terug  begin  verderprepost
[p. 119]

Militaire Akademie.

Vervolg op de ‘lijst van woorden in gebruik bij de Kon. Mil. Akademie’; die welke te Kampen aan 't Instructie-Bataljon en elders in 't leger gehoord worden, zijn met* geteekend.
*boom opzetten, lijn trekken = gezellig praten, keuvelen.
*brenzen en brenzert = wollen en wollert.
contramarcheeren = 'n dito plagerij (geen straf) als ‘keeren’: de delinquent kroop bij 't hoofdkussen, kop vooruit, onder de wol; en als hij aan 't voeteneind' er weer uit kwam kijken, kreeg hij 'n glas water in 't gezicht.
'n das geven = een straf voor baren: men slaat den arm om den hals van den patient, en knijpt dezen zoo lang toe, als de straf vereischt. Ook eene manier van vechten aan de K.M.A. gebruikelijk.
drossen = wegloopen, de poort uitloopen.
druipen, zakken, verzuipen, sponsen - niet door 'n examen komen.
*de dubbele = sergeant-majoor (draagt dubbele streepen op de mouwen.
fideel = familiaar (b.v. ‘'n fideele baar’ = 'n baar, die zich vrijheden veroorlooft).
fuiven, *sparren = lekker eten, smullen ('t eerste ook voor ‘feest’: 'n fuif geven).
halen = 'n kleur krijgen.
hot = karnemelk met stroop (Kee Hot en Mie Bier heetten de dames, die in de keuken hielpen)
*in de kaart loeren = oppakken (b.v. ‘de klabakken hebben 'm in de kaart geloerd’).
*jassen = aardappelen schillen.
kaantjes = gebraden stukjes spek.
kierpaal = iemand die zeer hard, vooral stiekum, werkt (zie hieronder).
*kotje = bed, krib.
*kuch = munitiebrood.
*lans - landgenoot.
[p. 120]
*lijntjes exerceeren = zuurkool eten.
*mopperen = studeeren, ‘vossen’.
olīe fuif, *olie kadet = man, die de lampen schoon houdt en aansteekt.
*Jan Olie = in kleine garnizoenen algemeen de naam voor den pl. commandant of pl. adjudant.
*ongekleed = de uniform niet naar den eisch aan hebben, b.v. de jas niet geheel toegeknoopt dragen.
opsluiter = klaplooper
een lange pakriem = een lange weg, om af te marcheeren.
pennebaantje = dictaten afschrijven, enz. door de baren voor de ouderen.
*piepers = nieuwe aardappelen.
de ploert, de *stīp = de adjudant-onderofficier; 't laatst afgeleid, van de knoop, die ze als distinctief op den jaskraag dragen).
*achter de poetszak = jonger zijn (b.v. ‘hij ligt drie jaren achter m'’ poetszak = hij is drie jaren jonger (in dienst) dan ik).
potje = club.
pruimtabak met kokardes = andijvie met kroten.
*raasdonders = grauwe erwten.
de ransel pakken = veel eten.
*rats = groente met aardappelen door elkaar gekookt (b.v. ‘wortele rats’.)
reparatie kast, leg je op de -, of ‘laat je verbussen’ = iemand aanraden naar ‘de stal’ te gaan.
*slaap = de persoon naast wien men in de kazerne slaapt.
*smurrie = olie met blauwsteen om 't geweer te poetsen.
*snijden, *de kaas snijden = er mooi uitzien (b.v, ‘hij snijdt, 'm’ = hij ziet er netjes uit).
snorren = boodschappen doen.
*sparren zie: fuiven.
*stechelen = ‘spieren’, ('n stechel = een papiertje, waar men de een of andere aanteekening op heeft).
*stiekum = stilletjes, in 't geniep.
{vossen = studeeren.
{blokken = hard studeeren.
{kieren = zéér hard studeeren.
in de wol kruipen, onder de wol schuiven = naar bed gaan.
prepostterug  begin  verder