terug  begin  verderprepost
[p. 150]

[Woordenlijst van de Taal, welke in de Saksische streken van Nederland gesproken wordt. (vervolg)]

O.

Onbesoesd, zeer, adv.
Onbespierd, onbetwist.
Onbīïg, ongeduldig.
Onbôl, m., groote rommel.
Ondeugend, vertoornd, boos.
Ondeumelik, onbetamelijk.
Ondier, groot dier: boe! wat hij daor en dier van en hond; 't is en ondier.
Ondòcht, m. en v., ondeugd.
Onflaat, o., vuilnïs.
Onakel, o., lompert.
Ongel, m., rundervet.
Ongevǖlig, teergevoelig.
Ongroot, zeer groot.
Ongǖr, niet pluis.
On(h)eur, niet pluis; gevaarlijk.
Onholt, hout dat geen timmerhout is, niet veel waarde heeft.
Onlastig, zeer lastig.
Onmundig, verschrikkelijk: onmundig stark, zeer sterk.
Onnewettend, zeer, adv.: onnewettend groot.
Onschadelik, slecht; b.v. die schuttink mot meneer ewegbrekken, de wo(r)dt zoo onschadelik, zoo erg slecht.
Ontdacht, ontschoten.
Ontdoen, ontstellen.
Ontheit, bericht.
Onveranderlik, zeer veranderlijk.
Onvernoftig, zeer: onvernoftig groot (in slechten zin.)
Onvernullig, ontzettend.
Onverschillend, veel verschillend.
Onverschillig, groot verschil makend.
Onwīs, dwaas; erg: onwvīs ha(r)d jagen, erg hard rijden.
Onzĕlig, slaperig, vuil, onzĕlig in de hoed.
Onzoer, zeer zuur.
Onzǖn, vuil; armoedig, schraal.
Oogbraen, wimpers of wenkbrauwen.
Oolik, ziek.
Oost - veur den oost, vergeefs.
Op stonde, terstond.
Opbrengen, grootbrengen.
Opdrègen, zich weg scheren.
Open, (aopen) open.
Oprelliken, opdroogen (van den grond en van het weer).
Oprukking, vleugje van beterschap.
Opschöttelink, aankomende knaap.
Opstellen, uitstellen.
Opzeggen, afzeggen.
òver, over, in sommige samenstellingen över, b.v. överhemd.
Overgunstig, afgunstig.
Overlèjen, wijlen: mīn vader òverlèjen.

P.

Pampier, n., papier.
Panne, (verbasterd uit penne),: 't hoes kump an de panne, komt te koop.
Panneveugel, m., vlinder. Verkleinw.: pänneveugelsken.
Paol, m., paal, mv. päole, binnen de päole blīven, te huis blijven.
Patte, mest, pattegat en aaltengat.
[p. 151]
Pedde, v., pad.
Peerd, o., paard.
Peppel, m., populier.
Peuter, m., slag.
Pîeren, beetnemen.
Pīlenten, verkleinw. pīlekes, eenden.
Pingenēren, den weg in orde maken.
Pīpe, v., pijp.
Pīpen, kussen, (Gron. snoetepīpen)
Van pīpen up de lippen
Kump vrundschap under de slippen. (H.)
Plakke of plagge, heizode, die voor bemesting wordt gebruikt.
Planketting, v., schutting.
Plaogen, plagen.
Pleieren, met water morsen.
Pleziervolk, logeergasten.
Ploeteren, plassen, zich wasschen.
Plonderije, v., rommel.
Plondermelk, v., gestremde melk.
Plonderkamer, v., rommelkamer.
Plukke, afval van vlas, z. spīt.
Plǖsterig, - bluisterig, ruw v. weer.
Pŏ́dde, v. (- n), vuile, waterachtige plek; fig.: slechte toestand: hij is in de podde, hij is aan lager wal, hi is oet de podde, hij is netjes, opgeknapt.
Podderik, vuilik.
Poele, poeleken, v., liefje.
Poes, blikken gieter.
Poesten, blazen.
Poete, m. slag.
Poete - īn de poete kommen, in verval geraken.
Poffert, m. podding.
Pŏ́gge, v. (- n), jong varken.
Pójeman, liefkoozende naam voor een veulen.
Pongel, m. bundel.
Pook, 't is zo'n pook, 't is een kleine jongen of meid, die ouder is dan men zou denken.
Pootbrink, m., open hoek, waarop men boomen (doch niets anders) mag zetten, zonder recht op den ondergrond te hebben of te verkrijgen.
Pork, m., klein kind
Post, mv.: pöste: hi blif bī de pöste, hij gaat niet veel van huis.
Pot, mv., pötte.
Pötjen, kleinkind.
Praewer, m., draadnagel; saaie kerel.
Pragge. Zie kribbe.
Prakke, v., oude pruik.
Prame, v., werktuig op den molen waarmee het kamrad geklemd wordt zoodat de wieken stil staan; in de prame zitten, in de klem zitten.
Pranje, mengelmoes (van spijs).
Praol, m. praal.
Präowel, netelige vent.
Prikke - eikenprikke, eikenkreeft, die bij de tweede verplanting met den top geplant wordt.
Prīsweerdig, goede waar voor het geld.
Proeme, v. (- n), pruim. 't bunt maor proemen, 't zijn maar praatjes.
Proessen of proesten, niezen.
Proster, pruttelaar.
Prǖver, dronkaard.
Puddeken, poetje.
Pūltjen, zakje.
Punder, m., unster.
Punderen, wegen, op gevoel weg en.
Pungel, m., bloedbeuling.
Punte, v. punt.
Putbus, staande balk, waarop de putscheere rust.
Putscheere, v., dwarsbalk boven den put.

R.

Raakkoele, m., haardkuil. (Groningen en Drenthe rakeldobbe).
Rabbezak, schraper.
Ragge, slecht persoon.
[p. 152]
Rakken, schoonmaken.
Raod, m., raad.
Räorle, Reurl, Ruurloo.
Raoskloot, m., bromtol.
Räote, v., honigraat.
Räove, m., raap, herfstknol.
Räovekoeken, v., raapkoeken.
Raozen, knorren.
Rap, niet goed sluitend.
Rāpschöttel, straatmeid, gemeene meid.
Ratsen, wegkapen.
Rechtevoort, eigenlijk.
Reek, onkruid.
Reerbek, m., schreeuwleelijk.
Reeren, schreeuwen.
Refelen, wauwelen, doorpraten over niets.
Rege en rige, v., rij.
Rei, goedgeefsch, spilziek.
Reidekamer, kamer, waar de wevers de stukken brengen, die gereed zijn.
Reik, schommel (Gron. en Drenthe).
Reken, 't vuur 's avonds bijeen schrapen.
Rekkeninge, rekening: 'k heb et wāl in de rekkeninge, dat er règen kommen wil, ik denk wel, enz.
Rekwerk, o., heining, leuning.
Rellīk, zindelijk; knap.
Reppel, m., paal, waaraan het vee op stal gebonden is.
Reppelen, klauteren (vooral van kinderen gezegd).
Reukeloos, onmerkbaar, onverwacht: hi wil wel zoo reukeloos weer kommen, hij zal wel zoo onverwacht terug komen.
Reupe, v., ruif.
Reuren, roeren.
Ribbenlīk, gezet (de ribben zijn gelijkelijk met vleesch bedekt).
Rīf, verkwistend.
Rīve, v., kleine rasp, b.v. voor notemuskaat.
Rīge, v., rij, de beume staot in de rīge, de boomen staan op eene rij.
Rik, o. mv.: rikken, hek.
Rīke, rijk.
Rivelen, diep ploegen.
Rītensplīt, die gauw zijn kleeren scheurt.
Rīven, raspen.
Rīzen, druipen.
Roegīsel, m., ijzel.
Roeken en rǖken, ruiken, rieken.
Rōën, wieden, delven.
Röen, opruien, aanstoken.
Roene, m., gesneden hengst.
Roepe, v., rups.
Roet, o., onkruid.
Roetwagen, m., vierkant vischnet.
Roeze - in de roeze, in 't wilde.
Rok, m., mv. rökke.
Ronge, v. (- n), hout aan den boerenwagen, waartegen de leeren rusten.
Rooi holden, de goede richting houden.
Roppen, vogels plukken.
Röten, vlas laten rotten voor het braken. Door bijgeloovigen wordt hierbij een gesmeerde boterham gelegd, ten einde den duivel goed te stemmen, zoodat hij het vlas niet bederft.
Rouwīzel, m., ijzel.
Ro(w)bol(t), m., onkruid.
Roze, v., koorts, ontsteking.
Ruddeken, o., kleine kerel.
Rugge, m., rug.
Ruile, v., schommel.
Rǖmen, ruimen.
Rǖnen, geheime samenspreking houden.
Runselig, pokdalig.
Rusterig, guur.
Rǖt, o., schurft.

S.

Sobben, kwijlen.
uadde of sadaos, netelige kerel.
Seddeken, kwast.
Sang, adj. Sangen, paarsch; en sangen jak.
Sauwelen, kieskauwen.
[p. 153]
Schaatsen, (skeuvels) N.O. loopen of runnen (Overijssel) schaatsen rijden.
Schalk, m., lat, welke onder aan de sporen van het huis wordt gespijkerd om de pannen lager te hangen.
Schampen, (intrans.) overslaan.
Schaop, mv.: schäope.
Schäorde, Schäore, m. (-n), scherf.
Schap, o., vak, afdeeling in een kast: appelschap.
Scha(r)de, v. (- n), stuk heigrond, dat gebrand wordt.
Scharp, scherp.
Schavīlen, iets langzaam voortbewegen, ook ruimbaan maken.
Scheide, v., scheede.
Schelharst, m., varkensrib.
Schemken trèn, (schimmeken), spel, waarbij men trachten moet op de schaduw van een ander te treden.
Schemmel, bedremmeld.
Schenne, stuk ijzer, waarom het rad van den boerenwagen draait.
Schēper, m., schaapherder, an scheperszīde is ter rechterzijde, dewijl de schēper rechts van de kudde loopt.
Schepper, m., opzichter bij een werk.
Schēre, v., schaar.
Schetterig, van een paard of koe, die aan buikloop lijdt.
Scheuter, schötter, opzichter in de marke: boschscheuter; zandscheuter (voor de jacht); weidescheuter (voor het vee).
Scheuvel, m., (Overijsel en Drenthe) schaats.
't īs is glad, zèj Harmen tègen Ba(r)telt,
As īj geen scharpe scheuvels hebt, Dan rol ij dat ij spa
(r)telt.
Scheven, afval van vlas, bast van 't vlas.
Schier, netjes, wit, schiere rogge (vrij van onkruid).
Schierei, vuil ei doch niet verbroed.
Schieren, 1) 't vǖr inschieren, inrekenen. 2) eier schieren, de verbroede eiers uitzoeken.
Schieuw, schu, o., vogelverschrikker.
Schikken, zenden, iemand bod schikken, een boodschap zenden.
Schimme, m., schaduw.
Schimmekentrèën, een kinderspel, waarbij men op de schaduw van het hoofd moet trappen. z.v.
Schin, o., stof van de huid.
Schinke, m., hout, waarop het ijzer bevestigd is, waarom het rad draait.
Schinke, m., ham.
Schīnvat, o., lantaarn.
Schīthoep, m., upupo.
Schobben, krabben.
Schoele, in de sehoele staon, beschut staan.
Schoem, v., schuim.
Schoer, o., bui.
Schoeren, schuren.
Schoevekaore, v., kruiwagen.
Schoeven, schuiven.
Scholle, (- n), graszode.
Scholte - titel voor een boer b.v. Scholte Wissink.
Scholtenboer, m., boer, aan wiens plaats verbonden was de verplichting van een kleine rechtspraak uit te oefenen, thans: voorname boer.
Schoone, schoon, comparatief, schoonder.
Schöppe, v., schuurtje, Schaopsschuppe, schaapskooi.
Schöppendag (Grolle), dag van ruw of buiig weer, waarop de boer in de Schöppe zit om zijn gereedschap te herstellen, daar hij buiten niet werken kan.
Scho(r)se, v., eikebast.
Scho(r)t, scho(r)teldoek, boezelaar.
Schöttel, schotel.
Schöttelmaol, buurtmaal: een feest, dat gegeven wordt door den boer, die in de buurt komt wonen, en waarop ieder der genoodigden hem een of ander geschenk medebrengt.
[p. 154]
Schovel, m., zaadschepper.
Schram, o., varken.
Schraon, stelen, wegnemen, schoonmaken (van beken en vijvers gezegd), de bèkke schraon, de beek schoonmaken.
Schrol, m., kuur, gril, dwaze inval.
Schunnig, armoedig, hareloos.
Schuiken, zich jeuken; de schurft hĕf mot schuiken; de schuld hĕf mot schuiken, die de schoen past trekt hem aan.
Schuikert, beroerde slungel.
Schünnen, aanwijzen.
Schuppe, m., schop, spade.
Schupspaon - op den schupspaon of (op schupstoel) zitten, in onzekerheid zijn.
Schǖte, v., schuit.
Schutschot, plaats, waar het in de mark geschutte opgevangen vee gebracht werd.
Sege, v., geit, segenbok, m., bok.
Semptlik, gezamenlijk.
Seupel, flauwachtig, b.v. als men zich erg gestooten of geklemd heeft.
Sije, wijfje van een vogel.
Sikke, geit.
Sikkeneurig, vitziek.
Sjapsen, plezier maken.
Sjoecht, v., troep.
Slabbe, v., servet, tafellaken.
Slabben, beslabben, bemorsen.
Slateren, morsen met water of soep: zich beslateren. Slaterkont, morsebel.
Slauw, luw.
Slecht, ziek: slechte beene, open beenen.
Slecht, slechtweg, eenvoudig.
Slee, stomp (van een mes, van de tanden, en een doorn gezegd).
Sleedoorn. Ook: sleebes.
Sleef, houten lepel.
Sleets wèzen, snel zijn goed verslijten.
Slegel, m., arm van de pomp.
Slekke, v., slak.
Slieren, glijden: hi löt den boel slieren, hij beheert zijn goed slecht.
Sliert, m., rij: daor kump en helen sliert an; ze bunt daor met heele slierte an 't rijen.
Sliéte, v. (- n), ribbe, balk: hildensliéten, balkensliéten.
Slim, sluw (adj.). Als bijw.: erg, zeer: slim ziek.
Sloeten, z. slǖpen.
Sloeten, z. slǖten.
Slok, slap: de hozebände zit um slok.
Slomp, m., groote hoeveelheid: ook rompslomp..
Slonde, v., groote schort van grof goed.
Slöttel, m. slöttele, m. sleutel.
Slǖpen en sloepen, sluipen.
Slǖten ēn sloeten, sluiten.
Smak, m., slag.
Smedde, smeet: en smedde wegs, een steenworp ver.
Smeuj, smeu, buigzaam.
Smeugel, m., oolijkert; bedrieger.
Smeugeltjen, kort pijpje.
Smidse, v., smederij.
Smiegt, m., bedrieger.
Smodde, koffiesmodde, v. keteltje om koffie te koken.
Smoegen, oneerlijk handelen: 2e pers.: i smiegt (de andere personen komen zelden voor; de eerste nooit.)
Smôele, m., mond.
Smok, smuksken, m., kus.
Smos, vroeger.
Smotsig, vuil.
Smuigert, m., bedrieger.
Smuusteren, fluisteren.
Snaai, m., voordeel, een goejen snaai maken.
Snaarske, zwagersvrouw.
Sneege, vlug bij de hand.
Sneu, bekaaid, spijtig, hij kümper sneu af; hij kik sneu.
Sneze, v., stok waar vleesch in de wieme aan hangt, zeuven is en sneze volle.
Snigge, m., slak.
Snok, m., hik.
Snōjen, snoeien, hout stelen.
Snōten, snuiten.
[p. 155]
Snï̄jer, kleermaker.
Snoeven, snuiven.
Sobben of soppen, morsen.
Spalterbrasse, wildebras.
Spee, te kijk, ij zit daor zoo spee, gij zit daar zoo te kijk.
Spekhäs, (z. Schelharst) m., stuk spek in de pannekoek.
Spelde, v., speld.
Spĭjen, (speej, espéjen), spuwen.
Spijen, (speeg, espògen), spugen.
Spik of spīke, v., brug.
Spīker, o., heerenhuis.
Spīker, m. en o., schuur, bergplaats van gereedschap of koren.
Spīlen, latwerk, soms tegen de balken om iets in te hangen.
Spin, o., aan het hout, alburnum
Spinaovend, avond dat de meiden bij elkaar komen om te spinnen.
Spinde, v., etenskast.
Spinmaol, n., maaltijd in de spinweek, aan de meisjes en vrijers gegeven door den boer, ook gespin genaamd.
Spinne, v., spin.
Spinnejacht, spinmaal.
Spinnejag, (zie spinaovend.)
Spinnekoppenjager, raagbol.
Spinnewèkke, de week, waarin de gehuurde meid voor zich uit spinnen mag gaan.
Spinstoom, m., (Twenthe) stoomspinnerij.
Spint, o., maat voor haver enz.
Spīt, o., uitgehekeld vlas, werk, minder soort, ook plukke genaamd, zie heet en sterthakke.
Spit, o., aanbeeld, waarop de zeis gehaard wordt.
Spleu, taai, buigzaam.
Spochte, veldduif.
Spöllen, spelen.
Sprao, spreeuw.
Sprèken (ik sprekke; sprak, esprokken), spreken.
Sprenge, v., wel.
Spreu - Spreuhände, winterhanden.
Spreu, licht breekbaar, spreu stroo.
Sprok, droog.
Sprokaos, worm, die in hout en biezen zit, en waarmee gevischt wordt.
Spròtter, m., spreeuw.
Spunze, v., spons; zwam.
Staodig, gedurig.
Staon, (stind of sting, estaon), staan.
Stap, vossestap, m., toeslaande val.
Starfelik, op sterven: hi is wel slim maor toch niét starfelik, hij is wel erg maar nog niet in doodsgevaar.
Stark, sterk.
Starke, sterke, v., vrouwelijk rund van één jaar.
Sta(r)t, m., staart.
Stekbèzen, kruisbessen.
Sterre, v. mv.: staerne, ster.
Sterthakke, v., afval van vlas, minste soort, z. spīt.
Stèke, geheel: stèkeblind.
Steukelen, kwaad stoken.
Stien, m., steen.
Stiepert, druiloor; koppige vent.
Stieren, stijf worden, van vet.
Stīge, v., twintig, vgl. het versje:
Lange, lange rīge,
Twintig in de stīge,
Dartig in de rozekrans,
Veertig in de poppendans
.
Stik, Stek, eiken struik, zie kreeft, die na verplant te zijn later van den top beroofd wordt.
Stik, zeer na, stik bij zeer nabij.
Stille, stil.
Stobbe, v., boomtronk.
Stoer, groot, zwaar, moeielijk, krachtig.
Stoete, v., rond brood van weitenmeel: verkl. stǖtjen, stoetenbrugge, boterham van eene stoete.
Stoeven, stuiven.
Stoeve, stoevedampe, vergane paddestoel.
Stok, m., mv.: stökke.
Stòken of stòkken, stoken.
[p. 156]
Stòkhōek, hoek van den haard, waar het hout om te stoken ligt: de in den stòkhōek zit mot stòkken.
Stölpe, v., stolp, deksel.
Stom, zeer, stom mooi.
Stomp, geheel en al: 'k was et stomp vergetten; 'k was stomp van den boel af.
Stootvogel, roofvogel.
Stoppelhaan, m., feest bij 't eind van den oogst.
Storm, poos: en störmken, een poosje.
Strabant, brutaal.
Straffen, ontkennen: dat straf ik ou niet.
Strank, m., kwajongen.
Straole, m., straal.
Straotenjammer, mager persoon.
Strekkel, m., liniaal.
Streujen, strooien.
Streujsel, o., stroo, dat onder de koeien in den stal geworpen wordt.
Streupen, stroopen.
Streupnègel, nijdnagel.
Strik, platte stok met modder besmeerd, waar langs de bouwzicht gestreken wordt om ze te scherpen, met den hamer, waarop de zicht gehaard wordt het haargerei genoemd.
Strīkhöltjen, lucifer.
Strīkzwèvelken, lucifer.
Strīpe, groote streek land: en strīpe land.
Strīps gèven, slaag geven.
Stroete, v., lage boschgrond.
Stroo, verkl.: streuken en streujken.
Strünen, stroopen, stelen.
Strunkebraon, lanterfanten: hi löp te strunkebraon. (Eigenlijk koolstronken braden = nutteloos werk doen).
Stuntelig, dom.
Swiet, swietslaon, bluffen, groot vertoon maken.

T.

Taerachtig, teringachtig.
Talter, schommel.
Tamper, gematigd: die äppel bunt zoo tamper zoer, tamper zǖte, wi nǖmt ze den houweliken staot.
Tange, v., tang.
Tap, m., drop, ijspegel.
Tasse, kop.
Te (in samenstellingen), b.v. tebrokken, gebroken.
Teikenen, teekenen.
Tek, m., teek; schapetek schapeluis.
Telder, m., bord, schotel.
Termīnen, stuipen: krītende termīnen, schreeuwstuipen.
Terugge blīven, achterwege blijven.
Tesse, v., zak.
Teumig, lui, werkeloos: teumig gaon.
Teuveren, tooveren.
Tevrèjen, tevreden.
Tibbe, v., oud wijf, kletskous, volgens Halbertsma, Ov. Alm., scheldnaam der Doopsgezinden.
Tibben, snateren, kwaken.
Tīdvervèling, v., verveling.
Tiek, m., tor.
Tiel, m., rij van vier.
Tīën, trekken.
Tiepelzinnig (Drenthe, Groningen en N. Overijs.) met allerlei kleinigheden spelend.
Tieren, zich houden alsof.
Tilber, roerend goed.
Tīlgat, gat, waar de bijen uitvliegen.
Timpe, m., hoek (van land), kap (van brood).
Tirrel, tirrelig, licht geraakt.
Titte, v., tepel, vrouwen borst.
Tjemen, temen.
Tnegentig, negentig.
Tòdde, v., lap.
Todden, slepen: medtodden.
[p. 157]
Toddevos, iemand die alles wegsleept, van kinderen, van een ekster.
Toe, praepos, er om toe gaon, er om heen gaan.
Toebrengen, toedrinken, vroeger dronk de boer niet voor de gastheer gedronken had, elk glas moest toegebracht worden; van daar hi drank goed veur: ik heb het er royaal gehad. Nog niet lang geleden behoorde de bruigom op zijne bruiloft elk der gasten het glas of het zilveren napje met genever of wijn gevuld toe te brengen, d.i. eerst zelf een slok te nemen en het dan aan zijn gast aan te bieden, die het behoorde te ledigen.
Toef, m., kuif: en toef trekken, boos worden.
Toemoeden, vergen.
Toer, toertjen, m., poos, oogenblik, moeilijk werk.
Toesen, ruilen; ummetoesen, omruilen.
Toest,? een plukje b.v. van haar.
Toestellen, aanschaffen.
Toesterig, grommig, sikkeneurig.
Toete, v., hoek; zak, eene toete met krinten.
Toeten, blazen.
Toetert, m., blaasinstrument.
Toevallen, meevallen.
Toeze, v., in de toeze wèzen in de war zijn.
Tonge, v., tong.
Tonne, v., verkl.: tunneken.
Toom, m., niet alleen van kippen maar ook van varkens: en toom keune.
Tow, toe, tow maor.
Traon, o., traan, (vet).
Traon, m., (- e), traan (uit het oog).
Träontjen, o., fig. droppel geestrijke drank.
Träoter, blaasinstrument.
Träoteren, op de trompet blazen.
Trooste, niet goed bi trooste, niet bij 't verstand.
Trummeken, o., trommeltje.
Tǖën of tǖjen, trekken: da kan 'k niét tǖjen, dat kan ik niet betalen.
Tǖg, o., trekzeelen en verbinding; alles samen wat tot de bespanning behoort wordt getūg genoemd.
Tuk, m., zak: tukdoek, zakdoek.
Tukker, m., grasmusch.
Tǖn, m., tuin.
Tundel, m., tondel: tundeldeuze, v., tondeldoos.
Tǖr, (tǖder), paal, waaraan het vee graast.
Tǖren, (uit tuderen), vee, aan een paal gebonden, laten grazen.
Tǖrhamer, hamer om den tuurpaal in den grond te slaan.
Tǖte, kip.
Tuttelen, zeuren.
Tweedonker, o., schemering.
Twiïg, oneenig, twistend,
Tzeuventig, zeventig.

U.

(Uilkskuiken) van iemand die slim is zegt men: den is neet bij den oele oetebrod.
Uiver, Euver, heileuver, ooievaar.
Ulk, (Twenthe, O.) m., bunzing.
Umme, om.
Ummeraozie, rommel.
Ummezien, o., oogenblik.
Umsons, vergeefs, adv.
Upstoeken, de garven opzetten.
ǖt, uit, er naast even dikwijls nog oet.
ǖtstukken, de les lezen: 'k hebbe um ens raak ǖtestukt.
ǖtvensteren, doorhalen, 'k zal um wal zoo oetvensteren, datte neet terugge kump.
[p. 158]
Vaak, soms: zŏl ĕ vaak wat willen hebben?
Vaalte, v., mesthoop.
Vak, dak en vak onderholden, het huis en wat er bij behoort in behoorlijken staat houden.
Val, geen slot of val, geen slot of zin.
Van, m., famielienaam, de boeren zijn dikwijls minder bekend bij hun van, dan bij hun naam, d.i. dien van hunne boerenplaats.
Van toeversan, langzamerhand.
Varen, rijden.
Vaste in den mond, van een zieke gezegd, die tot het laatst goed blijft praten.
Vastköppig, goed van geheugen.
Vat, o., mv.: vate.
Veerdig, gereed.
Veerze of vierze, v., koe, die nog niet gekalfd heeft.
Vègen, vegen.
Vèke, v., gevlochten heg van boomtakken.
Veldgrond, heidegrond.
Venne, v., klein meer in de heide.
Verdoen, verkwisten: ondeumelik zīn geld verdoen, onnut zijn geld verkwisten, zich verdoen, een zelfmoord begaan.
Verdóld, vermolmd (van hout en van tanden gezegd), verduld, waarlijk, inderdaad, wel verduld, uitroep van verbazing of toorn.
Vergasten, te veel eten
Verhennekleeën, een lijk afleggen.
Verhetting, v., verkoudheid.
Verkarkenspraokt, afgekondigd aan de kerk.
Verkeuring, verkiezing.
Verkómmen, in de war komen met iets.
Verkundigen, afkondigen.
Verlǖjen, de klok luiden voor een doode.
Vermǖid, vermoeid.
Vernimstig of vernemstig, bij de hand; vlug in 't leeren.
Verplaksen (zich-), zich verbinden.
Verschot, bi verschot, om beurten.
Verschòvelīnk, verschoppeling.
Versmīten (zich-), zich mésalieeren.
Verspöllen, verliezen (in alle beteekenissen): de veurige wekke he 'k mīn vader verspöld. 'k hebbe völle geld verspöld bi dat peerd.
Verstaon, begrijpen: dat verstiet zich, dat spreekt van zelf.
Vertesteweeren, vernielen.
Vertīen, (verteeg, vertegen); afwijzen: en arfenisse vertīen.
Vertoessen, ruilen.
Vertrouwen, gelooven.
Vervlimd, jammer.
Verzeggen, (zich) zich verbinden.
Verzet, bī verzet, bij beurten.
Verzetting, v., hypotheek.
Verzinnen (zich), zich bedenken, berouw hebben.
Vesite - dat zol en mooie vesite wèzen, dat zou wat moois zijn.
Veste, vast, adv. en adj.
Vet, vruchtbaar: 't is vet weer.
Vettel, m., lok, en vettel vlas.
Vetvangen, krijgertje spelen.
Veur, voor.
Viere, vier.
Viezevazen - hi hef wat viezevazen op zīn līf, hij heeft veel vijven en zessen.
Vimme en vīm (Grolle), v., honderd bos.
Vīve, vijf.
Vlaege, mak, gedwee.
Vlank, krachtig, adv.
Vlashettel, v., vlasplant.
Vleisch, o., vleesch.
Vleute melk, afgeroomde melk.
Vleuten, water over 't land doen stroomen.
Vlīen (vlee, evlèjen), vlijen.
Vliën (vloo, evloën), vlieden.
Vlikken, vlijen: samenvlikken, samenvoegen.
Vlint, steen, kei.
Vlugge, gezond.
Vlǖjen, vloeien.
[p. 159]
Vlǖs, o., vacht van het schaap; vlies: en vlǖs òver 't water.
Voel, slim.
Voeloas, slimmert.
Voelik, z. vülik.
Voering - hi hef wal wat in de voering, hij zit er warm in.
Voeste, v., vuist.
Voesten, de hand geven.
Vôt, m., mv.: vüte; datief mv.: vôten.
Volk, o., familie; volk; menschen.
Völle, veel.
Vólste, m., ten vólsten kommen, te hulp komen.
Voorde, v. (- n), doorwaadbare plaats, rijweg door eene beek; o.a. in vele plaatsnamen aan beken: het Voorde, het huis te Vorden (dat. pl.) Vorden (naar de verschillende voorden) Avervoorde, Krǖsvoorde enz.
Vorchten, vreezen.
Vörke, v., vork.
Vortmeisteren, van eene ziekte afhelpen.
Vraogen (vrieg of vreeg, evraogd), vragen.
Vreeën, omheinen.
Vreesken, eischen.
Vriézen (vroos, evrozen), 1) vriezen. 2) (onpers.) koude voelen: mij vrös, ik heb het koud.
Vróchten, omheinen.
Vróchting, schutting.
Vrŏg, vroeg.
Vrogjaor, n., vroege voorjaar.
Vreulik, vroolijk.
Vrösterig, koudelijk.
Vrǖgte - in de vrügte, vroegte.
Vrǖten, wroeten.
Vügen, voegen.
Vul, vullen, o., veulen.
Vǖl, smerig.
Vö̂len, voelen.
Vǖlik, listig persoon; kwade geest; vǖlikesbelt, hooge plaats, waar kwade geesten verblijf houden.

W.

Wacht, waakzaamheid: de wacht anzeggen, waarschuwen.
Wachtel of wachtele, wachel (N.O.) m. of v., kwartel.
Wak(h)ólder en wákelder, wakel.
Wăl, wāle, wel.
Wamme, v., vleesch op de onderrib.
Wanne, v., korenwan.
Want, m. en o., muur van leem.
Want, m., handschoen.
Waorde, wrat.
Waorheid, de waorheid zién, sterven.
Ware, v., hoede; aandacht.
Ware, v., stem in de marke.
Waren (zich -), zich hoeden.
Warken, werken
Warschop, o. visite.
Wasseldōek, m., vagedoek.
Wassen (woes, ewassen), in lengte toenemen; als deelw. en adject. volwassen.
Wasschen, (wôsch, ewasschen).
Wat, eenigen: wat zekt zoo, wat zekt anders.
Wedde, v., weddenschap.
Wedeman, m., weduwnaar; wedevrouwe, weduwe.
Wee, v., (mv.: weeën, wieën), twijg.
Weeme, v., pastorie.
Weemgaorden, m., tuin van de pastorie.
Weere, v., bezitting.
Weg, m., mv.: wège.
Wegge, m., rond brood vna grof weitenmeel: weggenbrugge, v., snede brood.
Weiken, week maken.
Weike, week. adj.
Wèke, mannetjeseend, woerd.
Wèk, wèkke, v., week.
Wel, wie.
Wèlen, spoken.
[p. 160]
Wellig, welig.
Welter, m., klomp boter, een laag hooi op een wagen.
Welteren (zich -), wentelen.
Wème, v., pastorie.
Wen, m., leelijke plek.
Wende, v. keer, draai in een weg.
Wendezoele, v., balk, die gedraaid wordt, om zoo den grooten ketel op voor te kunnen hangen.
Wenscht, v., verlangen.
Wentelsoeze, v., haak, waar de ketel aan hangt.
Weppel, v., ondiep beekje; waterleiding.
Werg, vlug, krachtig; hi zut er werg oet.
Wetteren, het natte voeder (zoepen) aan het wee geven.
Wezeboom, m., houtenpaal boven op den hooiwagen om het hooi vast te houden, (ook soms wedeboom).
Wicht, (-er), o., kind.
Wīd wage lös, wagenwijd open.
Wieden, uitroeien.
Wiége, v., wieg.
Wieme, v., zolder van het vertrek, waaraan het gerookte vleesch hangt: 't spek hänk in de wieme.
Wiemelen, draaien; schommelen.
Wierig, vroolijk.
Wierbörstel, m., ruziemaker.
Wierwinde, v., wilde convolvulus.
Wigbold, o., plek waarover het rechtsgebied eener stad zich uitstrekt.
Wikken, voorspellen, dreigen.
Wikkewīf, v., waarzegster.
Wīks o., schoensmeer.
Wille, v., pret, voldoening: wi had er völle wille van.
Willemōeds, opzettelijk.
Willig, dartel, gehoorzaam.
Willigheid, dartelheid (als 't van meisjes gezegd wordt); gehoorzaamheid (van kinderen gezegd).
Windsneuw, v. valwind, rukwind.
Winkel, m., hoek, winkelhaak.
Winnen (wan, ewonnen).
Wīs, wijs.
Wīs worden, vernemen.
Wisse, zeker; wijs: hi is niét recht wisse.
Wīzemoer, v., vroedvrouw.
Wochten, wachten.
Woe of boe, hoe.
Woeneer, wanneer.
Woerd, m. begraafplaats.
Wolle, v., wol
Wonte, v., woning.
Woold, o., boschstreek.
Wörgen, braken; met moeite doorslikken.
Wörstelen - wi hebt wat te wörstelen, wij hebben heel wat moeite om rond te komen.
Wö(r)ster, m., boender.
Wrange, v., loopgraaf, van konijnen, vossen.
Wreed, hard, ruw, wreed vlas wreede wolle
Wrīje, v., wreef van den voet.
Wring, m., hek voor een weiland.
Wrǖgen, aanklagen.
Wrǖte, v., mol.
Wǖle, m., mol.
Wǖlen, woelen.
Wǖst, ledig, woest: en wüsten pot, zonder vleesch of vet.

Z.

Zaalverig, tanig.
Zandoer, slechte soort ijzererts.
Zaodzaam, verzadigend.
Zat, zattert, genoeg.
Zèjen, zaaien.
Zeisen, m., zeis om gras te maaien.
Zelve, v., salie.
Zesse, zes.
Zet, tijdsverloop, 't is en heelen zet eleen.
Zeuven, zeven.
Zeuvensprong, m., ouderwetsche
[p. 161]
dans, nauwelijks meer bekend dan bij name.
Zichte, m., bouwzichte, om koren te maaien; plakzichte, om heidezoden te maaien.
Zichtvree, m., grond, waar bepaalde personen recht hebben om plaggen te maaien.
Zién (zoog of zag, ezién), zien.
Zinnig, mak (van beesten).
Zinnigheid, v. lust; makheid.
Zitten - 't zit er niet an, 't kan er niét af.
Zodde, v., koffiedik.
Zoegen, zuigen.
Zoepen, (zoop, ezòpen), zuipen.
Zoepen, room, melkspijs enz. dik zoepen, dikke melk, het zoepen veur de keune.
Zoer, zuur.
Zommer, m., zomer.
Zomp, m., drinkbak voor 't vee.
Zönne, zoon.
Zoor, dor; verdroogd.
Zǖden, Zuiden.
Zǖgen en zoegen, zuigen.
Zǖgen, zoogen.
Zöken, zeuken, zoeken.
Zulle, v., drempel.
Zunde, v., zonde.
Zunne, v., zon.
Zǖte en zö̂te, zoet.
Zǖver, zuiver, rein.
Zwadde, de zwaai: 't heui lig in de zwadde, d.i., zooals het gemaaid is.
Zwak, lenig; vlug: zwak in de beene, vlug ter been.
Zweet, m., het zweet afwisschen.
Zwenne, v., de zwaai: 't gres in de zwenne laoten liggen.
Zwengel, m., stok, waaraan de puthaak zit, waarmee de emmer wordt opgehaald.
Zweppig, buigzaam, lenig: en zweppige kerel.
Zwèvel, m., zwavel.
Zwik, m.,? spon in een vat.
Zwikstelle, v., werktuig om de wieken van den molen te verdraaien.
Zwil, kant van het spek.
Zwil, o., eelt.
Zwilk, o., wasdoek en hol. zwilk (gegomd linnen).
Zwoeksen, heen en weer zwaaien.
Zwöppe, naast zweppe, v., zweep.
Zwôrd, o., zwoerd van spek.

prepostterug  begin  verder