[p. 224]

2. Commentaar

De Dissertatio vormt een onderdeel van een aantal brieven die over de aanleg van vrouwen tot de wetenschap gaan en is geschreven voor en door Andreas Rivet en Anna Maria van Schurman. 409   Voordat ik dieper op die Dissertatio inga, eerst iets over Andreas Rivet.

 409  Opuscula 1652:26-87. Er zijn nog meer brieven aan Andreas Rivet die over de vrouwelijke geleerdheid gaan en die niet zijn opgenomen in de Opuscula. Dibon 1971. KB 133 B8. Helaas ontbreken die ook in Ter Haar 1996 en Bulckaert 1995.

Andreas Rivet

Andreas Rivet (1572-1651) bezocht het hugenotencollege La Rochelle, was kapelaan en predikant te Thouars (1595-1620) en aanvaardde in 1620 het hoogleraarschap in de theologie te Leiden. In 1632 werd hij gouverneur van prins Willem II van Oranje, de zoon van Frederik Hendrik en verhuisde hij naar Den Haag. In 1646 kreeg hij het oppertoezicht van de Illustre School te Breda. Zijn eerste vrouw liet hij in de steek toen zij vanuit Frankrijk niet mee naar Leiden verhuisde. Zij stierf een paar maanden na zijn vertrek. Hij hertrouwde met Marie du Moulin, een halfzuster van de bekende Frans-protestantse godgeleerde Pierre du Moulin. 410  

Andreas Rivet is voor Van Schurman erg belangrijk geweest. Hij was haar belangrijkste discussiepartner over onder andere de studie der vrouw in de jaren dertig en veertig. 411   Veel van hun correspondentie in Latijn, Frans en Hebreeuws is bewaard gebleven. 412   Zo is ongeveer een kwart van de Opuscula daarmee gevuld (83 bladzijden van de 364).

Behalve dat hij haar discussiepartner was, fungeerde hij als hofambtenaar (vanaf 1631) als schakel tussen mensen met Frankrijk en ook met het hof in Den Haag. Rivet had een kring van vrouwen om zich heen die hij bij Van Schurman introduceerde: Marie du Moulin, Anne de Rohan, Elizabeth van Bohemen, Utricia Ogle en mogelijk ook Bathsua Makin. Dorothea Moore kreeg een introductiebrief van Van Schurman om met Rivet te spreken. De vele brieven en gedichten in de Opuscula gaan niet alleen over de studie der vrouw, maar ook over religieuze issues, nieuwtjes over boeken, bedankjes, gedichten op twee van zijn boeken en tenslotte een

 410  Cohen 1924; Honders 1930; Opstal 1937.
 411  Schotel 1853:111.
 412  Dibon 1971. Hierin is ook het handschrift in Den Haag Hs. 133 B8 nr. 1-57 dat 57 brieven aan Rivet van Van Schurman bevat, verwerkt.


[p. 225]

rouwgedicht na zijn dood. 413  

Iets van de verhouding tussen Van Schurman en Rivet, die ze haar geestelijke vader noemde, blijkt uit wat zijn nicht Marie du Moulin in haar boek over het heengaan van Andreas Rivet schreef:

's Avonts ontrent den eeten, gedacht hy aan Joffrouw Schurman, 't is seide hy, een persoon, dewelcke ick altijdt liefde en oprechte genegentheit hebbe toegedragen, ende sy heeft my met haar heilige vrundschap ende met den naam van Vader vereert, ende tot een klein onderpand van mijn vaderlicke toegenegentheit, geef ick haar een Bybeltje sonder puncten, van Plantijns druck, dat gy op so een plaats in mijn studeer-kamer sult vinden. Indien ick noch eenige kracht hadde, ick sou haar met mijn stervende hand, eenige getuigenisse van d'eerbiedinge ende hoog-achtinge, die ik van de wonderbare gave Gods in haar heb, schryven. Maar, voegde hy 'er by, mijn Soon, gy sult het gene daar ick nu in gebreck van blyve, voldoen ende haar doen verstaan mijnen geluckigen uitgang, ende dat ik Gode gebeden hebbe, dat hy haar in haar roepinge, die van boven is, versterck, haar dagen in synen zegen verlenge, ende haar de genade doe van haren loop geluckiglick te voleindigen. 414  

Als erfstuk liet hij haar dus een ongevocaliseerde Hebreeuwse bijbel na. Volgens Van der Stighelen is de prachtige gekalligrafeerde bladzijde met een citaat ontleend aan Cicero en met een dagpauwoog en een vlieg (tweede kwart 17de eeuw), die op de KB in Den Haag ligt, vermoedelijk een cadeautje van Anna Maria van Schurman voor Rivet. 415   Het is een licht

 413  Quoties mecum cogito 12 Idus Jan. 1632 p.26-28; Nobilissima Virgo Si laudes tuas apud alios Kal. Mart. 1632 p.55-58; Dissertatio (Problema Practicum) 1638 p.29-55; Nihil mihi gratius accidere 8 Idus Martii 1638 p. 58-73; Dissertatio tua elegantissima 18 Mart.1638 p.74-83; Quod tot tantisque negotiis pridie Idus Martii 1638 p.83-87; Hebreeuwse brief aan Rivet p.153; Agnosco solitam tuam erga me 1637 p.173-175; Non est quod dubites, Vir reverende et in Christo charissime Pater 5 mei 1638 p.175-176; Apologeticum tuum 13 Kal. Febr.1643 p.197-199. Instabilem Ecclesia Dei 5 Non. April. 1643 p.199-201; Vltro meipsam neglecti 15 Kal. Jan. 1644 p.209-210; Poema Lugubre p.221-223 s.a.; Latijns gedicht (6 regels) voor Rivet p.296; Latijns gedicht (13 regels) voor Rivet Vindicias Mariae Matris domini; Latijns rouwdicht op de dood van Rivet: In obitum summi viri D. Andreae Riveti.
 414  Du Moulin 1651:68-69; Schotel 1853:aanteek.112.
 415  Van der Stighelen 1987a:221.


[p. 226]

afschijnsel van de vele geschenken, brieven, kunstwerken, boeken en van de gedachten die tussen Rivet en Van Schurman uitgewisseld zijn.

Logisch Betoog

Num Foeminae christianea conveniat studium Litterarum?
Is een christelijke vrouw geschikt voor de Letterenstudie?

Met deze vraagstelling opent de Dissertatio of het Logisch Betoog. 416   Onder een dissertatio werd in die tijd een bepaald type verhandeling verstaan zoals die aan een universiteit onder het voorzitterschap van een hoogleraar in het openbaar gehouden werd en die dan later gedrukt werd. 417   Zo zijn er talle dissertatio's bekend, zelfs een die als onderwerp Van Schurman zelf heeft. 418  

In de brief van Van Beverwijck die aan de afzonderlijk gedrukte Dissertatio voorafgaat (Het Logisch Betoog werd in 1641 voor het eerst bij Elzeviers in Leiden uitgegeven) noemt hij haar een dissertatio logica, een logisch betoog. 419   Heel algemeen kan gesteld worden dat logica de studie naar de regels van het correct redeneren is. Vanouds streeft men er in de wetenschap naar om juiste en controleerbare kennis voort te brengen. In de zeventiende eeuw stond de methodiek van de traditionele logica in de universitaire wereld centraal. Deze manier van logica richt zich vooral op de formele analyse van correcte redeneringen. In deze formele analyse die teruggaat op de zogenaamde syllogistiek van Aristoteles, worden beweringen en redeneringen vertaald in symbolen zodat fouten en onduidelijkheden makkelijk opgespoord kunnen worden. Bij Aristoteles was de logica een instrument dat beheerst moest worden voordat men zich in andere wetenschappen verdiepte. 420   In de middeleeuwse scholastiek was vervolgens ook een praktische

 416  Ik zal deze namen afwisselend gebruiken. De eerste is al zo ingeburgerd, maar de tweede is een treffender vertaling.
 417  Roothaan 1996:27.
 418  Wickelius 1796.
 419  Dissertatio 1641:6.
 420  Guthrie 1969:135.


[p. 227]

toepassing van de syllogistiek ontwikkeld: de gewoonte namelijk om brandende kwesties te bespreken in een formele disputatie onder leiding van een autoriteit. De formulering van de kwestie, alle voor- en tegenargumenten en de weerlegging of onderbouwing daarvan, en ook de conclusie moesten bij zo'n disputatie plaatsvinden volgens de regels van de syllogistiek. Het resultaat van de bespreking werd dan daarna op schrift gezet. Deze manier om - vooral theologische en ethische - problemen te behandelen was nog praktijk aan de universiteiten van de zeventiende eeuw. 421  

Het is deze vorm (afgeleid van een middeleeuwse scholastieke quaestio) die Van Schurman in haar Betoog nagevolgd heeft. Allereerst werd de vraag waar het stuk om draaide gesteld (a). Dan volgden de preciseringen van de termen en andere preliminaire overwegingen (b), vervolgens de argumenten pro en hun bewijzen (c), de argumenten contra en hun weerleggingen (d) en de conclusie die de bevestiging van de vraagstelling is (e). 422  

Van Schurman doet dat precies in haar Betoog:
a) de vraagstelling: mag een christelijke vrouw letteren studeren?
b) ze preciseert het subject en predikaat: een christelijke vrouw is iemand die zowel met de mond als in-der-daad een christen is; onder letteren verstaat ze talen, geschiedenis en filosofie, maar ook in meer algemene zin alle vakken die een ontwikkeld mens behoort te weten. Ze legt sterk de nadruk op de vakken die een nauw verband houden met de theologie en de morele deugden. Dat wil zeggen: grammatica, logica, retorica, fysica, metafysica , geschiedenis en vooral de talen Hebreeuws en Grieks als bijbeltalen. Verder wiskunde, muziek, poëzie en schilderkunst. Ze legt de vrouwen verder vier, eigenlijk vijf, voorwaarden op: een gemiddeld verstand, geen armoede thuis, veel vrije tijd en ze moeten studeren ter ere Gods. Bovendien moeten ze hun sekse zoveel als mogelijk van nut zijn.
c) De argumenten worden steeds als volgt bewezen: Eerst een syllogisme in de vorm van een Barbara:

Alle mensen hebben recht op onderwijs.
Vrouwen zijn mensen.
Vrouwen hebben dus recht op onderwijs.
 421  Roothaan 1996:24-26.
 422  Van Eck 1992:50-51.


[p. 228]

Ofwel Alle B's zijn A, Alle C's zijn B, dus zijn alle C's A. De eerste zes argumenten (gebaseerd op de eigenschappen van het subject) hebben deze vorm. Maar de argumenten 7-14 (gebaseerd op eigenschappen van het predikaat) hebben de volgende vorm:

Alles wat A is, is geschikt voor vrouwen.
Wetenschap is A.
Dus is wetenschap geschikt voor vrouwen.

Vervolgens geeft zij bewijzen van de major (door haar soms propositio genoemd, de eerste premisse) en van de minor (assumptio, de tweede premisse). Deze bewijzen hebben een uiteenlopend karakter: een beroep op een autoriteit als Plato en Erasmus, of op het gezond verstand. In totaal geeft zij veertien (eigenlijk vijftien) bewijzen.
d) De argumenten contra of de vijf objecties met hun bewijzen. Dit zijn de argumenten die vanouds af en die ook nu nog vaak te horen zijn. Vrouwen hebben een zwak verstand, vrouwen hebben geen studiezin, vrouwen hebben de middelen niet, een studie is zinloos voor vrouwen omdat ze er niets mee kunnen doen, vrouwen hebben maar weinig studie nodig om hun roeping thuis te vervullen.
e) De conclusie eindigt met een bevestiging van de vraagstelling: ja, christelijke vrouwen mogen letteren studeren.

 

Het bijzondere van de Dissertatio is volgens Van Eck dat ze de uitsluiting van vrouwen bij de bespreking van dit soort onderwerpen opvoert en hen binnen in het univers de discours brengt door telkens in de minor te stellen dat ook vrouwen de eigenschap A nodig hebben om te studeren. Haar strategie is even simpel als revolutionair en afdoend en vormt een sluitend betoog. 423  

De technische redeneervorm wordt in de Dissertatio (of het Logisch Betoog) voor een specifiek probleem gebruikt. De ondertitel is namelijk Problema Practica, een probleem dat met het praktische (morele) leven te maken heeft. Het gaat hier om een klassiek onderscheid in de (filosofische) wetenschap: dat tussen theoretische en praktische wetenschap. De vorm van haar

 423  Van Eck 1992:55-56.


[p. 229]

logisch betoog sluit dus in meerdere opzichten aan bij de academische traditie. Het belangrijkste verschil is wel dat zij buiten de muren van de universiteit schreef en daarom op eigen gezag. 424  

Het taalgebruik is vaak formulair en de woordenschat is beperkt. Ook worden veel zinnen niet afgemaakt: na etc. moet de lezer zelf de rest van de zin invullen of zelf zinnen maken na Ergo. 425  

Met haar Betoog had Van Schurman in de eerste plaats Andreas Rivet voor ogen. Dat blijkt ook uit het opschrift dat er in de 1e en 2e druk van de Opuscula bovenstaat: Ad Reverendum et Clarissimum D. Andream Rivetum. 426   Maar ze moet ook aan Voetius gedacht hebben die al in 1634 tegen Van Buchell had opgemerkt dat ze Syrisch, Arabisch en Logica leerde. Ze wilde hem laten zien dat ze als vrouw heel goed in staat was om zo'n logisch betoog te houden. 427   Zowel Rivet als Voetius waren traditioneel ingestelde hoogleraren die zo'n logische betoogvorm op prijs zouden stellen. Ze had sowieso een geleerd publiek voor ogen, omdat ze in Latijn schreef.

In haar Betoog pleit ze niet, zoals ze wel in haar Latijnse gedicht dat ze voor de opening van de Utrechtse Universiteit schreef, voor de toelating van vrouwen tot de universiteit. Thuisonderricht voor vrouwen is voldoende. Toch overschrijdt ze juist door haar betoog, dat volgens de academische regelen van de kunst geschreven is, haar bescheiden pleiten voor het ongestoord thuis mogen studeren. Waarschijnlijk heeft ze haar argumentatie aangepast aan Rivet's opvattingen die niet zo vooruitstrevend waren. Zo heeft ze het in haar eerdere brieven aan Rivet over vrouwen in het algemeen, maar schittert christelijke vrouw nadrukkelijk in de vraagstelling van het Logisch Betoog.

Op één plaats in het betoog smokkelt Van Schurman met Seneca. Het citaat van Seneca dat ze daar geeft luidt dat deugd niet gekoppeld is aan status of sexe. In het origineel staat echter:

 424  Roothaan 1996:26.
 425  Bulckaert 1995:161.
 426  Opuscula 1648:28; Opuscula 1650:28. In de derde druk weggelaten.
 427  Van Buchell 1940:28.


[p. 230]

Nulli praeclusa virtus est: omnibus patet, omnes admittit, omnis invitat, et ingenuos et libertinos et servos et reges et exules; non eligit domum nec censum, nudo homine contenta est. 428  
Deugd sluit niemand uit: zij staat open voor iedereen, laat iedereen toe, nodigt iedereen uit, vrijgeborenen en vrijgelatenen en slaven en koningen en ballingen; zij kiest geen woning uit of vermogen, zij is tevreden met een naakt mens.

Het is een ‘slip of the tongue’, nog een aanwijzing hoezeer sekse haar ter harte ging.

 428  Seneca, De Beneficiis III, 18, 2.

Vertalingen

De Dissertatio werd in het Engels vertaald als The Learned Maid en zou onder andere door Bathsua Makin, een geleerde Engelse vrouw met wie ze in Grieks correspondeerde, in haar Essay to revive the ancient Education of Gentlewomen nagevolgd worden. 429   The Learned Maid zegt in 1659 in het voorwoord ‘This strange Maid, being now the second time drest up in her English habit’. 430   De volledige titel van de Engelse vertaling luidt: The Learned Maid; or, whether a Maid may be a Scholar? A logick exercise written in Latine by that incomparable Virgin Anna Maria à Schurman of Vtrecht with some Epistles to the famous Gassendus and others. 431   De editie is vooral op een Engels publiek gericht: de opdracht aan Lady A.Huntington, de brief aan Lady Moor, de Simonds D'Ewes en een gedeelte uit een brief aan Rivet dat specifiek gaat over Lady Jane Gray, de jonge vrouw die vijftien dagen koningin was van Engeland. 432   Het betoog is hier en daar behoorlijk ingekort. Zo is ook haar portret naast de titelpagina aangepast aan het jaartal waarin The Learned Maid verscheen: 1659. Haar portret laat ook een vrouw zien die zo'n vijftig jaar oud is. 433  

 429  Van Beek 1995a:24-48.
 430  De eerste vertaling in het Engels is tot nu toe onbekend.
 431  Van Schurman 1659.
 432  Levin 1985:92-106.
 433  De Learned Maid bevat een verkorte brief van Fr. Spanhemius Lectori; de opdracht van C.B. aan Lady A.H. p.1-32 een min of meer correcte vertaling ietwat ingekort; p.33-36 een brief aan Petrus Gassendus; p.37-40- een brief aan Van Beverwijck; p.41-46 brief aan Lady Moor; p.47-50 brief aan Simonds D'Ewes; p.51-52 brief aan Spanheim; p. 53-55 Out of an Epistle to Dr. Rivet.


[p. 231]

Steeds wordt er gezegd dat het Betoog in het Frans vertaald is, maar dat is slechts ten dele waar. De Question Célèbre die in 1646 te Parijs werd uitgegeven bevat delen van de correspondentie Rivet-Van Schurman, maar bevat het Logisch Betoog zelf niet. 434   Willems zegt dat de Dissertatio herdrukt is in de Opuscula's van de auteur en dat deze curieuze dissertatie in het Frans vertaald is onder de titel Question Célèbre. 435   Deze twee fouten worden telkens weer herhaald. Daarom nog een keer met nadruk: het werk is niet in het geheel opgenomen in de Opuscula, slechts een selectie van de brieven rond de Dissertatio plus de Dissertatio zelf kreeg een plek erin, en de vertaling in het Frans is slechts ook gedeeltelijk. 436  

De Franse vertaling is opgedragen aan een andere Anne Marie, namelijk Anne Marie Louise d' Orleans, Fille unique de Monseigneur le Duc d'Orleans. Uit het Advis au Lecteur wordt duidelijk dat Colletet onder zachte dwang van een vriend overgehaald is:

Entreprendre la version Francoise de ces trois petits discours latins
[...] Elle prend a tache de prouver que toutes les filles doivent estre scavantes
om een Franse versie te maken van deze drie kleine geschriften in Latijn [...]
Zij [Van Schurman pvb] neemt de taak op zich om te bewijzen dat alle meisjes geleerden kunnen zijn.
 434  De volledige titel: Question celebre s'il est necessaire, ou non, que les Filles soient scavantes. Agitée de part & d'autre, par Mademoiselle Anne Marie de Schvrman Hollandoise, et le Sr. Andre Rivet Poitevin. Le tout mis en François par le Sr. Colletet. A Paris. Chez Rolet le Duc 1646. Avec privilege du roy. Het volgende is er in opgenomen: Discours de Mademoiselle de Schurman à Monsieur Riuet.1. Monsieur, Ie suis rauie d'apprendre que les petits deuoirs que i'ay rendus a Mademoiselle vostre Niepce ne vous ont pas despleu. 6 maart 1638; 2. Le discours élegant que vous auez faict en faueur de vostre sexe 18 maart 1638; 3. Replique de Demoiselle La peine que vous auez prise de respondre si amplement a mes resueries 14 maart 1640. Gevolgd door Eloges de Mademoiselle Anne Marie de Schvrman Composez par differents Autheurs.
 435  Willems 1880:130 nr. 527; Berghman 1911:183: nr.1274.
 436  De Nederlandse editie van Renee ter Haar en Angela Roothaan schiet vanuit een filologisch standpunt te kort, hoezeer de vertaling ook te prijzen is. Roothaan en Ter Haar 1996. Ook is het niet de eerste Nederlandse vertaling, maar verscheen er een jaar eerder, vrijwel onopgemerkt een Nederlandse vertaling van de hand van de Vlaamse Barbara Bulckaert (1995).


[p. 232]

De Question Célèbre is een vertaling van een eerder uitgegeven werk Amica Dissertatio inter nobilissimam virginem Annam Mariam a Schurman, et Andraeam Rivetum, de ingenii muliebris ad scientias, et meliores literas capacitate dat te Parijs (1638) verscheen. 437   Later werd het Logisch Betoog in haar Opuscula opgenomen en door de herdrukken over Europa verspreid. 438  

Het Logisch Betoog past in de toen al eeuwenlange traditie van de Querelle des Femmes, de verhandelingen pro en contra de vrouw die sinds de vijftiende eeuw geschreven werden en tot in de achttiende eeuw zouden verschijnen. 439   Maar al eerder deden filosofen en theologen ook uitspraken over de vrouw, meestal negatief. 440   Zo beschreef Aristoteles de vrouw als een misgeboorte. 441   Plato twijfelde of hij de vrouw onder de redelijke of redeloze wezens moest rangschikken. De minderwaardigheid van de vrouw is door velen ook met de hand op de bijbel verdedigd. Teksten als 1 Petr. 3:7 dat ze het zwakkere vat is, werden maar al te graag gebruikt om vrouwen onder het gezag van de man te houden. Musonius Rufus (ca. 25-100 A.D.) was echter een vroege voorstander dat vrouwen filosofie moeten studeren. Hij beweerde dat vrouwen en mannen over dezelfde geestelijke en zintuiglijke vermogens beschikken en dat beiden verlangen naar de deugd. Een vrouw die filosofie gestudeerd heeft zal het huishouden (met slaven etc.) beter kunnen besturen. De vrouw moet volgens Musonius Rufus wel ‘kuis en bezonnen’ zijn, geen slaaf van begeerte, hartstocht of woede. Welnu dat zijn voorschriften van de filosofie. Een filosofe is een betere echtgenote, ze is ook dapperder. Ze zal inspanning niet uit de weg gaan, maar zal ook borstvoeding (sic) geven. Als vrouwen filosofie bestuderen, dan zullen ze niet zinloos redeneren. Hun redeneringen zullen integendeel steeds doelgericht zijn. 442  

Maar Musonius Rufus was een roepende in de woestijn. De kerkvaders en de woestijnvaders zijn berucht voor hun uitgesproken negatieve kijk op de vrouw. Ze was volgens hen via Eva de oorzaak van het grote kwaad in de wereld en ze moest daar haar leven lang boete voor doen. Daarom was ze minderwaardig. 443   Luther kwam nog met het volgende argument aan dat de brede

 437  Bulckaert 1995:153.
 438  Schotel 1853:117.
 439  Spies 1986:339-350; Maclean 1977; Kelly 1982:4-28.
 440  Zie voor overzichten Douma 1924:42-60; Maclean 1980:1-27; Rang 1988:36-64;Bulckaert 1995:145-153.
 441  Aristoteles, De Generatione Animalium II.3 [838a 27]; Plato, Symposion.
 442  Van der Horst 1997:130-133.
 443  Maclean 1980:6-27; Douma 42-43.


[p. 233]

heupen en smalle schouders van vrouwen een teken waren van haar geringe verstand en een teken dat ze thuis moesten blijven. Intellectuele bagage was overbodig.  444   Erasmus toonde daarentegen aan de hand van de opvoeding van de dochters van Thomas More aan dat literaire vorming voor meisjes zinvol kan zijn. 445   Ook de Spaanse humanist Vives wilde jonge meisjes in kennis en wijsheid opvoeden, vooral omdat hij vond dat onwetendheid tot onkuisheid leidde. De Heilige Schrift en de geschriften der kerkvaders beschouwde hij als uitstekende literatuur om onkuisheid te voorkomen, net als de werken van Plato, Cicero en Seneca. 446  

Werd de Querelle des Femmes in de Renaissance vooral beschouwd als een literair spel dat voornamelijk door mannen bedreven werd, Kelley merkt daarentegen terecht op dat het ars et mars was, dat het de motor was van feministisch schrijven. 447   In de zeventiende eeuw waren er vrouwen als de Italiaanse Lucretia Marinella, de Franse Marie Jars de Gournay, de Ierse Dorothea Moore en de Engelse Bathsua Makin die zich in de discussie mengden, vrouwen die Van Schurman in haar werk noemt en met wie zij ook correspondeerde. 448   Bij Van Schurman was het zeker niet alleen een literair spelletje meespelen. Volgens Mollerus was ze al 1631 begonnen met een ‘Liber gallicus, quo Virginibus optimam otio suo fruendi rationem persuadere voluit’, een Frans boek waarin zij vrouwen heeft willen overtuigen van de beste manieren om hun vrije tijd te besteden. 449   Gezien de lange aanloop die ze nam tot de publicatie van de Dissertatio - al vanaf 1631 correspondeerde ze al met Rivet over geleerdheid van vrouwen -, gezien haar uitspraken in het Nederlandse maar vooral in het Latijnse gedicht dat ze in het openbaar uitsprak, lijkt het haar bloedige ernst te zijn, al zagen we dat ze in de Dissertatio een paar passen terugneemt en tevreden is met thuis-onderricht van vrouwen.

Tot slot geef ik nog enkele reacties op het Logisch Betoog. Rivet reageerde als volgt:

 444  Geciteerd door Maclean 1980:10.
 445  Geciteerd door Bulckaert 1995:153.
 446  Geciteerd door Bulckaert 1995:149-150.
 447  Maclean 1977:25; Kelly 1982:5.
 448  Opuscula 1652:63, 85,162-164.
 449  Mollerus 1744:817.


[p. 234]

Dissertatio tua elegantissima pro tuo sexu, et ingeniorum muliebrium ad omnes liberales artes et scientias capessendas aptitudine, virorum ingenia adaequante, forsan et superante, me aliquandiu suspensum tenuit. 450  
Uw elegante betoog waarin u uw sekse en het talent van vrouwen verdedigt om zich toe te leggen op alle vrije kunsten en wetenschappen, een talent dat het van van mannen evenaart en misschien wel overtreft, heeft me een poosje in het onzekere gehouden.

Aan Petrus Gassendus, een Franse wiskundige, die positief had gereageerd, schrijft ze:

I perceive you have so kindly interpreted our short dissertation of the more polite studies of the Female Sexe, that from thence hath proceede no small affection to your esteem of me. And yet, what I pray is greatly to be praised in this writing besides my endeavour seriously to maintain a liberal Cause, and (if I may have any suffrage here) most reasonable, so far as Modesty would permit? But it is an illustrious Argument of your Love to true Wisdom, that you are so far from contemning the least spark of it, even in our Sex; that you are pleased to cherish it and raise it up into a Flame. 451  

Bathsua Makin volgde het Logisch Betoog na in haar Essay to revive the Antient Education of Gentlewomen. 452  

In de Bibliothèque Nationale in Parijs wordt een bijzonder exemplaar van de Dissertatio bewaard. Marguerite d'Ailly, een zeventiende eeuwse Parijse humaniste, liet haar kopie binden in een zeer fraaie band, gaf het goud-op snee en zette raadselachtige monogrammen en spreuken op het voor- en achterblad. 453   Ze moet het boekje gekoesterd hebben als goud.

 450  Opuscula 1652:74.
 451  The Learned Maid 1659:34-35.
 452  Van Beek 1995a:40.
 453  Tot nu toe heb ik niets over haar kunnen vinden omdat het boek waarin iets over haar te vinden is, onvindbaar is: Michel de Bry, Bibliothèque d'une humaniste Marguerite d'Ailly; auction catalogue 1966.