Am Urdhs-Brunnen. Organ des Vereins für Verbreitung volksthümlich-wissenschaftlicher Kunde. Für die Redaction verantwortlich F. Höft. - Druck von H. Gütlein in Rendsburg. 1er Jaargang.
Am Urdhs-Brunnen! De naam van dit tijdschrift eischt opheldering.
De Germanen stelden zich, volgens de Edda, het wereldgebouw voor onder het beeld van den esch Yggdrasil (oog-drager, zondrager, het alles overziende oog van den Alvader). Onder de wortels van Yggdrasil ontspringen bronnen:
‘Urdh heet de eene, de tweede Werdandi, Staven snijdt Skuld, de derde.’
Urdh, wat werd, het verleden; Werdandi, het wordende, het tegenwoordige; Skuld, wat worden zal, de toekomst.
De Urdh-bron is zeer heilig; haar water maakt jong en schoon: Zij beteekent volgens Simrock ‘de geschiedenis, de wetenschap, waardoor het volksleven verjongd en verfraaid moet worden.’
Uit die bron te putten, om zichzelf en anderen te verkwikken, dat stelt zich am Urdhs-Brunnen voor.
De eerste aflevering, over April en Mei 1881 (het tijdschrift verschijnt om de twee maanden) toont ten duidelijkste aan, dat de Redactie de taak, uit de bron der geschiedenis te putten, met ernst aanvat. Ze behelst het eerste gedeelte van eene uitgebreide en uitgewerkte studie over de etymologie van woorden, die op het gebied der kerk thuis behooren. Deze studie wordt in de volgende afleveringen (de laatste is van Dec. 1881 en Jan. 1882) voortgezet. Kerk, het Gotische alhs en veihs, kerspel (Kirchspiel), toren, klok, kerkmis (kermis), altaar, al deze passeeren de revue, en vreemd genoeg, bijna alle worden ze afgeleid uit het Keltisch, natuurlijk op gezag van Leo, Rabe en anderen. Ziehier in 't kort de afleiding:
| Kerk: Wäl. cylch of cyrch, het
middelpunt, waarom zich iets verzamelt. cylchu of cyrchu, het verzamelen om een middelpunt. |
| Veihs: Wäl. gwig, vrije plaats in het woud. Bret. gwik - Gäl. fich, veld. |
| Toren: Wäl. twr, tur en turn; Gäl. tor; Ir. tur. Alle = rotspunt. |
| Klok: Wäl. cloch, klok; cloccian; klokken als eene hen, enz. |
| Kermis: Ir. cuirmeadh, feest. |
| Altaar: Ir. altoir; Gäl. altair, altoir; Corn. alter, altor, enz. |
We wenschen alleen over het eerste iets te zeggen. De algemeen aangenomen afleiding is die uit het Grieksche kuriakon. Om de onmogelijkheid hiervan aan te duiden, worden de volgende bewijzen aangehaald: 1e. kyriakon (dooma) is onzijdig en kerk vrouwelijk; 2e. het wegvallen der a in kerk (kirche), het Hd. woord zou kirjaka moeten luiden; 3e. de onmogelijkheid, dat zoo'n enkel Gr. woord onder de kerkelijke woorden zou verdwaald zijn; benevens een paar bewijzen van ondergeschikt belang.
Dat de bekeerde Goten het woord kyriakon te Constantinopel, waar het gebruikt werd, hebben overgenomen en langs den Donau verspreidden, kan geen verwondering geven; daar zij gewoon waren vele onzijdige woorden, uit het Grieksch overgenomen, vrouwelijk te nemen, vervalt ook dit bezwaar; dat de a niet zou kunnen wegvallen moet nog bewezen worden, de overgang van kiriaka, kirieka, kirika, kirk en bij ons kerk is nog al geleidelijk en eenvoudig, veel begrijpelijker, dan dat het Os. en het Ohd. (kirika, kerika en chirihha) in het Kelt. cyrch eene i zou ingeschoven hebben.
Overigens erken ik gaarne, dat deze studie, door eene geleerde hand geschreven, alle aandacht verdient.
Een ander stuk handelt over Keltisch-Britsche (Wäl.) runenopschriften, vroeger en later in Noord-duitschland en Denemarken gevonden, van A. Rabe. De opschriften met verklaring en nevensgaande plaat zijn voor hen, die zich op de Keltische talen toeleggen, belangrijk en eene bron voor studie. Ook tooverformulieren in het Wäl. en Corn. ontbreken niet. De richting van ‘am Urdhsbrunnen’ strekt zich dus hoofdzakelijk naar de Kelten uit; eene richting, die meer dan eens het wantrouwen van degelijke geleerden heeft opgewekt. Wij willen hopen dat dit tijdschrift dat wantrouwen niet vermeerdere.
Doch wij willen nog even de aandacht vestigen op eene andere studie: ‘De ooievaar als heilige vogel in den mond des volks en
in kinderliederen,’ vervolgd door ‘vanwaar komen de kinderen’. Deze stukjes, doorzaaid met oudere en nieuwere kinderliederen, zijn werkelijk voor het volk geschikt.
Afl. 1. bevat nog de afleiding der namen Adelbert, edele zoon; Albert verkort uit het eerste; Albrecht, glanzend in geslacht (volgens Obermüller, ook al weer uit het Kelt., hoog soldaat); Adelgunde, edele strijdster; Adolf, edel-wolf; Adelheid, stralend in geslacht; Alfons, de edelbereide, de welwillende; Agathe, de goede; Agnes, de reine; Alfred, vriendelijk radende; Alcuin (Kelt.), edele man.
Deze bladen bevatten 1e mededeelingen aan de leden der vereeniging, 2e mededeelingen uit den kring der leden, 't zij van grooter of kleiner omvang.
Onze aandacht trok ‘het kinderlied van filius Jezus’, een overblijfsel uit de christelijke middeleeuwen; niet om de onbekendheid er mede, want ook in Van Vloten's Bakerrijmen komt het in den Nederlandschen vorm voor (Abrikozen Mietje, Moeder wat moet ik doen, enz.), maar om het verschil, dat na verloop van tijden kan heerschen in een lied, dat oorspr. natuurlijk slechts één vorm had. Ook het Vlaamsche: ‘Mi Ansje kwam in schole: Mi Ansje, zeg uw lesse, enz.’ is er niet onder vergeten.
Onder de kleinere mededeelingen komt er een voor van Prof. Kern te Leiden, die het Nederd. quanswis, ons kwansuis verklaart als kwantswijs, en dus met de bijna algemeen aangenomen afleiding van quasi breekt. ‘Men vergelijke slechts Kiliaans quant (kwant): sodalis, socius ludi, collusor, permutator, met quantsuys: collusorie, lusorie, quasi vero, quasi, om te zien, dat quantsuis, kwanswijs eene volkomen juiste adverbiaalvorming is uit het subst. quant, kwant, waarvan de tegenwoordige bet. lustige broeder, schalk (bube) is. Wat den overgang van -swīs tot suis betreft, voegt de Hooggeleerde er bij, deze is analoog met dien van het On. thveit tot het hedendaagsche duit. Intusschen moet de vorm kwansuis vóór 1200 bestaan hebben, want noch naar Mnl., noch naar Nnl. klankwetten gaat wī in ui over’.
No. 11 van 1881 bevat eene gedeeltelijk afkeurende, gedeeltelijk loffelijke kritiek van Zilahi Kiss Bela's. ‘Die Sächsische Provinz und die Stadt Hermanstadt im 15. Jahrhundert.’ - Eene studie over Haus, Hof en Heim. Met het oog op de volkstaal eene zeer rijke studie. Bijv.: en alt, nå (neu), hîsch (-hübsch), gàrschtig, grîs, klîn, stàrk, zeràmpelt (zerrumpelt), e stûlz hous, en iets verder: Das Haus wird gebât, gemouert, gedaekt, ausgebêsert, gefläkt, taugt es nicht mehr, dann wird es - falls es nicht von selber zerràmpelt, äràmpelt, äfält (einfällt) - niedergerissen. Dit laatste heet ôfkleiden, zekleiden (ab-, zerkleiden). - Ein neuer Münzenfund. - Die terra Cwezfey. - Kleine Mitteilungen, Literatur, Fragen, Antworten.
No. 12. Ein neues Werk von Honterus: Lucii Annei Senecae de quatuor virtutibus liber unus Ejusdem de moribus liber unus, MDXXXIX. Een belangrijk boek voor het tijdvak der hervorming in Zevenbergisch-Saksen. - Nachträge zur ältern siebenbürgischen Glockenkunde. - Instruction des Hermanstädter Bettelvogts. - Kleine Mittheilüngen, enz. als No. 11.
No. 12 van 1881. Loffelijke aankondiging van Weingartner, Leopold, die von L. Bock aufgestellten Categorien des Conjunctivs im Mittelhochdeutschen, untersucht an Hartmann von Aue. (Dat juist Hartmann von Aue als uitgangs-schrijver gekozen is, pleit voor de grootere waarde des werks, daar deze het zuiverste Mhd. schreef). - Moldaenke, Carl, Ueber den Ausgang des stumpfreimenden Verses bei Wolfram von Eschenbach. Goed beoordeeld als taalkundig werk, doch zonder eenige waarde voor de geschiedenis der metriek. - De arme Heinrich und die Büchlein von Hartmann von Aue, hrsg. von M. Haupt. Leipzig, Hirzel, 1881. - Günther, C., Die Verba im Altostfriesischen. Leipzig
1880. Met enkele aanteekeningen. - Schlossar, Anton, Deutsche volkslieder aus Steiermark. Innsbruck, Wagnersche Universitäts-Buchhandlung 1881. Dit werk bevat tevens eene belangrijke bijdrage voor de kennis der Beiersch-Oostenrijksche volkstaal.
Lessings Verhältniss zur altrömischen Komödie, von Dr. K. Seldner. Mannheim, Wilhelm Beutel. - Vorlesungen über G.E. Lessings ‘Nathan’ von Dr. C.R. Pabst. Bern, B.F. Haller. Beide, vooral het laatste, zijn belangrijke studiën, die ‘die wärmste Empfehlung verdienen.’ - Die Oberpahlsche Freundschaft. Ein Gedicht in deutsch-estnischer Mundart van Jacob Joh. Malm. Leipzig 1881. - Sprachatlas von Nord- und Mitteldeutschland. 1e. Lief. Strassburg, Trübner, 1881. Zeer aanbevolen. - Einenkel, Eugen, Ueber die Verfasser einiger neu-angelsächsischer Schriften. Leipzig, Gust. Fock 1881. Als geheel niet genoeg afgesloten en zonder eenheid, zonder vaste en hechte basis; verdienstelijk wat de beschouwing der metriek betreft. - Messire Thibaut, li romanz de la poire. Gedicht aus dem XIII. Jh. nach den Hss. der Bibl. Nat. zu Paris zum ersten Male hrsg. von Friedrich Stehlich, Dr. Phil. Halle, Max Niemeyer, 1881. Uitgave vol fouten: ‘Der Text des Romanz de la Poire ist nun einmal, sei es auch in ganz jämmerlicher Weise, gedruckt.’ - Inhoud van Tijdschriften, Literarische mededeelingen, Personalnachrichten, enz.
No. 1. III Jahrg. 1882. Boekbeschouwingen: Marold, C., Ueber die gotischen Conjunctionen, welche οὖν und γάρ vertreten. Königsberg, 1881. Degelijk en zorgvuldig bewerkt. De schrijver is van plan het syntaktisch gebruik van alle conjuncties, niet slechts in het Got., maar in alle Germ. dialecten op dezelfde manier te behandelen. - Bugge, Sophus, Studier over de nordiske Gude- og Heltesagns Oprindelse (het ontstaan). - Hd. vertaling van Dr. O. Brenner. Tegen Bugge's hoofdstelling, dat de Noormannen zelfs uit Grieksche bronnen zouden geput hebben en aldus hunne helden - en godensagen op Griekschen of in het algemeen op vreemden grondslag zouden opgebouwd hebben, worden terecht bedenkingen ingebracht. Over het algemeen is de kritiek sterk afkeurend. - Der Nibelunge Nôt mit den Abweichungen von der Nibelunge Liet, Karl Bartsch. Zweiter Theil. Zweite Hälfte. Leipzig, Brockhaus, Beoordeeling goed, doch niet zonder aanduiding van vlekken, vooral in het glossarium.
- Heinzerling, J. Die Namen der wirbellosen Thiere in der siegerländer Mundart, verglichen mit denen anderer deutschen Mundarten und germanischen Schriftsprachen. Progr. Siegen 1879. Be-
langrijk voor de studie der volkstaal. - Albrecht, karl, Die Leipziger Mundart. Leipzig 1881. - Uhlemann, Emil, Ueber die anglo-normanische Vie de Seint Auban. Bonn 1880. Vooral de Anglo-norm. klankwetten, zooals ze in dit werk voorkomen, worden streng beoordeeld.
- Hierop volgt de aankondiging van 3 Italiaansche werken: La Poesia Barbara nei Secoli XV en XVI a cura di Giosuè Carducci. Bologna 1881. - Canello, u. a, Storia della letteratura Italiana nel secolo XVI. Milano 1880. - Benedetti, Giorgio, stato della Commedia italiana nel Cinque cento (XVe eeuw.) Alle drie even belangrijk voor de kennis van het Italiaansch van vroegere tijden.
- Tijdschriften, mededeelingen, enz. -
No. 4 Jan. 1882. (2e Jaargang.) In weerwil van de geringe stoffelijke ondersteuning, die het Z.f.O. ten deel valt; trots den minder gunstigen gezondheidstoestand van Dr. Viëtor, die hem noodzaakt zijne werkzaamheden zooveel mogelijk in te krimpen; niettegenstaande de geldelijke opofferingen, die hij zich gedurende het bestaan van het tijdschrift heeft getroost; zal de moedige Dr. Wilhelm Viëtor voortgaan den strijd te strijden tegen de spraak- en schriftverwarring, die in geheel Duitschland heerscht. ‘Zoolang echter door den invloed van Sievers, Techmer, Trautmann, e.a. de klankphysiologie op onze Hoogescholen bij de examens niet tot een vereischte is geworden, zal het tot den goeden toon blijven behooren met een minachtenden glimlach op “Orthographie, Orthoepie en Spraakphysiologie” neer te zien. Wat had onze beroemde landsman in het land van philologischen vooruitgang, Max Müller, gelijk met zijne woorden over het verstand en de schildpad, die hij inderdaad richtte aan het adres onzer taalgeleerden!’
En hoe luiden die woorden van Max Müller? Ze zijn te vinden in de Deutsche Rundschau van Aug. 1880. ‘Niets kan verstandiger zijn dan de zooveel besproken en bespotte hervorming van de spelling in Duitschland, zoowel als in Engeland; niets echter marcheert zoo langzaam als - het verstand. Dit is de echte schildpad, maar toch, in weerwil van alles - en dit is en blijft het eerste van alle geloofsartikelen - het haalt eenmaal den haas in....’
Z. für O. No. 4 bevat: Uber die Aussprache des sp, st, b und ng, ein Wort zur Verständigung zwischen Nord und Süd. Von Aug. Diederichs in Gent. Deze practische studie is ook afzonderlijk in druk verschenen te Rostock bij Wilh. Werther. - An International Alphabet (proposed in 1840.) By Tito Pagliardini te Londen (continued), een echt Engelsch, practisch idee, dat echter nooit ten uitvoer zal gebracht worden. - Einheit der Schrift, von J.M. Schreiber in Wien. De schrijver beweert, en terecht, dat thans de Duitsche schooljeugd van iedere letter 8 verschillende vormen moet onthouden. Niet minder dan 200 teekens moeten in het geheugen gestampt worden, om slechts halverwege aan de eischen der volksschool te voldoen.
(Wij gedenken nog den tijd, toen we schoolboekjes voor ons hadden, waarin bijna iedere les met eene andere, soms onleesbare letter was afgedrukt).
Verder: een paar proeven van Duitsche hervorming-orthographie, n.l. van Dr. Kewitsch en Dr. Viëtor, die niet weinig verschillen en waarvan we de tweede voor het meest practisch houden. -
Duitschland met zijn Stein en Schtein, Birne en Bürne, schön en scheen, kut, gut en jut kan op taal- en spraakeenheid niet roemen en heeft dus voorlichters noodig op den weg, die daar heen leidt. Het Z.f.O. blijve dus!
Behalve berichten en mededeelingen bevat dit tijdschrift ook zeer duidelijk uiteengezette lessen voor den oningewijde. De ingewijde kan zich verlustigen in de gestenografeerde opstellen en berichten, die in deze bladen voorkomen.
Deze eerste aflevering bevat eene belangrijke bijdrage tot de kennis van Zevenbergen en inzonderheid zijne inwoners ‘de Zevenberger-Saksen,’ van Prof. Wattenbach. Hij verhaalt hierin in opwekkenden stijl hun afkomst, hun duitschgezindheid en hun lijden van den kant der Magijaren. In de oudste tijden heetten deze Saksen Flandrenses, Flandrer; een naam, die in enkele streken bij de Wa-
lachen nog behouden is; hun dialect wijst op den Benedenrijn tusschen de Maas en de Moezel; de naam Saksen is hun eerst later door misbruik geworden. Dit oordeel komt geheel overeen met dat van Aladar, wiens beweringen zoo hevig worden bestreden in het hierbovengenoemde ‘Korrespondenzblatt des Vereins für Siebenbürgische Landeskünde.’ Aladar zegt: Ebenso erinnren die nationalen Eigentümlichkeiten der Sachsen wie auch deren Sprache an die Bevolkerung Hollands und des Niederrheins. Das holländische Gepräge ist auch gegenwärtig dem sächs. Volke aufgedrückt, dessen Sprache wohl deutsches Wortmaterial aber holländische Formen enthält.