[p. 205]

1. Commentaar

Frederik Spanheim (1600-1649), die het voorwoord bij de Opuscula schreef, werd in Amberg in de Boven-Palts geboren, studeerde te Heidelberg, Genève en Parijs en werd in 1626 hoogleraar in de filosofie te Genève. In 1642 werd hij professor theologie te Leiden en daar overleed hij op 14 mei 1649. 381   Hoe Van Schurman met hem in contact is gekomen is niet meer te achterhalen. Vanaf 11 januari 1644 dateert het eerste gedicht dat Van Schurman voor hem schreef. 382   In de Opuscula staan, behalve zijn brief aan de lezer, heel wat brieven van Van Schurman aan hem en brieven van hem aan haar en ook een paar prachtige Latijnse gedichten, een waarin ze hem tu mihi Phoebus, tu mihi Parnassus noemt. 383   Toen hij in 1649 overleed schreef ze een roerend rouwgedicht In obitum eminentissimi Theologi D. Frederic. Spanhemii. 384   Een paar opvallende brieven die binnen de categorie lange theologisch-filologische brieven vallen gaan over ligatio sathanae, over het binden van de satan dat in Openbaringen 20:2-3 ter sprake komt. 385   Spanheim vroeg aan van Schurman hoe zij deze kwestie over een duizendjarig vrederijk op aarde zag. Zij geeft dan in een lange brief tekst en uitleg. 386   Uit hun correspondentie in Latijn en Frans kunnen we afleiden dat Spanheim haar aanspoorde tot de uitgave van haar Klein Werk, dat ze bij elkaar over de vloer kwamen, dat hij haar een boek cadeau gaf en zij hem een kunstwerkje, dat ze elkaar heel erg op prijs stelden. Van Schurman prijst Spanheim als een van de coryfeeën van de theologen. 387   Ook over zijn zoon Frederik Spanheim junior laat ze zich lovend uit. 388  

Spanheim schrijft het voorwoord, terwijl het toch heel te doen gebruikelijk was in die tijd dat de auteur zich zelf tot de lezer richtte. Het heeft waarschijnlijk te maken met het feit dat Anna Maria van Schurman een vrouw was. Als vrouwen al schreven dan deden ze dat anoniem (Bathsua Makin), of hun werken verschenen pas posthuum, of hun werk zat bij andere mannen

 381  Schotel 1853:117; Schotel 1875; Eekhof 1921.
 382  Opuscula 1652:309-312.
 383  Opuscula 1652:*2r-4v 15 juli 1648;213-214 (=24 december 1645); 234-5 (3 Mei 1647); 277-280 (20 april 1645); 272-273 (29 juni 1645); 280-282 (18 oktober 1647); 291-293 (15 augustus 1648); 309-312 (22 januari 1644); 309-312.
 384  Schotel 1853:30-31. Leiden, Universiteitsbibliotheek handschrift PEQ 6 f 223r-v.
 385  Opuscula 1650:107-120.
 386  Douma 1924:37.
 387  Opuscula 1652:279.
 388  Opuscula 1652:292-293.


[p. 206]

bijgebonden. 389   Als Van Schurman al had gedurfd, dan had ze dat niet op zelfbewuste toon kunnen doen, maar kruipend in het stof van bescheidenheid, schamend dat ze zich zo durfde te presenteren. Introductiebrieven door andere bevriende of hooggeplaatste personen kwamen ook voor en daarom laat Van Schurman zich introduceren.

Spanheim steekt de loftrompet over Van Schurman uit. Zijn voorwoord is een lofbrief in optima forma. Van Schurman is een unicum, zo'n vrouw is er nog nooit geweest en zal er ook nooit zijn. Zo op het oog af lijkt het allemaal renaissance-rethoriek van lege lof. Maar wij die het nageslacht zijn, kunnen slechts beamen dat Van Schurman inderdaad een bijzondere vrouw geweest is, dat ze zoveel kon en wist, dat ze echt bescheiden was.

Zelf zegt ze over deze brief van Spanheim dat ze het als een prachtig standbeeld beschouwt dat hij ter ere van haar heeft opgericht en dat het een zeer voordelige indruk van haar studies aan de toeschouwers geeft. 390  

 389  Van Beek 1992a:21.
 390  Opuscula 1652:291-292.