Klein werk: de Opuscula Hebraea Graeca Latina et Gallica, prosaica et metrica van Anna Maria van Schurman (1607-1678)


auteur: Pieta van Beek


bron: Pieta van Beek, Klein werk : de Opuscula Hebraea Graeca Latina et Gallica, prosaica et metrica van Anna Maria van Schurman (1607-1678). Eigen beheer, z.p. z.j. (proefschrift Universiteit van Stellenbosch, Zuid-Afrika)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 27]

2. Levensbeschrijving van Anna Maria van Schurman als vrome, geleerde en polyglotte vrouw

Onlangs liep ik in de stad Utrecht in hartje Nederland rond, toen er weer eens een regenbui naar beneden kwam. M'n oog viel op de blauwe paraplu's die overal de lucht ingestoken werden. De gele zonnetjes bovenop de paraplu's leken de hemel te smeken om alsjeblieft toch die regen te staken. De spreuk die om de zon geschreven stond bevestigde dat: Sol iustitiae illustra nos, Zon der gerechtigheid verlicht ons! Die zon en spreuk zijn al sinds 1636 het embleem van de Universiteit van Utrecht.20

Maar eenmaal terug aan de zuidpunt van Afrika beklom ik op een warme middag de trappen van de Kweekskool, de faculteit theologie te Stellenbosch. Ik keek omhoog naar het tympaan en zag met een blik van herkenning ook daar Sol iustitiae illustra nos staan, hier niet om de zon maar eronder.21 Toen ik het gebouw binnenging vond ik in het heilige der heiligen - de bibliotheek - een kostbaar perkamenten boekje waarin diezelfde spreuk verwerkt was in een Latijns gedicht uit 1636. Dat gedicht is opgenomen in een boek dat de titel Opuscula (Klein werk) draagt.22 Men treft er namelijk het volgende in aan: een theologische tractaat De Vitae Termino, een Dissertatio over het recht van de vrouw op studie, een aantal brieven in Latijn, Frans, Grieks en Hebreeuws aan diverse grootheden uit de Respublica Litterarum, gevolgd door een afdeling Poemata in Latijn en Frans en tenslotte door een bundeltje Elogia op de schrijfster van het boek, Anna Maria van Schurman (1607-1678).23

[p. 28]

Anna Maria van Schurman werd in 1607 in Keulen geboren. Ze was de enige dochter tussen drie zonen. Vader Frederik van Schurman was een rijke balling uit Antwerpen, moeder Eva von Harff een adellijke jonkvrouwe uit het Rijnland. Zij waren in de protestantse gemeente onder het kruis in Keulen getrouwd. De familie Van Schurman verhuisde vanwege de geloofsvervolgingen in het katholieke Keulen, eerst naar hun familiekasteeltje Dreiborn in Schleiden, toen in 1615 naar Utrecht.24 Deze stad zou het middelpunt worden van Anna Maria van Schurmans leven en zij zou een tijdlang het middelpunt van deze stad zijn. Vader van Schurman en de huisonderwijzer zorgden voor de opvoeding van de kinderen. Nadruk viel niet alleen op de bonae litterae en de schone kunsten, maar ook op de protestantse religieuze lectuur. Al heel jong las Anna Maria van Schurman de Bijbel, de Heidelbergse Catechismus en het Martelarenboek.25 Die vroomheidszin bleef Anna Maria levenslang bij.

Elf jaar oud was ze toen haar vader ontdekte hoe slim ze was. Haar broers leerden namelijk Latijn maar zij, die als meisje maar met Frans genoegen moest nemen, had door haar aanwezigheid bij die lessen zoveel Latijn opgepikt dat zij haar oudere broers verbeterde. In haar Latijnse autobiografie Eukleria die ze aan het einde van haar leven schreef, kijkt ze terug naar deze belangrijke jeugdepisode:

Cum nimirum circa undecimum meae aetatis annum, (à partu Virginis 1618.) Accideret, ut Fratres mei, (quorum unus fere biennio, alter quadriennio me aetate superabat) Latino, ego vero Gallico sermone, dictitante Patre meo exerceremur, nescio quo casu, aut verius divina Providentia contigerit, ut ego quaedam eorum quae illi neglexerant, ipsis aliquoties suggerem, unde ansam dabam Parenti conjiciendi, me non infeliciter iisdem literis, eademque opera instrui posse: et quando me simul ad idem sentiendum fortiter excitaret, meque illius desiderio, (certe non alio nisi ipsi placendi atque obediendi studio) alacriter obsecundantem videret, me ab illo tempore literarum studiis initiavit. Ne vero ipso introitu me deterrerent spinosae minutiae Grammaticae, eam adhibuit prudentiam, quod illarum ioco Senecam Philosophum (quo autore mirum in modum delectabatur) mihi legendum atque explicandum proposuerit, afferens, aquilam non captare muscas. Nec nisi per lusum postea, maxime necessaria rudimenta deambulando in horto et alibi
[p. 29]
me docuit; ita ut taedium amaritudinis radicum studiosorum facile devoraverim. Interim ne Scriptoris Ethnici dulcedo Christianae pietati [...] officeret, Sacrarum literarum lectionem, veluti temperamentum aliquod, cum illius lectione combinavit.26
Rond mijn elfde jaar - het was 1618 A.D. - gebeurde het eens dat mijn oudere broers die bijna twee en vier jaar ouder waren dan ik, door vader onderwezen werden in het Latijn, maar ik in het Frans. Het toeval, of liever: de Goddelijke voorzienigheid zorgde ervoor dat zij iets in het Latijn niet wisten maar ik wel. Toen trok mijn vader de conclusie dat ik even goed met mijn broers mee kon leren. Hij moedigde me sterk aan en ik wilde niets liever dan hem een plezier doen en hem gehoorzamen en ik deed dus m'n uiterste best. Van toen af begon hij mij in te leiden in de letteren. Om te voorkomen dat de lastige, fijne onderscheidingen van de grammatica mij al direct aan het begin zouden afschrikken, nam hij het verstandige besluit om mij Seneca de filosoof voor te leggen om te lezen en uit te pluizen om zo spelenderwijs met de grammatica vertrouwd te raken. Een adelaar vangt geen vliegen, zei hij. De basisbeginselen van het Latijn heeft hij mij spelenderwijs tijdens wandelingen in de tuin en elders bijgebracht. Op die manier werden de vervelende beginselen van de studie voor mij gemaklijker verteerbaar gemaakt. Intussen voegde vader bij het lezen van deze aangename heidense schrijver als tegengif de heilige schriften er aan toe. Anders zou de christelijke vroomheid schade lijden.27

Anna Maria van Schurman had van jongsaf plezier gehad in verscheyden slag van konsten als knippen, borduren, tekenen en aquarelleren. Daarom deed haar vader haar in de leer bij de graveerster Magdalena van der Passe.28 In de volgende jaren leerde Van Schurman in kunst en

[p. 30]

wetenschap zoveel bij dat de belangrijke Nederlandse dichteres Anna Roemers Visscher in 1620 (ze is dan pas 13) al dichtte:

 
Sijt gegroet, ô Jonge Bloem
 
Van wiens kennis dat ik roem
 
Die ik acht en 'die ik minne,
 
Die ik hou voor mijn vriendinne:
 
Die in toecomende tijdt
 
(Immers soo 't den Hemel lijdt)
 
'T puijk sal wesen van die maechden,
 
Die ooijt wetenschap bejaechden.
 
Lieffelijke, soete spruijt,
 
Schiet vrij deuchdes looten uijt:
 
En' de schoonheidt van uw' leden,
 
Ciert die met noch schoonder zeden.
 
Laet uw' lieve, kleene mondt,
 
Als het past, met reen en' grondt,
 
Mannen hoochmoedt doen verdwijnen;
 
Als gij Grieken en' Latijnen,
 
Dat geleerd' uytheemsche volk
 
Toe kent spreken, zonder tolk.
 
Dat uw' witt en' teeder handen
 
Al de schrijvers maek tot schanden.
 
Als gij lijnwaet, met uw naeldt;
 
Of papier, met kool bemaelt:
 
Dat de konstenaers staen kijken,
 
En' bij Pallas u gelijken.
 
Als gij met de vingers dan
 
Roert de Clavecimbel an,
 
Of de luijt; en' daer het zingen
[p. 31]
 
Aerdich onder weet te mingen.
 
Aeij! hoe geestich moet dat gaen?
 
Hoe bevallich moet dat staen?
 
'K wensch dat godt uw 's levens jaren
 
Wil voor ongeval bewaren.
 
Eer uw' Vader hebben moet,
 
Die u wel heeft opgevoedt.29

Ze roemt in dit gedichtje haar kennis van Grieks en Latijn, haar schrijf-, borduur- en tekenkunst, haar zang en het bespelen van de clavecimbel en de luit.

Omstreeks dezelfde tijd leerde ze de dichter Jacob Cats kennen, die haar introduceerde in de literaire kringen. Hij correspondeerde met haar, ze schreven gedichten in het Latijn of Nederlands voor elkaar en gaven elkaar boeken cadeau. Cats schreef in zijn veelverkochte boeken over Anna Maria van Schurman als de veelbelovende, talentvolle en geleerde vrouw.30 Zo begon haar naam befaamd te raken.

In 1623 vertrok de familie Van Schurman uit Utrecht naar Franeker. Op 30 oktober schreven Frederik van Schurman en Johan Godschalk van Schurman zich in als student aan de Academie van Franeker.31 Maar vader Van Schurman werd onverwachts doodziek en stierf. Voorin de Latijnse familiebijbel werd geschreven:

Anno 1623 den 15 November In Franeker
is indeselve in den Heere ontslapen ontrent
den een uijren na de middach ende leyt alldaer
begraven in het Choor in de grote kercke.32

Zijn dood zou een belangrijk gevolg voor het verdere leven van Anna Maria hebben: op zijn sterfbed moest ze hem namelijk beloven om nooit te trouwen, om die onontwarlijken verdorven

[p. 32]

wereltschen huwelijksbant (ab inextricabili conjugii mundani corruptissimo vinculo) te vermijden.33 Ze was net zestien jaar geworden. Voortaan zou ze zich verschuilen achter de spreuk van de martelaar en kerkvader Ignatius: Ο εμος ερως εσταυρωται, mijn liefde is gekruisigd.34

De vaderloze familie bleef op het Martenahuis in Franeker wonen tijdens de studie van Johan Godschalk. Anna Maria kwam via hem in aanraking met vele geleerde heren als Amesius (hoogleraar theologie), Cloppenburg (idem), Hachtingius en Van Dam (logica), Schotanus (theologie), Metius (wis- en vestingbouwkunde) en met de burgemeester-dichter Willem Staackman.35

In 1626 was de familie weer terug in Utrecht. Van Schurman ontmoette deze jaren dichters als Revius, Heinsius, Barlaeus en Huygens.36 Revius stuurde haar in 1630 zijn Overysselsche sangen en dichten waarin een paar fraaie lofdichten op haar opgenomen waren. Ze stuurde een mooi gedicht in Latijn terug.37 Ze ontwikkelde zich in deze jaren dankzij haar ongetrouwde staat, haar rijkdom en adel tot één van de geleerdste vrouwen in Europa. Maar ook de stichting van de Utrechtse universiteit in maart 1636 heeft daar veel toe bijgedragen.

Gisbertus Voetius (1589-1676), predikant en professor theologie, had zijn inaugurele rede bij de stichting van de Illustre School in 1634 gehouden over Pietas cum scientia coniugenda. In 1636, toen de Illustre School werd omgezet in een universiteit, had hij de gemeente gesticht met een preek over de Nutticheyt der Academieën ende Scholen, mitsgaders der Wetenschappen ende Consten die in deselve gheleert werden naar aanleiding van Luc.11:46 over de twaalfjarige Jezus in de tempel. Zijn knappe en vrome stadgenote Anna Maria van Schurman mocht er een Nederlands gedicht op schrijven, Op het Sermoen ghedaen voor de Inleydinghe van de Academie van Utrecht. Voetius had haar ook gevraagd om als beste Latiniste van de stad Utrecht het openingsgedicht voor de nieuwe universiteit te schrijven, Inclytae et antiquae urbi traiectinae Nova Academia nuperrime donatae gratulatur Anna Maria à Schurman.39 Dat gedicht droeg ze op de feestdag voor. Daar de dag met regen en wind begonnen was, en ozo toevallig er toch een

[p. 33]

zon doorbrak, improviseerde ze ook nog een Frans gedicht. Het Latijnse gedicht met het Franse en Nederlandse werd opgenomen in de bundel met inaugurele redes van de professoren en afgedrukt in de Europese kranten van die dagen.40 Een stroom reacties kwam los, zowel in binnen- als buitenland.

De reacties zijn interessant omdat ze inzicht bieden in de attitudes van mannelijke tijdgenoten tegenover het fenomeen van de geleerde vrouw. De bekende Nederlandse en Neolatijnse dichter Caspar Barlaeus smeekte bijvoorbeeld in zijn tegenzang Ad masculos versus Annae Mariae a Schurman, quibus Trajectinae urbi novum Academiae decus gratulatur (op de mannelijke verzen van Anna Maria van Schurman waarmee ze het nieuwe sieraad van de Utrechtse universiteit gelukwenst):

 
Iupiter hanc dona sexu meliore puellam
 
vel dic, attonitis omnibus, esse Deam.
 
Pallada dic.
 
Jupiter, geef dit meisje het betere geslacht.
 
Of zeg dat ze tot ons aller verbijstering een godin is.
 
Zeg dat ze Pallas is.41

Haar vriend Johan van Beverwijck reageerde door het Latijnse en Franse gedicht op te nemen in zijn boek Van de Wtnementheyt des vrouwelijcken geslachts waar hij Anna Maria van Schurman als zijn paradepaardje aanvoert.42 Zelf meldt ze in een brief aan de dichter-dominee Revius dat ze haar gedichten ter gelegenheid van de stichting van de Utrechtse universiteit had uitgegeven.43 Als in 1650 de bisschop van de Grieks-Orthodoxe kerk uit Efeze als student in Leiden over haar hoort schrijft hij haar een brief waarin hij niet uitgepraat raakt over haar geleerdheid en maagdelijke

[p. 34]

staat. Ze is volgens hem als een roos tussen de dorens, ως ροδον εν ακανθαις.44

Behalve de reacties en bezoekers die haar gedichten tot gevolg hadden, lukte het haar om toestemming te krijgen om de dispuutcolleges van Voetius te volgen. In de wand van één van de auditoria werd een opening gemaakt die met bepleisterd weefsel werd bespannen. Er werden een paar gaten in geboord en zo kon ze, ongezien door het manvolk, de theologische dispuutcolleges volgen.45 Anna Maria van Schurman werd op die manier onzichtbaar de eerste Nederlandse vrouwelijke student. Door haar gedichten op de Utrechtse Universiteit overschreed ze de gendercodes van haar dagen, door haar bijwoning van de colleges eveneens.

Jaren voordat ze de colleges van Voetius had mogen volgen, was Van Schurman al bezig met het vraagstuk vrouwen en studie. Ze schreef er sinds 1632 al lange brieven in Latijn en Frans over met Andreas Rivet, hoogleraar in Leiden en opvoeder van prins Willem II.46 Maar het was voor het eerst in 1636 dat ze zich in het openbaar over de toelating van vrouwen tot de universiteit kon uitspreken bij de opening van de Utrechtse Universiteit. Haar briefwisseling met Rivet ging door en delen daarvan werden in 1641 gepubliceerd als Nobilis. Virginis Annae Mariae A Schurman Dissertatio, de Ingenii Muliebris ad Doctrinam & meliores Litteras aptitudine waarin ze het recht van de vrouw op studie op strikt logische wijze verdedigt.47 Ze doet dat volgens de regels der kunst van de quaestio, het wetenschappelijke genre dat bestaat uit syllogistische redeneringen in de trant van:

Cui natura inest scientiarum artiumque desiderium, ei conveniunt scientiae et artes:
Atqui Foeminae natura inest scientarum artiumque desiderium.
Ergo.
Iedereen die van nature verlangt naar kunst en wetenschap, is daarvoor geschikt.
Vrouwen hebben dat verlangen.
[p. 35]

Dus.48

Anna Maria van Schurman kreeg na 1636 een uitgebreide briefwisseling met vooraanstaande Europese geleerde mannen en vrouwen in de Republiek der Letteren. Er zouden letterlijk folianten te vullen zijn met alles wat honderden geleerden en dichters voor boeken, brieven, gedichten aan haar opdroegen of met de namen van de vele zelfs koninklijke bezoekers die naar haar en haar museum kwamen kijken in haar huis Achter de Dom.49 In 1660 was ze zo beroemd dat Steven van Lamsweerde op zijn gravure van de Domkerk en Domtoren in Utrecht boven haar huis schreef: ‘de Wooningh van Juffr. Schurmans’. Schreef ze in het Latijnse gedichtje dat de prent van de Dom vergezelde dat de Dom het achtste wereldwonder was, zelf werd ze door velen beschouwd als het Wonder-stuck van de eeuw.50

Een rij klinkende namen uit de Republiek der Letteren illustreert de internationale oriëntatie van Van Schurman: Frederik Spanheim, Andreas Rivet, Johan van Beverwijck, Daniël en Nicolaas Heinsius, Jacob Cats, Caspar Barlaeus (Nederland), Descartes, Claudius Salmasius, Balsac, Marie Jars de Gournay (Frankrijk), Bathsua Makin, Simon D'Ewes (Engeland), Birgitta Thott (Denemarken), koningin Christina (Zweden), etc.51 Dat ze na het overlijden van haar moeder in 1637 de zorg voor de huishouding en voor haar twee oude inwonende tantes kreeg, lijkt gezien haar produktie nauwelijks merkbaar. Toch schrijft ze aan het einde van haar leven in haar autobiografie Eukleria:

per obitum meae fidelissimae Matris, incidit mutatio, quae me curis oeconomicis, atque operibus caritatis erga consanguineas quasdam domesticas, viginti circiter annis a studiorum progressu atque artium exercitio abduxit.52
[p. 36]
door het heengaan van mijn allerliefste moeder, viel er een verandering voor die mij bijna twintig jaar van verdere voortgang in de studie en het beoefenen van de kunsten heeft afgehouden: ik kreeg de zorg voor het huishouden en moest enkele inwonende familieleden verzorgen.

Uit overgeleverde brieven, kunstwerken en publicaties blijkt dat ze wel degelijk de Muzen nog diende. Zo schreef ze in 1639 op uitnodiging van Van Beverwijck een theologische verhandeling De Vitae Termino.53 In 1643 stond ze ingeschreven bij het Lucas-gilde als ‘Kunstschilderesse, Beeldhouwster en Graveerster’.54 In 1648 verscheen haar Opuscula, vol met Latijnse, Griekse, Hebreeuwse en Franse brieven, Latijnse en Franse gedichten, en Elogia.55 Ze ontwikkelde zich verder en schreef een grammatica voor het Ethiopisch.56 Op den duur beheerste ze twaalf talen: Frans, Duits, Nederlands, Engels, Grieks, Latijn, Hebreeuws, Aramees, Syrisch, Arabisch, Perzisch, Ethiopisch. Niet alleen in kunsten en talen, maar ook in theologie, filosofie, geneeskunst, geschiedenis, astronomie en botanie was ze goed thuis.57 De Dordtse predikant Jacobus Lydius drukte aller bewondering uit in dit gedicht:

 
Wie kan na rechten eysch U, jonckvrouw Schurman, roemen?
 
Ick magh u, sonder waen, des werelts luyster noemen,
 
En eeuwigh maegd-juweel, en eenigh sonne-licht,
 
Waer onder oock de glants van soo veel mannen swicht.
 
Een geest, een hoogen geest, die komt u sinnen roeren,
 
En tot een ondersoeck van groote dingen voeren;
 
Bezaleëls vernuft, Ahaliabs verstant,
 
En Ethans soete drift is in u breyn geplant.58
[p. 37]

Toch had ze naast haar drukke leven als geleerde en kunstzinnige vrouw ook haar familieverplichtingen. Zo maakte Van Schurman in 1654 een ballingschap mee toen ze met haar inwonende stokoude tantes in Keulen, het ‘roomse Babylon’ belandde om ontvreemde bezittingen terug te krijgen. De rechtszaken duurden langer dan verwacht.59 ‘O Utreght, lieve Stadt, hoe soud' ick U vergeeten’, zuchtte ze haar heimwee uit in een Nederlands gedicht.60 Aan een vriendin te Utrecht, mevrouw Van Soulekercken, schreef ze over de disputaties met Franciscaner monniken en professoren:61

Aengaende de voorgevallen disputen, waer van U.Ed. de particulariteiten wenst te vernemen, syn tot noch toe van geen groote consideratie geweest. Alleen ister een Overste, synde een man van verstant en discretie, die met ons van de religie heeft geconfereert; als mede twee Fransciscaner Monicken, waer van den eenen is een professor in de Philosophie, en Lector in de Theologie, die in onse eerste conferentie so toegevende was, dat ick verhoopte hy soude haest de kap op den tuyn hebben gehangen en hem naer Utrecht hebben begeven. Doch was in de tweede meer vervreemt en schijnt deselve in den winter niet wel sal kunnen missen.62

Voetius stuurde haar in Keulen een Grieks gedicht met een vertaling in het Latijn en noemt haar daar Magnum Ultrajecti decus et veneranda virago (groots sieraad van Utrecht en bewonderenswaardige, heldhaftige vrouw).63 In Keulen was ze met haar familie naar Mülheim, een dorpje dat buiten het bereik van het roomse Keulen lag, naar een protestants kerkje gegaan.64 's Winters bleef ze thuis preek lezen:

 
Daer is ja suiver broot niet ver van dese staet
 
Waer heen ons Godes volck wijst over Rijn het padt
[p. 37]
 
Dogh als de winter heeft sijn suer en stuersche vlagen
 
Dan soeckt men binnens muirs dat voet voore veel dagen.65

Ze was dan ook diep teleurgesteld toen ze bij thuiskomst in Utrecht de roddels hoorde gaan dat ze katholiek geworden was. De Gereformeerde kerk raakte echter volgens haar wel in verval, en toen zij na de dood van haar naaste familieleden - haar tantes, haar broer Johan Godschalk - alleen kwam te staan, bedankte ze voor het lidmaatschap en sloot ze zich aan bij de Labadisten.66 Deze groep stond onder leiding van de ex-Jezuïet Jean de Labadie, een calvinistisch bevlogen predikant uit Genève die onder andere door bemiddeling van Anna Maria van Schurman naar de Waalse kerk van Middelburg beroepen was.67 Ze verliet zelfs voor hem de stad Utrecht en deelde als leidinggevende vrouw mee in de omzwervingen van de particuliere gereformeerde, ofte sig reformerende kleine, rechtsinnige huijskerke68. Weggejaagd werd de groep, van Middelburg naar Veere naar Amsterdam naar Herford in Duitsland naar Altona in Denemarken naar Wiewerd in Friesland.69 Van Schurman werd verguisd en belasterd omdat de labadisten in gemeenschap van goederen leefden en ze een burgerlijk huwelijk overbodig vonden. Veel van haar vroegere vrienden verloor ze. De gereformeerde predikant Jacobus Koelman beweerde dat haar keuze niet was ingegeven door een rationele overweging maar door vrouwelijke emotie en vrouwelijk temperament.70 De dichterdiplomaat Constantijn Huygens dichtte:

 
Wat grouwel of wat spoock heeft u van ons gescheurt?[...]
 
Heeft Voetius dien danck verdient voor lange moeyt,
 
Die u de goede melck, daer van ghij zijt gegroeyt
 
Tot grooter mannen waerd' van jongs heeft leeren drincken?
 
Heeft Uytrecht dat verdient, en alle die daer blincken
 
Als Hoogeschool-fackelen in die geleerde Stadt?71
[p. 39]

In een pamflet Lange Rygh-Veter waar aan opgezamelt zijn alle de Versjes van verscheyde Schrijvers voor en tegen Jean de Labadie heeft men het over Jean de Labadie als over:

 
dat Iesuitisch Paapken,
 
dat grimmig manneken, dat ezelhairig aapken,
 
Die Juffrou Schuurmans mint om schijven en om schrijven,
 
en onder 't hennerot het haantje zoekt te blijven.72

Maar zelf bestempelt Van Schurman deze overgang naar het Labadisme echter als de goede keuze, en zo noemt ze haar autobiografie ook: Eukleria of Uitkiezing van het Beste Deel.73 Hierin herroept ze onder andere haar verdediging van de wetenschap, paradoxaal in Latijn en het zoveelste bewijs van onder andere haar geleerdheid in theologie en filosofie.74 Ze verwijst daarin zelfs afkeurend naar haar Dissertatio en naar de gedichten die ze ooit ter ere van de Utrechtse Universiteit schreef:

Illud autem accidit potissimum eo tempore quo ad inaugurationem Academiae Ultrajectinae meis versiculis celebrandam, a quibusdam eruditionis cultoribus atque in primis a D. Gysberto Voetio, primo eius Theologiae Professore incitata sum.75
[...hoe ik naar de beroemdheid gesleept werd] Dat is echter juist gebeurd in die tijd toen ik door enkele beschaafde geleerden en vooral door Gijsbertus Voetius, belangrijkste professor in de theologie, aangespoord werd om de stichting van de Universiteit van Utrecht door mijn gedichten te verheerlijken.

In 1678 stierf ze temidden van haar beminde commune-genoten, geliefd als gezaghebbend persoon, maar vrijwel onopgemerkt door de buitenwereld. Zij die zoveel rouwgedichten voor

[p. 40]

anderen in haar leven had geschreven76, kreeg slechts één rouwgedicht: ΜΝΗΜΟΣΥΝΟΝ Beatae Virginis ANNAE MARIAE A SCHURMAN (een aandenken aan de zalige maagd Anna Maria van Schurman) van de bevriende predikant Daniel Meyer uit Dreischor.77 Maar haar naam bleef voortleven in de talloze geschriften die tot op de dag van vandaag in verschillende talen aan haar gewijd zijn.78