| De heldere a neigt naar de ae (fr. è); waeter, haelen, aeten, jae, laegte, enz. |
| ee als ie gesproken in twie, hienen = nnl. twee, beenen (vgl. Brederoo enz.) |
| oe als oo d.w.z. als lange open o gesproken in boozem (?) = nnl. boezem (ook in 't Vlaamsch). |
| oe als ou gesproken in zouken (?) = nnl. zoeken, en syougen naast spoegen = nnl. spuwen evenals Westvlaamsch (reeds Mnl.). |
| oo ongeveer als ôa uitgesproken in schôan (?) = nal. schoon. |
| io in vier = nnl. vuur, vgl. Westvl. (de vieren zijn de vuurtorens langs de kust). |
| eu in deuze = nnl. deze. |
| eu in deur = nnl. door. |
| u in Zundag = nnl. Zondag. |
| o in dortich, horreberg = nnl. dertig, herberg ook korsemis = kerstmis. |
| u in twuntig, wullen = nnl. twintig, willen door invloed der w, evenals in Wüllem vgl. dergelijke overgangen in het Ags., en Hd. De w heeft eenigszins, hoewel niet zeer duidelijk, het halfvocalische karakter, die hij in het Engelsch heeft. |
| aventuren = in de waagschaal stellen bijv. zijn leven aventuren vgl. het Mnl. |
| bezonder = afzonderlijk, vgl. het Hd. |
| beschonwen: die schuit heeft zooveel beschouwd = de vangst van die schuit heeft zooveel opgebracht (bij den vischafslag). |
| boi = bui. |
| daas (d.i. daes) = gek, suf. |
| garing = garen. |
| gáernel met den klemtoon op de eerste lettergreep = nnl. garnáal met het mv. gáernels. |
| jarremuiden (eig. -muie) = Yarmouth; deze echt- Nederl. uitgangmuiden = - Eng. mouth is hier dus blijkbaar zeer oud. Alle namen uit Duitschland werden vroeger evenzoo vernederlandscht: de Elve, Covelens enz. |
| hullie = hun. |
| kofje = koffie, ook te Amsterdam, meen ik, bekend. |
| krĕmetiek = rhumatiek. |
| klinken = met het bekken in het dorp omroepen voor den vischafslag. |
| kulken (de visch) = schoonmaken (?). |
| kuul = zeker deel van het net, waarschijnlijk, het onderste, de kuil, waarin de visch ten laatste gevangen blijft (?). |
| mand meerv. mandes. |
| nuut = nieuw (alleen in het onz. (?). |
| mui zie zwin. |
| over = voor (ante) vgl. het Vlaamsch. |
| ofbinden = afbinden, een zeer plastisch woord, waarvan de beteekenis duidelijk is. |
| schuit = visscherspink, men spreekt te Zandvoort niet van pinken. |
| Scheveling = Scheveningen, oudt. was de vorm met l zeer gewoon. |
| slecht = vlak, effen (in slecht waeter = een kalme zee), de oude beteekenis. |
| stokman = afslager, degeen, die (met den stok, met het gemeentewapen) bij den afslag de partijtjes visch aan- en toewijst. |
| zeeuwelijk = zeewaarts. |
| zwin = kreek of plas, die bij eb voor de kleine, drooggewordene zandbanken op het strand blijft staan. Zij zijn in het klein, wat de talrijke zwinnen aan onze kust in het groot zijn, nl. doorvaarten tusschen twee banken. Dat de naam het zwin in Zeeland hiermede identisch is, is bekend (vgl. gloss. Maerl. Stroph. Ged i.v. en v.d. Bergh, Mnl. Geogr. 2e uitg. blz. 83). - Gedurende de eb baant het water zich echter voortdurend op zijde een weg naar zee door de mui (waarin de storm soms zeer sterk is) wat klaarblijkelijk = nl. muide, ags. mûda d.i. monding is. |
| slissen = beslissen. |
| nae Zandvoort gaen = van het strand naar het dorp gaan. |
| naer de laegte = naar de zoo (gaan enz.). |
| op zee = aan, langs de zee (reeds Mnl. zoo): de omroeper roept dagelijks eenige malen om. Allen die schok, schaere (= scharren) of bot willen koopen, komen op zee. |
| levend worden = vlot raken van de vischschuiten. |
| om een lechie gaen = een dutje gaan doen. |
| de lucht is niet onhebbelijk = de lucht ziet er niet kwaad uit. |
| jae 't het onw. wordt er meestal bijgevoegd, gelijk Mnl. en in Vlaanderen nog (N. en Z. II. 279, IV. 388, V. 96). |
| gaet zitten enkelv. tegen een persoon. |
| hooren an of aen iemaad = vernemen van; vgl. het Mnl. |
| dat kan geen pochen lijen = dat is zoo prachtig niet, heeft niet over (evenzoo bij Hollidee de Pruuvers, enz.: ‘dat kan geen proat lèje).’ |
| de gunt zij = gene zijde. |
| mijn vrouw het et of eleit = is gestorven. |
| de zee gebruikt geen zeemanschap = gaat ruw en woest te werk (?) Een stoplap der Zandvoorders. |
| eene vrouw die met jong is = zwanger, vgl. Eng. with child. |
| dat houdt op = dat ligt aan (die of die reden). |
| waer-e-schouwd = gewaarschuwd. |
| gewoeid (?) = gewaaid. |
| op zijn schalien krijgen = een standje, uitbrander krijgen, juist hetzelfde wat de bekende uitdrukking op zijn dak krijgen beteekent, want schalie (zie Kil. en de Bo) in Zuid-Nederland blijkbaar nog bekend, beteekent lei, Tegel, dakpan (ook de Zeeuw Cats gebruikt het). |
De Zandvoorder spreekt zonder eenigen zweem van te groote vertrouwelijkheid tegen iedereen, ook ‘rijkdommen’ uit Amsterdam ‘jij’ en ‘jou’, dit doet bij hem eenvoudig dienst als ‘gij’ in de schrijftaal. Het steedsche ‘U’ kent hij (de oude onverbasterde natuurlijk) bijna niet. - Merkwaardig is het, hoe de zeemanshaat van Engelschen en Hollanders onuitroeibaar is: ik hoorde een zeeman eens een lang verhaal doen van allerlei ontmoetingen ter zee, de Fransche zeelui waren goede kerels, maar de Engelschen ‘daar hebben we een puist an.’ - In den voorzomer Juni en Juli zag men elken avond de jongens meikevers vangen, al zingende: (ongeveer)
en dit da capo in het oneindige.
M.