23. CommentaarOp 16 maart 1636 was het dan zover. 654 De ‘Illustre School’ van de stad Utrecht die in 1634 was opgericht, werd door de stedelijke overheid omgezet in een universiteit. Dat was een feestelijke gebeurtenis. Drie dagen eerder was er zelfs een speciale dienst in de Domkerk gehouden om de zegen van God bij de geboorte van deze universiteit af te smeken. Gisbertus Voetius (1589-1676), predikant en professor theologie, had zijn inaugurele rede in 1634 gehouden over Pietas cum scientia coniugenda, over vroomheid te verbinden met de wetenschap. Nu had hij de gemeente gesticht met een preek over de Nutticheyt der Academieën ende Scholen, mitsgaders der Wetenschappen ende Consten die in deselve gheleert werden naar aanleiding van Luc.11:46 over de twaalfjarige Jezus in de tempel. Zijn knappe en vrome stadgenote Anna Maria van Schurman mocht er een Nederlands gedicht op schrijven: ‘Op het Sermoen ghedaen voor de Inleydinghe van de Academie van Vtrecht’ [...]. 655 Voetius had haar ook gevraagd om als beste Latiniste van de stad Utrecht het openingsgedicht voor de nieuwe universiteit te schrijven. Dat werd het gedicht INCLYTAE ET ANTIQUAE URBI TRAIECTINAE Nova Academia nuperrime donatae gratulatur ANNA MARIA à SCHURMAN. |
654 Voetius 1636; Schotel 1853:89-90.
655 Voetius 1978;Van Beek 1992a:54-63.
|
Inclyta et antiqua urbs TrajectinaAnna Maria van Schurman feliciteert in haar Latijnse lofdicht de stad Utrecht met de nieuwe universiteit. Ze doet dat geheel volgens de regels der rhetorica die golden voor de traditionele stedenlof en het stededicht. 656 Dat klassieke genre was met de opkomst van het Humanisme en met de Renaissance weer tot bloei gekomen, zowel in Neolatijn als in de volkstaal. 657 Daar veel steden universiteitssteden waren, is het bijna vanzelfsprekend dat lof op de universiteiten vaak in die van steden werd ingebouwd. 658 Opvallend is verder hoe eender de stededichten in tweeduizend jaar gebleven zijn. 659 De drie belangrijkste loci van de stedenlof zijn volgens het invloedrijke boek |
656 Slits 1991.
657 Huygens 1981:6.
658 Slits 1990:252.
659 Slits 1990:301.
|
|
over de theorie en praktijk van het loven van een stad in de Renaissance, de Poetices libri septem van Scaliger, de ligging van de stad, haar oorsprong of geschiedenis en de daden van de burgers. 660 Ik zal deze loci in het gedicht slechts kort aanstippen en verder ook niet uitweiden over wat toch in elk stededicht voorkomt (de personificatie van de stad b.v.). Liever zal ik langer stilstaan bij haar zeer ongewone, opzienbarende uitspraak over vrouwen. Van Schurman verwijst in de titel en in r.1-2 naar de machtige stad Utrecht die de ommelanden beheerst. Hoge muren heeft de stad en ook vele kerken steken hun torens naar de hemel uit. Indirect prijst ze daarmee de macht en de religiositeit van de burgers. Ze verwijst in r. 5-8 naar de vroegere ligging van Utrecht aan de rivier de Rijn. Ze slaat in r. 18 een brug tussen toen en nu door de nadrukkelijke woordspeling in kapitalen - een ‘must’ in een stededicht - op de naam van de stad: TRAIICIES. De oorsprong van Utrecht gaat terug tot 47 A.D. toen de Romeinen ‘Trajectum’ gesticht hadden als een permanent fort in de reeks vestingwerken die keizer Claudius door generaal Corbulo had laten aanleggen langs de rijksgrens de rivier de Rijn. 661 Utrecht bleef tot in de Middeleeuwen een bloeiende rivierstad en de belangrijkste stad van Noord-Nederland. Maar toen de rivier de Rijn een andere loop ging volgen verloor de stad haar inkomsten uit scheepshandel en visserij. 662 Juist door de oprichting van een nieuwe universiteit hoopt de stad nu het tijdperk van verval over te steken (traiicies). Daar Utrecht dus niet meer aan de rivier lag en de rijkdom vleugels had gekregen (r.8), troost Van Schurman de Utrechtenaren door te wijzen op de geestelijke rijkdom die door de bronnen van de nieuwe universiteit aangeboord zullen worden. Iedereen zal kunnen drinken uit deze bron van wijsheid, zowel de Nederlanders als de buitenlanders van over de hele wereld als de Utrechtenaren (r.15-17). Ze had hier heel passend haar gedicht met de verplichte zegenbede kunnen besluiten. Maar juist na de opsomming van wie er allemaal wel uit die bron van wijsheid kunnen putten, is haar rethorische vraag en antwoord in r. 19-20 des te treffender:
|
660 Slits 1990:54-70.
661 Van Dockum en Van Ginkel 1993:34.
662 Struyck 1984; Kernkamp 1936.
|
Deze regels over de uitsluiting van vrouwen zijn geen tweeregelige afwijking, zijn niet iets wat tussen haakjes gezet moet worden van de rest van het gedicht, zoals Leo Miller beweert. 663 Ze staan precies op de juiste plek: na de opsomming van wie er allemaal wel toegelaten worden. Haar antwoord is duidelijk: Omnibus hic seritur, metiturque, voor iedereen wordt hier gezaaid en gemaaid. Dat houdt in dat ze de universiteit niet alleen voor alle nationaliteiten open wil zetten, maar vooral ook voor vrouwen. Omnibus staat niet voor niets vooraan in de zin en krijgt zo alle nadruk. Het is volgens mij ook niet toevallig dat de negentiende-eeuwse dominee-dichter J.P. Hasebroek in zijn dichterlijke vertaling van dit gedicht opzettelijk omnibus heeft weggelaten:
Hasebroek leefde in een eeuw waarin het nog vanzelfsprekend was dat vrouwen niet werden toegelaten tot de universiteit. In het Latijnse gedicht staan verder slechts verwijzingenen naar vrouwelijke godheden: naar Pallas die met haar wapens de trage barbarij moet verdrijven, naar Minerva die door haar welsprekende mond de mysterieën van de Wijsheid zal openbaren, naar Themis, de godin van rechtvaardigheid en naar de Muze die voor de Castalische wateren zal zorgen. Dat kan een aanduiding zijn dat ze lijkt te mopperen over het feit dat, ondanks het patronage van deze |
663 Bovendien herkent Miller het gedicht niet als een typisch stededicht: ‘She composed the kind of ode that was wanted, replete with the sentiment and allusions appropriate to such an occasion, framing beginning and end with the traditional emblems of Utrecht, opening with the stern realities of lowland floods, passing to the significance of the new academy for seafaring Netherlanders cruising to far-off transoceanic shores. Then abruptly in the middle there comes a two-line interruption, a digression, a painful parenthetical aside and a private sigh: But perhaps you ask, what grief aches there in your breast? No girls will gather in these hallowed halls.’ So much she allowed herself and then she returned to the accepted theme in hand’. Miller 1991:491-498.
664 Schotel 1853:92.
|
|
godinnen, vrouwen toch buiten de mysterieën worden gehouden. De ‘sacra’ staan dankzij hun bescherming open voor iedereen, maar nog niet voor de ‘virginei chori’. Daarom wordt Themis, de godin van rechtvaardigheid, er bijgehaald. Zij zal de tweedrachtige Chaos buitensluiten. Ze eindigt het gedicht zeer toepasselijk met toespelingen op het devies van de universiteit (r.28, 30). Het is duidelijk dat ze die Sol iustitiae, de zon der gerechtigheid, over iedereen wil laten schijnen, ook over vrouwen. Tijdens de feestelijkheden had Anna Maria van Schurman haar Latijns gedicht in het openbaar mogen voordragen. 665 Ze liet dus deze gelegenheid niet voorbij gaan om de zaak van de vrouwen te bepleiten. Dat was voorheen in Nederland bij mijn weten nog nooit vertoond. Juist haar universiteitsgehoor, vertrouwd als het was met Latijn, moet ogenblikkelijk haar klacht over uitsluiting van vrouwen begrepen hebben. |
665 Douma 1924:22.
|
ReactiesHet Latijnse gedicht (met het Franse en Nederlandse gedicht) werd opgenomen in de bundel met inaugurele redes van de professoren en afgedrukt in de Europese kranten van die dagen. 666 Een stroom reacties kwam los, zowel in binnen- als buitenland. De reacties zijn interessant omdat ze inzicht bieden in de attitudes van mannelijke tijdgenoten tegenover het fenomeen van de geleerde vrouw. De bekende Nederlandse en Neolatijnse dichter Caspar Barlaeus smeekte in zijn tegenzang ‘Ad masculos versus Annae Mariae a Schurman, quibus Trajectinae urbi novum Academiae decus gratulatur’ (op de mannelijke verzen van Anna Maria van Schurman waarmee ze het nieuwe sieraad van de Utrechtse universiteit gelukwenst):
|
666 Schotel 1853:92-93; Douma 1924:23.
|
Haar vriend Van Beverwijck reageerde door het Latijnse en Franse gedicht op te nemen in zijn boek Van de Wtnementheyt des vrouwelijcken geslachts waar hij Anna Maria van Schurman als zijn paradepaardje aanvoert. 668 Zelf meldt ze in een brief aan de dichter-dominee Revius dat ze haar gedichten ter gelegenheid van de stichting van de Utrechtse universiteit had uitgegeven. 669 Behalve de reacties en bezoekers die haar gedichten tot gevolg hadden, lukte het haar om toestemming te krijgen om de dispuutcolleges van Voetius te volgen. In de wand van één van de auditoria werd een opening gemaakt die met bepleisterd weefsel werd bespannen. Er werden een paar gaten in geboord en zo kon ze, ongezien door het manvolk, de theologische dispuutcolleges volgen. 670 Anna Maria van Schurman werd op die manier onzichtbaar de eerste Nederlandse vrouwelijke student. Door haar gedichten op de Utrechtse Universiteit overschreed ze de gendercodes van haar dagen, door haar bijwoning van de colleges eveneens. |
667 Opuscula 1652:321.
668 Van Beverwijck 1638:96.
669 Brief aan Jacobus Revius 31 maart 1636 in Schotel:1853, aantek. p.106: versus quos nuper in nascentis Academiae nostra laudem edidi.
670 Van der Stighelen 1987a:21.
|