[p. 288]

16. Commentaar

Anna Maria van Schurman bewonderde haar Franse voorgangster, de veel oudere katholieke Marie Jars de Gournay (1566-1645), schrijfster en autodidact. Marie is vooral beroemd geworden door haar vriendschap met Montaigne, zij was zijn fille d'alliance. Na zijn dood gaf ze ook zijn Essais uit. Maar zelf publiceerde ze ook gedichten, vertalingen, filosofisch werk, literaire kritieken en feministische tractaten. In 1626 publiceerde ze haar tractaat De l'égalité des hommes et des femmes waarin ze de vrouw aan de man gelijkstelde. 575   Wie het contact tussen Van Schurman en Marie Jars de Gournay legde, is onbekend. 576   Nadat Van Schurman enkele brieven van Marie Jars de Gournay gekregen had, vroeg ze aan Rivet elke houding ze moest aannemen tegenover haar. 577   Ook noemt ze de Gournay verschillende keren in haar brieven:

Nam si ab antiquitate testimonium petimus, contrarium evincent tum omnis aevi exempla, tum etiam maximorum virorum authoritas; Uti non minus lepide quam erudite ostendit nobilissimum Gornacensium decus in libello quem inscripsit, L'egalité des hommes et des femmes. 578  
Want als wij de Oudheid om bewijzen vragen, dan zullen zowel voorbeelden van alle tijden en zelfs uitspraken van autoriteiten het tegendeel bewijzen; zoals het edele juweel Gournay even slim als geleerd heeft laten zien in het boekje dat ze De l'egalité des hommes et des femmes heeft genoemd.

 

Nobilissimae Gornacensis dissertatiunculam: De l'egalité des hommes et des femmes, uti ab elegantia ac lepore improbare minime possum: ita eam per omnia comprobare nec
 575  Schiff 1910; Wessel 1987:123-133; Bonnefon 1898; Ilsley 1960; Horowitz 1986:271-284; Dezon 1988.
 576  Overgeleverde restanten van hun correspondentie: gedicht in Latijn van Anna voor Marie (Opuscula zie document 22); brief in Frans van Anna voor Marie 26 januari 1647 (Opuscula 1652:282-284); brief in Frans van Marie voor Anna (KB 133 B8 nr.23 20 oktober 1639); brief van Anna voor Marie (KB 133 B8 nr.24); een lofdicht van De Gournay op Van Schurman in de laatste editie van haar l'égalité, Schiff 1910:120.
 577  KB 133 B 8 nr. 23.
 578  15 maart 1638 Opuscula 1652:63.


[p. 289]

ausim quidem, nec velim; licet ad sapientum testimonia, quae illa nobis exhibuit, brevitatis causa provocarim. 579  
Het tractaatje van de edele Gournay De l'egalité des hommes et des femmes, kan ik vanwege de rake stijl en de aantrekkelijkheid allerminst afkeuren, maar toch zou ik het niet in z'n geheel durven of willen goedkeuren; hoewel ik me, om kort te zijn, beroep op de getuigenissen van de geleerden die zij ons heeft laten zien.

In februari 1640 schreef de geleerde stadsgenoot Buchelius in zijn dagboek:

Domina Maria Gorniacensis adhuc in vivis scribebat dominae Annae Mariae Schurmannae valde amicabiliter seque habere in animo sua scripta, modo vita supererit, recudie facere atque in iis memoriam amoris et favoris mutuae cum illa se relicturam, has mihi ostendit frater 580  
Mevrouw Marie Jars de Gournay die nog steeds in leven is, heeft mevrouw Anna Maria van Schurman zeer amicaal geschreven dat zij van voornemen is, mits haar voldoende levenstijd gegund zal worden, om haar brieven te laten uitgeven en dat zij deze zal nalaten als een herinnering aan hun wederzijdse liefde en (wel)gezindheid (met haar). Haar broer heeft mij dit laten zien.

In deze brief aan Marie Jars de Gournay is Anna Maria van Schurman wat kritisch. Hoewel ze haar hartelijk bedankt voor de brief en voor de faam die Gournay haar bezorgt - De Gournay had namelijk een lofdicht op Van Schurman in de 1634 en 1641 editie van l'Egalité opgenomen waarin ze Van Schurman op de lijst van beroemde geleerde vrouwen had gezet en haar ‘The Dutch Minerva’ had genoemd en ‘the rival of these illustrious women in eloquence and who possesses the ancient and modern languages and all the liberal and noble Arts’ 581   - vindt ze de

 579  Opuscula 1652:89.
 580  Van Buchell 1940:10.
 581  Schiff 1910:79; Zedler 1989:302.


[p. 290]

kritiek die Gournay op haar talenstudie heeft, onterecht. Ze besteedt slechts weinig tijd aan talenstudie, uitgezonderd het Hebreeuws. Dat is immers de taal die mensen tot in de hemel zal bijblijven. Die voorkeur voor het Hebreeuws zien we steeds weer bij haar opduiken.