terug  begin  verderprepost
[p. 247]

Van de Hooge Veluwe.1)

Aker - Koperen ketel, mann.
Aremoe - Leedgevoel. Doar hèk aremoe over, mann.
Armezier - Diaken.
Anpa(r)t - Bizonder, volstrekt. Anpart mooi. Da doe 'k anpa(r)t neet!
Blender - Bliksem. Hoofdzakelijk in verwenschingen: Sloa je den blender!
Ba(r)stig - Uitmuntend, meestal in negatieve zinnen als: De oo(g)st is van n joar niks neet ba(r)stig.
Bódden - Stuiven, stof veroorzaken. (Bódden, bódde, heeft gebód).
Blézen - Korenaren zonder korrel. (Vrouwelijk enk. blēze).
Baken - Steen in de vrucht. Prümebaken. (Mannelijk).
Balstoerig - Weerspannig.
Bekoekelen - Begoochelen. (Behochelen, bekoekeld, heeft behoekeld).
Bluisteren - Blakeren. (Bluisteren, is gebluisterd).
Brillen - Huilen. (Brillen, brilde, gebrild).
Balken - Beploegen van driestland, omscheuren der taaie zode.
Barzie - Vuile rommel. Vrouw. Meervoud op 's.
Bèren - Voorwenden. Hi beert ziek te zin. Bērden, gebērd.
Broekeld - Veengrond in de heide, geschikt tot uitgraving van turf.
Billen - Scherpen van molensteenen. Zwak w.w.
Brótten - Bij het vuur kruipen. Zwak w.w.
[p. 248]
Beun - Hoop. De eerepels op 'n beun. Mannelijk meerv. beunen.
Deken - Riet of stroodak. Mannelijk.
Daze - Groote platte vlieg, die zich op de paarden zet. V. meerv. Daas.
Dôn - Gelden, waard zijn. Wat dôn de eier?
Darrel - Hommel mannelijke bij, die na de bevruchtiging der moêr of koningin wordt uitgedreven.
Dwoalproaten - IJlen. Zwak werkw.
Dodei - Gier-ei. Onz.
Ellepeet - Nymf. Ook wel genoemd de Witte Juffer, waarschijnlijk doelende op eene godin, wier eeredienst in het Speelderbosch gehouden werd; althans men wijst aldaar nog een vrij diep dal in het midden van het bosch op ongeveer een uur afstands van de buurt Drie, Het Solsche gat geheeten, waar men vele overblijfsels van altaar of offersteen vindt, en waar de sage de Ellepeet nog laat rondwaren.
Eileuven - Heilleuven, Ooievaar Noordelijk Gelderland, omstreken van Elburg.
Eindīgsten - Laatste. Den eindigsten kô in den stal.
Fla(r)de - Slons. Vrouwelijk meervoud fla(r)den.
Flaeren - Langs de straat slenteren door deerns. Zwak.
Fobes - Bolvormige champignon, die stuift als men er op trapt. Fobessen meervoud.
Fribbel - Gaffelvormig stokje, om vogelnesten uit holle boomstammen te halen, fribbelen. Al draaiende wordt de bouwstof om den fribbel gewoeld en daarna met een' ruk naar boven gehaald, mannelijk meerv. s
Flap - Deksel op eene kan. Flapkan, mannelijk.
Görg - Ziek.
Greze - Deel in de gemeenteweide voldoende voor één rund. Omstreken Elburg, vr.
Gastig - Sterk. Gastig spek.
Grīpstüver - Handjegauw. Grijpen en wegstuiven (?) mannelijk.
Geut - Melkkamer. Vrouwelijk meerv. geuten.
Glimpiper - Gladde aardappel. Ook scheldnaam voor schoft, schobbejak.
Gorrie - Uitroep van verwondering.
Glei - Glad.
Groefbidder - Uitnoodiger ter begrafenis.
[p. 249]
Hozele-vetlokken - Zeer platte uitdrukking voor blootsvoets. Vetlokken zijn de lange haren boven den paardenhoef aan de koot. Hozele-Hozenlooze. Beteekend dus voeten zonder hozen. (Doornspijk e.o.)
Heisteren. - Wild spelen. Sterker dan dawelen, zwak werkw.
Haveluinig - Haveloos.
Honk - Rustplaats. Overdrachtelijk woonstede. Bij honk blijven, mannelijk H.V.
Heumes - Krekel, ook klein mensch sijn met dreumes. Meervoud mannelijk Heumessen.
Hoepel - Een toongevend stukje schors van jonge takken, door de kinderen van het hout gescheiden om in de waldhoorn van eschenschors te doen. Het takje wordt eerst bevochtigd, daarna op de knie gelegd en met het lemmet van een mes geklopt, onder het zingen van dit deuntje:
Hoepele, hoepele houtjen,
'k Sloa al op 'n boutjen,
'k Sloa al mit 'n mes twee dree,
Goa dan vliegen in de zee!
Heel òf, half òf,
Bars je gat van 't houtjen of! (Mn. znw. mv. hoepels).
Hö̂rk - Horzel wiens steek zeer gevaarlijk is. Ook als scheldwoord voor een onaangenaam wrevelig karakter. Meerv. Hö̂rks.
Hakketakken - Kibbelen.
Hupsch - Erg. Hupsch gö̂rg = Erg ziek.
Heujen - Hoeden, drijven. Heujen, heujde, geheujd.
Huphoas - Sprinkhaan. Vrouw. meerv. huphoazen.
Honken - Spel overéénkomende met het stuivertje wisselen. Zwak.
Hennekleed - Doodshemd. Gelderlands achterhoek.
Hennegat - Opening in de deur, waardoor de kippen naar buiten gaan. Meerv. Hennegoater.
Immen - Bijen. zonder enkelv. bī.
Inkenappels - Galappels op het eikenloof.
Joksem - Uitroep van toorn. Wat joksem!
Kneuren - Morsen, knoeien. Zwak.
Knaap - Boom onder de kar, waarop het voertuig steunt als het trekdier rust.
Kwenselen - Met lange tanden eten. Zwak.
Kelderzeugen - Pissebedden. Vrouwelijk.
[p. 250]
Kórt - Haksel. Onzijdig.
Kuus - Jonge koe. Kruiskalf naast Bolkalf. Onzijdig.
Koeter - Kouter. Onzijdig meerv. koeters.
Koeze en Kuize - Knuppel. Polverkoeze - Oud pan-geweer. Elburg e.o.
Kölder - Borstrok. Mannel. meerv. op s.
Karkoane - Kauw. Torenkraai, mannelijk meerv. op n.
Kroes - Gevuld. Kroes van de veule rokken.
Kroplap - Keurslijf. Vrouwelijk meerv. kroplappen.
Kantert - Komijnekaas. Mannelijk meerv. op s. Gelderl. achterhoek.
Kemmen - Kammen. Zwak.
Lunt vr. - Bos stroo zorgvuldig gebonden, in tegenstelling van eene wierbos.
Līkenveul - Onverschillig. 't Is m'n net līkenveul.
Labèndig - Levend. Hī is dí labèndig bi = Hij moet sterven.
Lepeier - Zomersproeten. Hoogst zeldzaam. Algemeen in Friesland.
Moeroar - Dubbele aar op één halm. Vrouwelijk.
Moeken - Langzaam warmen. De brī hangt te moeken. Zwak.
Moek - Geheime bergplaats van vruchten. Vrouwelijk meervoud moeken.
Mót - Bal bij eene soort van kolfspel. Mannel. meerv. mótten.
Paven - ütpaven - Kloppen, uitkloppen. Zwak.
Pol - Heuveltje. Mannelijk meerv. pollen.
Pollepel - Houten lepel. Plaggen, zie schadden. Mannelijk.
Pógge - Bigge. Gelderl. achterhoek.
Ril - Keep of kerf. Vrouwelijk meerv. rillen.
Reurumme - Meelspijs samengesteld als de balkenbrij. Vrouwelijk.
Rīzemīt - Schelf of Mijt van takkebossen. Vrouwelijk meerv. en.
Róts - Sparappel. Dennenappel. Vrouwelijk (rótsen).
Rik - Dwarsstok in het kippenhok, in Z.H. roest. Onz. mv. en.
Rechtevoo(r)t - In den regel. Hī is rechtevoot van hüs.
Rōven - Uit één waaien. De deken rōvet. Zwak.
Sol - Vrij algemeen voorkomende plaatsnaam op de Hooge Veluwe Ook het Solsche gat (Zonnegodin?) zie Ellepeet. (Onzijdig).
Sāmm - Bārg Samm. Heuvel in de gemeente Barneveld. Volgens de overlevering oude gerichtsplaats.
Smeu - Smedig.
Schier - Lichtgrijs.
Sneeg - Flink, ontwikkeld. Een sneeg peerd.
Sturm - Watervloed in het noorden van Gelderland. Het sturmt
[p. 251]
beduidt: de vloed komt over den dijk, en het blijft sturmen zoolang het water op het land staat ook bij stil weder. Elburg en omstreken.
Schòt - meerv. schōten. Schaapskooi, meerv. schōten. (Onzijdig).
Schadden (vr.) - Schelturf. - Zoden uit de heide gestoken tot brandstof, zeer te onderscheiden van de Plaggen, die tot strooisel in de stallen dienen. De schadden zijn min of meer veenachtig, de Plaggen zandig. Gelderl. achterh.
Secht - Maal door de armen aan de noabers gegeven, tot het bekomen van aardappelen, mest, etc. en daarna eerepel secht, mestensecht enz. genoemd. Omstreken v. Doetinchem.
Spölk - gekloofd hout. Vrouwelijk meerv. spölken.
Schafanter - Helper of helpster bij 't begrafenismaal.
Schēven - Afval van hennipstelen. Vrouwelijk enk. schēve.
Teisteren - Martelen. Zwak werkw.
Tors(m) - Kleine graszode. De schèder smīt torssen mit de kluschup. (Kluitschop).
Tit - Speen der moederborst. (Vrouwelijk).
Tuffen - Spuwen. Zwak.
Versīr - Het oog? De blik? Ik krg 'm in 't versr = Ik krijg hem in de gaten.
Vǖlek - Leepert, slimmert. Meerv. Vüleks.
Vaak - Misschien.
Vurrevoeten - Kousen doch geen schoeisel aan. De kînder loopen dí hozen kapót umdat ze op de vurrevoeten loopen as ze speulen.
Venekool - Venkel. Vrouwel.
Vleeg - Licht, tenger, 'n vleeg jongetjen.
Wammes - Buis, ook plankenhut. Onzijdig (wammessen).
Wēlen - Sommigen, eenigen. Wēlen goan noa 't lǟjnd, wēlen blven thǖs. Elburg en O.
Wēlan - Uitroep van toorn. Wat wēlan, wou dee kērl!
Waffel - Wijde mond. Grootmond. Mannel. meerv. waffels.
Zeuning - Varkenstrog. Mannelijk meervoud zeunings.
Zèmer - Zeker, ook wel zimme(r).
Zeik - Urine. Zeiken, zeikte heeft gezeikt.
Zwēvel - Zwavel, onzijdig.

 

H. ZEGER DE BEYL.

1)Hooge Veluwe. Hierdoor versta men hoofdzakelijk Garderen, Kootwijk en omstreken met de gehuchten behoorende tot Apeldoorn en Nunspeet, die grenzende aan de gemeente Barneveld, kerkelijk onder Garderen ressorteeren.
De geslachten zijn afgeleid naar de wijze van buiging in de uitspraak. bijv. Hī krēg 'n stuk van ne spölk veur 't heuft, derhalve spölk vrouwelijk en Hou den waffel! van daar waffel mannelijk.
Wijders komt het ons voor, dat de oa klank in moand, joar, hoan enz. aldus en niet ao moet gespeld zijn. Althans het H. Veluwsch laat de a zeer duidelijk 't laatst onderscheiden evenals genoemde tweeklank in 't Friesch luidt, waar men ook hoort hoäne, moäne.
prepostterug  begin  verder