terug  begin  verderprepost
[p. 48]

Proeve eener bibliographie der Nederlandsche dialecten.
Bewerkt door Louis D. Petit, Conservator bij de Bibliotheek der Rijks-Universiteit te Leiden.

Toen de Redacteur van: ‘Onze Volkstaal, tijdschrift gewijd aan de studie der Nederlandsche tongvallen’, mij uitnoodigde een werkzaam deel aan de redactie te nemen, door mij met de bewerking van het Bibliographisch gedeelte te belasten, verklaarde ik mij gaarne daartoe bereid. Ik had toch reeds vroeger, uitsluitend voor eigen gebruik, een klein, onbeduidend getal aanteekeningen op dat gebied gemaakt, en was daardoor tot de overtuiging gekomen dat eene bibliographie der dialecten dikwijls noodig kon zijn, - maar ook werd ik daardoor overtuigd, dat er op dat gebied nog heel wat te verzamelen was. Daar evenwel eene bepaalde aanleiding tot het ijverig opsporen van alles wat op dien belangrijken tak der taalwetenschap betrekking had, zich niet voordeed, had ik mij voorloopig bepaald tot het aanteekening houden van datgene wat mij over de tongvallen toevallig onder de oogen kwam. Nu echter door dit tijdschrift de studie der dialecten meer dan vroeger het geval was, zal behandeld worden, meende ik mij te mogen vleien, dat eene dergelijke bibliographie aan de taalbeoefenaren niet dan welkom zou kunnen wezen, en van het eenvoudig aanteekenen van hetgeen over de tongvallen mij toevallig onder de oogen kwam, tot het ijverig opsporen van alles wat daartoe betrekking heeft, was voor mij slechts een enkele stap.

Door deze Proeve trachtte ik een antwoord te geven op de vragen:

1e.Wat is er aan gedrukte stukken of handschriften in Nederland voorhanden dat de studie der Nederlandsche dialecten betreft?
2e.Welke woordenlijsten, studiën, artikelen in tijdschriften enz. zijn er hier of daar te vinden en - waar zijn zij?
[p. 49]

Ik heb daarom ook bij elken titel vermeld, in welke openbare Bibliotheek die handschriften of boeken ter leen te bekomen zijn1); maar, ofschoon men met reden verwachten mag, dat de meeste groote bibliotheken in ons land de door mij vermelde boeken en tijdschriften bezitten, meende ik toch mij tot de vermelding, dat de Leidsche Universiteits-Bibliotheek of die der Maatschappij van Letterkunde de genoemde boeken bezit, te mogen bepalen.

Aanvankelijk was het mijn voornemen voor de rangschikking der titels de taalkundige verdeeling van ons land te volgen en mijne titels in vier hoofdgroepen te verdeelen, n.l. 1o de Frankische, 2o de Saksische, 3o de Friso-Frankische, 4o de Friso-Saksische tongvallengroep, met hare verschillende onderafdeelingen of ondergroepen, zooals bijv. wat No. 1, de Frankische hoofdgroep, betreft in a de Limburgsche groep, b de Brabantsche groep, c de Geldersch-Frankische groep en d de Zeeuwsch-Frankische groep enz. Ik ben echter bij nadere overweging daarvan teruggekomen, daar 't mij voorkwam, dat het voor vele gebruikers dezer bibliographie, waaronder vermoedelijk velen zullen voorkomen, die nog geheel vreemdeling zijn in de studie der tongvallen, gemakkelijker zou wezen, als ik de gewone aardrijkskundige verdeeling van ons land volgde, en de door mij verzamelde titels over de verschillende provinciën (naar de volgorde van art. 1 onzer Grondwet) verdeelde. Te meer was ik tot deze laatste volgorde geneigd, daar bij eene taalkundige indeeling een alphabetisch register der plaatsnamen onvermijdelijk zou geweest zijn, hetwelk men midden in een tijdschrift minder op zijne plaats zou kunnen noemen. Bij eene eventueele, latere, afzonderlijke uitgave zal ik de taalkundige indeeling echter volgen. - Voor elke provincie heb ik verder deze rangschikking gevolgd: vooraf gaat de literatuur over het dialect dier provincie in het algemeen; daarna de verschillende steden en dorpen2) alphabetisch; voor elke

[p. 50]

stad weder eerst de studiën over het dialect, daarna die in het dialect geschreven, terwijl door de noodige verwijzingen zooveel mogelijk elke groep bijeen is gebracht. Verder moge mijne proeve voor zich zelve spreken.

Ten slotte moet ik de verklaring afleggen, dat ik ten volle overtuigd ben van het gebrekkige en onvolledige mijner Proeve, en daarom druk ik dan ook vooral op dat woord. Met eene dergelijke bibliographie, waarvoor men de bouwstoffen uit eene groote menigte boeken en tijdschriften opdiepen moet, gaat het als met zoo menige andere zaak: men komt eigenlijk nooit geheel klaar. Men kan daarvan zeggen wat Goethe eens van den Faust zeide: ‘So ein “Ding wird eigentlich nie fertig”. Menige belangrijke studie over of in het een of ander dialect toch kan tot dusverre aan mijne aandacht ontsnapt zijn of wel blijven ontsnappen. Voorloopig geef ik mijne bibliographie dan ook als eene proeve, met het stellige voornemen evenwel haar door supplementen te doen volgen.

Aan alle taalkundigen richt ik daarom het beleefde verzoek mij mede te deelen wanneer zij eene bijdrage vinden, welke in het kader mijner bibliographie past en daarin niet opgenomen is; door aller medewerking slechts is het toch mogelijk, dat deze proeve eenmaal als eene complete bibliographie het licht kan zien. Den raad, welken Captain Cuttle in Dickens's Dombey herhaaldelijk aan zijn neef gaf: “When found, take a Note ofit”, of zooals de Leidenaar zegt: “ajje 't eb, doe'r n vaautje nin”, veroorloof ik mij aan alle taalkundigen toe te roepen, doch met bijvoeging der woorden: Deel 't mij dan mede.’

Leiden, 25 Sept. 1881.

Over Nederlandsche dialecten in het algemeen.

Jager. (A. de) Over het belang van de kennis der idiotismen onzer taal, en over hetgeen aan die kennis nog ontbreekt. (Handel. v.h. 2e Nederl. letterk. kongres 1850 p. 151, en herdrukt in A. de Jager, Latere verscheidenheden uit het gebied der Nederd. taalkunde. Deventer 1858, p. 21). B.M.L.
Heremans. (J.F.J.) Over het belang van de kennis der Nederlandsche en inzonderheid der Vlaamsche dialecten. (Handel. v.h. 4e Ned. taal- en letterk. Congres 1854, p. 126). B.M.L.

[p. 51]

Ternest. (K.L.) Over de dialecten ten opzichte van het onderwijs. (De Toekomst 1860, p. 238). B.M.L.
Kern. (H.) Belangrijkheid der tongvallen. (De Toekomst 1870, p. 170.) B.M.L.
Whitney. (W.D.) De oorsprong der tongvallen. (Whitney, Taal en Taalstudie, bewerkt door J. Beckering Vinckers, 1e Serie, p. 408.) B.M.L.
Vloten. (J. van) Spraakwording, taal en schrift; Nederlandsche spraak- en schrijftaal, Zutphen W. Thieme 1859, 8o. (waarin op p. 79 III Spreektaal en schrijftaal). B.M.L.
De Flou. (K.) ‘De Nederlandsche taal.’ Tongvallen en schrifttaal. (Jaarboek van het Willems-Fonds voor 1878 p. 185). B.M.L.
Bo. (De) Over de dialectische woorden en wendingen die burgerrecht in de schrijvende taal verdienen. Redevoering. Brugge 1875. 8o.  
Hansen. (C.J.) Platduitsch en Nederlandsch of het Nederduitsch en de Dietsche beweging. (Met proefstukken.) Antwerpen, Mees & Co., 1878. 8o. B.M.L.
Roos, (G.P.) Nederlandsch en Westvlaamsch. (Navorscher XXV, p. 302). B.L.U.
Meersseman. (D.G.) Over de rechten van het Westvlaamsch in de algemeene Nederduitsche taal. Redevoering. Brugge, 1875. 8o.  
Janssen. (H.Q.) De belangrijkheid van het West-Vlaamsch dialect voor de Nederduitsche taal. (Handel. v.h. 7e Nederl. taal- en letterk. kongres 1862, p. 139). B.M.L.
Over provincialismen. (De Nederl. taal. Tijdschrift enz. voor 1856, p. 113). B.L.U.
Willemsen. (G.J.) Nog iets over provincialismen. (Idem 1856, p. 299), B.L.U.
Heremans. (J.F.J.) Eenheid en provincialisme op 't gebied der Nederlandsche taal. (Handel. v.h. 7e Nederl. taal- en letterk. kongres 1862, p. 278). B.M.L.
Cort. (Frans de) Misbruik van provincialismen. (De Toekomst 1875, p. 59). B.M.L
Kalckhoff. (J.G.C.) Proeve van Taalkundige opmerkingen en Bedenkingen (Vaderl. Letteroef. 1826, II, p. 326.) B.L.U.
Jager. (A. de) Aanmerkingen op Id. (Id. 1826, II, p. 467.) B.L.U.
Kalckhoff. (J.G.C.) Naschrift op de Proeve enz., benevens een woord voor den Heer A. de Jager. (Id. 1826, II, p. 621.) B.L.U.
Halbertsma. (J.H.) Brief aan Dr. J.F. Firmenich over de dialec-  

[p. 52]

ten van Noord-Nederland, 29 Oct. 1845. 20 bl. fol. (Handschrift). Prov. Bibl. v. Friesland.
Halbertsma. (J.H.) Aan Dr. J.F. Firmenich, over de dialecten van Nederland. 53 bl. fol. (Handschrift). Prov. Bibl. v. Friesland.
Schueren. (Gher. van der) Teuthonista of Duytschlender, uitgegeven door wijlen C. Boonzajer, verrijkt met eene voorrede van J.A. Clignett. Leyden, Herdingh en du Mortier 1804. 4o. B.L.U.
Winkler. (Joh.) Nederduitsche tongvallen. (Navorscher XX, p. 199). B.L.U.
Lennep. (J. van) Woorden op bijzondere plaatsen in gebruik. (Navorscher XIV, p. 21). B.L.U.
Baecker. (L. de) Les Flamands de France. Etudes sur leur langue etc. Gand 1851. 8o. Univ. Bibl. te Gent.
Lansens. (P.) Kort taelkundig onderzoek naar de bevolkers van West- en Oost-Vlaenderen. 19 blz. 4o. (Handschrift.) B.M.L.
Lansens. (P.) Idem, Dixmude J. Sackenpré 1850, 8o. B.M.L.
Iperen. (J. van) Vlaamsche woorden. Met uitlegging 10 blz. fol. (Handschrift.) B.M.L.
Vlaamsche woorden, met bijvoeging van woorden in Staats-Vlaanderen in gebruik, 44 blz. fol. (Handschrift.) B.M.L.
Meynne van de Casteele. (A. de) Sleutel om op het eerste zigt de echte en onwederroepelijke etymologien te vinden: 1e van de benamingen der steden, dorpen enz., niet slechts van gansch België, maar ook van alle plaatsen op den aardbodem, indien men met de vreemde talen bekend is. 2e. Familienamen, die uit eigen- of voornamen, of heilige namen en uit andere zaken afgeleijd en gesproten zijn. 3e. Het Nieuwpoortsch dialect. 4e. Een historietje nopens den oorsprong van den zoogezegden Waternekker. Brugge, Margnier, vrouwe Bogaert, 1860, 8o.
Idem, tweede uitgave, verbeterd en vermeerderd met etymologien van de overige gemeenten van West-Vlaenderen, alsmede van die van het oud Vlaemsch Vlaenderen. Nieupoort, Kestelet & Zoon, 1862, 8o.
 
Delecourt (V.) en K. Stallaert. Proeve van een [Zuid-]Brabandsch Idioticon, Z.j.e.p., 8o.  
Schuermans. (L.W.) Algemeen Vlaamsch Idioticon, uitgegeven op last van het taal- en letterlievend genootschap ‘Met tijd en vlijt.’ Leuven, Geb. Vanlinthout, 1865-1870, 8o. B.M.L.
Bo. (L.L. de) Westvlaamsch Idioticon, Brugge, E. Gaillard 1873, 2 dln. Met Krt, 4o. B.M.L.

[p. 53]

Vermesse. (Louis) Dictionnaire du patois de la Flandre française ou wallonne. Douai, L. Crepin 1867, 8o.  
Leopold. (J.A. en L.) Van de Schelde tot de Weichsel. Nederduitsche dialecten in dicht en ondicht. Groningen, J.B. Wolters 1876-81. 2 dln. 8o. B.M.L.
Winkler. (Joh.) Algemeen Nederduitsch en Friesch dialecticon. 's Gravenhage, Mart. Nijhoff, 1874, 2 dln. B.M.L.
Loquela [Tijdschrift] Rousselaere. J. Demeester 1881. 4o.  

1e. Afd. Noord-Nederland.
I. Noord-Brabant.

Algemeen.

Vandenhove (V.H.) & Stallaert. (K.) Proeve van een Brabantsch Idioticon. (A. de Jager Archief v. Ned. Taalk. III p. 82). B.M.L.
Steenwinkel. (J.) Aanteekening van eenige woorden en spreekwijzen in Braband gebruikelijk en in Holland òf buiten gebruik geraakt òf onbekend. 8 blz. 4o en fol. (Handschrift.) B.M.L.
Winkler. (Joh.) Brabantsche en Flaamsche geslachtsnamen. (Navorscher XXVIII, p. 22.) B.L.U.

Altena. (Land van)

Beek. (J. van der) De Gelijkenis van den verlorenen zoon. (C. Winkler, Dialecticon I, p. 309). B.M.L.

Bergen-op-Zoom.

Twee brieven in Bergen op Zoom's dialect, 8 blz. 4o. (Handschrift). B.M.L.

Bladel en Netersel. (De acht Zaligheden.)

Vlam. (J.J. de) De heks in den braauwketel. (Van de Schelde tot de Weichsel I, p. 351.)
Zie ook: Meierij (de)
B.M.L.

Breda en omstreken.

Hoeufft. (J.H.) Proeve van Bredaasch taal-eigen, of lijst van eenige in de stad en den lande van Breda gebruikelijke en in sommige oorden van ons vaderland min gewone woorden en spreekwijzen, verzameld en toegelicht. Breda, F.P. Sterk 1836-37, 4 stk. 8o. B.M.L.

[p. 54]

Hoeufft. (J.H.) Aanhangsel op de Proeve van Bredaasch taaleigen, bevattende ophelderingen van eenige in onbruik zijnde woorden en spreekwijzen, in oude Bredasche stukken voorkomende. Breda, F.P. Sterk 1838, 8o. B.M.L.
Ackersdyk. (W.C.) Aanmerkingen, omtrent enkele woorden en spreekwijzen, door J.H. Hoeufft toegelicht in de Proeve van Bredaasch taaleigen. (A. de Jager, Taalk. Mag. III, p. 69.) B.M.L. 'n Romantise 'istorie. (Van de Schelde tot de Weichsel I, p. 325.) B.M.L.
Vlam. (P.H. de) De Kattekuil. (Id. I, p. 327). B.M.L.
Vlam. (P.H. de) Breeë wiele. (Id. I, p. 328). B.M.L.

Budel.

De Gelijkenis van den verlorenen zoone. (J.F. Willems, Belg. Museum II, p. 428 en Winkler, Dialecticon II, p. 417). B.M.L.

Dongen, zie 's Gravenmoer.

Eindhoven en omstreken.

Vlam. (J.J. de) Van den rooien ridder en den paoter, op zun aauw Endooves. (Van de Schelde tot de Weichsel I, p. 354). B.M.L.
Vlam. (J.J. de) De Friesche sappeur. (Id. I., pag. 353). B.M.L.
Zie ook: Kempenland.  

Geertruidenberg.

Bij 't honigzuigen. (Nederl. Baker- en Kinderrijmen, verz. door J. van Vloten, 3e druk, p. 95). Koninkl. Bibl.

Geldrop.

Simons. (A.J.H.) Geldrup. (Van de Schelde tot de Weichsel I, p. 348). B.M.L.

Gemert.

Bai 't herdvuur. (Van de Schelde tot de Weichsel, I, p. 343). B.M.L.

Goorle.

Appels. (J.B.) Op de bruleft van Kiske en Annemie. (Van de Schelde tot de Weichsel I, p. 357). B.M.L.
Appels. (J.B.) Wouter de Geldwolf. (Id. I, p. 359). B.M.L.

's Gravenmoer-Dongen.

Vloten. (W.J. van Bommel van) Begraoven. (Van de Schelde tot de Weichsel I, p. 329). B.M.L.

[p. 55]

Melias. (A.) 'n Bezuuk bai ōns ouwe baoker. (Van de Schelde tot de Weichsel I, p. 334). B.M.L.
Gesprek tusschen twee schippers. (Id. I, p. 337). B.M.L.

Helmond en omstreken.

Sassen. (Aug.) Dartien bagge en mar twèllef tippels. (Van de Schelde tot de Weichsel I, p. 373). B.M.L.
Lakerveld. (G.J. van) De Gelijkenis van den verlorenen zoon. (Winkler, Dialecticon I, p. 295). B.M.L.
Zetters en éters. (Van de Schelde tot de Weichsel I, p. 347). B.M.L.

's Hertogenbosch en de Meierij.

Corn. Lixa. Lijst van eenige woorden in de Meijerij van den Bosch in gebruik. (Navorscher IX, p. 328; X, p. 347). B.L.U.
H.M.C.v.O. Id. (Id. XI, p. 20; XXIV, p. 468), B.L.U.
Woorden ook in de Meijerij gebruikelijk. (Id. X, p. 146). B.L.U.
Verster Abr.z. (J.L.) Woorden die gebruikt worden in de Meijerij van 's Hertogenbosch, 8o obl. (Handschrift.) B.M.L.
Kremer. (A.J.C.) Woorden in de Meijerij van den Bosch in gebruik. (Navorscher XXIV p. 335, XXVI p. 563). B.L.U.
Lixa. (Corn.) Id. (Navorscher XXIV p. 416). B.L.U.
Vlam. (de) Bijdrage tot het taaleigen der Meijerij. (Taal- en Letterbode VI p. 72). B.M.L.
Proeven van Belgisch-Nederduitsche dialecten. XII. Dialect der Meierij van 's Hertogenbosch, (met aanteekeningen van C.R. Hermans). (J.F. Willems, Belg. Museum, III p. 387). B.M.L.
[Hanewinkel (S.)]. Reize door de Majorij van 's Hertogenbosch in den jare 1798, in brieven. Amsterdam, A.B. Saakes, 1799. M. pl. 8o. [Waarin veel over de taal der Meierij]. B.L.U.
[Hanewinkel (S.)]. Tweede Reize aldaar in den jare 1799, in brieven. Amsterdam, A.B. Saakes, 1800. M. pl. 8o. B.L.U.
Taal der Meijerij (Noord- en Zuid-Brabandsche Faam, 's Hertogenbosch 1829, p. 1.)  
Donck. (J.M. van der) Mooi Truike. (Van de Schelde tot de Weichsel. I, p. 340). B.M.L.

Hilvarenbeek en omstreken.

Broeders. (H.) Een roestpraatje. (Van de Schelde tot de Weichsel. I, p. 364). B.M.L.

[p. 56]

Kempenland.

Vergadering van den gemeenteraad in het dorp Zonderhuis. (Van de Schelde tot de Weichsel. I, p. 367). B.M.L.
Zie ook: Eindhoven.  

Kuik. (Land van)

Dialect in het Land van Kuik. (De Navorscher IX, p. 61 en 293, X, p. 89, 145-147; XI, p. 13). B.L.U.
Cuuk. (W. van) Land van Cuijk. (Noord en Zuid, Taalk. Tijdschr., III, p. 178). B.M.L.
Strick van Wyk. (H.C.) De Gelijkenis van den verlorenen zoon. (Winkler, Dialecticon, I, p. 299). B.M.L.

Megen. - Zie Ravestein en Megen.

Meierij (de) zie 's Hertogenbosch.

St. Oedenrode.

Speelliedje. (Navorscher, 1854, Bijblad p. IV). B.L.U.

Oorschot.

Oosterzee. (H.M.C. van) De Gelijkenis van den verlorenen Zoon). (Winkler, Dialecticon, I, p. 302). B.M.L.

Ravestein en Megen.

Jansen. (R.) En nou kunde mè gleuven aste ge wilt. (Van de Schelde tot de Weichsel, I, p. 338). B.M.L.

Rijsbergen.

Vlam. (P.H. de) De Gelijkenis van den verlorenen zoon. (Winkler, Dialecticon, I, p. 306). B.M.L.

II. Gelderland.

Algemeen.

Slichtenhorst. Over de Geldersche Taal. (Geldersche Volksalm. voor 1835, p. 69). B.M.L.
Lof der Geldersche taal volgens Slichtenhorst [1654]. (Volksalm. d. Maatsch. Tot nut v. 't Algemeen 1874, p. 26). B.M.L.
Opmerkingen omtrent den Gelderschen tongval. (A. de Jager, Taalk. Mag. II, p. 395). B.M.L.
Aanteekeningen, ter verbetering en uitbreiding der opmerkingen omtrent den Gelderschen tongval, met aanteekeningen van A. de Jager. (A. de Jager Taalk. Mag. III, 37). B.M.L.

[p. 57]

Buser. (F.H.) Geldersch taaleigen. (De Nederl. taal. Tijdschr. enz. 1856, p. 13 en 163, 1857 p. 197, 1858 p. 271, 1859 p. 186). B.M.L.
Grooters (J.B.) Een paar aanmerkingen op 't Geldersch taaleigen. (De Nederl. taal. Tijdschr. enz. 1856, p. 76). B.M.L.
Copes van Hasselt (J.C.) Handboek, behelsende de uitlegginge en oorspronk van verscheide duystere en verouderde woorden, spreekwijzen en gewoontens in de Geldersche en eenige naburige regten. Met aant. van A. Kluit e.a. 267 blz. fol. (Handschrift). B.M.L.
Copes van Hasselt (J.C.) Handboek behelsende de uitlegginge en oirspronk van verscheide duystere en verouderde woorden, spreekwijsen en gewoontens, in de Geldersche en enige naburige regten voorkomende. Op eene proeve samengebragt. Afschrift. 247 blz. fol. B.M.L.
Swaving (H.J.). Opgave van eenige in Gelderland gebruikelijke woorden (A. de Jager, Taalk. magazijn I, p. 305). B.M.L.
Swaving (H.J.). Nalezing op Id. (A. de Jager, Taalk. Magazijn II, p. 76. B.M.L.
Eykman (C.) Geldersche woorden. (Noord en Zuid. Taalk. Tijdschr. II, p. 60). B.M.L.
Kern (H.) Eigennamen uit oude Geldersche oorkonden. Bijdrage tot de kennis der Geldersche tongvallen. (Taal- en Letterbode III, p. 275.) B.M.L.

Volkstongval op het platte land.

Klokman (J.A.) Schetsen en novellen, meerendeels in 't Geldersch dialect. Doetinchem W.J. Raadgeep 1870. 8o. B.M.L.
Wat raod Baas Jochems ziin zoon me op reis gaf. (Germaniens Völkerstimme, herausg. von J.A. Firmenich III, p. 727). B.L.M.
Gesprek tusschen eene Hollandsche en eene Geldersche dienstmaagd. (Geld. Volksalm. 1841 p. 112). B.M.L.
Jaopik's afscheids-breef, offesreven door A. de Visser. (Geld. Volksalm. 1862 p. 127). B.M.L.
Zeggelen (W.J. van) Hoe Geerte van Apeldoorn door haar vader de les gelezen werd, nadat zij met Jan uit de Beemster verloofd was. (Geld. Volksalm. 1855 p. 146). B.M.L.
Zeggelen (W.J. van) Een gesprek van Jan uit de Beemster en Geerte uit Apeldoorn bij het kamp van Zeist. - Ontmoeting van Jan uit de Beemster en Geerte's vader in Apeldoorn. (Geld. Volksalm. 1854 p. 191). B.M.L.

[p. 58]

Achterhoek (De zoogenaamde).

Kern (H.) Proeve eener taalkundige behandeling van het Oost-Geldersch taaleigen. (Taalgids VII, p. 231 en 294, VII p. 125). B.M.L.
B. En boeren-karmse in den achterhook. (Geld. Volksalm. 1863, p. 163). B.M.L.
Postel (T.D.H.) Eene photographie. (Geld. Volksalm. 1880 p. 139). Openb. Bibl. te Arnhem.
Postel (T.D.H.) En peardeleaven. Deur Broene, uut den Achterhook eigens verteld. (Geld. Volksalm. 1865 p. 119). B.M.L.
Visser (A. de). En riempseltjen. (Geld. Volksalm. 1866 p. 69). B.M.L.
Zie ook: Graafschap, Groenloo, Winterswijk.  

Alfen.

Leeuw. (O. de) Van de raaf en de vos. (Van de Schelde tot de Weichsel, I, p. 419). B.M.L.
Leeuw. (M. de) De nijen aloozie. (Id. I, p. 419). B.M.L.
Mollenberg. (C.J.) 'n Spookgeschiedenisse. (Id. I, p. 424). B.M.L.
Zie ook: Maas en Waal.  

Betuwe. (De)

Kist. (N.C.) Over de verwisseling van zedelijke en zinnelijke hoedanigheden in sommige Betuwsche idiotismen. (Nieuwe werken d. Maatsch. van Nederl. Letterk. III, 277). B.L.U.
Cremer. (J.J.) Betuwsche novellen. Haarlem, Erven Loosjes. 8o. B.M.L.
Meurs. (B. van) Weetje. (Van de Schelde tot de Weichsel. I. p. 432). B.M.L.
Meurs. (B. van) Vaoder en dochter. (Id. I, p. 432). B.M.L.
Meurs. (B. van) 't Is met haor gedaon. (Id. I, p. 433). B.M.L.
Meurs. (B. van) Hoe een droom uutkwiem. (Id. I, p. 434). B.M.L.
Meurs. (B. van) Kriekende Kriekske. Betuwsche gedichten. Utrecht, Wed. J.R.v. Rossum. 1879, 12o. B.M.L.
Walbrecht op zee. Eene vertelling van Bruer Jaopik. (Geld. Volksalm. 1880, p. 181). Openb. Bibl. te Arnhem.
Zie ook: Over-Betuwe.  

Borkeloo en omstreken.

Broedlachtnöögers-liedeke. (Germaniens Völkerstimmen, III, p. 732) B.L.U.
Kobus. (J.C.) Toen of nu. ('n grootvaar bekuijert met zien kleinzönne 't ien en 't ander.) (Van de Schelde tot de Weichsel, I, p. 459 en Geld. Volksalm. 1862, p. 92). B.M.L.
Zie ook: Graafschap (De)  

[p. 59]

Dinksperloo.

Lijstje van Dinxperloosche woorden. 1 blad. fol. (Handschrift) B.M.L.
Dijk. (J. van) De Gelijkenis van den verlorenen zoon. (Winkler, Dialecticon. I, p. 337). B.M.L.

Doornspijk.

Doornspijksche taal. (Geld. Volksalm. 1845, p. 32). B.M.L.
Bij 't kloppen der meifluitjes. (Nederl. Baker- en Kinderrijmen, verz. door J. van Vloten, 3e druk, p. 94). Kon. Bibl.

Duiven, Zie: Lijmers. (De) Elburg.

Sonter, Sonter Marten. (Germaniens Völkerstimmen, III, p. 735). B.L.U.
Sunte Maartens lied. (Overijss. Almanak 1846, p. 94). B.M.L.
Zie ook: Hoog-Veluwe.  

Geesteren.

Nieëjaorswens op rym, in het Geldersch dialect van Geesteren. Handschrift van L.Ph.C. van den Bergh. 8o. B.M.L.
Zie ook: Graafschap. (De)  

Graafschap. (De)

Gesprek tusschen eenen Hollander en een' Graafschapper, over het wederzijdsch taal-eigen. (Geld. Volksalm. 1844 p. 152). B.M.L.
J.C.K. Woorden in Gelderland, bijzonder in de zoogenoemde graafschap Zutfen gebruikelijk. (Navorscher XXIV, p. 555). B.L.U.
Noordhollandsche woorden ook in het Graafschap in gebruik. (Navorscher VI, p. 197). B.L.U.
Kalckhoff (T.G.C.) Staaltje van Graafschapsche landtaal. (Vad. Letteroef. 1826, p. 328). B.L.U.
En naober-praeutjen tussen Gar-Jan Pas-op en Aolbert-Nyland met zienne volk, in de Graofschop Zutven. (Geld. Volksalm. 1838, p. 179). B.M.L.
Een minnebrief van een landman. (Geld. Volksalm. 1838, p. 189). B.M.L.
Arnold. Uut vriejen gaon. (Geld. Volksalm. 1854, p. 58). B.M.L.
Gallée (J.H.) De bebbenbek. (Van de Schelde tot de Weichsel I, p. 467). B.M.L.
Gallée (J.H.) Het verhaal van schèle Guurte. (Id. I, p. 470). B.M.L.
Visser (A. de). Een slaaf van velen. (Geld. Volksalm. 1857 p. 188). B.M.L.

[p. 60]

Klokman (J.A.) ‘Gart’ op de tentoonstelling te Arnhem. Deventer J. de Lange, 1868 8o.  
Vos (S.) 's Lands wieze, 's Lands eare. (Geld. Volksalm. 1868, p. 174). B.M.L.
Otto (A.L.) En veugeltjen. (Van de Schelde tot de Weichsel I, p. 496). B.M.L.
Zie ook: Achterhoek. - Borkeloo. - Geesteren. - Laren. - Lochem. - Zelhem. - Zutfen.  

Groenloo of Grol.

Bij 't kloppen der meifluitjes. (Nederl. Baker- en kinderrijmen, verz. door J. van Vloten. 3e druk, p. 94). Kon. Bibl.

Hoog-Veluwe.

De öskeskermis. (Geld. Volksalm. 1836, p. 45, Germaniens Völkerstimme III, p. 730 en Van de Schelde tot de Weichsel I, p. 517). B.M.L. en B.L.U.
Dom-holden. (Geld. Volksalm. 1859, p. 117). B.M.L.
En redenoasie oaver de belastink op 't gemoal. (Geld. Volksalm. 1856, p. 222). B.M.L.
Minnebrief van en sniiersknecht. (Van de Schelde tot de Weichsel, I, p. 519 en Geld. Volksalm. 1840, p. 156). B.M.L.
Zie ook: Doornspijk. - Elburg. - Veluwe.  

Laren.

Postel. (F.D.H.) Neister Martjen. (Van de Schelde tot de Weichsel, I, p. 485 en Geld. Volksalm. 1864, p. 169). B.M.L.
Postel. (F.D.H.) s' Lands wieze, 's lands eare. (Id. I, p. 491). B.M.L.
Zie ook: Graafschap. (De)  

Lymers. (De)

Hoe Baos Vink van Meister Maorten Baordman fleuiten leerde. (Germaniens Völkerstimme III, p. 732, Geld. Volksalm. 1835, p. 71 en Van de Schelde tot de Weichsel, I, p. 441.) B.L.U. en B.M.L.
Meister Maorten Baordman köpt op en arfhuus twee schilderijen en wat ze hum leerden. (Geld. Volksalm. 1847, p. 100). B.M.L.
Oaver 't Magnetisme en 't Bijgeleuf. En Vertellingsken van Meister Maorten Baordman. (Geld. Volksalm. 1847, p. 174). B.M.L.
Een zamenspraok van Meister Maorten Baordman, aover den slegten tied. (Geld. Volksalm. 1838, p. 173). B.M.L.

[p. 61]

Hoe Meister Maorten Baordman baos Joosten en schat dee vinden. (Geld. Volksalm. 1836, p. 93). B.M.L.
Hoe Meister Maorten Baordman ziin familie en vrinden zuukt te bewiizen, met spreuken ùt Vader Cats, dat men en zaak baeter dood zwiigen as dood kiiven kan. (Geld. Volksalm. 1840, p. 146). B.M.L.
Veurlaezing van Meister Maorten Baordman oaver den Starrenhimmel. (Geld. Volksalm. 1841, p. 134). B.M.L.
En stuksken van meister Maorten Baordman aover de ontevraeijenheid. (Geld. Volksalm. 1842, p. 156). B.M.L.
En snaorig stuksken van Meister Maorten Baordman. (Geld. Volksalm. 1844, p. 203 en Van de Schelde tot de Weichsel I, p. 443). B.M.L.
Meister Maorten Baordman in en gesprek aover de ware wiisheid. (Geld. Volksalm. 1845, p. 114). B.M.L.
Hoe meister Maorten Baordman en Philosoof tot zwijgen bragt. (Geld. Volksalm. 1843, p. 124). B.M.L.
De eene eerlike (soliede) man mot den anderen eerliken (solieden) man vorthelpen. En buurpraotjen van Meister Maorten Baordman. (Geld. Volksalm. 1844, p. 73). B.M.L.
En vertellingske en nog en vertellingske aover twee dwalingen in het minschelike laeven van Meister Maorten Baordman. (Geld. Volksalm. 1845, p. 182). B.M.L.
De Kwakzalverei is nog niet ut de welt. En stuksken van Meister Maorten Baordman. (Geld. Volksalm. 1846, p. 168 en Van de Schelde tot de Weichsel I, p. 446). B.M.L.
En Vertellingske van Meister Maorten Baordman. (Geld. Volksalm. 1848, p. 154 en Van de Schelde tot de Weichsel I, p. 448). B.M.L.
Meister Maorten Baortman en zijn vrinden. Een politiek naoberpraotje. (Geld. Volksalm. 1850, p. 163). B.M.L.
Heksen, spoken, weerwolven en waarzeggen. En snaorig stuksken van Meister Maorten Baordman. (Geld. Volksalm. 1872, p. 179). Openb. Bibl. te Arnhem.
Iets veur die en huusholding aonvaorden. (Geld. Volksalm. 1845, p. 174). B.M.L.
Baas Jochems aan ziin zoon. (Geld. Volksalm. 1843, p. 75). B.M.L.

Lochem en Omstreken.

Wansleven. (W.C.) 'n Boer die meer as rike worden wol. (Van de Schelde tot de Weichsel, I, p. 473). B.M.L.
Visser. (A. de) Mientjen. (Van de Schelde tot de Weichel I, p. 477) B.M.L.

[p. 62]

Postel. (F.D.H.) An Gait Mannes Snook, milisjean 2e regement, 3e kompie in de bomvrije kaserne te Vliszingen. (Geld. Volksalm. 1860, p. 211.) B.M.L.
Revenzie. Brief aan ‘meneer nijhoff te arem.’ (Id. 1861, p. 276). B.M.L.
Zie ook: Graafschap. (De)  

Maas en Waal.

Jansen. (R.) Neijigheidje. (Van de Schelde tot de Weichsel I, p. 421). B.M.L.
Hage. Een praatje. (Id. I, p. 415). B.M.L.
Zie ook: Alphen. - Maaskant. - Wamel.  

Maaskantsch.

Manus Bartels. (Geld. Volksalm. 1864, p. 127). B.M.L.
Zie ook: Maas en Waal.  

Nijkerk.

Smits. (J.J.) De gelikenis van de verleuren zoen op z'n nikaarks noaverteld. (Winkler, Dialecticon I, p. 330). B.M.L.

Nijmegen.

Keizer Karels Klok. Een praotje (In de Nimwigse toal). Nijmegen, J.F. Thieme, 1839, 8o. B.M.L.

Over-Betuwe,

Cremer. (J.J.) Bella Roel, Amsterdam, G.L. Funke 1871, 8o. Kon. Bibl.
Cremer. (J.J.) Distels in het weiland. Leiden, A.W. Sijthoff 1864, 4o, herdrukt onder den titel: Overbetuwsche Novellen, Leiden, A.W. Sijthoff, 8o. B.M.L.
Cremer. (J.J.) Gedichtjes. Amsterdam, G.L. Funke 1873, 8o. Kon. Bibl.
Cremer. (J.J.) 't Hart op de Veluw. 's Gravenhage, Gebr. Belinfante 1874, 12o. Kon. Bibl.
Cremer. (J.J.) 't Kleine revierke. (Van de Schelde tot de Weichsel I, p. 435). B.M.L.
Cremer. (J.J.) De oude Lammert en zien koei. (Id. I, p. 436). B.M.L.
Cremer. (J.J.) Bruur Joapik en Hanske. (Id. I, p. 438). B.M.L.
Cremer. (J.J.) Joapik Peter van Huunse op de zilvere brull'ft van d'n dommenei van Randik. (Alm. voor Holl. Blijgeestigen 1855, p. 38). B.M.L.
De Gelijkenis van den verlorenen zoon. (Winkler, Dialecticon I, p. 318). B.M.L.
Zie ook: Betuwe,  

[p. 63]

Over-Veluwe, Zie: Hoog-Veluwe.

Scherpenzeel.

Overeem. (G.) De gelikenis van de verlore zoen, opesjreve in de toal die ze te Sjaarpezèèl proate. (Winkler, Dialecticon I, p. 333). B.M.L.

Tiel.

S. Over namen. (Geld. Volksalm. 1862, p. 65). B.M.L.
November, slagtmaand. Getuigenis van en vremdeling en gin vremdeling. (Geld. Volksalm. 1855, p. 237 en Van de Schelde tot de Weichsel I, p. 425). B.M.L.
De naam doet er niet toe. (Van de Schelde tot de Weichsel (I, p. 428). B.M.L.
Winkelpraatje. Een tooneel uit het dagelijksch leven. (Geld. Volksalm. 1841, p. 148). B.M.L.

Tielerwaard.

Römer. (R.C.H.) Arbeiderliedje. (Geld. Volksalm. 1858, p. 25 en Van de Schelde tot de Weichsel I, p. 431). B.M.L.
Römer. (R.C.H.) De Gelijkenis van den verlorenen zoon. (Winkler, Dialecticon I, p. 322). B.M.L.

Twelloo.

Suurbach. (J.H.) Dialect van Twello bij Deventer (Noord en Zuid, Taalk. Tijdschr. III, p. 173). B.M.L.

Uddel, Uddelermeer.

Aarsen. (A.) Veluwsch (Uddelsch) taaleigen. (De Taalgids VI, p. 138). B.M.L.
Aarsen. (A.) Id. Eene aanteekening. (Taal- en Letterbode V, p. 68 en 229). B.M.L.
Aarsen. (A.) Veluwsch (Uddelsch) taaleigen. (Noord en Zuid, Taalk. Tijdschr. IV, p. 266). B.M.L.
Aarsen. (A.) Veluwsche (Uddelsche) spreekwijzen. Eene aanteekening. (Geld. Volksalm. 1879, p, 175). Openb. Bibl. te Arnhem.
Aarsen. (A.) De Gelijkenis van den verlorenen zoon. (Winkler, Dialecticon I, p. 326). B.M.L.
Aarsen. (A.) De knecht van den reus. (Van de Schelde tot de Weichsel I, p. 507). B.M.L.
Aarsen. (A.) Hoe de dagsloaper an z'n noam komt. (Geld. Volksalm. 1878, p. 175). Openb. Bibl. te Arnhem.
Zie ook: Veluwe, (De)  

[p. 64]

Vaassen.

Lohuizen. (T. van) Eene grootmoeder met hare kleindochter op eene ‘soirée littéraire’ in een dorp. (Geld. Volksalm. 1863, p. 130). B.M.L.
Lohuizen. (T. van) Nummer en sectie. (Geld. Volksalm. 1857, p. 247). B M.L.
Lohuizen. (T. van) Scheper Herm. - Huwelijks-aanvraag door Herm. (Geld. Volksalm. 1857, p. 73 en 77.) B.M.L.
Zie ook: Veluwe. (De)  

Varseveld.

A.J.G.H. De Gelijkenis van den verlorenen zoon. (Navorscher XXI, p. 368). B.L.U.

Veluwe. (De)

Kapteyn (G.J.) e.a. Proeve van een woordenboek van het Veluwsch taaleigen. (Handschrift van circa 1850) 11 blz. 8o. In het bezit van Dr. W. Bisschop.  
Berg (A. van den) Veluwsche gemeene landtaal. Met aanteekeningen en aanvullingen van H.J. Folmer, geschreven door F.v. Lelijveld, 50 blz. fol. B.M.L.
Berg (A. van den) Woorden uit de gemeene landtaal op de Veluwe. Twee verzamelingen; de eerste aangevuld door H.J. Folmer, 8o. obl. (Handschr.) B.M.L.
Noordhollandsche woorden, ook op de Veluwe in gebruik. (Navorscher VI, p. 197). B.L.U.
S. Eenige oude Veluwsche woorden, die taalkundige opheldering schijnen te verdienen. (Taal- en Letterbode II, p. 45). B.M.L.
Hoe het Kees en Mie ging bij het vergaan der wereld op den 13 Junij 1857. (Geld. Volksalm. 1859, p. 233). B.M.L.
Visser, (A. de) Slagt-offers. 'n Dink dat biet. (Geld. Volksalm. 1863, p. 182). B.M.L.
G. de Gr. Oaver de Veuruutgang onder de Boerenminsen. (Geld. Volksalm. 1862, p. 157). B.M.L.
Speelliedje. (Navorscher 1854, Bijblad p. CXVI). B.M.L.
Donkersloot, (N.B.) Teunis-oom in 't buitenland. (Geld. Volksalm. 1855, p. 97.) B.M.L.
Donkersloot, (N.B.) Teunis-oom in den raad. (Geld. Volksalm. 1854, p. 100). B.M.L.
Donkersloot, (N.B.) Teunis-oom op de tentoonstelling te Arnhem. (Geld. Volksalm. 1853, p. 141.) B.M.L.
Donkersloot, (N.B.) Teunis-oom in den Haag. (Geld. Volksalm. 1851, p. 59.) B.M.L.
Donkersloot, (N.B.) Nog één woord a propos van Teunis-oom. (Geld. Volksalm. 1856, p. 161. B.M.L.

[p. 65]

Lohuizen. (T.v.) Mundus vult decipi. (Geld. Volksalm. 1858, p. 194. Van de Schelde tot de Weichsel, I p. 513.) B.M.L.
Zie ook: Hoog-Veluwe. - Uddel. - Vaassen.  

Wamel.

In vertelselke van minnen aauwen burman. (Van de Schelde tot de Weichsel, I, 417.) B.M.L.
Zie ook: Maas en Waal.  

Winterswijk en Omstreken.

Knuivers. (T.) De Gelijkenis van den verlorenen zoon, (Winkler, Dialecticon I, p. 342). B.M.L.
Kruisselbrink. (H.J.) Grootvader. (Van de Schelde tot de Weichsel, I, p. 555.) B.M.L.
Zie ook: Achterhoek.  

Zelhem.

Klokman. (J.A.) Schetsen en novellen. Doetinchem, W.J. Raadgeep, (waarin 30 November 1869, ook voorkomende in Van de Schelde tot de Weichsel, I, p. 451.) B.M.L.
Zie ook: Graafschap.  

Zevenaar - Zie: Lijmers. (De)

Zutfen.

Et schaassenriejen, (Geld. Volksalm. 1835, p. 78.) B.M.L.
Nijman. (D.) De Gelijkenis van den verlorenen zoon, (Winkler, Dialecticon, I, 346.) B.M.L.
Heeckeren. (L.A.J. Baron van) Proeve eener vertaling van het Evangelie van Johannes in het Zutphensche dialect, 1859, 86 blz. fol. (Handschrift.) B.M.L.
Brief in Zutfens dialect, 21 November 1752. (Handschrift.) B.M.L.
Pannekoek. (E.J.) Mundus vult decipi, decipiatur ergo. (Geld. Volksalm. 1869, p. 123). B.M.L.
- Te huis (Geld. Volksalm. 1871, p. 20.) Openb. Biblioth. te Arnhem.  
- Eene gehoorzame dienstmaagd. (Id. 1878, p. 149.) Openb. Biblioth. te Arnhem.
Vriasi tussen Jan en Trui. - Proeve eener nabootsing van het plat Zutphens. Z.p. en j. 8o. (Met eene geschrevene aanteekening van Mr. L.P.C. van den Bergh over dezen tongval.) B.M.L.
Staring. (A.W.C.) De tuchtiging der Algerijnen. (Staring, Gedichten I, p. 131).  
Zie ook: Graafschap. (De)  

[p. 66]

III. Zuid-Holland.

Algemeen.

[Winkler. (Joh.) Over de Zuid-Hollandsche tongvallen.] (Winkler Dialecticon II, p. 105). B.L.U.

Platte land.

Varelen. (J.E. van) Twist tusschen Achilles en Agamemnon. Schuitpraatje van eenen boer; of luimige vertaling van het Ie boek der Ilias (Mnemosyne, Mengelingen enz. verzameld door H.W. & B.F. Tydeman. N. Verz. IV, p. 1). B.M.L.

Bodegrave. - Zie Zwammerdam.

Beijer-land. - Zie Goudswaard.

Brielle.

Biemond (C.J.) De gelaikenis van den verlore zoon (Winkler, Dialect. II, 160 en Navorscher XXI, p. 408). B.L.U.

Dordrecht.

Bisschop. (W.) Het Dordtsche taaleigen. Bijdrage tot de kennis der Hollandsche dialecten. (Taalgids IV, p. 27). B.M.L.
Lennep. (J. van) Opmerkingen bij de lezing van de Bijdrage, door Dr. W. Bisschop geleverd, order den tytel van Het Dordsche Taaleigen. (Taalgids IV, p. 117.) B.M.L.
De gelijkenis van den verlorenen zoon. (Winkler, Dialect. II, 154). B.M.L.

Goedereede en Overflakkee.

[Winkler. (Joh.) Over het Flakkeesche dialect]. (Winkler, Dialect. II, 165). B.M.L.
Lijst van eigenaardige woorden die in Goedereede, Overflakkee, Schouwen en Kadzand in gebruik zijn. (Mag. v. Nederl. Taalk. V, p. 38.) B.M.L.
Boers. (B.) Over de uitspraak van sommige klanken, dubbele klinkers, twee-klanken en eenige woorden op het eiland Goedereede en Overflakkee. (Boers, Beschrijving v.h. eiland Goedereede en Overflakkee. Sommelsdijk, J. Jongejan, 1843, p. 48). B.L.U.
Boers. (B.) Lijst van eenige verouderde, of in de provincie Zuid-Holland niet gebezigde Nederduitsche woorden, welke op het eiland Goedereede en Overflakkee nog heden in gebruik zijn. (Idem p. 49). B.L.U.
Admiraal. (A.) Zus van Zielis. Eene Flakkeesche vertelling. (Eigen Haard 1877, p. 249, 257, 265, 273). Koninkl. Bibl.

[p. 67]

Admiraal. (A.) De jonge vistersvrouwe (Van de Schelde tot de Weichsel I, p. 187). B.M.L.
Admiraal. (A.) De niëuwe meëster (Van de Schelde tot de Weichsel I, p. 155 en Eigen Haard 1875, p. 93, 101, 109). Koninkl. Bibl.
Admiraal. (A.) 't Oproerjaer 1787. (Van de Schelde tot de Weichsel I. p. 177). B.M.L.
Maliepaard. (S.) 't Zülvere Kroöningsfeest. (Id. I, p. 181). B.M.L.
Gouw. (J.E. ter) Gesprek. (Id. I, p. 186). B.M.L.
Zie ook: Nieuwe-Tonge.  

Gorinchem.

Sant. (D. van 't) & P. van Zutphen. Proeven van de volkstaal te Gorinchem 1859, 21 blz. 4o. (Handschrift). B.M.L.
Zutphen Azn. (P. van) Een brief over den Franschen tijd en een vrouwenpraatje in de Gorkumsche volkstaal. Gorinchen, J. Noorduyn 1866, 8o.  
Zutphen Azn. (P. van) De gelijkenis van den verlorenen zoon. (Winkler, Dialect. II, p. 140). B.M.L.

Goudswaard.

Bouman Jzn. (L.) 'n Dorpsvertellinkje (Van de Schelde tot de Weichsel I, p. 188). B.M.L.

's Gravenhage.

Bergh. (L.Ph.C.v.d.) Eenige opmerkingen over den Haagschen tongval. (v.d. Bergh, 's Gravenhaagsche bijzonderheden II, p. 71). B.M.L.
Bouman Jzn. (L.) 'n Standje. (Van de Schelde tot de Weichsel I, p. 212). B.M.L.
Bouman Jzn. (L.) 'n Praatje. (Id. I, p. 215). B.M.L.
Mesker (J.A.) 'n Brief van oome an nichie. (Id. I, p. 216). B.M.L.
Mesker (J.A.) De Krant hêit et 'm gedaan. (Id. I, p. 220). B.M.L.
Mesker (J.A.) De perreplu van Grootemoeder. (Id. I, p. 225). B.M.L.
Mesker (J.A.) Jakob Hagenaar z'n sjeloerse vrou. (Id. I, p. 230). B.M.L.
Lans. (J.R. van der) De dooie Kat. (Id. I, p. 230). B.M.L.
Zeggelen. (W.J.v.) De gelijkenis van den verlorenen zoon. (Winkler, Dialect. II, p. 131). B.M.L.
Bouman Jzn. (L.) In den ‘Schaivelingschen’ gondel. (Van de Schelde tot de Weichsel I, p. 241). B.M.I

's Gravenzande.

Vletter. (A. de) De gelijkenis van den verlorenen zoon. (Winkler, Dialect. II, p. 134). B.M.L.

[p. 68]

Groot-Ammers.

Vermeulen. (H.A.) De gelijkenis van den verlorenen zoon. (Winkler, Dialect. II, p. 138). B.M.L.

Hazerswoude.

Vos. (C. de) Jan Pouwelse. (Van de Schelde tot de Weichsel I, p. 240). B.M.L.

Katwijk.

Cosijn. (P.J.) Eene vraag naar aanleiding van het Katwijksch taaleigen (Taal- en Letterbode III, p. 48). B.M.L.
Katwijksch Woordenlijstje, 17 blz. 40. (Handschrift). Prov. Bibl. Friesland.
Boers (F.W.) Lijst van woorden en spreekwijzen bij de visschers te Katwijk in gebruik 1790, 30 blz. 4o. (Handschrift). B.M.L.
Kneppelhout. (J.) De gelijkenis van den verlorenen zoon. (Winkler, Dialect. II, p. 122). B.M.L.
Flaauwe herinneringen aan een bezoek op een Hollandsch zeedorp tegen het einde der vorige eeuw (Overijss. Alm. 1846, p. 79.) B.M.L.

Krimpen a/d IJssel.

Brouwer. (W.) De weuning van Jan van Maertes (Van de Schelde tot de Weichsel I, p. 211). B.M.L.

Leiden.

Oostveen. (W.F.) De mèid van de juffrouw, die een hair houdt. (Van de Schelde tot de Weichsel I, 245). B.M.L.
Oostveen. (W.F.) De Fambrieker. (Id. I, p. 246). B.M.L.
Oostveen. (W.F.) Maister Koekebak. (Id. I, p. 247). B.M.L.
Dee. (C.H.) Uit het Leidsche volksleven. (Id. I, p. 249). B.M.L.
Dijk. (J.A. van) De gelijkenis van den verlorenen zoon. (Winkler, Dialect. II, p. 111). B.M.L.

Noordwijk.

Noordwijk aan zee. (Overijss. Alm. 1846, p. 68 en Winkler, Dialect. II, p. 115). B.M.L.
Eene ontmoeting aan het strand. (Van de Schelde tot de Weichsel I, p. 257). B.M.L.

Nieuwe-Tonge.

Admiraal. (S.) De gelijkenis van den verlorenen zoon. (Winkler, Dialect. II, p. 167). B.M.L.

[p. 69]

Oud-Beijer-land.

Hoogwerf. (A.) Cypres-, Zilver-, Goud-, Oranje-lovers. Dordrecht H.R.v. Elk 1870, 8o. (waarin eenige verzen in dezen tongval).  
Hoogwerf. (A.) De gelijkenis van den verlorenen zoon. (Winkler, Dialect. II, p. 150). B.M.L.

Ouddorp.

Volk. (A.T.) De gelijkenis van den verlorenen zoon. (Winkler, Dialect. II, p. 172). B.M.L.

Overflakkee, zie Goedereede.

Ridderkerk.

Brouwer. (W.) Geschiedenis van den eersten grijsaard en van de hinde (1001 nacht). Door een knaap aan zijn makkers verhaald. (Van de Schelde tot de Weichsel I, p. 191). B.M.L.
Brouwer. (W.) Voor de Kerkekamer. (Id. I, p. 205). B.M.L.
Brouwer. (H.C.) Garrit in Joantjie. (Id. I, p. 193). B.M.L.

Rotterdam.

Dialect van Rotterdam - (J.F. Willems, Belgisch Museum 1842, p. 325). B.M.L.
Jager. (A. de) De gelijkenis van den verlorenen zoon. (Winkler, Dialect. II, p. 145). B.M.L.

Scheveningen.

Cremer. (J.J.) Japik en Pleuntje. (Rom. Werken. Dl. XIII, p. 158). B.M.L.
Cremer. (J.J.) Alles wèl: 't lot in den kerkbuil. (Id. XIII, p. 18). B.M.L.
Gébel. (C.) Verhaal eener gebeurtenis te Scheveningen in den jare 1697, in den Scheveningschen visscherstongval. (Germaniens Völkerstimme III, p. 713, en in Overijss. Alm. 1846, p. 52). B.L.U.
Gébel. (C.) De orkaan. Gedicht in den Scheveningschen visscherstongval, (Overijss. Alm. 1846, p. 60). B.M.L.
Gébel. (C.) Gesprek van eenige visschers over de natuurlijke oorzaak, waarom vóór een storm de bodem der zee en het strand aan den oever zeer zacht of bol is, en de welputten aan het land troebel zijn. (Alm. v. Blijgeest, 1829).  
Gébel. (C.) Gesprek van eenige visschers over de natuurlijke oorzaak, waarom, bij een oosten- of landwind, zinkende lichamen aan het strand spoelen, en daarentegen, bij een noordwesten- of zeewind, die voorwerpen naar zee trekken. (Alm. v. Blijgeest, 1833).  

[p. 70]

Gébel (C.) De Fransche brik, die de pot verteerde. (Van de Schelde tot de Weichsel I, p. 254). B.M.L.
Jager. (A. de). De gelijkenis van den verlorenen zoon. (Winkler, Dialect. II, p. 126). B.M.L.

Schiedam.

Snel. Een praatje over alles en niets (Van de Schelde tot de Weichsel I, p. 207). B.M.L.
De brandersknecht. (Id. I, p. 208). B.M.L.

Sliedrecht.

Zijde. (K. van der) Het Sliedrechtsch taaleigen. (Taal- en Letterb. V, p. 186). B.M.L.

Tinte. (De)

Overeem. (G.) De gelijkenis van den verlorenen zoon. (Winkler, Dialect. II, p. 163). B.M.L.

Vlaardingen.

Stolk. (A.F.) Het dialect te Vlaardingen. (Noord en Zuid. Taalk. Tijdschrift III, p. 111). B.M.L.
Kuyper. (Th.) Opmerkingen naar aanleiding van Het dialect te Vlaardingen. (Id. III, p. 182). B.M.L.
Drossaart. (P.K.) De gelijkenis van den verlorenen zoon. (Winkler, Dialect. II, p. 150). B.M.L.

West-Voorne. - Zie: Ouddorp.

Woubrugge.

Spijker. (P.H.) De gelijkenis van den verlorenen zoon. (Winkler, Dialect. II, p. 106). B.M.L.

Zwammerdam en Bodegrave.

Knoppers W.Kzn. (J.) Hoe 'k men Margie kreeg. (Van de Schelde tot de Weichsel I, p. 251). B.M.L.

IV. Noord-Holland.

Algemeen.

Beets. (Nic.) Noord-Hollandsch taaleigen. (A. de Jager's Taalk, Mag. III, p. 510, IV, p. 365). B.M.L.
Winkler. (Joh.) Sporen der Friesche taal in de volksspraak van Noord-Holland. (Navorscher XXVII, p. 568). B.L.U.

[p. 71]

Kalken. (D. van) Bijdrage tot de Kennis der Noord-Hollandsche Volkstaal. (Taalgids I. p. 102, 282). B.L.U.
Kalken. (D. van) Idem Nalezing. (Idem 11, p. 101). B.M.L.
Noord-Hollandsche soloecismen 5 blz. 40. (Handschrift). B.M.L.
Kassel. (P.H. van) Provincialismen, in Noord-Holland gebruikelijk. (De Nederl. Taal. Tijdschrift enz. 1861, p. 145, 208). B.L.U.
Bouman (J.) De volkstaal in Noord-Holland. Inhoudende eene lijst van woorden, die in deze provincie meer of minder gebruikelijk zijn. - Met een voorwoord van P. Leendertz Wzn. - Purmerende, J. Schuitemaker 1871, 8o. B.M.L.
Kool. (Agge Roskam) Woordenboek tot de Noord-Hollandsche dialect behoorende, verzameld om verder aangevuld te worden, 62 blz. fol. (Handschrift). B.M.L.
Bouman. (J.) Woorden op het platte land in Noord-Holland nog gebruikelijk, maar die langzamerhand wegsterven, (De Navorscher Dl. IV, p. 193, VI, p. 196, 361, VII, p. 39, 106, 161, 208, 258, 279, 289, 321. Idem Bijblad 1855, p. XIIII, CXIIV, Dl. VIII, p. 88, 183, 453 IX, 26, 327). B.L.U.

Amsterdam.

Amsterdamsch dialect. (Navorscher VIII, p. 66, 174, IX, p. 333, X, p. 80). B.L.U.
Bilderdijk. (W.) Over een oud Amsterdamsch volksdeuntjen. (Algem. Vaderl. Letteroef. 1808 II, p. 459). B.L.U.
Gouw. (J. ter) De gelijkenis van den verlorenen zoon. (Winkler, Dialect. II, p. 93). B.M.L.
Gouw. (J. ter) De Gelijkenis van den Verloren zoon, zooals een burgerjuffrouw in de Kalverstraat, vóór omtrent een halve eeuw geleden, die ‘op'n zondag navend, by 'n koppie suikelaat en 'n kakie jan'rapostele zou vertelt hebbe’. (Dietsche Warande X, p. 572, en Van de Schelde tot de Weichsel I, p. 261). B.M.L.
Thym. (J.A. Alberdingk) De gelijkenis van den verloren zoon, in de taal der ‘Weseper Biercay’. (Dietsche Warande X, p. 583). B.M.L.
Thym. (J.A. Alberdingk) Id. in de taal der Heeren- en Keizersgrachtsche beau-monde. (Dietsche Warande X, p. 585). B.M.L.
Lennep. (J. van) Plat Amsterdamsch. - Zamenspraak tusschen den verhaler, een verwer, Schele Gijs, een tapper, Haarlemmerdijkers, Zwarte Sander, een Oostindievaarder, Klaas de Bobbert. matroos om de Noord, en Hein Rip, een heerenknecht, Katten  

[p. 72]

burgers. - (Oorspronkelijk gemaakt voor Germaniens Völkerst. III, p. 722, herdrukt in den Overijss. Alm. 1845, p. 213, en Van de Schelde tot de Weichsel I, p. 268). B.L.U.
Halbertsma. (J.H.) Aanmerkingen op de plat Amsterdamsche zamenspraak van Mr. J.v. Lennep. (Overijss. Almanak 1845, p. 221). B.M.L.
Bilderdijk. (W.) Rouwbeklag (in gemeenzamen Amsterdamschen tongval). (W. Bilderdijk, Najaarsbladen, Amst. 1808, I, p. 162). B.L.U.
Thym. (J.A. Alberdingk) It spreukie van Knubbeluitezak. (Van de Schelde tot de Weichsel I, p. 265). B.M.L.

Andijk.

Kooiman Azn. (K.) Woorden te Andijk en in de omstreken en voor een gedeelte ook elders in Noord-Holland in gebruik, (Navorscher XXI, p. 529). B.L.U.
Woorden te Andijk in gebruik. (Navorscher XXII, p. 42, 200, 542). B.L.U.
Kooiman Azn. (K.) De gelijkenis van den verloren zoon, (Navorscher XXI, p. 142). B.L.U.
Kooiman Azn. (K.) Een praatje over kollen. (Navorscher XXI, p. 524). B.L.U.

Benningbroek.

Mink. (C.) De gelijkenis van den verlorenen zoon, (Winkler, Dialect. II, p. 41). B.M.L.

Egmond aan Zee.

Aus dem Leben, (Germaniens Völkerstimme III, p. 715). B.L.U.
Gantvoort. (A.J.) De gelijkenis van den verlorenen zoon. (Winkler, Dialect. II, p. 71). B.M.L.

Enkhuizen.

Knuivers. (T.) De gelijkenis van den verlorenen zoon, (Winkler, Dialect. II, p. 45). B.M.L.

Haarlem.

Winkler. (Joh.) & H. Weijenbergh Jr. De gelijkenis van den verlorenen zoon. (Winkler, Dialect. II, p. 79 en 82.) B.M.L.

Heemskerk.

Tuyl Schuitemaker. (L.F.) De gelijkenis van den verlorenen zoon, (Navorscher XX, p. 300 en Winkler, Dialect. II, p. 68). B.M.L.

[p. 73]

Holijsloot.

Wit Hzn. (D. de) De gelijkenis van den verlorenen zoon, (Winkler, Dialect. II, p. 62). B.M.L.

Hoorn.

P.M. Kzn. Een Hoornsche ambachtsman vertelt aan zijne kinderen de gelijkenis van den verloren zoon, (Navorscher XXI, p. 298). B.L.U.

Huizen.

Beemsterboer. (P.) De gelijkenis van den verlorenen zoon, (Winkler, Dialect. II, p. 102). B.M.L.

Kolhorn.

C.W.B. Kolhornsch taaleigen. (Navorscher X, p. 154). B.L.U.
‘Daer sain maine vrinden!’ enz. Dichtstukje. (Overijss. Alm. 1846, p. 97, Germ. Völkerst. III, p. 719). B.L.U.

Krommenie.

Woorden te Krommenie in gebruik. (Navorscher VI, p. 232, VII, p. 68, X, p. 153). B.L.U.

Laren.

Wulfen. (J. van) De gelijkenis van den verlorenen zoon. (Winkler, Dialect. II, p. 98). B.M.L.

Limmen en omstreken.

Beets. (N.) De vrijerij van Hil en Hain. (Van de Schelde tot de Weichsel I, p. 290). B.M.L.
Beets. (N.) Hoe Dries Riek zijn Geesje vrijde en trouwde. (Id. I, p. 292). B.M.L.

Marken. (Eiland)

Allan. (F.) Eenige opmerkingen over het Markensche dialect, (Taal en Letterbode II, p. 62). B.M.L.
Tinholt. (A.) Taalbijzonderheden van het eiland Marken. (Taalgids IV, p. 197). B.L.U.
Een Marker vrijage. (Van de Schelde tot de Weichsel I, p. 281). B.M.L.
Groot Czn. (C. de) De gelijkenis van den verlorenen zoon, (Winkler, Dialect. II, p. 58). B.M.L.

Medemblik.

Sunte Maartens lied. (Overijss. Alm. 1846, p. 93 en Germ. Völkerst. III, p. 719). B.L.U.

[p. 74]

Midsland (op Terschelling).

Lieuwen. (K.J.) De gelijkenis van den verlorenen zoon, (Winkler, Dialect. II, p. 18). B.M.L.

Schagen en omstreken.

De gelijkenis van den verloren zoon. (Navorscher XX, p. 624 en Winkler, Dialect. II, p. 35). B.M.L.
Speelliedje (Navorscher 1855, Bijblad p. CVII). B.L.U.

Streek (De zoog.) tusschen Hoorn en Enkhuizen.

De Wumpel, de Strumpel. - Het schompelen (twee dichtstukjes). (Germaniens Völkerstimme III, p. 720). B.L.U.

Terschelling. (Eiland)

Suurbach. (J.H.) Het Terschellinger Dialect. (Noord en Zuid, Taalk. Tijdschr. III, p. 170). B.M.L.
Bakker. (J.S.) Zeeplanten.  
Bakker. (J.S.) Oan Skîllinge (Swanneblummen 1855).  
Ruige. (Jemke C.) De gelijkenis van den verlorenen zoon. (Winkler, Dialect. II, p. 15). B.M.L.
Tekele Rein's Zwaal. De gelijkenis van den verlorenen zoon. (Winkler, Dialect. II, p. 10). B.M.L.

Tessel. (Eiland)

Dekker. (D.) De skim van Lene-peet. (Van de Schelde tot de Weichsel I, p. 309). B.M.L.
Dekker. (D.) Het concert à la Musard. (Idem I, p. 322). B.M.L.
Dekker. (D.) De gelijkenis van den verlorenen zoon, (Winkler, Dialect. II, p. 26). B.M.L.
Proeve van Texelsch dialect. (Alm. v. Blijgeest. 1853).  

Urk. (Eiland)

Koffeman. (K.) Het Urker taaleigen. (Taal- en Letterb. VI, p. 24. B.M.L.
Koffeman. (K.) De vervoeging in het Urksch. (Id. VI, p. 220). B.M.L.
Koffeman. (K.) De gelijkenis van den verlorenen zoon, (Winkler, Dialect. II, p. 54). B.M.L.

Vlieland. (Eiland)

Allan. (F.) Het eiland Vlieland en zijne bewoners geschetst. Amsterdam, Wed. Borleffs & ten Have 1857, Met kaart, 8o.  
Kooij. (J.) De gelijkenis van den verlorenen zoon. (Winkler, Dialect. II, p. 22). B.M.L.

[p. 75]

Waterland.

Pilger Lzn. (G.) Woorden uit de Waterlandsche volkstaal, (Taalgids VI, p. 308). B.L.U.

West-Friesland.

Slók Wzn. (J.) Dialect in West-Friesland. (Navorscher XIV, p. 337, 373, XV, p. 45, 176). B.L.U.
Slók Wzn. (J.) Zeeuwschvlaamsche woorden ook in West-Friesland in gebruik. (Navorscher XV, p. 173). B.L.U.
Aghina. (J.J.) In d'ouden dik. Westfriesche novelle. Hoorn, F.A. Kramps 1868. 8o.  
Dekker. (D.) Het vreemde luchtverskainsel. (Van de Schelde tot de Weichsel I, p. 293). B.M.L.
Dekker. (D.) Piet Bras. (Id. I, p. 297). B.M.L.

Wieringen. (Eiland)

Allan. (F.) Het eiland Wieringen en zijne bewoners geschetst. Amsterdam, Weytingh & v.d. Haart, 1856. Met kaart, 8o.  
Wijn. (R.) De gelijkenis van den verlorenen zoon, (Winkler, Dialect. II, p. 30). B.M.L.

Zaanstreek. (De)

Noord-Hollandsche spreekwijzen aan den Zaankant gebruikelijk. (Kronyk v.h. Utrechtsch Historisch Genootschap 1846, p. 281; 1847, p. 188). B.M.L.
Zaanlandsche woorden en spreekwijzen, (A. de Jager. Nw. Archief v. Nederl. Taalk. I, p. 475). B.L.U.
Lijst van verouderde of nog gebruikelijke Zaanlandsche woorden en spreekwijzen, (B. van Geuns. Beschrijving van Zaandam. Amsterdam, J.C.v. Kesteren 1842, p. 406.)  
Toetssteentje der lijst van eenige verouderde of nog gebruikelijke Zaanlandsche woorden en spreekwijzen [voork. in v. Geuns, Beschr. v. Zaandam]. (Zaanlandsch jaarb. van 1843, p. 131.)  
Eykman. (C). Lijst van Zaansche woorden. (Noord en Zuid, Taalk. tijdschr. III, p. 299). B.M.L.
Kuijper. (Th.) Aanteekeningen bij de ‘Lijst van Zaansche woorden.’ (Id. IV, p. 177). B.M.L.
Germanismen aan de Zaan. (Navorscher XXIII, p. 209-210). B.L.U.
Honig Jz. Jr. (J.) De gelijkenis van den verlorenen zoon. (Winkler, Dialect. II, p. 65). B.M.L.
Zaandammer Geurtje 1770. (Germaniens Völkerstimme III, p. 721 en Overijss Volks-Alm. 1846, p. 88). B.L.U.

[p. 76]

Top. (H.J.) Oitje met een jachie. (Van de Schelde tot de Weichsel I, p. 274). B.M L.

Zandvoort.

Heijden. (J. van der) De gelijkenis van den verlorenen zoon. (Winkler, Dialect. II, p. 74). B.M.L.

V. Zeeland.

Algemeen.

[Winkler. (Joh.) Over het Zeeuwsche taaleigen.] (Winkler, Dialecticon II, p. 176). B.M.L.
Oosterzee. (H.M.C.v.) Enkele bijzonderheden van het Zeeuwsche taaleigen, (Zeeuwsche Volksalmanak 1847, p. 130). Prov. Bibl. v. Zeeland.
Kousemaker Pzn. (J.) Zeeuwsche uitspraak. (Noord en Zuid, Taalk. tijdschr. I, p. 135). B.M.L.
Sifflé. (A.F.) Over het Zeeuwsche taaleigen. Met bijvoegsel van A.d.J., (A. de Jager, Taalk. Mag. I, p. 169). B.L.U.
Hoeufft. (J.H.) Nalezing op Idem. (Idem I, p. 245). B.L.U.
Lijst van eigenaardige woorden, die in Goedereede, Overflakkee, Schouwen en Kadzand in gebruik zijn. (Mag. v. Ned. taalk. V, p. 38). B.L.U.