geldt ook voor de drukken van de Opuscula waarin de Dissertatio vanaf 1648 in opgenomen is. De tekst is denk ik niet tegen de zin van Van Schurman gepubliceerd, maar wel na veel aandringen. Dat is een bescheidenheidstopos uit die dagen. Ook was er volgens het voorwoord van Van Beverwijck een roofdruk in Parijs gedrukt:

Quare aequiori animo feres, tua ad Reverendum et Clarissimum Rivetum superiori anno Lutetiae satis negligenter edita, nitidis nunc et elegantibus typis correctiora in lucem prodire. 240  
Daarom zult u er zich gemakkelijker bij neerleggen dat uw werk, dat bestemd was voor de eerbiedwaardige en beroemde Rivet en dat vorig jaar nogal slordig in Parijs is uitgegeven, nu gecorrigeerd, verzorgd en smaakvol uitgegeven, het licht ziet.
 240  Dissertatio 1641:6.


[p. 101]

Dat moet de briefwisseling tussen Rivet en Van Schurman geweest zijn, en niet de Dissertatio zelf omdat Van Beverwijck in de volgende zin meedeelt:

Praefixi Dissertationem Logicam, olim mecum communicatam, eiusdem argumenti. 241  
De logische verhandeling die u vroeger reeds aan mij gestuurd hebt, en die hetzelfde thema behandelt, heb ik eraan vooraf laten gaan.

Uit de brief aan de lezer - ook van Van Beverwijck - in de Dissertatio is op te maken dat de roofdruk inderdaad de Dissertatio niet bevatte.

Neque sane id ab ea obtinuissemus, nisi iam praeoccupassent nonnulli, quae alibi edita sunt, non expectato ejus, nec eorum e quorum manibus ea acceperant, permissu publici iuris facere. Aegre tandem ab ea impetravimus ut purius hic ederentur, et eiusdem argumenti adderentur ea, quae producimus. 242  
En wij zouden het helemaal niet van haar gekregen hebben, ware het niet dat enkele mensen zich er reeds meester van gemaakt hadden en het ergens anders gepubliceerd hadden, zonder haar toestemming af te wachten of de rechtsgeldige goedkeuring van degenen uit wiens handen ze die brieven ontvangen hadden. Met pijn en moeite hebben wij uiteindelijk van haar gedaan gekregen dat het hier zuiverder werd uitgegeven en dat het werk over dezelfde thematiek, dat wij eraan vooraf laten gaan, eraan toegevoegd werd.

Ze was volgens Mollerus al in 1631 met een boek bezig over vrouwen en studie. 243   Ook in haar Nederlandse gedicht in 1636 dat ze ter ere van de stichting van de universiteit van Utrecht schreef, moedigt ze haar eigen sekse ook aan tot studie:

 241  Dissertatio 1641:6.
 242  Disseratio 1641:7-8.
 243  Mollerus 1744:816.


[p. 102]

 Ghy die een voncxken hebt noch van een hooger moet,
 Ick segh van ons geslacht, als wel een slave doet:
 En sijt soo besigh niet in 't cieren en pareren,
 Of aen u vluchtigh haer, of aen u schoone kleeren;
 Soo u den Hemel geeft de ruymte van den tijd,
 Geeft die den spiegel niet die geen gebreecken slijt.
 Hier is de schoonheyd veyl die cieren kan van binnen,
 En die met meerder kracht kan aller gunste winnen.
 Ghy vind hier, wat ghy soeckt, een ongemeenen vondt,
 Hoe dat ghy alle daegh noch schoonder worden kondt. 244  

Nog sterker blijkt dat uit haar Latijnse gedicht dat ze bij diezelfde gelegenheid schreef en waarin ze voor toelating van vrouwen tot de universiteit pleitte. 245   De Dissertatio is een prachtig werkje, uitgegeven door Elzeviers, in octavo en met een titelblad en versieringen die direct naar de Klassieke Oudheid verwijzen. Uit het voorwoord van Van Beverwijck blijkt dat de geleerde predikanten Lydius en Colvius het geld bijelkaargebracht hebben voor de uitgave:

Symbolam huic editioni conferunt doctisissimi Theologi Colvius et Lydius summi mecum tuarum virtutum admiratores. 246  
Het geld voor dit boek hebben de geleerde theologen Colvius en Lydius bijeengebracht, samen met mij de grootste bewonderaars van jouw deugden.

Over de prijs of de aantallen die verkocht of uitgedeeld zijn, is vrijwel niets bekend. Wel verwijst Van Schurman in haar brieven geregeld in en vlak voor 1641 dat ze een boekje van haar hand dat pas verschenen is, meestuurt. 247  

 244  Van Beek 1992a:63.
 245  Van Beek 1995b.
 246  Dissertatio 1641:6-7.
 247  Opuscula 1652:194.


[p. 103]

De Dissertatio zoals die in de Opuscula is opgenomen wijkt af van de afzonderlijke druk in 1641. Zo is de introductiebrief van Van Beverwijck gevolgd door een woord aan de Lezer niet meer opgenomen. Dat kan nog verklaard worden uit het feit dat Spanheim nu de taak op zich had genomen voor de editie van de Opuscula. Ook de brieven van en aan Lydius, van en aan Colvius, van en aan Vorstius en de lofdichten van Peyrarede, Cornelius van Someren en van Jollyvet zijn niet meer opgenomen, ook niet in de Elogia. 248   Slechts de brieven van en aan Rivet die ook handelen over de aanleg van vrouwen voor de wetenschap zijn opgenomen in de Opuscula en ook de antwoordbrief aan Lydius. Heel veel verder aan het eind van de Latijnse brievenafdeling staan dan de brieven van en aan Vorstius. Verder heeft men in de derde druk van de Opuscula de brieven die op de Dissertatio van 1641 volgen, in chronologische volgorde geplaatst. Dat komt een beetje vreemd over, omdat je dan begint met Epistolae aliquot de eodem problemate terwijl de probleemstelling nog niet aan de orde is geweest. 249  

 248  Dissertatio 1641:74-112.
 249  Zie meer over de Dissertatio het commentaar bij document 2.

3.4.2.3. Overige Latijnse brieven (39)

De geleerdenbrieven De Vitae Termino en de Dissertatio heb ik apart besproken, al vallen die technisch gesproken onder de Latijnse brieven-afdeling. De Latijnse brieven die er direct op volgen gaan ook over de kwestie van de geleerdheid van vrouwen. Daarna komen er een aantal brieven die sterk theologisch-filologisch gericht zijn en die ook heel wat bladzijden beslaan. Dan staan de Hebreeuwse (3) en Griekse brieven (6) afgedrukt. Daarna komen er 39 Latijnse kortere brieven die net als de Hebreeuwse en Griekse over van alles en nog wat gaan: bezoeken die afgelegd zijn, boeken die aangekomen zijn, theologische hot issues, familie-aangelegenheden, het bewieroken van elkaar, de uitwisseling van kunstwerken, gemeenschappelijke vrienden, reizen etc.

Om een indruk van de verschillende adressaten te geven, zal ik een opsomming geven. Dan zal hopelijk ook door het aantal brieven aan (en soms van) duidelijk worden wie prominent zijn: professor Frederik Spanheim (5), arts Johan van Beverwijck (4), professor theologie Andreas Rivet (12), archeoloog-predikant Smetius (6), predikant Jacobus Lydius (1), rector-theoloog Johannes Cloppenburgh (2), professor Claudius Salmasius (4), raadspensionaris Jacob Cats (1),

[p. 104]

professor Adolf Vorstius (7), dichter-diplomaat Constantijn Huygens (4), professor Daniel Heinsius (1), parlementslid Willem Staackman (1), geograaf Johannes de Laet (1), pedagoge Dorothea Moor (1), de Franse wiskundige Petrus Gassendus (1), antiquair Simonds D'Ewes (2), rechtsgeleerde Lambertus Goris (1), Luffridus Osterwick (2), rector Jacobus Crucius (1). Toch kunnen de aantallen misleidend zijn. Ook al zijn er slechts vier brieven aan Claudius Salmasius opgenomen, dragen sommige door hun lengte en moeilijkheidsgraad veel gewicht bij. Bovendien zijn er heel wat brieven van en aan de bovengenoemde correspondenten niet opgenomen in de Opuscula. 250  

 250  Deze liggen onder andere in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag (b.v.KB 133 B 8); Amsterdamse Universiteitsbibliotheek; Leidse Universiteitsbibliotheek. Of zijn achterin boeken als bijlagen opgenomen: Schotel 1853; ‘Onuitgegeven brieven en gedichten van Anna Maria van Schurman’ 1855; Kist 1833; Ledeboer 1869.

3.4.3. Griekse brieven (6)

In de uitgave van 1652 zijn zes brieven opgenomen in Grieks. Ook hier een overzicht van de adressaten: van en aan de bisschop van Efeze (2), aan de Engelse geleerde vrouw Bathsua Makin (2), aan de arts Johan van Beverwijck (1) en aan professor Claudius Salmasius (1). 251  

 251  Ingram 1966:371-389.

3.4.4. Hebreeuwse brieven (4)

De brieven in Hebreeuws zijn respectievelijk geschreven aan professor-predikant Gisbertus Voetius (1), professor-predikant Andreas Rivet (1) en opvoedkundige Dorothea Moore (1). De aanbevelingsbrief in Hebreeuws van professor Johannes van Leusden staat voorin, na Spanheim's woord aan de lezer.

3.4.5. Franse brieven (18)

Ook bij de Franse brieven speelt professor Spanheim de boventoon (5), prinses Elizabeth van Bohemen (2), mevrouw Coutel (1), mevrouw Anne de Merveil (1), prinses Anne de Rohan (3),

[p. 105]

professor-predikant Pierre du Moulin (1), vriendin Marie du Moulin (1), Franse schrijfster Marie Jars de Gournay (1), professor Saumaise (=Claudius Salmasius) (2), mevrouw Saumaise (1). Over de eerdergenoemde en volgende correspondenten (adressaten) zal meer worden gezegd in het hoofdstuk over de Republiek der Letteren. 252  

 252   Zie 3.3.4 en 3.3.5.

3.4.6. Gedichten (27) 253  

Slechts een klein gedeelte van al de gedichten die Van Schurman geschreven heeft, zijn hier opgenomen. Het is een selectie die zij en Spanheim gemaakt hebben. Het zijn hoofdzakelijk gelegenheidsgedichten in overwegend Latijn met enkele in Frans. Gelegenheidsgedichten zijn volgens Wulf Segebrecht:

Alle in Gedichtform erscheinende und auf tatsächliche, herausgehobenen Fälle des menschlichen Lebens bezogenen, von einem Absender verantwortete, publizierte, adressierte, und öffentlichen Glückwünsche (Huldigungen, Beileidsbezeugungen usw.). 254  

De meeste gedichten vallen hieronder:

  • gedichten op boeken: de geschiedenis van Gelderland door Pontanus (305-6), op de geschiedenis van Utrecht door Aernout van Buchell (306), op het boek tegen de Mariaverering door Andreas Rivet (307), op het boek Dagwerk van Constantijn Huygens (298);
  • gedichten om zich te verdedigen tegen valse aantijgingen (304);
  • op haar eigen levensspreuk (303-4);
  • rouwgedichten (op Johannes Polyander ã Kerchoven (314), Meinardus Schotanus (315-6), Andreas Rivet (316-317) en Carolus Demaetius (318);
  • twee gedichten op de stichting van de Universiteit van Utrecht (300-303), een in Latijn en een in Frans;
 253  1648=1650 (extra gedicht op Utricia); 1652 (idem plus gedicht op Andreas Rivet, Meinardus Schotanus); 1749 (idem).
 254  Segebrecht 1977; Schenkeveld 1984.


[p. 106]

  • gedichten op personen zijn verder ook nog: op Jacob Cats (294-295), op Frederik Spanheim (309-312) op Utricia Ogle (213), op Claudius Salmasius (308), op Constantijn Huygens (297-299); op haar bewonderde voorgangster Marie Jars de Gournay (303).

Toch zou je ook bij gedichten op boeken over de adressaten van gedichten kunnen spreken. Immers een lofdicht op een boek is tegelijkertijd een lofdicht op de schrijver van het boek. Dan zou het rijtje personen voor wie de gedichten bestemd waren er als volgt uit zien: raadspensionaris Jacob Cats (1), professor Caspar Barlaeus (1), professor-predikant Andreas Rivet (3), diplomaat-dichter Constantijn Huygens (6), koningin Henriëtta Maria van Engeland (1), de onbekende vertaalster van l'Astreé (1), geleerde en vrome Anna Maria van Schurman (1), historicus-rechtsgeleerde Buchelius (1), historicus Pontanus (1), dichter Janus Dousa (1), professor Claudius Salmasius (1), professor Frederik Spanheim (1), professor Carolus Dematius (1), professor Meinardus Schotanus (1), professor-predikant Johannes Polyander (1), zangeres Utricia Ogle (1), parlementslid Willem Staackmans (1).

Veel van de gedichten vallen onder de categorie epigrammen 255  , maar drie van de gedichten hebben een typisch Neolatijnse vorm, namelijk die van een Echo: het felicitatiegedicht voor koningin Henriëtte Maria van Engeland (300), een distichon voor de Neolatijnse dichter Janus Dousa (304) en het gedicht op haar levensspreuk (303). 256  

Ook al heeft Van Schurman gedichten in Grieks, Hebreeuws, Ethiopisch en Arabisch geschreven 257  , zijn vrijwel alle gedichten in de Opuscula in Latijn. Slechts twee zijn er in Frans geschreven.

 255  Ter Meer 1991.
 256  Opuscula 1652:300, 304; Schotel 1853:aantekeningen 17-18.
 257  Schotel 1853:40.


[p. 107]

3.4.7. Elogia

De laatste afdeling in de Opuscula heeft als titel: Elogia (Lofgeschriften). Het is een bonte verzameling van lofredes in poëzie en proza van een aantal kopstukken uit de Republiek der Letteren. 258   Typisch is dat er geen enkele van een vrouw bij is. Niet dat er geen lofredes van vrouwen op Van Schurman bekend zijn, maar die waren in het Nederlands verschenen en de vrouwen die ze schreven waren te onbekend. 259   Zoals uit het nadrukkelijke woord van de drukker aan de lezer blijkt, heeft men, om te voorkomen dat er op lange tenen getrapt werd, de lofredenaars alfabetisch geordend. Alfabetisch op de voornaam wel te verstaan:

Nomina Auctorum qui Nobilissimam istam Virginem commendarunt scriptis publicis et privatis, secundam litterarum initialium ordinem, sine ullius praeiudicio hic sunt disposita
De namen van auteurs die de zeer edele jonge vrouw geprezen hebben in uitgegeven geschriften of in manuscript, worden hier in alfabetische volgorde weergegeven, zonder ook maar enige opzet. 260  

Er zouden folianten te vullen zijn met lofdichten op Van Schurman. 261   Waarom zij en Spanheim deze gekozen hebben blijft onduidelijk. In alle drukken is deze afdeling vanaf het begin onveranderd gebleven. De Elogia bestaan zowel uit proza als poëzie, voornamelijk in Latijn en Frans. De grote uitzondering zijn twee Nederlandse gedichten van Jacob Cats op haar, het enige Nederlands dat in dit boek te lezen valt. Vooral uit de lofrede van Louis Jacob, waarin hij weer

 258  Bray 1990.
 259  Johanna Hoobius: Sneller 1996:103; Anna Roemers Visscher:Visscher 1925; Charlotte de Huybert: Spies 1986.
 260  Opuscula 1652:319.
 261  Veel na de publicatie van de Opuscula: Schotel 1853:aanteek. 3-46 passim waar hij honderden namen geeft, 71-83 (bijschriften op hare portretten); 84-91 epigrammen van Des Hayons; 91-105 Gilberto da Cesena La fama trionfante 1642.


[p. 108]

heel veel anderen laat spreken, is veel onbekende informatie te halen. Zo zou Van Schurman ook Nederlandse gedichten voor Nicolaas Heinsius hebben geschreven. 262  

Alfabetisch (maar niet altijd consequent) staan er dan achtereenvolgens:

  • twee Latijnse lofdichten van de Amsterdamse hoogleraar Caspar Barlaeus;
  • een prachtige lofbrief van hoogleraar Claudius Salmasius over Van Schurman die hij aan anderen stuurde;
  • drie Latijnse gedichten van dichter-diplomaat Constantijn Huygens;
  • een Latijns gedicht van de Leidse hoogleraar Daniel Heinsius over een schilderij dat Jan Lievens van haar gemaakt had;
  • een Latijnse brief en drie Latijnse gedichten van Georgius Staackmans;
  • twee Nederlandse gedichten van raadspensionaris-dichter Jacob Cats;
  • een Latijnse brief van de arts Johan van Beverwijck;
  • een verslag in Frans van het bezoek van de koningin van Polen aan Anna Maria van Schurman door Jean le Laboureur;
  • een Latijns gedicht op haar levensspreuk door de geograaf J. de Laet;
  • twee Latijnse gedichten van Smetius, archeoloog uit Nijmegen;
  • drie Latijnse gedichten van rector Gruterus;
  • een lofbrief in Frans van de Franse schrijver Balzac aan meneer Girard;
  • een keuze van wat Louis Jacob uit Parijs onder ogen gekomen was. 263  

Van Schurman liet de lofredenaars hun gang gaan, maar als ze het te bont maakte, klaagde ze. Zo schreef ze in een Griekse brief aan bisschop Meletios van Efeze, die het een beetje te gortig had gemaakt in zijn hyperbolisch schrijven, dat ‘lof met de waarheid overeen moest komen’. 264  

 262  Opuscula 1652:346-364:Ludovici Jacobi à sancto Carolo, Cabilonensis Carmelitae in Bibliotheca illustrium Foeminarum, quae scriptis claruerunt. Desumptum; p.361:Carmina varia, Latina et Batavica scripsisse compertum habeo ex relatione Doctissimi Nicolai Heinsii, magni Danielis filii, nuper Parisiis degentis.
 263   Jacob 1646.
 264  Zie commmentaar document 6.


[p. 109]

Al die lof komt op ons wat overdreven over, maar in de Renaissance was het de gewoonte om lovend te zijn. Van Schurman beschouwde het vroeger in haar leven als een manier om bekendheid te krijgen om zo de zaak van vrouwen te kunnen verdedigen. Later in haar leven ontwikkelde ze een sterke afkeur van al die loftrompetters en beleed ze haar schuld. In haar autobiografie Eukleria stak ze dit niet onder stoelen of banken:

[...] dat ik my (hoewel een zeker verborgen grond van mijn gewisse my dikwijls tegenriep) onder schijn van eenige deugt of pligt, of van een gemein goet der Geleertheit, tot dat Schoutonneel van een doorlugtige naam, waarvan men zig daar na seer beswaarlyk ontslaan kan, al voet voor voet heb laten opleiden, en dat ik, ik weet niet door wat onbedagtsaamheit of verblinding, stoffe of gelegentheit gegeven heb tot de afgoderye der geleertheyt, aan welke zig schuldig maken alle liefhebbers der ydele eere, of (gelyk iemand niet 't onregt gezegt heeft) de leugenagtige Lofredenaars, welke zig door onderlinge loftuiterye betooverende, zig tot regte Eer-dieren veranderen; aan welke verre-gaande zonde ik my door de uitbasuiners van mijn uitmatigen lof so ver schuldig bevinde, als wanneer men my (een sterffelijke mensje, en wormtje der aarde, en die ik om mijn menigvuldige zonden tegens den hemel, en so wel om de overërfde als dadelijke ongelovigheit de eeuwige ketenen en kerker der duisternis weerdig ben) ten hemel verhief, en my niet alleen seer reukeloos in den rang van Heidensche Goden stelde, maar ook als men my met de eigenschappen van den waaragtigen God, als daar is de Alwetenheit, en ik weet niet met wat al voor hatelijke eertijtelen godslasterlijk overlied: dat ik my nergens met behoorlijke kragt, of door eenig openbaar tegen-betoog of verantwoording tegen haar onsinnigheit, of zal ik zeggen godloosheit, verzet heb, 't welke dan tegenwoordig als met verfoejing van mijn pligtverzuim gehouden ben te doen. En daarom wederroep ik op dese plaats, voor de Sonne, (na het voorbeelt van Augustinus dien opregten Outvader) alle mijne Schriften, die na zulken lossigheit van mijn gemoed, of na die ydelen en wereltsen geest rieken; nogh ik kenze niet langer voor de mijne: daarom schuive ik verre van my af en verwerpe, als met mijn belijdenis en gelegentheit


[p. 110]

niet overëenkomende, op eenmaal, alle Schriften van andere, en voornamelijk die Lofvaarzen, die met deze ydele eere, of met dat teiken der godloosheit gebrandmerkt zijn. 265  

Ze zou het helemaal eens geweest zijn met wat de editeur van de herdruk van de Latijnse Eukleria in 1782 schreef:

Man kann in den Opusculis die eitlen und übertriebnen Lobsprüche lesen, die ihr die viri celebratissimi ertheilt hatten. Sie thaten es, um sie wieder zu bekommen, und erhielten sie auch von ihrer Höflichkeit zurück. Diese Erinnerung musste nach so geänderten Gesinnungen, die schmerzhaftesten Empfindungen in ihr erwecken. 266  
Man möchte wünschen dass jemand über das Verderbliche des panegyrischen Geschmacke eine Folge, der allen Menschen angebornen Falschheit - ein wahres Buch schriebe. - Diese Geschmack gehört unter die grötzsten Uebel der Welt. 267  

Na deze bespreking van de Opuscula wat betreft het ontstaan, de drukgeschiedenis, het polyglottisme en de indeling ervan, zal de volgende paragraaf over de wijde verspreiding van de Opuscula gaan.

 265  Eukleria 1684:12-14.
 266  Aantekening Duitse vertaling van de Eukleria 1783:15.
 267  Eukleria 1783:16