terug  begin  verderprepost
[p. 112]

Woordenlijst van de Taal, welke in de Saksische streken van Nederland gesproken wordt.

Het hier achterstaande glossaar is bestemd om, wordt eenmaal mijn wensch vervuld, met meer namen en opmerkingen, welke ik thans achterwege moest laten, als afzonderlijk Woordenboek van het Saksisch in Nederland het licht te zien. Van opgave van woorden in andere talen, van vergelijking der woorden en vormen met het Oud-Saksisch, heb ik mij nu nog onthouden. Wanneer het, tot een Woordenboek uitgedijd, afzonderlijk wordt uitgegeven zal dit alles in het oog gehouden worden. De spelling zal dan ook eene gansche hervorming ondergaan, terwijl ik nu, menigmaal niet consequent, de meest gebruikelijke spelling heb gevolgd, die voor niet geletterden uit de Provinciën Overijsel, de graafschap Zutphen, Oost- en Midden-Drenthe en een klein deel van Groningen het best te begrijpen was.

Om echter de uitgave van een Woordenboek mogelijk te maken zullen velen in dit Tijdschrift mij moeten steunen.

Daarom verzoek ik allen uit die streken, die hart voor hunne taal en voor hun geboortegrond hebben, lijsten in te zenden, niet alleen met woorden maar ook met uitdrukkingen en zinnen, waarin deze woorden gebezigd worden, met nauwkeurige opgave van het geslacht en den meervoudsvorm of van de vervoeging.

Wanneer men niet in de streken woont, ook al is men er geboren en getogen, dan raakt men soms in het onzekere, niet omtrent het woord, maar omtrent het geslacht en den meervoudsvorm.

Met eenige woorden is het mij zoo gegaan en daarom noodig ik een ieder uit, mijne lijst nauwkeurig na te gaan en zijne opmerkingen en aanvullingen, òf in dit tijdschrift mede te deelen òf ze aan mij persoonlijk te zenden.

Dec. 1881.

Dr. J.H. GALLÉE.
Utrecht, Parkstraat 29.

[p. 113]

Beteekenis der teekens.

(r) nauwelijks hoorbare r.
ô de Hollandsche oe, in het Saksisch duidelijk onderscheiden van oo, de scherpe o, en van ō, de zachtlange o in gesloten lettergreep.
ee en oo (scherp) worden zeer lang uitgesproken.
é = e in lezen.
éi, ié hierbij heeft de e den boventoon, ee en ie zijn soms moeilijk te onderscheiden.
ó is de o in Hollandsch dof.
ò is de o in Hollandsch kort.
äo komt in klank eenigszins met Fr. bonheur overeen.
ǖ is de lange u in muur enz.
ö̂ eenigermate klinkend als Ndl. eu, umlaut van oe.
ö als u in het Engelsch us.

In kleinigheden verschilt de uitspraak der eene plaats bij die der andere, zoo wordt, wat verder in de Graafschap in Overijsel en Twenthe als ö̂ klinkt, langs den IJsel meer zweemend naar ü uitgesproken, zoo klinkt de sch aan den IJselzoom evenals in het Nederlandsch, terwijl zij meer oostelijk den klank van sk heeft, en heeft de Graafschap jen, waar West-Overijsel ien heeft als deminutiefsuffix. Nauwkeurige aanwijzing der klanken hoop ik later in eene klank- en buigingsleer te geven. Hiervoor is het echter wenschelijk dat velen uit voorgenoemde streken mij opgaven doen toekomen van de verschillende vormen der hier opgegeven woorden; b.v. van zelfst. naamw. en bijvoegl. naamw., de verbogen vormen van het enkel- en meervoud, de personen van het enkel- en meervoud van de verschillende tijden van de werkwoorden.

Van belang is het bij deze opgave den naam der plaats te voegen en geene andere vormen op te geven dan die, welke op die plaats in gebruik zijn.

N.-O. = Noord-Overijsel, de streek tusschen de Vecht en Drenthe.

[p. 114]
 
An owlŭj, dē daor wont, waor 't heet zoo wèlig grö̂ijt
 
De grôtenis van mij; en veur de heide blö̂jt
 
Krīge ik van elk, die 't lèst, nog wel en ko(r)t bescheet
 
Hô völle der nog is, dat in mīn bôk neet steet;
 
Dan zeg ij mij ens krek, wak'k hebbe miseslagen,
 
En komt mij met den hoop van wat ij wet andragen.

A

Aalte, v. mestwater, aaltengat. Aaltonne, Aaltentonne, v. aaltton.
Achte, acht. (telw.) hoevölle bunter? der bunter achte. Vóór substantiva echter acht: acht hônder acht kippen, enz.
Achterdocht, m. nadenken.
Achterholt, o. evenaar aan den wagen.
Af, van: ik weet er niét (niks) af, ook als of uitgesproken, op de eene plaats meer af, op andere meer of.
Afgaon, afloopen: 't is afgaond wark = 't löp met den ziéke op 't ende.
Afvréden, vréën, omheinen.
Aker, m. emmertje, keteltje.
Akse, v. korte bijl. Zie ekse.
Albendig, moedwillig.
Alibanderië, v. losbandigheid.
Alle - de eerpels bunt alle, de aardappels zijn op.
Allebo(r)d of allebot, elk oogenblik, telkens.
Allemen, Almen.
Almanaksmaonden - maanden van 30 of 31 dagen, in tegenoverstelling van maanden van 28 dagen (naar de maan), welke vroeger bij berekening voor gewassen, enz. gebruikt werden.
Ambelt, o. (- er), aambeeld.
Anblikken, aanschrappen (van boomen).
Anbö̂ten, vuur aanleggen.
Anejaagd, zenuwachtig.
Anholden, staande houden.
Ankeuveren, langzaam vooruitgaan.
Anknuppen, aanknoopen.
Anmaken, voortmaken.
Anmaken, geplaagd zijn met: hi is völle anemaakt met heufdziekte.
Anmôden (iemand iets -), iets van iemand denken.
Anslaon, hi hef en nij wīf aneslagen, hij heeft een tweede vrouw genomen.
Anspannen, de paarden voor den wagen plaatsen, b.v. veur ow alleene spant de Duvel neet an, voor u alleen geeft de Duivel zich de moeite van inspannen en halen niet, m.a.w. wees maar niet bang spoedig dood te gaan.
Antiën, met gevaor argens antiën - ergens aanrijden.
Anzachten, beter worden.
Aol, aal.
Aole, v. Aaltje.
Aolbèzenblad, o. - struk, m.
Äoltjen, Aaltje.
Aoren, aren lezen.
[p. 115]
Aorden, Aoren, aarden, van ziekte b.v. mazelen, voortwoekeren.
Aos, o. kreng, kwaodaos lastig ventje.
Aosem, m. adem.
äovelgunne, v. afgunst.
Aozen, er op uit zijn.
Arf, o., erf.
Arfte, v., erwt.
Arksel, o., vel papier
Armôd, verdriet: argens armôd van hebben.
Arve, o., erf.
Arve, m. (- n), erfgenaam.

B.

Baggelen, zich wentelen, b.v. van hoenders.
Baggeren, deur 't zand baggeren, met moeite door 't rulle zand loopen of rijden.
Baken, m. grenspaal, paal om de richting aan te wijzen.
Balg, m., maag, buik.
Balgpine, Balgzeerte, v. maagpijn, buikpijn.
Balken, de zolder boven de deel. zie hilde.
Balkenbrij, een mengsel van meel, lever en allerlei van de slacht in het rollennat gekookt.
Bandel, m., hoepel om een vat.
Bandgarden, stokken, die over het rieten dak gelegd worden.
Bandstökke, hout waarvan hoepels gemaakt worden.
Bandeure, Banderdeure, v., groote deur der schuur.
Bansten, onredelijk dringen.
Barg, m., berg; bergplaats.
Barg, borg, m., gesneden varken.
Bargen, z. bergen.
Ba(r)ste, v., barst.
Ba(r)sten, bersten.
Basse, v., bil; achterste deelen.
Bast, huid; schors.
Bats, brutaal, overmoedig, moeielijk: 't is een batsen sinjeur, 't is een brutale vent.
Batze, v., groote schop.
Bebbe, v., vrouw: de bek stekt um nao de bebben, hij is een vrouwengek.
Bebbenbek, m., vrouwengek.
Bedde, o., bed: in 't bedde kommen, bevallen.
Beddekast, v., bedstede.
Beddetóg, overtrek van een bed.
Beërdigen, begraven (in de R.K. kerk).
Begaves, begavung, vallende ziekte ook beroerte.
Begloeren, begluren.
Bèke, v., beek.
Bèkeren, bakeren.
Beklīflik, besmettelijk.
Belank, belang: 't was van belank, 't was in 't groote.
Belmundig, verloopen.
Belòven, beloven.
Belt, m., (- er), heuvel.
belze, belzen, v., wilde pruim.
Bemerking, opmerking.
Bename, Benaamt, voornamelijk.
Benne, v., mand.
Benul, o., verstand; begrip.
Benzen, verzoeken, bedelen om iets.
Beppe, v., vrouw: olde beppe, bij aanspraak = ndl. moeder.
Bergen en bargen (barg of bargde, ebargd), bergen.
Bescheid, bescheed, o., antwoord, bescheid.
Beschǖte, v., beschuit.
Bestaon, bestaan; zijn: 't bestiet zoo, 't is zoo; hij bestiet mi niks, hij is mij niet verwant.
Betǖn, beperkt; weinig in getal.
Beuke, beuk; doch bôkennöten.
Beukelkoorn, m. en o., beukenoot.
Bèzen, bessen.
Bidden, bedelen.
Bidman, bidwijf, bedelaar, -ster.
Bieën, bieden.
Bien - bientjen, o., been: wi zult di ok ens bi 't bientjen krīgen, onder handen nemen.
[p. 116]
Bieze, v., regenbui.
Bīlenk, langs
Binden, een verjaarsgeschenk geven.
Bint, o., honderd el garen, dat van den haspel komt.
Birzen, drijven, aandrijven.
Bissen, (wordt van het heen en weer draven der koeien met opgeheven staart gezegd).
Bissing, drukte, kermis.
Blage, m. blāgen, kleine kinderen, die lastig zijn.
Bläore, v., koe met een witten kop.
Blaozepīpe, v., blaaspijp.
Bleeke, adj. bleek.
Bleike, (bleeke, N.-O.)v., bleekveld.
Bleiken, bleeken.
Blek, strak: de locht stiet zoo blek, de lucht staat naar droog weer.
Blekke, v., blikaars.
Blekke, blekkens, mazelen. blekens (Noord-Overijsel).
Blekken, blaffen.
Blèren, blaten, schreeuwen.
Bleuken, bläoken, iets kleuren door den rook van het vuur.
Bleukerig, naar den rook smakend.
Blö̂jen, blǖjen, bloeien - de luchte blö̂jt, de donderblö̂mkes blö̂jt, er is onweer op handen.
Blôm, m., en Blôme, v., bloem.
Blok, o., mv. blökke, blok.
Blö̂ten, de lange grasspieren in eene geweide weide afmaaien.
Blujsteren, hard waaien.
Blujsterig, winderig.
Blutteriĭje, v., kleinigheid; licht werk.
Bòd, o., mededeeling: bòd sturen, mededeelen; een boodschap doen.
Bódde, m., norsch mensch.
Boe, hoe; wel; boe joa, wel ja; boe zeker, welzeker; boe wonte, waar woont hij?
Boek, m., buik.
Boeke, voor beuk nog over in Boekelo (buurtschap in Twenthe).
Boekslagen, hijgen (van een paard).
Boezekool, v., kabuiskool.
Boezem, m., groote vooruitstekende schoorsteen.
Bóg, o., bocht.
Bokse, v., broek.
Bóksen, en boksen nemmen, een pic nic, dat aan de eigenlijke bruiloft vooraf gaat. Vandaar boksenbier maal bij die gelegenheid.
Bolle, m., stier.
Böllen, huilen.
Bongerd, m., boomgaard.
Bönne, bönneken, v., groote kast in de keuken.
Bönne, v., vliering.
Bönne, v., hoogte midden in een wagenspoor.
Boom, mv., böme, m.
Boomeker, m. eekhoorn.
Boomleuperken, id. (Grolle).
Boon, mv. boone, m.
Bo(r)d, erge diarrhee.
Boren, iemand iets uut (oet) de neuze boren, door list doen verliezen.
Borg, m., gesneden varken.
Bosch, mv. bussche.
Bot, o., mv. butte, beenderen. Butte ook: het lichaam.
Bóts, m. slag, stoot.
Bòtter, v., boter.
Bouwen, ploegen.
Brake, v., werktuig, waarop het vlas gebroken wordt.
Brake, v., bouwvallig huis.
Brandegge, he hef der de brandegge of, hij heeft het nieuw er af.
Brannen, branden.
Brannettel, m., brandnetel.
Braoke, v., 't gebroken land.
Braon, (bried, ebraon), braden.
Bras, De bras ètten, een stuk van het geslachte beest braden en eten; hierop worden allen die komen vetprîzen ('t beest taxeeren) genoodigd.
Braw, kuit van het been.
Brechterīje, v. woeste grond, vgl. de Brechte bij Bentheim.
Bred, kistje met schuifdeksel.
Briéf, m., brief, verder elk stuk
[p. 117]
papier, al staat er niets op geschreven.
Bret, o., achterstuk boven den wagen, dat tusschen de leeren geplaatst wordt.
Brink, m., plein in een dorp, open veld in eene marke, z. pootbrink.
Broed, brǖd, v. bruid.
Broedlacht, v., bruiloft (Grolle).
Broedsneugers, noodigers voor de bruiloft. Deze, in 't kistentü̂g gedost en met den neugestaf in de hand, doen de noodiging ter bruiloft met het volgende liedje:
Ḡen dag
Daor stao 'k op minen staf
En weet neet wat ik zeggen mag.
Now hek mij weer bedach
En weet ik wat ik zeggen mag.
Hier stuurt ons GartJan Vente als brǖgom
En Mientjen Elschot as de broed,
En die neuget ow der oet:
Margen vrog om tien uur,
Op en tonne bier, tiene, twalevene,
Op en anker wīn, vīf, zesse,
En en wanne vol rozīnen,
Dē zult bij Venterboer verschīnen
Met de hoesgezetten
En nums vergetten
Vrog kommen en late blīven,
Anders kuwwij 't neet op krīgen.
Lustig ezongen, vrölik esprongen,
Springen met de beide beene.
En wat ik nog hebbe vergetten
Zult ow de Brǖgom en de Broed verbetten.
Hej mij elk now wal verstaon,
Dan laot de flesche um de taofel gaon.
Brôk, o., lage streek.
Broeken, gebruiken.
Broes, o., schuim.
Broezen, schuimen.
Brö̂rzü̂te, gehecht aan zijn broeder.
Bö̂ten, Bü̂ten, vuur aanmaken.
Botsen, kloppen, bonzen.
Brǖdslage, bruiloft.
Brugge, v., boterham, weitenbrugge.
Brugge, m., brug.
Brullefte, v., bruiloft.
Brummel, m., braambezie.
Bǖgen, buigen.
Buis, wild.
Bŭj, v., bui.
Bǖkērde, blauwe leembank.
Bult, m., menigte.
Bunebast, m., kwaadaardig man.
Bungel, schommel, (of de u lang is weet ik niet zeker.)
Bungel, m., blok aan den poot eener koe of aan den hals van een hond of kalf.
Bungelen, bengelen.
Bǖr, tijk van een bed.
Büten, ruilen: ummebüten, omruilen, verbüten.

D.

Dag, mv. dage.
Daggen, metselwerk insnijden.
Dale, bijw., naar beneden.
Dale, zich of sik daal smī̄ten, gaan zitten.
Däonig, vrij wat, zeer, ze bunt däonig an 't kwachelen, zij zijn daar zeer aan het sukkelen.
Darp, o., dorp.
Da(r)tig, dertig.
Dawelen, drukte maken.
Deel, mv. deele.
Deerne, v., deern.
Dege, v., voordeel, tier. De hoonder hebt gin dege ast règent
Deien, zacht slaan.
Deilen, deelen.
Deiloos, schandelijk.
Dèken, m., decanus.
Dekke, o., dek; deken.
Deilbrēf, o., scheidingsacte.
Dekkel, m., deksel.
Dèle, v., dorschvloer.
Dèlenhaane, verwaande gek (die
[p. 118]
meent, dat hij de haan van de deel is).
Demmerig, duister.
Dempig, kortademig.
Dèmter, Deventer.
Deugdelik, degelijk.
Deujen, dooien.
Deup, m., doop.
Deupen, doopen.
Deur, door (voorz.)
Deure, v., deur.
Deurslag, o., zeef, vergiet.
Deurtocht, buikloop.
Deuze, v., doos.
Diéf, dief.
Diepzinnig, zwaarmoedig.
Dīk, m., (dijk) straatweg.
Dikkedukke, meermalen.
Dingselheid, v., kleinigheid.
Disselen, twisten.
Disteren, haspelen
Dodkuü̂kentjen, o., laatste kind, hartelap.
Doe, toen.
Doedel, m., kinderslaapmuts; slaapkop.
Doedeldop, m.e.v. slaapkop.
Doeve, m., duif.
Doezebarg, Doesborg.
Dôn, doen, geven: doe mi dat, geef mij dat.
Dôn, praten: wi hebt er lange aover edaon.
Dôn, hechten aan: daor doe 'k niks op.
Dôsterig, duizelig, dof in 't hoofd,
Dòf, doof n.l. uitgedoofd, leeg: dòve nötte, dòve kòle, dòve stökker, dood hout.
Dokken, stroowisschen onder de pannen.
Dól, (in 't heufd), duizelig.
Dól, bont, van veel linten en kwikken voorzien; de dolle hoed, de opgetooide hoed.
Dóllen, ijlen.
Domenheer, dominé, predikant.
Donderpedde, dikkop (jonge kikvorsch.)
Donder hale, een vloek.
Dooien, sterven: na 't doojen van Ga(r)t Jan, na den dood van Gerrit Jan. Op sommige plaatsen naar analogie van dood als dooden uitgesproken.
Doo weer, o., dooi weer.
Dop, mv., döppe, slekkedöppe, slakkenhuisjes.
Dopgudze, v., ronde beitel.
Do(r)schen, dorschen.
Do(r)ste, dorst.
Draeien, draaien.
Dral, vast gesponnen, van garen dat licht ronddraait.
Drammen, huilen.
Drao, traag, stroef, drao in 't wark, lui; en draoën kee(r)l iemand, die niet toeschietelijk is.
Draod, m., draad.
Drake, m., draak, vlieger.
Drèjen, draaien.
Drek, m., slijk.
Drenzen, dringend schreeuwen.
Dreuge, droog, adj.
Dreugen, drogen.
Dreumen, droomen.
Drieëgge, m., vierkante koppige kerel.
Drôfheid, hi löt geen droefheid nao, hij laat geen bedroefde nabestaanden achter.
Dròk, druk.
Dronge, adj., dicht opeen, ineengedrongen, de roggen steet dronge.
Dronk, m., drankje.
Drôschen, bluffen.
Drò̈s, m., drò̈sgrond, kleverdrò̈s, lage grond.
Drunger, m., hout met pinnen tusschen de paarden.
Drǖpen, (drŏp, edrŏppen), druipen.
Dulle, v., deel van den bijl, waarin de steel steekt.
Durven, mogen: dat durfste niet, dat moogt ge niet.
Dǖstre, o., duisternis.
Dǖvel, m., duive.
Dwaos, dwaas.
Dwarg, m., dwerg.
Dwarsnacht - òver dwarsnacht, den derden dag.
[p. 119]

E.

Echel, m., bloedzuiger, stekelvarken.
Echelvarken, o., stekelvarken.
Eddik, m., azijn.
Eegen, zik eegen, zich inhouden, stil zijn.
Eek, m., eikenschors.
Eeken, bruin afgeven, de walnötte eekt, dé noot geeft bruin af; van eerpel schellen krieg i eekerige hende, van het aardappelschillen krijgt men bruine vingers.
Eekwilge, v., eik, die als een wilg is afgeknot om het talhout.
Eempestig, eigenzinnig.
Eerdbere, Eerdbèze, v., aardbei.
Eerdäonig, eerbewijzend.
Eers, m., aars.
Eersende, o., stompe punt van het ei. Op de Paaschweide wordt met eiers gespeeld door te raden welke punt van het ei het is, die vertoond wordt; hierbij zegt men:
Spitsende, eersende, zît, Al die 't verlus is 't kwît.
Eeschen, vernemen.
Egge, v., scherpe kant van een mes; werktuig om de kluiten op 't land te breken.
maak daj eene egge krīgt maakt dat ge de zwakke kant vindt om de zaak aan te pakken. maakt daj 't an ééne egge krīgt, zie dat ge de zaak aan kant krijgt.
Eiloof, o., klimop.
Eimbert, Eimert, eigenn. van een jongen.
Eēkertjen of ēkerken, o., eekhoorn.
Ekkelfrans, m., meikever.
Ekkelfränsken, graskeukentje, dat op den meikever lijkt, doch kleiner is.
Ekkelworm, m., meikever.
Ekse, v, korte bijl, zie akse.
Elft, m? huidworm bij vee.
Elkermalk, een ieder.
Emp, lichtgeraakt.
Empe, (- n), mier; empenbult, mierenhoop.
Emte, zie empe.
Emperig, ongedurig.
Enk, m., streek bouwland bij een dorp.
Enkel, bekrompen, eenzaam.
Enter, m., eenjarig paard.
Esch, m., streek bouwland.
Ese, Esse, m. of o., alleen voorkomende in hi is recht in zīn ese, of esse, hij is in zijn schik.
Ettebǖl, hettebül, m., buil door den beet eener mug.
Eumen, zeuren.
Eunen, trachten naar iets.
Eurdeumig, licht geraakt.
Eust, m., kwast in 't hout, oest.
Evenolder, mīn èvenolder, van gelijken leeftijd zijnde.
Everdässe, v., hagedis.
Evesen, mazelen, zie iewersen en blekke.

F.

Fiesterig, koudelijk, z., vrusterig.
Fleer, m., oorveeg.
Flinters, an flinters schiēten stuk schieten.
Flitse, v., pijl.
Flitsebòge, m. en v., boog.
Flǖsteren, fluisteren, van vrijages gezegd:
In den dü̂stern Is 't gôd flü̂stern.
Foeke, v., fuik.
Fôkepot, rommelpot.
Foper, (Fobel N.-O.), denappel.
Fösken, prul.
Fóssig, dun; niet sterk.
Froeselen, worstelen, uit gekheid
[p. 120]

G.

Gaon, bedaard gaan, vlg. loopen.
Gadderen, verzamelen.
Gaffeltange, v., oorworm.
Galge, m., galg (in ruimsten zin).
Galpen, huilend vragen.
Gang, te genge, aan den gang.
Gangs-gangs maken, aan dengang maken, b.v. de klokke gangs maken.
Gaor of gaord, m., tuin.
Gaorn, m., kamp; tuin.
Gapse, gepse of gupse, v., de beide handen bij elkaar gehouden.
Gapsen, wegpakken.
Gardīne, v., gordijn.
Garfkamer, sacristy, eigenl. kleedkamer (vgl. Nhol. vergerven ruien, van kleed verwisselen der kippen) oorspronkelijk beteekende het: kamer waar men zich klaar maakt.
GartJan Peter, bijnaam in den Franschen tijd ontstaan, voor den veldwachter gardechampêtre, toen dienaar van den maire.
Gast, m., vier: een gast garven, een gast eier.
Gave, zuiver: 't is um op de borste niét gave: hij heeft eene zwakke borst.
Gavel, m., vork met twee tanden.
Gebedde, bedgenoot.
Gebrekkelijk, een breuk hebbend.
Gebrǖken, gebruiken.
Gedô, o., bedrijf.
Géie, 't grös lig an géie, het gras ligt zoo als het gemaaid is.
Geiselen, (Gieselen N.-O.) geeselen.
Geleuven, gelooven.
Gellig, welig, welvarend.
Gelp, welig, geil, de rogge stiét gelp.
Gelp, m., gegraven geul, sleuf.
Gelte, v., varken, dat nog geen biggen heeft gehad.
Gemeen, gemeenzaam.
Gengelen, heen en weer gaan.
Gente, mannetjesgans.
Gerei, o., gereedschap, paardentuig.
Geteuver, o., getoover.
Getǖg, (mv. -e) o., paardentuig, collectief.
Geunzen, op een smeekenden toon vragen, eigenl. zonder spreken, doch wel geluid gevend.
Gevaar, o., wagen.
Gevaor, gevaar.
Gevróchte, o., afgeheinde plaats.
Gewaod, gewaad.
Gewaorde, m., gerechtigde voor een of meer waren in de marken gronden.
Gewikst, geslepen, slim.
Gidderig, beverig.
Gier, o., uiers van 't vee.
Gieteling, m., bastaardnachtegaal.
Giéten, gieten.
Giftig, boos.
Gīnen, kiemen.
Gispel, v., berisping, vermaning na de biecht.
Gitzig, hebzuchtig, gierig.
Gīzelen, ijzelen.
Glad, knap; van een meisje, dat er knap uitziet zegt men: glad van snoet en peute.
Glint, schutting,
Glip, m., barst in de handen, houw.
Glīve, v., reet.
Gloepsch, gluiperig.
Glǖjen, gloeien.
Gòd of gād, m., god.
Gôegelen, ginnegappen.
Gônsdag - gôiendag, woensdag.
Gôzen, gudzen: de règen gôsde deur de locht.
Goffert, groote kerel.
Gold, goud.
Gooien, smijten.
Goor, vuil.
Goor, o., lage, drassige heigrond.
Gör, v., klein meisje.
Gôstink, m., zin, smaak.
Götte, v., goot.
Graffel, m., vork.
Graffeltand, m., oorworm.
Gram, afkeerig: 'k bun et gram, 'k ben er afkeerig van.
[p. 121]
Grave, v., spade.
Graven, (-s), sloot.
Grauwelen, bang zijn. Zie grôwelen.
Greepe, v., mestvork, van de gavel in de grēpe loopen, van kwaad tot erger.
Gres en grös, o., gras.
Greve, m., rechter, opzichter in Brinkgreve, weidegreve.
Grienderig, somber: grienderig weer.
Grillen, huiverig zijn.
Grînen, schreien,
Grôsel, huiverig.
Grôwelen, bang zijn: 't grôwelt mi,
Grolle, Groenlo.
Groot - groot van doen, zeer noodig.
Grôve, v., begrafenis.
Grôvenbrood, o., brood voor het begrafenismaal.
Grŏwel, v., gruwel, zie ook grôwel.
Grŭien, Grö̂ien, groeien - in dikte toenemen. Zie wassen.
Grǖn, Grö̂n, groen; verwaand: en grönen gek; rauw: gröne eier.
Grunselig, groezelig.
Gruppe, v. greppel.
Gruppel, m., greppel.
Grǖs, o., gruis.
Gǖlen, goelen, schreeuwen.
Gunne, genne, gindsche.
Gǖren, doorlaten: de hilde gǖrt arg, de zoldering in den stal laat veel stof door.
Gust, adj. niet drachtig, van koeien.

H.

Haar, o., plat hout om de zicht mee te scherpen; ijzeren aanbeeld om te scherpen.
Haar, Hare, v., hooge heide in eigennamen, b.v. ter Haar, en Haarrook veendamp.
Hadde, v., afval van vlas.
Hakke, m., hiel.
Haete, verkorting voor Geertruida.
Halter, m., halster.
Hals, m., keel: den hals toeknīpen, de keel dichtknijpen; hals aover ooren, hals over kop.
Hamel, armoedig in kleeren en uiterlijk, schraal.
Handtam, m., die overal met de handen aanzit.
Hanehölter, o. mv., kippenstok.
Hangzolder, m., galerij in eene kerk.
Hantammig, handjegauw.
Haol, m., ijzeren haak met ketting, waaraan de ketel hangt.
Haolboom, m., stok in den schoorsteen, waaraan de haal hangt.
Haolketten, m., ketting, waaraan de ketel haagt.
Haoze, v., kous.
Hār, hierheen. Hot en hār wordt geroepen tegen de paarden, die zonder lijn bestuurd worden.
Hāre, zie Haar.
Hāren, de zicht scherpen.
Harksel, o., vel papier.
Harrebarge, v., herberg.
Harrevarksel, omslag van een schrijfboek.
Ha(r)senwater, o., hersenziekte.
Haze, m., haas.
Hebberechter, m., die altijd gelijk wil hebben.
Hechten, hijgen.
Heerd, m., haard.
Heerdeloos, zonder herder: 't vee löp heerdeloos.
Heet, afval van vlas, beste soort; z. spīt
Heet of Hiet, o., heide (gewas). Hietbrand, heibrand; heetplagge, heizode.
Heetvorsen, mv., de nok van het dak onder welks pannen heide gestopt wordt.
Hègen, schoonmaken.
Heimerik, jongensnaam, Nederl. Hendrik.
Heister, m., eikenstek.
[p. 122]
Heite, heet.
Heiten, (hiet, eheiten of ehēten), heeten, bevelen.
Hekke, o., (-ns.) hek.
Heksemelk, v., wolfsmelk (plant) ook bollekroed.
Heksemelker, m., rups, die op de wolfsmelk aast.
Helken, een band om de zes staande korenschooven slaan.
Helle, v., hel.
Helleweg, m., lage weg.
Hellig, boos.
Helligheid, v., toorn.
Helsch, zeer: helsch dūster.
Hemdrok, m., borstrok.
Henders, verkorting van Hendrika.
Hepse, Epse, v., ham.
Hepsen, Epsenpeutjes, stuk van den poot van een varken.
Hering en Herink, m., haring.
Hermken of hermeltjen, o., wezel en hermelijn, dat soms in die streken gevonden wordt.
Hetteblikken, weerlichten, zonder dat het dondert.
Heufd, o., hoofd.
Heupen, opeen hoopen.
Heuren, hooren; betamen: dat heurt zich zoo niet.
Hiemeltjen, krekel. Ook: hiemken.
Hierlandsch, Ierlandsch (N.-O.), inlandsch.
Hiersch, hier behoorend.
Hijlök, o., huwelijk.
Hijleken, huwen.
Hilde, v., de lage zoldering in den stal.
Hilk, geheel: den hilken dag; hilkendal.
Hinnebèren, frambozen.
Hippen, springen, o. a in het versje:
Hip en trip, Hip en trip,
Hold mij achter an mîn slip. dat bij een kinderspel gezongen wordt.
Hoed, v., huid.
Hoeke, hurk: op de hoeken zitten.
Hoelen, huilen.
Hoeueer, wanneer.
Hoes, Hü̂s, o., huis.
Hoesgezetten, huisgenooten.
Hoeskundig, zich tehuis gevoelend.
Hof, m. mv.: häove.
Hökkieskarmse; v., verhuring van de zitplaatsen in de kerk.
Holferen, vreeselijk huilen.
Holt, o., hout.
Höltingdag, dag van de vergadering der mark.
Hondeblômen, molsalade.
Honte, m., horzel.
Hooiopper, hooistapel.
Hoop, m. mv.: heupen.
Hoorn, m. mv.: heurne.
Hò̆pen, hopen.
Horken, nauwlettend luisteren.
Ho(r)t, m., oogenblik; (r)tjen oogenblikje.
Horst, v., bosch, in eigennamen: de Horste, enz.
Hosmänneken, naam door kinderen aan de varkens gegeven.
Hŏwen, m., griep, rondgaande verkoudheid.
Hǖne, groote, lompe kerel.
Hǖtentǖt, v., oliezaad.
Hutte, v., hut.
Hǖve, v., korf.

I.

Iemen, bijen: iemenschure, bijenschuur.
Iemken, o., krekel.
Iemker, bijenhouder.
Iep of hiep, hakbijl.
Iemenkaor, m., bijenkorf.
Iewers, ergens.
Immenzaad, gemengd koorn voor huishoudelijk gebruik.
īmpestig, koppig.
Inlīken, de gaten in den weg volgooien.
Inschunnen, aanhitsen, opzetten.
Ipsen, spelen met centen in hokjes.
[p. 123]

J.

Jaagband of jaagbandel, hoepel.
Jachtendǖvel, naam van de plant: Hypericum.
Jagen, hard rijden.
Jödde, Jood.
Jöddenboon, m., paardeboon.
Jökken, jeuken.
Jonk - jungsken, jongen. Jonk wo(r)den, geboren worden.
Juchteren, wild stoeien, hard loopen en schreeuwen.

K.

Kaaie - iemand op de kaaie hebben, voor den gek houden.
Kaa(r)te, v, kaart.
Kallen, praten, laowi luk kallen, laten wij wat praten.
Kanels, kanils, boos.
Kantholt, hout, dat vierhoekig gehakt is.
Käoter, boer die één paard houdt en op eene käoterstede woont.
Karkenende, de mooie kant van iets; oorspronkelijk het deel van den koornakker aan het voetpad naar de kerk gelegen, welk deel zeer zorgvuldig bemest en bezaaid wordt.
Karke, v., kerk.
Karre, käorken, v., kar.
Kaorewagen, m., marktwagen.
Karspel, o., kerkspel.
Kasmänneken, geldstuk ter waarde van f 0,15, dat vroeger in gebruik was, doch waarmede nog wel gerekend wordt.
Kataos = kwaodaos, kwaad kreng.
Katèker, m., eekhoorn.
Kawöpsken, sprongetje.
Keer, m., draai, bocht.
Keeze, v., kaas.
Kèk, krodde.
Kèkelmenje, v., klappei; Kèkelbaord, van een man.
Kekelrēm, tongriem: en ekster den kekelrēm lössnījen.
Kelde, verkoudheid.
Ketsen, ergens langs slaan met een steen: vuur ketsen; over het water ketsen.
Kettel, m., ketel.
Keukelen, buitelen.
Ken en Keun, o., jong varken; md., keune, biggen.
Kidde, v., hit.
Kidde, rij: 't gres an kidden harken, 't gras aan rijen harken, zie Zwadde en Ril.
Kīve, v., bestraffing.
Kien, v., kiem.
Kienholt, o., kernhout, ook stukken hout, die in het veen gevonden worden, doch half vergaan zijn.
Kiensel, o., uitloopers aan de aardappels in den kelder.
Kiepe, v., pet.
Kiepe, v., korf.
Kiepig, adj., loos, slim.
Kieren, keeren.
Kies, liefkoozend woord, waarmede de kalveren worden aangesproken.
Kif, o., gemalen of gebruikte run.
Kīl, m., wigge.
Kielspit, o., scheidsgrep in het land.
Kinderachtig, van kinderen houdend.
Kipse, v., pet.
Kiste, v., kist.
Kistentǖg, o., zondagskleed.
Klabasteren, klauteren, huppelen.
Klabatse, v., woesteling.
Kläejen, hard werken.
Klampe, v., krap, haak.
Klampen, van de sneeuw, ballen.
Klank, m., kronkel in touw.
Klaor, adj. neet klaor wèzen, niet frisch zijn.
Klasse, v., klis.
Klauwen - 't vǖtjen klauwen, naar den mond praten.
Klauwer, (Overijsel) v., klaver.
[p. 124]
Kledderig, morsig.
Kleeën, boekweitdoppen.
Klenseboer spölen, een kinderspel waarbij over een figuur, op den grond getrokken, gehinkt wordt.
Kleuven, klooven.
Klever, v., klaver.
Klinke, klenke, v., heuvelachtige heigrond met moerassen in de laagtes.
Klip, ölieklip, oliekan.
Klitte, v., klis.
Klod, klödde, v., vrouwenmuts.
Kloen, n., kluwen.
Kloeven of knoeven, kluiven.
Kloft; klucht, troep; (wijk).
Klokke, klok: hij is an de klokke ewest, hij heeft brand in huis gehad.
Klokkenslag, under den klokkenslag van N heuren, onder het gebied van een plaats hooren.
Kloppenbreur, manlijke klop.
Kloppe, klöpken, soort van geestelijke zuster, die jaarlijks f 200 aan de kerk uitkeert en de gelofte gedaan heeft ongehuwd te blijven, zij nemen dikwijls het bidden voor afgestorvenen over.
Klǖun, turf, kloen, bagger.
Klungel, o., vod; kluwen
Kluppel, m., 1) kneppel, 2) officieele aanzegging, die vroeger dikwijls in een briefje in een gespleten tak werd overgebracht.
Knarpen, knauwen, de hond lig op 't botte knarpen.
Kneuk, m., slag, hi hef er en lellike kneuk ekregen.
Kneupe tellen, Dörst em de kneupe niet tellen wordt om aan te hitsen bij 't vechten gezegd.
Knevel, m., sterke man, fig. zware boom.
Kniehalter, (kniehalster Overijs.) o., hout dat den kop der koe aan den poot verbindt.
Knīf of knīfmes, o., mes.
Knikkebīle, m., driekante bijl met punt, bij koekhakken in gebruik.
Knīpgat, o., gat in een weg.
Knipslag, m., gat in het spoor van een zandweg.
Knipspoor, o., zandweg met gaten in de sporen.
Knoeste, v., knuist.
Knoeven, kluiven; afknoeven, afkluiven.
Knoffel, m., plooi, stoot.
Knorrebot, o., knarsbeen.
Knötwilg, m., knotwilg.
Knuppel of kluppel, m., dikke stok.
Knurf, m., sterke kerel, knorsbeen.
, mv. kôë en kône, koe.
Koel, m., (-e), kuil.
Koelen, kuilen graven, inkoelen, aardappels in kuilen doen.
Koelknikker, m., groote knikker.
Kö̂ne, kö̂nsch, moedig.
Koerig, lusteloos.
Koer-wachter, torenwachter; eigenl. beteekende koer reeds wacht, vgl. Deventer Stadsrek. den kuer opten torne en het koerhūs
Koertnève, haas.
Kôze, v., knods, stok.
Koeze, m., sukkel.
Koze, mv., kiezen.
Koezenzeerte, v., kiespijn
Kôzeslepper, stoksleper, iemand die voor een ander uit vrijen gaat, bruidswerver.
Kôke, m., koek.
Kolde, v., koorts, o.a. nog in de tooverspreuk tegen de koorts, die uitgesproken wordt bij het binden van een wisch stroo om een boom:
 
Olde marolde!(?)
 
Ik hebbe de kolde,
 
Ik hebbe ze now,
 
Ik gève ze ow,
 
Ik bindem hier neer,
 
Ik kriegem neet weer.
Koldfiester, koukleum.
Kö̂lte, koelte.
Komme, kummeken, v., kom.
Kommen, komen.
Kondigen, aanzeggen.
Kondschap doen, bekend maken.
[p. 125]
Könink, m. mv.: köninge, koning. Köninkrīke, koningrijk.
Kop, mv.: köppe, hoofd.
Köppig, driftig.
Kopzeerte, v., hoofdpijn.
Koren, m., pit in de vrucht.
Ko(r)ste, v., korst brood.
Köste, v., kost.
Krake, v., sukkelig oud wijfje.
Krang, 't binnenste buiten.
Kraom, v., kraam.
Krappe, v., wervel.
Kräote, v., klein mensch.
Krasgat, o., spleet op zijde in een vrouwenrok.
Krans, o., vet aan de darmen.
Kreeft, eiken-kreeft, verplante eikenstruik, die kort afgesneden is.
Krèjen, kraaien.
Krek, precies, geheel: krek allens, geheel gelijk; krek zoo juist.
Krenselen, kribbig zijn, zich vervelen.
Krensen, bekransen.
Kreuze, v., klokhuis in appels.
Kreuze, v., kroos, plant in de sloot.
Kribbe, m., lastige vent.
Kriel, klein: de eerpel (aardappels) bunt kriel.
Krikke, kleine jongen.
Krodde, v., onkruid.
Kroemen, kruimen. Hi hef den heelen boel der bi in ekroemd, hij heeft er alles bij in gestoken.
Kroepen, (kroop, ekròpen), kruipen.
Kroephenneken, krielkip; fig. klein mensch.
Kroes, trotsch; sierlijk.
Kronkelen, kreukelen.
Kroppe, v., hals; fig. inborst.
Krüderig, keurig.
Krǖjkaore, v., kruiwagen.
Krummeler, slecht ijzererts.
Krǖsdorens, kruisbessen.
Krǖsbèzen, kruisbessen.
Krǖthof, m., bloemtuin.
Kuize, v., knikker.
Kǖken, o., jong varken.
Kǖksken, kusje.
Kǖlen, langzaam voortrollen.
Kullaozie, f. fopperij.
Kulppanne, v., ronde glazen dakpan. (Drenthe.)
Kundig, bekend: hi is mi niét kundig.
Küper, kuiper.
Kǖve, v., kuip, tobbe.
Kwabbel, m., slag.
Kwachten, hoesten.
Kwadde, v., takkebos, tophoùt van eiken.
Kwakken, werpen: neerkwakken.
Kwalmen, walmen.
Kwaodzinnig, driftig.
Kwaod, kwaad. Het kwaod, de kanker.
Kwaol, v., kwaal.
Kwebbelen, veel en slordig praten.
Kwekwe, v., grassoort (onkruid), die zich onderscheidt door bijzonder taai leven.
Kwelderland, land dat onderloopt door het doorlaten van den dijk.
Kwelle, wel.
Kwikkwak, kleinigheid: bèter ens gōd as tweemaol kwikkwak.

L.

Labbe, v., kwaadspreekster.
Labben, kwaadspreken, ook nog in het versje:
Klikspaon! Adriaon! (of Arriaon)
Durf neet deur 't strätjen gaon,
't Hundjen zal em bīten,
De veugel em beschīten,
De katte zal em krabben,
Dat kump van al dat labben.
Ladden, Latten, lijken: 't lat em wel, 't lijkt hem nogal; lijken: 't ladt zoo stīf, 't lijkt zoo stijf. In Grolle laoten, dat löt stīf.
[p. 126]
Laks, m., sukkel.
Lakkris, v., doop.
Lank: zich niet lank maken veur, zich geene moeite geven voor.
Langen, geven, reiken.
Lankwagen, o., hout, waardoor een boerenwagen verlengd wordt.
Lanter, m., lantheer.
Laobes, onverschillige kerel.
Laoke, waterleiding; beekje.
Laor, o., meest in eigennamen van heerenhuizen: het Laor, 't Oaverlaor, Meddelaor, vgl. Laoren.
Laorne, Laren.
Lechtenvoorde, eigenn. Lichtenvoorde.
Ledder of leere, v., ladder.
Lee, iemand de lee anzeggen, iemand een overlijden bekend maken.
Leegde, v., laagte.
Leerbrief, papier met kermisliedje.
Leeren, lezen: ik zatte te leeren in dat bōk; bidden (in de taal der R.K. kerk).
Leerze, v., laars.
Lellik, Lelk, leelijk.
Lempe, v., sloddervos, die achteloos is in haar gang.
Lemmet, o., katoen in eene olielamp.
Lenge, het stuk goed, dat boven aan den boezelaar zit, die meestal uit twee stukken bestaat.
Leppel, m., lepel.
Lest, Lestens, onlangs.
Lestig, ruim.
Leupen, ?, melkkan.
Leure, v., slons.
Lèver: iets op de lèver hebben, iets op 't hart hebben; um löp de lü̂se òver de lèver, hij wordt kwaad.
Lèzen, (las, elèzen), lezen.
Lichtveerdig, licht: 't kan lichtveerdig gebeuren.
Līden, (leej, elèjen of elèden), lijden; beminnen: hij is daor niet arg elèjen. Līdensgeerne, zeer gaarne; līdensvölle, zeer veel.
Liefhebben, Onze liéve Heer hef um zoo liéf ehad, hij is gestorven.
Liégen, (lòg, elògen), liegen.
Liepen, schreien.
Liespel, o., die balken in de schuur, welke zich tusschen de vooren achterbalken bevinden. (Ov.)
Līk, gelijk, effen, den wil neet omlīk, hij wil niet deugen.
Līfzeerte, v., buikpijn.
Līkstee, v., litteeken.
Līweg, lijkweg, groote gemeenteweg, zoo breed dat twee wagens elkaar kunnen passeeren.
Līmgarde, lijmroede.
Lindeblȫjsel, o., lindebloesem.
Loerderig, loom.
Loeg, m. buurtschap (Drenthe en en Overijssel).
Loenen, - dat loent em, dat lijkt hem.
Loensch, valsch, niet oprecht.
Loeren, op den uitkijk zijn; 't weer loert, 't kan règenen, 't kan vriézen, het weer is onzeker.
Lollen, schreeuwen, zaniken.
Lompen, beetnemen: laot oew neet lompen.
Looge, sneelooge, gesmolten sneeuw.
Look, o., ui.
Loopen, zeer snel loopen.
Lös, los: lösse verkeering, met een kermisvrijer.
Löshoesten, den kan löshoesten, hij kan het goed doen.
Luchte, v., lantaarn.
Luchter, m., kandelaar.
Luchterhand, v., linkerhand.
Lǖj, lieden.
Luk, weinig: kom es luk kuieren, kom eens wat praten.
Lukes, leuk.
Lunink, musch (Winterswijk).
Lunze, v., pin die voor het rad wordt gestoken.
Lǖsteren, luisteren.
Lut, o., en lut wèrd wèzen, weinig waard zijn, lutje, kleintje.
Lut, adj. 't is maor lut, 't is weinig.
[p. 127]

M.

Màeken, Mèken, meisje.
Maggelen, knoeien.
Makinge, v., de voorwaarden, waarop (vooral in Twenthe) de oudste zoon het vaderlijk goed kreeg. De andere kinderen kregen legaten en hadden het recht bij ziekte in het ouderlijk huis verpleegd te worden.
Male, maaldag, geerfden dag.
Mande, v., in de mande dōn, voor gezamenlijke rekening iets doen.
Mandeelig, wat onder meer personen gedeeld worden.
Manden, v. gemeenschap.
Manges, mangs, somtijds, onderwijl.
Mankzaod, o. gemengd zaad voor beestevoer.
Maol, rund van 1½ à 2 jaar.
Maol, o., maal. Mäolken, maaltijd. Mäoltjen, feestje; onthaal op jenever. Samenst.: slachtmaol, onthaal na 't slachten; mestmaol onthaal voor 't mest brengen; buurtmaol, onthaal van de buren. Bèdelmäoltjen, als ieder genoodigde eene gift in eetwaren, mest enz. mede moet brengen.
Maolder, o., maat voor koren.
Maond, v. maand.
Maone, v., maan.
Maote, v., weide.
Maot, v. maat, te maot kommen, te pas komen.