[p. 336]

25. Commentaar

Het bezoek van Utricia Swann aan haar geboortestad deed haar vriendin Anna Maria van Schurman naar de pen grijpen om een welkomstgedicht voor haar te schrijven. Utricia Ogle-Swann (1616-1674) was in Utrecht geboren. Ze had een Engelse vader Sir John Ogle (1568-1639) die van 1610-1618 militair gouverneur van Utrecht was geweest. Haar moeder was Elizabeth de Vries van Dordrecht. Utricia werd te Utrecht geboren en naar die stad genoemd, net als haar zusje Trajectina (?-1643). 680   Waarschijnlijk heeft zij een groot deel van haar jeugd in Engeland doorgebracht. Later kwam Utricia naar Nederland terug als hofdame in het gevolg van Mary Stuart, de vrouw van Willem II en het oudere zusje van Elisabeth, de prinses die Bathsua Makin les gaf.

Op 18 december 1646 trouwde ze met kapitein William Swann. Met hem heeft ze lang in Breda gewoond en later te Hamburg waar Swann resident van Groot-Brittannie was. Ze was goed bevriend met Van Schurman en zocht haar zelfs op toen deze in 1653 noodgedwongen in Keulen moest blijven. 681   Van Schurman brengt haar bezoek te berde in een Nederlands gedicht ‘Aenmerkinghe Over 't onderschijt tussen UITRECHT en CEULEN:

 Hier laet een Edel Swaen haer blijde stemmen hooren
 Een stem van groote kunst een stem van groot gewelt
 Die Uiterecht voor een tijt ons binnen Culen stelt (r. 18-20). 682  

Utricia musiceerde en zong terwijl ze zichzelf op de luit begeleidde. Constantijn Huygens had haar zingen geleerd, droeg zijn Pathodia Sacra (1647) aan haar op en bleef tot aan haar dood met haar bevriend. 683   Als we haar portret mogen geloven was ze een fraaie vrouw. In 1650 vroeg Constantijn Huygens aan Anna Maria van Schurman om een zangpartijtje te organiseren met hooguit zes mensen: Anna Maria, Johan Godschalk, Utricia Swann, William Swann, Voetius en

 680  Roemers 1994:37.
 681  Schotel 1853:52.
 682  Van Beek 1992a:67-68.
 683  Worp 1896:129-136; Keesing 1987:101-102; Van der Stighelen 1987b.


[p. 337]

Huygens zelf. 684   Later zou hij in Engelse brieven aan Utricia schrijven voor informatie over Van Schurman's verblijf in Keulen en over Van Schurman als Labadiste in Altona. 685  

Wanneer Van Schurman Utricia Swann had leren kennen? Misschien via Huygens, mogelijk door Rivet; beiden werkten al jaren bij het stadhouderlijk hof en kunnen dus heel gemakkelijk de contacten gelegd hebben. Een argument voor Rivet is dat Utricia ook Marie du Moulin kent, zijn inwonende nicht. Van Schurman schrijft aan Madamoiselle du Moulin te Breda, op 3 april 1649:

Je veux croire que mes lettres n'auront point besoin pour le present d' excuses pour ce qu'a ses s'adressent a vous si bien accompagnées; je veux dire de celles de Madame Zwaen, laquelle sans dout vous expliquera les particularitez de son voyage a la Haye et l' estat present de la Cour. 686  
Ik wil geloven dat mijn brieven geen enkele behoefte hebben om excuses te maken omdat ze zo goed vergezeld worden. Ik bedoel door Mevrouw Zwaan, die u ongetwijfeld de bijzonderheden van haar reis naar Den Haag en de huidige toestand van het Hof zal vertellen.

In het gedicht verwijst Van Schurman naar de geboortestad van Utricia, naar haar muzikale talenten en hun vriendschap. Ze maakt veel klassieke verwijzingen die met muziek te maken hebben, en die Utricia zo opgepikt moet hebben. Beide vrouwen waren van adel, vroom en muzikaal en allebei vrouwen van Utrecht.

In de Opuscula is een brief opgenomen aan Adolf Vorstius (januari 1648). Daarin wordt naar het gedicht op Swann verwezen. Dat zou namelijk tegen de zin van Van Schurman in Leiden uitgegeven zijn:

 684  Huygens (gedichten deel 4):241.
 685  Huygens (deel 5):187, 200-201.
 686  KB 133 B 8 nr. 61.


[p. 338]

Habes his versiculos meos in laudem Nobilissimae Dominae Swaniae extempore conscriptos et quidem Leydae non satis emendate typis excusos me plane insciâ, ne dicam, invitâ; sed quia jacta est alea, remedium huic malo nullum invenio, nisi de novo recudantur una cum reliquis nostris lucubratiunculis
Hierbij stuur ik je mijn gedicht ter ere van de edele vrouwe Zwaan, voor de vuist weg geschreven en te Leiden, niet genoeg van fouten gezuiverd, uitgegeven, geheel en al zonder mijn weten, om niet te zeggen, tegen mijn wil in. Maar omdat het nu gebeurd is, kan ik aan geen remedie tegen dit kwaad denken dan om het opnieuw uit te geven samen met andere bij lamplicht vervaardigde werkjes.

Gezien de datum boven het gedicht: november 1647 is het alleszins aannemelijk dat meos versiculos naar dit gedicht verwijst. Schotel heeft dus gelijk met zijn bewering dat het gedicht afzonderlijk in Leiden gedrukt is. Nog voordat het in de Opuscula opgenomen werd, kwam het in 1649 al voor in een uitgave met lofdichten, Epigrammes consacrez à la vertu de Madamoiselle Anne Marie de Schurman. 687   Pas in de derde druk van de Opuscula is het gedicht dat op november 1647 geschreven werd, opgenomen. 688  

 687  Epigrammes consacrez à la vertu de Madamoiselle Anne Marie de Schurman par le Sieur des Hayons. Utrecht, 1649:14-15.
 688  Opuscula 1652:313. Het gedicht is ook in Schotel (1853: 50-51) opgenomen met aangepaste spelling en in Birch (1909:51-52) met aangepaste spelling en veranderingen.