‘De West-Vlamingen, omtrent een millioen in getalle, wonen langs de zee, bewesten de Oost-Vlamingen aan de eene zijde, benoorden de Franschen en de Walen aan de andere.
De scheidslinie tusschen de West- en de Oost-Vlamingen loopt van de zee bij Sluis langs Lapscheure, S. Jooris, Ruisselede, Caneghem, Aarseele, Marckeghem, Wacken, tot aan Vive S. Baafs op de Leie; van daar klimt zij langs dezen stroom opwaarts voort door Harelbeke, Kortrijk, en Meenen, tot aan Wervick.
De scheidslinie tusschen de West-Vlamingen en de Franschen met de Walen, loopt van de zee bij Grevelinge langs de A tot bij S. Omaars; van daar langs Renescheure, Boeseghem, Nieuw Berquin, Steenwerck, Ploegsteert, Waassen aan de Leie, en van daar met dezen stroom voort tot aan Wervick’
Het Westvlaamsch vervalt in drie onderdialekten, die wegens den tongval of de stembuiging in de rede verschillen. De tongval immers is eentonig en zonder voois (zangerigheid) in 't Brugsche Vrije en in de Kasselrije van Kortrijk, zangerig en gezwind in Veurneambacht en 't Poperingsche, nog gezwinder maar een weinig verkept1) verder in Fransch Vlaanderen. De hoofdbijzonderheid van 't dialekt van Veurne-Ambacht en 't Poperingsche tegenover de twee andere, is 't vervangen van 't voorvoegsel ge bij de deelw. door è, - en van het Franschvlaamsch dialekt, het uitspreken der sch als de Fransche ch2).
Thans heeft het Westvlaamsch eene tamelijk rijke letterkunde,
De dichters en prozaschrijvers Guido Gezelle (Gedichten, Kerkhofbloemen XXXIII Kleengedichtjes enz.) L. de Bo (Gedichten), K. Callebert (Jan Onraedt, Paul en Isabelle), Ad. Duclos (De oude kuste van Vlaanderen, artikels in Rond den Heerd) K. De Gheldere (Jongelingsgedichten), H. Verriest (Leven en Dood in de Letterkunde), gedichten in de Vlaamsche Vlagge), A. Rodenbach (Eerste gedichten, artikels in de Vlaamsche Vlagge, get. Harold, Gudrun), Em. Lauwers (Vertaling van Shakespeare's Julius Caesar), V. Huys (Baekeland, Legenden van Sint Franciscus van Assizie), J. Samyn (De Fransche Revolutie in Vlaanderen, Socialisten en Christen), J. De Corte (Fabelen), L. Van Haecke (Sinte Godelieve van Ghistel, De Zeesterre, maandschrift), Van Coillie (Drij Verhalen in Rond den Heerd), - al deze schrijvers dus, en andere nog, die in groote meerderheid tot de Westvlaamsche geestelijkheid behooren, hebben ‘voor hunne taal niet de algemeene Nederlandsche, maar het West-Vlaandersche dialect gekozen.’ Dit is echter eene eigenaardigheid, waarmede niet iedereen kan instemmen. ‘Dat men de gewestelijke spraakvormen en zegswijzen in de algemeene taal eene matige plaats inruime, om deze meer lokale kleur te geven, is te wettigen; maar dat men uit liefde tot zijne engere geboortestreek1) zich buiten den wijderen kring der taalverwanten sluit en stelselmatig liever het woord gebruikt, waarvan één man zich bedient, dan datgene, welk door tien verstaan wordt, is een dwaze niet te rechtvaardigen liefhebberij.2)’
Daar kan men nog bij voegen dat, ingezien het min of meer groot verschil hetwelk van gemeente tot gemeente tusschen de plaatselijke tongvallen bestaat, bedoelde schrijvers eene algemeene Westvlaamsche boekentaal hebben moeten tot stand brengen, en dat de West-Vlaming, waar het letterkundig verkeer geldt, in alle geval zijne gesproken taal tegen eene schrijftaal moet verwisselen, hetgeen niet minder moeite kost, en veel minder nut meêbrengt, als die schrijftaal het Westvlaamsch is in plaats van het Nederlandsch.
Het gewichtigste voortbrengsel dier particularistische beweging is zeker het Westvlaamsch Idioticon van pastoor De Bo, dat, ofschoon er ‘die nötige wissenschaftliche Erkenntnis3)’ aan ontbreekt, onder uitsluitend lexicographisch opzicht, d.i. als woordenlijst en als
woordverklaring, voor de kennis onzer Nederlandsche taal van zeer groot gewicht is en voor die van het Middelnederl. ten eene male onmisbaar1)
Maerlants moedertaal was het Westvlaamsch (ende omdat ic Vlaminc ben), en de ontwikkeling der Vlaamsche gemeenten had van Vlaanderen een zetel van beschaving en letterkundig leven gemaakt. Ook in de toen reeds bestaande algemeene Dietsche boekenspraak (hen die dit Dietse sullen lesen) was het Westvlaamsch spraakgebruik het uitgangspunt voor de beschaafde spreek- en schrijftaal.
Omstreeks de helft der 15de eeuw, bij het begin der overgangsperiode van het Middel- tot het Nieuwnederl. heeft het Westvlaamsch opgehouden in de algemeene taal het overwicht te hebben; maar het is, met de taaiheid aan alle dialekten eigen, zich zelf zoo gelijk gebleven, dat een Westvlaming zonder voorbereidende studie den Reinaert, den Rijmbijbel, Wapene Martijn, enz. kan lezen: zeer weinig in onbruik geraakte woorden zal hij ontmoeten, en de phonologie met het spellingssysteen komt nog wonderjuist met den hedendaagschen tongval overeen.
De kennis van 't Westvlaamsch gesproken dialekt kan dus voor de studie van het Middelned. van groot nut, en in sommige gevallen zelfs onontbeerlijk zijn. Wij hopen, dat de volgende proeve eener Westvl. spraakleer een middel zal zijn om die kennis te vergemakkelijken. Zeker was dit een werk voor bevoegder dan wij, want de spraakleer is de zuster van het Woordenboek, en, - si parva magnis, - in hoeverre zal onze spraakleer haren ouderen broeder, het Idioticon van den Heer De Bo, waardig zijn!
Al wat in 't Idioticon tot de spraakkunst behoort, de voorbeelden niet altijd uitgesloten of veranderd, is er aan ontleend geworden. Wie met dit boek eenigszins bekend is, zal het gemakkelijk ontwaren. Ook hebben wij gemeend de aanduidingen dienaangaande te mogen achterwege laten, om den lezer niet te verhinderen ‘den Wald vor Bäumen zu sehen.’
| 1. | Korte en lange a, zuiver gesproken, als in 't Nederl. |
| 2. | Korte en lange ao, waarvan de lange klinkt gelijk de overeenkomstige klank in 't Engelsch of in de Noordsche talen, en de korte gelijk de korte o. Niettegenstaande die overeenkomst in klank met ŏ, voelt iemand, die wat taalbewustzijn bezit, dat men hier werkelijk met eene gewijzigde ă te doen heeft: daarom zou ik baolk (= balk) schrijven in plaats van bolk; lange ao verbeelde men door aao in gesloten, en ao in open lettergrepen. |
| 3. | Korte en doffe e, als in 't Nederl. |
| 4. | Zachte, harde en zware volkomen e (e1, e2, e3). De zachte luidt gelijk in 't Nederl. De harde (scherplange) klinkt nagenoeg als een tweeklank, saamgesteld uit eene zachte e of ie met eene zeer korte doffe e, maar langs de kusten, en elders nog, bijv. te Ieper, heeft zij de waarde van è in père. De zware e = è in père; waar echter de harde reeds dien klank heeft, luidt zij nog heller, bijna als eene zeer scherp gerekte ā. |
| 5. | Korte i, korte en lange ie, waarvan de korte i teenemaal klinkt als e in 't fr. bec, en de ie gelijk in nĭet en bīer; op vele plaatsen hoort men duidelijk bij de lange ie hare twee bestanddeelen, i en e, afzonderlijk. |
| 6. | Korte, zachte en harde volkomen o, gewoonlijk gelijk in 't Nederl.
Nochtans staat de harde o in het grootere gedeelte van West-Vlaanderen in dezelfde verhouding tot de zachte, als de harde e tot de zachte. |
| 7. | Korte en lange oe, gelijk in bŏek en bōer. Somwijlen wordt ōe ook oe-ë, cfr. īe. |
| 8. | Korte gewijzigde, en korte zuiver u, waarvan de gewijzigde den klank heeft der doffe e, en de zuivere den klank van u in 't pronomen u of in 't fr. lidw. du. |
| 9. | Eu, ui en ouw, gelijk in 't Nederl. |
| 10. | Aaoi is de regelmatige plaatsvervanger van 't Nederl. aai. |
| 11. | Ei heeft op vele plaatsen den klank der Duitsche ei, op meer nog den klank der Nederl. ei. |
| 12. | Ooi en oei klinken gelijk in 't Nederl., met die bijzonderheid dat de o in ooi hard klinkt, waar in de uitspraak een verschil tusschen zachte en harde o bestaat. |
| 13. | Eeuw en ieuw kunnen de w door f of v vervangen: nīef, nīeve (nieuw). |
| 1. | Korte a:
|
||||||||||
| 2. | Lange a:
|
|
|||||||||
| 3. | Korte ao:
|
||||||||
| 4. | Lange ao:
|
||||||||
| 5. | Korte e:
|
||||||||
| 6. | Doffe e: is de klank van de vocalen die in 't Nederl. dof uitgesproken worden, dus niet alleen der eigenlijke doffe e, maar ook der i in den uitg. ig, in 't prefix mis vóór een klinker of h, en in misschien en avond, verder in: almanak, soldaat [doffe e of ă], waarachtig. | ||||||||
| 7. | Zachte e:
|
|
|||||||||||||
| 8. | Harde e:
|
||||||||||||
| 9. | Zware e:
|
||||||||||||
| 10. | Korte i:
|
|
|||||||||||||
| 11. | Korte ie:
|
||||||||||||
| 12. | Lange ie:
|
|
|||||||||
| 13. | Korte o:
|
||||||||
| 14. | Zachte en harde o:
|
||||||||
| 15. | Korte oe:
|
||||||||
| 16. | Lange oe: is, buiten de bij 15a aangegeven gevallen, de klank der Nederl. oe; verder nog in oegst en ajuin (ajoen of anjoen, - j = ital. g). | ||||||||
| 17. | Korte gewijzigde u:
|
|
|||||||
| 18. | Korte zuiver u:
|
||||||
| 19. | Tweeklank ui:
|
||||||
| 20. | Eu-klank:
|
||||||
| 21. | De overige klanken beantwoorden nauwkeurig aan de overeenkomstige Nederlandsche, nochtans voor ei, cfr. 8c. |
Het verschil tusschen de Nederl. en Westvl. phonologie kan in de hoofdtrekken, als volgt aangegeven worden.
| 1. | De gerekte e's en o's verschillen onder elkander merkelijk in klank, |
| 2. | De ĭ en ŭ klinken een weinig doffer dan in 't Nederl., |
| 3. | De ie is over 't algemeen gerekt; oe insgelijks, uitgen. vóór keel- of lipletter; |
| 4. | ū klinkt als eu, - ui als u in 't fr. du, - ij als iĕ, - ou als oĕ. |
Men late aan de woorden, zooveel doenlijk, hunne Nederlandsche spelling (dien regel onderhoudt ook de Westvl. school). Immers, als men bijv. weet dat de Nederl. ij in 't algemeen iĕ, en in bepaalde gevallen iē uitgesproken wordt, kan men dit teeken toch overal aanwenden, waar het volgens de Nederl. spellingregels moet gebruikt worden; eene verandering in de spelling is dus alleen noodig, waar de Nederl. klank zijn regelmatigen plaatsvervanger niet heeft.
Ter verklaring diene de tekst der volgende Westvl. anekdote, eerst in de zuivere Nederl. spelling opgegeven, dan met de wijzigingen die het Westvl. vereischt, eindelijk met de juiste aanduiding der Westvl. uitspraak.
| 1. | Mijnheer Peelaart, zegt men, van de kozijntjes gekwollen, riep dikwijls Mijnheere Peelaart, zegt men, van de kozijntjes gekwollen, riep dikkels Me1) neere Pee2) laaort, zeg me, van de keziĕntjes gekwollen, riĕp dikkels |
| 2. | uit: wat verdoemde pijn is dat! Eene ekster, die hij tam gekweekt uit: wat verdomde pijn is dat! Een akster, die hij tem gekweekt uŭt: wă ferdomde piĕn' is dat! En1) akster, dien-i (daotten1)) tem gekwikt |
| 3. | had, leerde dat achterzeggen. Op een zekere keer, rondzwierende in de had, leerde dat achterzeggen. Op een zekere keer, rondzwierende in de hā, lee2)rde dad achterzeggen. Op en1) zekere kee2)r, roĕndzwierend' in de |
| 4. | buurt, wierd zij nevens een aantal musschen in ' t net gevangen van een gebuurte, wierd zij nevens een aantal musschen in ' t net gevangen van een geburte, wiēr se nevens en1) antal muss-chen in 't net gevangen van en |
| 5. | burger. De burger komt toegeschoten, en wringt de musschen, de eene achter burger. De burger komt toegeschoten, en wringt de musschen, burger. Den1) burger komt toĕgeschoten, en vriĕngt de muss-chen, d'ee1) n achter |
| 6. | de andere den kop af. De ekster staat daar drukkelijk op te kijken, de andere den kop af. De akster staat daar drukkelijk op te kijken, d'ander de1) kop af. Den1) akster staaot taaor drukkelik op te kiĕken, |
| 7. | en zegt eindelijk: wat verdoemde pijn is dat! De burger, die er en zegt eindelijk: wat verdomde pijn is dat! De burger, die der en zegd indelik: wă ferdomde pien' is dat. Den1) burger, diĕ der |
I. De medeklinkers zijn dezelfde als in 't Nederl.; de volgende nochtans verdienen eene bijzondere melding, hetzij voor hunne uitspraak, hetzij voor hunne verhouding tot de Nederl. konsonanten:
| B |
|
||||
| D | verv. t in betreden (beterten) drentelen, dwars (twe3s) hard, blond (in de verbuiging harte, harten, enz.), ginder, hagedis (hakketesse), lid (let, pl. letten), lijnwaad, lood, en somw. in 't voegw. end, bijv. over ent weer, hier ent daar. - Daarentegen verv. d de t in puit, splinter, sintel (zinder.) | ||||
| F |
|
||||
| H | bestaat in 't Westvl. niet; daarom moet de hand met elisie uitgesproken worden evenals de arm (d'and, cfr. de familienaam d'hondt = de hond.) Nochtans gebeurt het dikwijls dat bij het samenstooten van een slot- en aanvangsklinker, men onwillekeurig eene misplaatste aspiratie inlascht, vooral als men aan het tweede woord nadruk wil geven: ik heb ze allen gevonden (ze hallen). Ook komt bij onze vorige schrijvers de prothesis der onorganische h, nevens de onderdrukking der organische zeer dikwijls voor: happel, herfelijk, houderdom nevens alf, ontoofd, hij oorde. | ||||
| K | verv. t in gort, vijt en wortel | ||||
| L | verv. op sommige plaatsen n in azijn, - en omgekeerd wordt door n vervangen in klepel (knibbel). - Het suffix el verwisselt somwijlen met er, bijv. in karpel, sintel, sleutel. | ||||
| N | als slotmedekl. kan met den voorgaanden korten of doffen |
| klinker zeer gemakkelijk een neusklank worden, indien het volgende woord met eene konsonant begint; bijv. in De man van Katriene, wordt an tweemaal als en in enfant uitgesproken. | |
| S | kan t vervangen in tegen, - en is de eenig gebruikte klank in samen. |
| T | en V cfr. D en F. |
| W | op het einde eener lettergreep kan niet stand houden, tenzij in auw en ouw (Wenkbrauw wordt wiĕmbrame.) Voorafgegaan van eeu of ieu, wordt zij f, bij de verlenging v (Schreeuw = schreem); - voorafgaan van u, blijft ze somwijlen, maar gewoonlijk is ze stom, om bij de verlenging weêr te keeren of in j te veranderen, bijv. ruw of ru, ruwe of ruje; - ongeklemtoond uw wordt m: zwaluw (zwaolm), zenuw (zeem-je.) |
| Z | verv. s in sikkel, sintel (zinder, cfr. D en L), sok, sop, sap. |
| Ch | verv. k in spikkelen (spechelen.) |
| Sch | luidt maar op het einde der lettergreep als s; heeft elders, dus ook vóór eene doffe e, steeds haren vollen klank, die in Fransch Vlaanderen = Duitsche sch, in 't Zuiden = Deensche sk, en in 't Noorden = Nederl. sch. |
| Ng | verv. de letterbinding nd en ook zeer dikwijls de enkele n, wanneer een korte klinker voorafgaat en een doffe e volgt: ander, binden, schijnen (anger, biĕngen, schiĕngen). - Is ook de klank der Fransche nasale: roman, kapitein. - De echte ng op het einde eener lettergreep luidt steeds nk. |
| N.B. | De ck, g en j in Fransche woorden en suffixen worden als in 't Fr. uitgesproken; op sommige plaatsen nochtans wordt de ch eene s, en de g of j eene z (bijv. te Brugge: chasser = chassen of sassen. - De Fr. suffixen tion en sion luiden dienovereenkomstig she en ge of se en ze. |
II. De wijzigingen in de intensiteit der medeklinkers geschieden niet immer volgens dezelfde wetten als in 't Nederl.
| 1. | Een zachte verwantschapte medekl.1) als slotletter vóór eene poos, wordt even als in 't Nederl. hard uitgesproken. |
| 2. | Een harde verw. medekl. als slotletter vóór een klinker, j, w, of liquida, wordt zacht uitgesproken (t in het en p en k blijven altijd,) bijv. in: De vos is loos, luidt de s van vos en |
| is als z, en in: dat is waar,
de t van dat als d en de s van is als z. Dit gebeurt ook vóór h, vermits dezelve altijd stom is, in: Een half huis luidt de f van half als v. |
|||||
| 3. | Twee verw. medekl. die elkander als slot, en beginletter ontmoeten, worden beiden
hard uitgesproken, tenzij de tweede b of d is, in welk
geval het tegenovergestelde plaats heeft. Dit geldt ook voor het Westvl., met het voorbehoud dat d-d of t-d, niet volgens den Nederl. regel d-d maar t-t luiden; dus in: zich dood drinken worden ch-d = g-d en d- d = t-t, - gaat door (gaat heen) klinkt gaaot - teure. - Zoo zijn uít-der-mate en met-der-tijd, uitermate en mettertijd geworden, en het werkwoordelijk suffix de na een stam met harden slotkonsonant te: ik stopte, cfr. Verbum. |
||||
| N.B. |
|
| 1. | De gewoonlijkste prothesis is degene van n bij naamw. die met een klinker beginnen: naam (adem), navond, nonkel, necht (hecht) nagelsteen (hagelst.) |
| 2. | Prothesis van s in smoezen (tot moes maken) en in smaandelijks en sjaarlijks (licht saamgesmolten uit 's jaars en jaarlijks.) |
| 1. | Even als bij de prothesis, is de gewoonlijkste aphaeresis die der n bij woorden die met die letter beginnen: agel, achtegaal, enz. |
| 2. | De w valt ook dikwijls weg, bijv. in: oensdag, oord, orm, of oorm, oekeren. |
| 1. | Epenthesis van klinkers in paruik (pruik) en erreweet (erwt). |
| 2. | Epenth. van d vóór het suffix er na stammen uitgaande op eene liquida: haalder, graander (graankoffer) snelder, armder, schoonder, zwaarder. |
| 4. | Epent. van j in zenuw (zeemje) en na eil vóór en: zeilen, dweilen (ziljen, enz.) Ook tusschen twee klinkers, waarvan de eerste dof is, en dan als zachte e luidt: behulpzaam (bee-j-ulpsaam), de engelen (dee-je-engelen.) Zulke wanspraak komt nooit bij het volk voor, dat hier de doffe e uitlaat: men hoort ze bij het lezen en op den kansel. |
| 4. | Epenth. van k na ou vóór d of t: oude (oĕkde, ouderdom), goud, houden, koud, touter. |
| 1. | van d na een betoonden klinker, voor de uitgangen em, en of ig - ten gevolge van het wegvallen van de konsonant, heeft samentrekking der twee lettergrepen plaats: raden = raan (raaon), ledig = leeg (zachte e); somwijlen heeft de samentrekking niet plaats, en wordt j als overgangsletter ingelascht ra-j-en (raaoien), - na ou kan slechts w als overgangsletter dienen, en dan klinkt ou als in 't Nederl.: zouden = zoun (zoĕn) of zouwen. |
| 2. | van f in helft e3lt of ilt.) |
| 3. | van g, met samentrekking der twee lettergrepen, in: bolletrage (... tra), lage, vage. |
| 4. | van k in: inkt, kulkte (vest), markt, sanktje (image), tenkte (reinvaren,) |
| 5. | van l in: als (aos), welk (we3k, wuk,) zulk (zuk.) |
| 6. | van n vóór een sisklank na ei: peinzen, venster (veister), veinzen. |
| 7. | van r in: eerder, naarder (comp. van naar; na bestaat niet,) voorder; - verders steeds vóór den sisklank die tot den stam behoort: borst, borstel (bŭstel,) beurs (beuze), kers (ke3ze.) cfr. § 1 II 1d) en 9c.) |
| 8. | van den slotmedekl. van den stam, met samentrekking der twee lettergrepen, in het praesens van dagelijks gebruikte werkw. vóór de voornaamw. 1 p enk. en 1 en 3 meerv. (in die personen is de werkw. vorm den infin. gelijk): moeten 'k, moeten me, moeten ze = moenk, moemme, moenze; laten 'k = laonk, maggen 'k = mank; geven 'k = geenk. |
| 1. | van e na alle éénlettergr. vrouw. subst.: vrouwe, tale; - na de vrouw. suffixen ing, is, nis en (dikwijls bij de buitenlieden) na el, em, en, er: begraving, getuigenisse, levene, vadere; - na vele bijvoeg. naamw. in attributieve of adverbiale betrekking: schoone, hooge, dikke, cfr. infra. adj. suffix e; - na sommige bijwoorden: om (omme), door (deure), ver (verre), veel (vele). - Voor (für) wordt voren. |
| 2. | van d in: geernaar (garnaal), hapschaar, ooievaar. - In onnoozelaard heeft men het suffix aard dat dikwijls van adj. subst. maakt, bijv.: ongelukkigaard. |
| 3. | van t in: amen, autaar, pols (pulst), ros (roux), t'enden (ten einde). |
| 4. | van p somwijlen na werkw. stammen die op m uitgaan: namp, komp, klomp. |
| 1. | van d in samenstellingen en afleidingen vóór een tweede lid of suffix dat met een medekl. begint: moordpriem, peerdstal, breedsel. |
| 2. | van t in rijst, met en niet (het bijw. niets luidt niēt, ook niĕks), - in den 3 p. enk. praes. vóór een medekl.: hij zegt mij (je zeg me), - en in samenstellingen vóór een tweede lid dat met een medekl. begint: nachtrust, pachtgoed. |
| 3. | van n: peen, teen, schoen (enk. schoe, meerv. schoen), - in de toonlooze eindsylbe en bij samenstellingen vóór een tweede lid dat met een medekl. begint: bovenkamer, wagenmaker (bovek..., wagem...). - Op sommige plaatsen heeft en hier een neusklank die veel overeenkomst bezit met het Fr. un zonder klemtoon uitgespr. |
| 4. | van ing in penning bij de samenst.: pennewaar en pennekaars. |
De elisie heeft in dezelfde gevallen plaats als in 't Nederl., met dit verschil dat, waar ze mogelijk is, ze moet plaats hebben; - verders is hier aan te merken de eigenaardige uitlating der doffe e voor eene h, cfr. § 2. I.
| 1. | van twee lettergrepen na 't wegv. van d of g, cfr. Synk. 1, 3 en 8; - in dit geval wordt ijden = iēn, oeden = oēn, ouden = oĕn. |
| 2. | van regen in rein, en van niet willens in nillens (slechts in de uitdrukking: willens of nillens); - op sommige plaatsen is 't lidw. de met helft zoo saamgesmolten, dat het er onafscheidbaar van is, en men een dilt zegt. |
De meest gewoonlijke assimilatien zijn degene van al in samenstelling, van als en dat met de voornaamw., en van de slotletter n der werkw. vóór het pron. 1 p. meerv. dat me luidt: alzoo = aŏzoo, alsaan = aossaon (dit woord is gevormd met het oude saen, sane, Engl. soon, en heeft niets te doen met althans); - als ik = aonk, aok; als gij = aosje, aoje; als we = aomme; - dat ik = daonk, daok; dat gij = daoje; - dat we = daomme. - Verders: altemets = aollemets, altemaal = aollemaole, altegader = aollegaore; baafmis = bamesse.
De methatesis is in verhouding tot de Nederl. vormen zeer zelden, tenzij bij de kromtongen en de onbeschaafden, die wommer zeggen voor worm en bakkeljouw voor kabeljauw. - Eene algemeen gangbare Metathesis is Dijsendag voor Dijnsdag.1)
De woordvorming volgt dezelfde wetten als in 't Nederl.: hier moeten dus slechts eenige bijzonderheden aangestipt worden.
| I. | In de afleiding door klankverwisseling komt niet altijd de Nederl. ablaut voor. De ablauts-reeksen der sterke werkw. (cfr. infra) geven daar alle noodige inlichtingen toe; waar zij echter ontoereikend zijn, worden zij door de gegevens der klankleer aangevuld. |
| II. | Sommige affixen ondergaan veranderingen; andere hebben hunsgelijken in 't Nederl. niet. |
| Be, ge en ver verliezen de e vóór een stam die met een klinker (en bijgevolg ook met h) begint: beoordeelen = boordeelen, behangsel = bangsel, gehoorzaam = goorzaam; het deelw. van eten is geten, veranderen = vranderen, verhuizen = vruizen. |
| Be vervangt het ongeklemtoonde bij in bijzonder, bijkans, bijna. |
| Ge is het voorvoegsel van alle infin. die van een vragend of ontkennend kunnen en mogen afhangen: Hij en mochte de Vlamingen gheensins ghezien nochte gheluchten met goeder ooghen (Despars). - Kant en dat gelien (kan hij dat lijden). |
| In: komt dikwijls vóór adj. in de beteekenis van zeer, door en door: indom, inlui, inschalk, inslecht, inwijs, inwit. |
| Ont (uitspr. oĕnt) wordt om in sommige woorden: ontkleeden (omkleen), ontstaan (omstaan), ontzien, ontzag (omzien, omzag). In den ‘Reinaert’ vindt men: omberen, ombieden, ombiten. Ik weet niet in hoeverre die verandering aan eene wet gehoorzaamt; in alle geval is zij onmogelijk voor een klinker, eene g en d of t. |
| Ver kan den zin van her en over hebben: verbiechten = herbiechten, verkennen, verkoken, verschilderen; verlaaon = overladen. |
| Naamw.: Aard komt meer dan in 't Nederl. voor om van bijvoeg. naamw. zelfstandige te maken: aardigaard, ongelukkigaard, vuilaard. |
| E dat in 't Nederl. slechts nog bij koude gevonden wordt, bestaat in 't Westvl. ook bij andere woorden als: oude of elde (ouderdom), ronde (kring), winde (zwachtel), wijde (wijdte). Het komt ook na alle éénlettergr. vr. naamw. en na de vr. woorden op is, nis, ing voor. |
| Er duidt niet alleen den handelenden persoon of het werktuig aan, maar ook het voorwerp dat de werking ondergaat, of er toe geschikt is ze te ondergaan: koutertje (van kouten, gesprek), planter (aardappel geschikt om geplant te worden), proever (staaltje van eetwaren) meegevertje (wat iemand meegegeven wordt); - ook het voortbrengsel eener werking: kladder (vlek). |
| Egge komt onder vele vormen voor die overal gebruikelijk zijn: egge, ê1ge, ige, igge, inge, eie; de meest gebruikte, geloof ik, |
| is ege, de minst, inge; gewoonlijk kunnen bijna al die uitgangen in een zelfde woord afwisselen, hetzij in eene zelfde streek, hetzij op verschillende plaatsen. - Somwijlen worden zij rechtstreeks aan den werkw. stam gehecht, of vervangen een mannelijk suffix, of worden na het mannelijk suffix gezet: bijstanege (baker), naaiege, winkelierege; - somwijlen worden zij met ster saamgesteld en kunnen dan of wel het mann. suffix vervangen of er na geplaatst worden: naaisterege, herbergiersterege. - Sterege kan sterge of strege worden. |
| Lijk vormt onz. naamw. en heeft de waarde van ing: beddelijk (bedding), begrafelijk (begrafenis). Cfr. huwelijk, waarnevens ook huw gebruikt wordt. |
| Ol geklemtoond suffix dat mannelijke diernamen vormt: katról (kater), mieról (mannelijke mier). De oorsprong van dit suffix is mij niet duidelijk: kan men er eene overeenkomst in zien met het Fr. ou in matou, marcou, marlou, woorden die volgens Scheler wel zouden terug te brengen zijn tot een eigennaam op ulphus, den uitgang olf in germaansche eigennamen, die het gotische ulfs, ons wolf is? |
| Rik komt meer voor dan in 't Nederl. om van adj. subst. te maken: blooterik, luierik, stouterik, zatterik, |
| Schap kan door schepe of schip vervangen worden. |
| Ste, dat in 't Nederl. slechts den vorm st heeft (kunst), en te zijn in 't Westvl. na werkw. stammen zeer gewoon: waschte, jukte, brouwte, bloeite; - waschste, jukste, brouwste, bloeiste, trouwste (huwelijk), genoegste (bekomst). |
| Diminut: Je en Ke zijn de suffixen voor het vormen der verkleinwoorden. Tusschen Schelde en Leie wordt bijna alleen ke, elders je gebruikt. - De volgende welluidendheidsletters worden voor je ingelascht; |
| 1. t na een klinker; w; b, p, d, t; l, m, n, r voorafgegaan van een doffen of gerekten klank of een medekl.: koptje, boomtje, wormtje. |
| 2. et na f, dubbele muta of liquida met muta, voorafgegaan van een langen klank; l, m, n, r, voorafgegaan van een korten klank: stōvetje (van stof), maagdetje, beeldetje, dingetje. |
| Je komt dus sleehts na een sisklank (s, st, sch) of k, g, ch, en dan luidt de j als de Fr. ch. |
| Tje brengt klankverkorting teweeg, waar het naamw. uitgaat op b, p, d, t of r; en je waar het uitgaat op k. - De verkorting van |
| aao is dan ă: gratje, hartje (van graat en haar,
uitgespr. graaot en haaor); - vaaor en moer worden vartje en mortje. Op vele plaatsen word etje vervangen door ige, (egje, egie) en tje of je door ge (gje, ie). |
||||
| Vreemde Naamw: De meest gebruikte suffixen van vreemden oorsprong
zijn: age (aoge, aoze), agne (ăje),
alie (aaolje), ance, (anse, anche), aris (aoris), atie (aose, aoche), ei (eie, ee),
e3te eur, ment. Daarvan verdienenn aris en e3te eene bijzondere melding. |
||||
| Aris, buiten in notaris, sekretaris en andere dergl., vindt men nog in rudaris (ruw mensch), en brandaris (brandstichter). | ||||
| E3te bestaat in eenige weinige vrouw. naamw. babbele3te (babbelaarster.) | ||||
| Adject. Achtig heeft dezelfde waarde als in 't Nederl., en kan bovendien ook beteekenen: houdende van: beestachtig (die van beesten houdt), kerkachtig (die gaarn naar de kerk gaat). - Die bijv. naamw. zijn meestal van eene ontkenning vergezeld en kunnen slechts predikatief gebruikt worden. | ||||
| De heeft de waarde van ig: wolde (wollig), blauwoogde (blauwoogig), vierkantte. E is nog in den predikatieven vorm bij vele adj. gebleven, die hetzelve in 't Nederl. verloren hebben: drooge, dikke, schoone. Het zijn namelijk de adj. der 2de gotische verbuiging, cfr. Grimm, Gr. I 750 (670) en Dr. Van Helten, Tijdschr. voor Ned. taal en letterk. I, 55. |
||||
| Endig = achtig in de beteekenis van zweemende naar: blauwendig, zwartendig. | ||||
| Lijk: vóór dit suffix gaan f en s, indien mogelijk steeds in v en z over: huizelijk, stervelijk; evenzoo wordt g nooit als ch gesproken: heugelijk. | ||||
| Te komt voor in de drie adj.: eenige, me2nige, sommige (eenigte, enz.). | ||||
| Tierig vervangt het Nederl. tieren en wordt meer gebruikt dan tieren: goedertierig, armtierig, ziekertierig. | ||||
| Wijsde verv. 't Nederl. gewijse of wijs: trapwijsde, hoekwijsde. | ||||
| Zamig verv. geregeld zaam: langzamig, enz. | ||||
Werkw.:
|
|
||||
| Bijwoorden: Edig of entig, geklemtoond suffix, komt slechts voor in: waaredig, waarentig (vraiment). | ||||
| Linge verv. het Nederl. lings of lijk: mondelinge, eindelinge. | ||||
| Sen of sten is met s als bijwoordelijk suffix, zeer gewoon: altijds, altijdst, altijdsten; zekers, zekerst, zekersten. | ||||
| Waard of weerd verv. 't Nederl. waarts, en is gewoonlijk van te voorafgegaan: te landwaard (landwaarts), thuiswaard (huiswaards). |
| 1. | Meer dan in 't Nederl. gebruikt men al in samenstelling met bijwoorden, en als met voegwoorden: alsaan, alzoo, aldaar, alhier; alswanneer, alsdat (que). |
| 2. | Binnen wordt bĭ in samenstelling: billander, binnest, biwweg; - en dien overeenkomstig kan men misschien zeggen dat bĭe in bijster en bijzinnig staat voor buiten. |
| 3. | Ring wordt ling in oorring en vingerring. |
| 4. | Samenstellingen met jak, jas en zak, in malam partem, hebbende de waarde van een naamw. op aard of rik, of een zelfst. gebruikt adj., zijn zeer gewoon: schobbejak, kwiljas, smousjas, weepjas, luizak. papzak, rotzak, vuilzak. |
| 5. | Vooral zijn de saamgestelde werkw. zeer talrijk. a) Ontstaan uit verdubbeling met of zonder klankverwisseling: hossebossen, hutseklutsen, schellebellen; kribbelkrabben, tikke takken, zingezangen. b) Ontstaan uit een werkw. stam of een subst. of een adj., gevolgd van den naam eens lichaamdeels, dat gewoonlijk de waarde van een instrumentalis heeft; knipoogen (cligner des yeux). In 't Idioticon van M. De Bo vindt men een aantal voorbeelden van zulke werkw. saamgesteld met aars, arm, baard, balq, been, bek, bil, bol, gat, hals, haar, hiel, hoofd, kaak2, lip, mond, muil, nek, neus, oog, oor, schouder, steert, tand, tong, vinger, vlerk, voet, vuist, wiek (in voc. zottebollen). |
De wetten van den klemtoon zijn dezelfde als in 't Nederl; hier zijn slechts eenige bijzonderheden aan te geven, die van 't Nederl.
spraakgebruik afwijken, vooral Nederl. uitzonderingen die in 't Westvl. den algemeenen regel getrouw blijven. Wij volgen hier den gang der §§ 41-45 van Brills Spraakleer.
| 1. | Eenvoudige w. De uitgang achtig heeft nooit den
klemtoon, déelachtig. - Nochtans zegt men waaráchtig:
even als waarédig en waaréntig.
|
||||||||||
| 2. | Samengest w.
|
||||||||||
| 3. | Vreemde w.
|
||||||||||
| 4. | Vreemde persoonsnamen: De bijbelnamen op ias, ia hebben den toon op de derde lettergreep van achter: Élias, Ezéchias, Máthias, Tóbias, Mária; ook Dárius en dergelijken meer. |
I. Het geslacht. - De wetten die de geslachten beheerschen, zijn dezelfde als in 't Nederl.; ook hebben de naamw. over het
algemeen hetzelfde geslacht als in de beschaafde taal, vooral wanneer dit door den vorm van 't woord, door den uitgang bijv., bepaald wordt. Afzonderlijk beschouwd zijn de woorden toch talrijk die van geslacht met het Nederl. verschillen; het zijn namelijk zulke wier geslacht door geene duidelijk erkenbare regelen van beteekenis of vorm beheerscht wordt, en dientengevolge aan veel willekeur onderworpen ligt, zoodat hetzelfde woord van plaats tot plaats van geslacht kan verschillen.
Om voorwerpen aan te duiden, die mannelijk of vrouwelijk zijn, gebruikt men onverschillig het pers. voornaamw. van het mannelijk geslacht: Waar is mijne pijp? Hij ligt daar. (Waaor is men puipe? Je ligt taaor).
Eene bijzondere melding verdienen boek, oog, oor en venster, het eerste mann., de drie andere vrouw. (Venster is ook op sommige plaatsen mann., maar nooit onz.). Reeds vroeger wankelde hun geslacht: boek, bij Ypermans, Maerlant en in den Reinaert onz., in onderverdeelingen van handschriften mann.; oog en oor bij M. en in R. onz., bij Yp. vr.; - herte (harten in 't kaartspel) is ook vrouw.
II. Het getal. - Uitgangen: 1. De meervoudsuitgang is en, die n wordt, niet alleen na eene doffe e of na den afleidingsuitgang ië, maar na alle klinkers: laan (van la = laag), zeen (van zee), knien (van knie), zoon (van zoo), schoen (van schoe). - Koe heeft koēn of koeien in verband met de twee vormen van 't enkelv.: kōe en koeie; - ding heeft slechts dingen in 't meerv., zelfs wanneer het enkelv. den vorm dingen aanneemt.
2. Vormen hun meerv. met s, niet alleen de woorden op el, em, en, er, aar, aard, ier, erd, de verkleinwoorden, de eigennamen, de meeste vreemde woorden, als: altaar, baron, generaal, kameraad, kanon, kaporaal, maar ook nog de volgende:
a.) in Fr. Vl., Veurne-ambacht en 't Poperingsche alle eenlettergrepige of met den klemtoon eindigende mann. en onz. namen: hand, hond, lijf, bek, deel, vertrek. - Uitgenomen zijn de woorden op ng, nk, s en sch; verder: boom, dag, grond, koop, kool, stal, stok, verstand en eenige andere, tenzij in samenstellingen; dus dagen, maar koopdags.
b.) Overal: andjoen (ajuin), baai, bril, broek, dweil, eend, frak, gernaard (garnaal), haan, hoed, keun (konijn), kleed
(tapijt), naad, nachtegaal, oom, ploeg (escouade), smid, stier, trog, uil, wijn, zeil, zwijn.
c. De woorden eindigende op eene lig. voorafg. van eene andere konsonant: arm, doorn.
d.) Sommige weinig talrijke eenlettergr. woorden, die ter zelfder tijd den uitgang en nemen: bed (beddens), hemd, knie, schoe, tee, vest (versterking).
3. De uitgang eren of ers (slechts de vorm ers bestaat) komt bij dezelfde woorden als in 't Nederl. voor; verder nog bij het jong1) en somwijlen bij het wijf. - Het meerv. van berd is berdels.
Klankveranderingen: a.) de vokaal wordt niet volkomen in dak (dek, dekken), gebrek (brekken of breken), spel (spil, spillen), hof (hŏven, hŏvingen), hol, slot, lid (let, letten; lid, leden van een genootschap).
b.) Waar het suffix heid met ei gesproken wordt, blijft het heiden in 't meerv.; waar 't in meerv. heden luidt, is het reeds hede in 't enkelv.
III. De naamvallen. - Eene verbuiging bestaat niet meer, 't is te zeggen dat het naamw. in alle betrekkingen denzelfden vorm behoudt en men zich met voorzetsels verhelpt. Slechts nog den vooraangestelden genitief kent men, die even als in 't Nederl. met s gevormd wordt, terwijl zijne determinatieven onveranderd blijven: Mijn vaders huis (men vaoders huus). Gewoonlijk wordt die s vervangen door het bezittelijke zijn dat ook na vrouw. naamw. voorkomt, daar het eigenlijk de gen. van het ‘ungeslechtiges pronomen’ is. Men bemerke dat het hier steeds sen gesproken wordt, met s en doffe e: mijn vader zijn huis, mijn moeder zijn kleed; - na een meerv. zegt men hulder (hunlieder): Die kinders hun gedrag is niet goed (Diĕ kiĕnders hulder gedrag die en is niĕ chōd).
Overblijfsels van den Datief vindt men in gestereotypeerde uitdrukkingen met een naamw. of een zelfstandig gebruikten In-
finitief van een voorzetsel afhangende: uit den huize; van de jare (cette année-ci), bij den eersten opziene; met den uitkomen (au printemps).
| I. | Het persoonlijke: ![]() |
| N.B. 1. | De betoonde subj. meervoudsvormen zijn gemaakt met wij, gij, zij en lieder dat hier als genitief op te vatten is; wel had dan lieder aan den objektieven vorm moeten gehecht zijn, (immers, in plaats van gij of u kan men zeggen ulieder persoon, of met onderdrukking van persoon, ulieder (ulder, julder) alleen; zoo heeft men in 't enkelv. in plaats van mij en joe, de bezittelijke woorden mijn en joen met dezelfde onderdrukking); maar Onslieder, Ulieder en Hunlieder zijn Wijlieder, Gijlieder en Zijlieder geworden als men hunnen oorsprong niet meer verstond en aan die genitieven eenigszins het voorkomen van nominatieven wilde geven. |
| 2. | Van den derden persoon is na een voorzetsel slechts de betoonde vorm gebruikelijk: met heur, met hulder, niet met ze; maar met me of met mijn (mimme, mimmijn), met je of met joen (mĭje, mĭjoen), enz. |
| 3. | Gewoonlijk wordt de betoonde subj. vorm in bevestigende hoofdzinnen slechts gebruikt als de onbetoonde reeds aangewend is; in vragende zinnen en in bijzinnen nooit alleen: 'k weten ik dat of ik weten dat, - maar weet je gij dat (sais-tu cela, toi?), nooit weet gij dat, - ik gelooven dat je gij dat niet en weet, nooit dat gij. |
| 4. | Het onz. het kan in den zin van 't Duitsche es gebruikt worden: het was een keer een man; - het staan veel boomen. |
| 5. | De onbetoonde vormen na een werkw., na als en dat,
en na ja en neen brengen steeds wijzigingen teweeg bij
de samensmelting met de woorden waaraan men ze hecht. Cfr. supra Synkope en Assimilatie. Ja met de voornaamw. wordt: jaak; jaaog, jaoje; jaaon, jao-ĭe; jaaos; jaaot; jame; jaoje; jaaos, jaaons. Neen geeft: neenk, nink; neeg, nejje, neenen, neenie; neens, nins; neent, nint; neeme; nejje, nijje; neens, nins.1) |
||||||||||||
| 6. | De betoonde vormen worden door 't onveranderlijke zelve versterkt: ik zelve, wijlder zelve; bijv.: Je moet het aan hem zelve vragen. | ||||||||||||
| II. | Het Reflexieve. - Het is met het persoonlijke identisch. Zich is onbekend. Cfr. infr. VI eens. Tot versterking gebruikt men het woord eigen ( ) dat men aan 't bezitt. bijvoeg. naamw. hecht: men eigen, jen eigen,
zen eigen, heur eigen, enz. Daarna zet men nog dikwijls het onveranderlijke zelven: men eigen zelven, heur eigen zelven, enz., vormen,
die men niet mag verwarren met de door zelve verstrekte pers. voornw. |
||||||||||||
| III. | Het bezittelijke. - E. 1. m. De mijnen, v. de mijne, o., 't mijne, pl. de mijne (geene andere vormen bestaan). - 2. De joenen, enz. - 3. De zijnen, den heuren; - Pl. 1. Den uizen of den onzen; - 2. De julder; - 3. Den hulder of d' hulder. | ||||||||||||
| IV. | Het aanwijzende. -
|
||||||||||||
| V. | Het bepalende. - . (De klinker van dat woord kan de harde volkomen e, de
onvolkomen i, de onvolkomen en volkomen o, de onvolkomen
u, en de eu zijn, die bijna overal en door iedereen
onverschillig gebruikt worden; - somwijlen hoort men ook de oe en de
volkomen u). Den dezen kan in 't mann. en 't vr. ook als bepalend voornw. dienen. |
| Dan blijven nog: De zelfsten, de zelfste, 't zelfste, de zelfste, - m., vr. en o. zuk een, meerv. zukke. | |
| VI. | Het onbepaalde. - Iēmand, niēmand, men of me (doffe
e), niēt of nieks (niets). Iets
bestaat niet, maar kan door wat vervangen worden: 'k hen
daaor wă cheziēn (ik heb daar wat gezien). - Verder heeft men entwiēn (iemand) en entwat (iets), gevormd met het voorvoegsel ent (ook et, maar zeer zelden), dat vooral dient om
onbepaalde bijwoorden te vormen: enthoe, aliquomodo; entwaar, aliquo, alicubi, enz. - Ent, dat niets te doen heeft met
iet of iets,1) is een regelmatige Vlaamsche vorm van het Hoogd.
et (etwa, etwas, etwelch, etwer, etwo), Ohd. ethas,
Germ. oorvorm eths, Slav. jede, Lat. ed (ecquis, ecquando), Sanskr. adas (bijw. dat daar beteekent en na relatieven en voegw. de waarde van ons ook
krijgt in wie ook, wanneer ook), Europ. oorvorm edes,
met de inlassching van den neusklank voor de slotdentale van den stam: cfr. wand, got. vaddjus; muiden, mond, Engl. mouth, Ags. mût: Hoogd. seit en sint. Eindelijk heeft men nog een en geen als equivalent van iemand en niemand: geen of geen een van ons zou dat zeggen aan een dien hij niet kent (uitspr. an een dattij niĕ en kent). De vorm eens vervangt het refl. zich en het possess. zijn als die woorden onbepaald zijn, even als de Engelschen dan one en one's gebruiken: men moet voor eens zelven zorgen; - het is niet goed eens te wreken (one must take care of one's self;.... to revenge one's self); - Men mag eens (of een sen, cfr. Zelfst. uw. III) geld niet verkwisten (.... one's money); - Eens verstand staat er van verbaasd (.... one's mind.) Ook wordt het gebruikt in de beteekenis van iemand of een mensch: Hoe kunt gij eens alzoo in den nood laten? |
| VII. | Het vragende. - Wiēn, wiēns; wat, met een voorzetsel waar; op sommige plaatsen, onz. wukke en wiĕne. |
| VIII. | Het betrekkelijke. - Subjektieve vorm: die; - obj. vorm: dat: Het kind die daar komt; - de kinders dat ik gezien heb; met een voorzetsel gebruikt men wien als het antecedent een mann. of vr. persoonsnaam is, en waar als het een voorwerp of een onzijdig naamw. is. Gewoonlijk is die vorm van |
| 't betrekkelijk voornw. gevolgd door dat: De mannen met wien dat ik gesproken heb; - De kinders waarmee dat ik gesproken heb. - Cfr. in Fransche dialekten: les gens avec qui que j'ai parlé. |
N.B. Zelden is een naamw. onderwerp van een werkw.; men maakt er een Nomin. absol. van, en geeft aan het werkw. het pron. die als onderwerp: Het kind die slaapt al = Het kind slaapt reeds (in Fr. dial.: l'enfant qui dort déjà.) Zeker moet men hier die als demonstrat. beschouwen: de plaats van 't werkw. is er een genoegzaam bewijs voor; ook voor 't Fr. mag men gelooven dat qui hier niet eene onderschikkende maar eene nevenschikkende kracht heeft, en beteekent et il. In de Semitische talen waar die woordvoeging zeer gewoon is, wordt de casus absol. al of niet door een Waw gevolgd: De vader eens wijzen die mag zich in hem verheugen of De vader eens wijzen en die mag enz.
Het bepalend lidw. is: m. de, vr. de, o. t, me. de, dat verder onveranderd blijft.
Het onbepaald lidw. is: m. e of ne, vr. en, o. e, steeds met doffe e.
Vóór eenen klinker, eene h en ook wel vóór b, d of t nemen de mann. vormen op e eene n; - de vr. vormen op e en 't meerv. de verliezen e vóór eenen klinker.
In Fransch Vlaanderen heeft men als onbepaald lidw. a of e dat an, en wordt vóór een klinker of h.
| I. | Het mann., vr. en meerv. hebben den uitgang e; het onz. heeft geenen
uitgang; zelfs valt de e weg van de in de vormleer onder 't achtervoegsel
e vermelde bijvoegelijke woorden: Een schoon kind,
hoewel men zegt: Dat kind is schoone. Het mann. neemt n aan in dezelfde gevallen als het lidw. Het zelfstandig gebruikte adj. wordt als het attributieve be- |
| handeld: Enk. den aaorme (de arme); Meerv. d'aaorme (de armen). | |
| II. | De trappen van vergelijking worden gevormd als in 't Nederl., met dit verschil dat men
der in plaats er zet na ieder der vier liquida, en dan niet kent, maar het door als (aos, of) vervangt: Dat boek is schooner dan dit wordt dus: dien boek is schonder aos
den deen, schonder of den deen. - Dikwijls brengen er en st klankverkorting teweeg groot, grotter, de grotste of groste; kleene, klinder, de klinste. Het bijwoord evenzoo is gewoonlijk vervangen door precies zoo. Zeer is onbekend; men gebruikt stijf: zeer schoon = stijf schoone (Ook zegt men stijf wel, stijf werken, enz., voor heel wel, veel werken). Is een comparatief, die op zaken betrekking heeft, niet door zijn naamw. gevolgd, dan wordt dit door het pron. een, eene, een vervangen, even als in 't Engelsch: Wat zegt gij van die roze? Een schonder eene ware moeielijk te vinden (a nicer one were.... etc.). |
N.B. Meerder (dikwijls midder uitgesproken) en minder, meeste en minste beteekenen nog steeds grooter, kleiner; grootste, kleinste.
| I. | Het bezittelijke. Onbetoond: men; jen; zen, heur, zen; uis of ons; julder; hulder Betoond: mijn; joen; zijn, heūr, zijn, uis of ons; julder; hulder Al deze woorden blijven steeds onveranderd; alleen uis of ons wordt behandeld als een attributief adj.; dus m. uize of uizen, vr. uize, o. uis; me. uize. |
| II. | Het aanwijzende: m. die of dien,
vr. die, o. dat; me. die. Dat vóór een klinker luidt dad; vóór een medekl. heeft assimilatie plaats (cfr. wijzigingen der verwantschapte medekl.): dat meisje, dat groot meisje klinken als dammeisje, dăchrootmeisje. Om zich met dit enkele demonstr. te helpen heeft men de bijw. hier, daar en ginder (ginter, gunter) ter zijner beschikking: dat huis hier, dat huis daar, dat huis gunter. Het bepalend lidw. heeft demonstr. kracht in tijdsbepalingen met van: van de winter (cet hiver-ci), van de jare (cette année-ci), van den avond (ce soir). |
| III. | Het bepalende en onbepaalde. - Dezelfste; - Zuk e, zuk en, |
| zuk e, zukke; - Zoo e, zoo en, zoo e, zooë; - Zoo en danige, zoo en danige, zoo en danig, zoo danige; - Geen een, geen een, geen een, geen. | |
| IV. | Het vragende. - Wat voor e, wat voor en, wat voor e, wat voore. Vóór kollektieven: Wat voore, wat vooren, wat voor (Uitspr.: wă-fer-e met twee doffe e's.) |
| I. | Hoofdtelw. - Een, twee, driĕ, vier, vuif, zes, zeven, acht, negen, tien;
elf, twaolf, dertien, veertien, vichtien, zestien, zeventien, achttien, negentien, twintig;
dertig, veertig, vichtig, tsestig, tseventig, tachentig, tnegentig,1)
honderd; honderd en een, honderd
en
drie en twintig; duist of zeldener duizend. Wanneer de
getallen van één tot negentien niet onmiddelijk van een
naamw. of een ander telwoord gevolgd zijn, nemen zij den uitgnng e aan.
Verdere afleidingen met en, er, enz. bestaan evenals in 't Nederl.: in vieren vouden (vouwen), gezessen of met zessen, een tsestiger. |
| II. | Onbepaalde. - Al de, al de, al et, al de (moet het zelfst. gebruikt worden of het naamw. wegvallen, dan zegt men: altegader = aollegaore); - eenige, eenig; - elke, elk; -elkeen of elkendeen; - geheel de, geheel de, geheel't; - genoeg; - gezamentlijk; - half (haolf); - ĭeder, ĭedereen; - |
| meenig, meenigeen (met de harde e); sommige, sommeste, sommigste; - vele, veel; - weenig (scherpe e). | |
| III. | Adverbiale Telw. worden allen gevormd met keer,
meerv. keers ('t enkelv. wordt gewoonlijk kee
uitgesproken); zelfs eens hoort men niet meer. In verkoopen heeft men nog de uitdrukkingen een werf en ander werf. Dikwijls luidt dikkels. - Voor dubbel of tweemaal heeft men de adverbiale uitdrukking nog zoo: nog zoo groot = tweemaal zoo groot. |
| IV. | Verdubbel- en voortgetallen. - Driedubbel of drie keers
zoo; vierdubbel of vier keers zoo, enz. Zelden hoort men drievoudig, viervoudig, en, zonderling genoeg, dan spreekt men vouw-dig, ofschoon men voĕ-den zegt voor vouwen.
In plaats van vierderlei of vierderhande zegt men: van vier soorten. |
| V. | Deelgetallen en verdeelende telw. - Deze zijn dezelfde als in 't Nederl.; gene hebben den volgenden vorm: twee en twee, drie en drie, enz. |
| VI. | Rangschikkende telw. - Zij worden met ste gevormd,
uitgenomen: tweede, (uitsp. twidde) derde, vierde, vuifde
en zesde. Eerste en laatste spreekt men eeste en laste. In adverbiale betrekking luiden zij: ten vierden, ten zevensten, enz. Men heeft ook: eerst, tweeds (twids) en derds = ten 1ste, ten 2de en ten 3de. |
I. Hoofdtijden der sterke verbuiging.
N.B. In ieder praes. of imperf. zijn van den eenen kant 1 p.e., 1 en 3 p.m. en van den anderen kant 3 p.e. en 2 p.e. en m. gelijk, zoodanig dat in deze tijden het werkw. maar twee vormen heeft, die wij door 1 en 2 zullen aanduiden.
A. Zuiver ablautende klas:
1. A-reeks: a)
| praes. 1. ē of ĭ, 2 ĭ | imperf. 1 en 2 ā | partic. ē. | |
| Bidden | 1. bidden 2. bidt | 1. baden 2. baad (subj. bade) | gebeden. |
| Vreten | 1. vreten 2. vrit | 1. vraten 2. vraat (subj. vrate) | gevreten. |
| Onregelm.: Bewegen |
1. bewegen 2. beweegt | 1. bewogen 2. bewoog | bewogen. |
| Wegen | 1. wegen 2. weegt | 1. woĕgen 2. woeg | gewogen. |
| Weven | 1. weven 2. weeft | 1. wŏeven 2. woef | geweven. gewoven |
| Zien | 1. zīen 2. zīet | 1. zagen 2 zaag (subj. zage) | gezien |
Lezen, genezen en treden behouden in praes. 2 ē.
b)
| praes. 1. ē, 2 ĭ | imperf. 1 en 2 ā | partic. ō. | |
| Breken | 1. breken 2. brikt | 1. braken 2. braak | gebroken. |
| men bemerke: Preken |
1. preken 2. prikt | 1. praken 2. praak | geprikt. |
| Onregelm.: | prieken priek | ||
| Kommen | 1. kommen 2. komt | 1. kamen 2. kaam | gekommen. |
Bevelen, stelen en wreken hebben imperf. 1 en 2 ō, en behouden praes. 2 ē. Scheren en zweren (schwären en schwören) hebben imperf. en part. ō of oē en behouden praes. 2 ē; - dit oe is wellicht veroorzaakt door den invloed van r; ook is e in 't praes. zwaar.
c)
| praes. ĕ of ĭ (uitspr. iĕ) | imperf. ŏ (dat oĕ klinkt | partic. ŏ. | |
| als de inf. ĭ heeft). | |||
| Drinken | 1. drinken 2. drinkt | 1. dronken 2 dronk | gedronken. |
| Delven | 1. delven 2. delft | 1. dolven 2. dolf | gedolven. |
| Onregelm.: | |||
| Begunnen | 1. begunnen2. begunt | 1. begonnen2. begon | begonnen. |
| 1. begosten 2. begost | begost. |
Klimmen en krimpen hebben in 't praes. ĕ.
Spinnen, winnen en zinnen spreken hun i als in 't Nederl. en bij alle vijf luidt de o van 't imperf. en part. niet als oe, maar zuiver. Derven, helpen, sterven, werpen, werven en zwerven hebben in 't imperf. īē.
Zijn sterk en behooren tot deze klas: belenden (belond, belonden), rekken (rok, gerokken), schimpen (schomp, geschompen - ook zwak), schingen (schong, geschongen = schijnen, sprek. van de zon, enz., luire).
N.B. Bij alle werkw. die tot littera c) behooren, neemt M. De Bo ook een imperfekt met a aan: drank, dalf, klam, enz., uitgenomen bij helpen en sterven waar hij ŏ in plaats van ă opgeeft.
2. AI-reeks:
| praes. 1 en 2. ij | imperf. 1 en 2. harde ē | partic. zachte ē. | |
| Krijgen | 1. krijgen 2. krijgt | 1. kreegen 2. kreeg | gekregen. |
3. AU-reeks:
| praes. 1 en 2. ī of ui | imperf. 1 en 2. harde ō | partic. zachte ō. | |
| Bien | 1. bien 2. biedt | 1. boon 2. bood | geboon. |
| Verliezen | 1. verliezen 2. verliest | 1. verlooren 2. verloos | verloren. |
| Kruipen Men bemerke: |
1. kruipen 2. kruipt | 1. kroopen 2. kroop | gekropen. |
| Duigen (douwen) |
1. duigen 2. duigt | 1. doogen 2. doog | gedoogen. |
| Spuigen (spuwen) |
1. spuigen 2. spuigt | 1. spoogen 2. spoog | gespogen |
| Niezen | 1. niezen 2. niest | 1. noozen 2. noos | genozen. |
B. Klas met klankverwisseling en verdubbeling. - Hiertoe behooren of schijnen te behooren:
| Bakken | 1. bakken 2. bak |