In 1877 werd door de heeren mr. W.W. Van Lennep en prof. J.A. Alberdingk Thijm aan een aantal voor die taak geschikt geoordeelde personen een circulaire uitgereikt, houdende vragen aangaande het Amsterdamsch. Met de meeste welwillendheid is ons de vergunning verleend, uit de destijds verkregen en door den heer V.L. gerangschikte uitkomsten het een en ander mee te deelen. Tot een juist begrip hiervan is het echter noodzakelijk de bedoelde vragen te laten voorafgaan.
Als zuivere uitspraak van de Nederlandsche open of lange a wordt de klank aangenomen, liggend tusschen de hoofdvokaal in paerel en vaers en in het Engelsche broad; de a alzoo, die ook in het Hoogduitsche staat, Eng. far, Fransche base gehoord wordt.
Klinkt op de tong der Amsterdammers, wier spraak door u beluisterd is, de a:
| 1. | In staal, naam, kaas, kwaad, zuiver of gemengd (ao, oa)? |
| 2. | Maken zij onderscheid tusschen de open a voor de r en voor de andere medeklinkers? |
| 3. | Zeggen zij kaart, gelijk zij staat en staal zeggen? Maken zij onderscheid tusschen de a in staat en in staal? |
| 4. | Indien zij de a in kaart en bewaren uitspreken als in staat of staal, spreken zij haar dan toch niet verschillend uit in paarsch, laars, paard, kaars en staart? |
| 5. | Ook in zwaard en rechtvaardig? |
| 6. | Zeggen zij parel, paerel, perel? Kerel of kaerel? |
| 7. | Zeggen zij dakke, voor daken? zatte, voor zaten? atte, voor aten? brocht, voor bracht? docht, voor dacht? karse, voor kersen? varse, voor verse (versche)? star of ster? |
| 8. | De zuivere uitspraak onderscheidt au en aau van ou of ouw. Maken de door u beluisterde Amsterdammers dit onderscheid in dauw en douw? raauw (rauw) en rouw? Klinkt de au in dauw bij hen als in blaauw (blauw)? De au in paus en saus als in kous? Nauw (eng) als nou (nu)? |
| 9. | Maken zij onderscheid tusschen de zoogenaamde zacht- en scherplange e, bijv. in keeren en nemen, spelen en deelen? |
| 10. | Zeggen zij wel veul, speule, teuge, zeuve, beuzem; voor veel spelen, tegen, zeven, bezem? |
| 11. | Gebruiken zij spul alleen voor gereedschap of toerusting, bijv. jachtspul, zijn spulle, een mooi spulletje? |
| 12. | Laten zij ver rijmen op ster of spreken zij het meer verlengd uit (rijmend op het Fransche dessert)? Vers (gedicht) klinkt zeker vaers? |
| 13. | Hoort men onderscheid tusschen ei en ij, reizen en rijzen? |
| 14. | Spreken zij de eu zuiver uit (d.w.z. iets langer dan de klinker in de
Fransche woorden bleu, peu), bijv. in keus, deur? Of
klinken die woorden bijna als keuw's, deuw'r? Zeggen zij leeuw of leew? Hoort men voor sneeuw nog wel sneuw, snu of snuuf? |
| 15. | Is er nog iets van den tweeklank over in ie? Zeggen zij niët (bijna ni-jit)? Ook viër en kiër (deur op een kier)? En dan ook muziëk, fabriëk
('t fibbriek)? Zeggen zij iever voor ijver? iedel of ijdel? andivie? bizonder of bezonder? citroen of cittroen? Zeggen zij wel vriende of altijd vrinde? Zeggen zij nieuw of nuw of nuut? Zeggen zij hij hong en hij vong (voor hing en ving)? |
| 16. | Hoe is het met de verkleinwoordjes? Zeggen ze meisjes (met de Fransche ch)? Of meis-jes of meissies? Luikie of luikje? Knippie of knipje? koppie of kopje? |
| 17. | Onderscheiden zij de korte o in stof van die in dof? Maken zij onderscheid tusschen bot en bot? Zeggen ze een kof met de gedempte of open o? Koffer? Onderscheiden zij bol (subst.) van bol (adj.)? De o in borden van die in knorde? Zeggen zij bloeme of blomme? |
| 18. | Is er onderscheid te hooren tusschen de zacht- en scherp- |
| lange o, tusschen boome, broode, dooje en lote, geboje,
zoon? Zeggen zij wel deur voor door, zeun, botter of bouter, neute (noten), vort (voor voort)? Heeft de ooi iets van een drieklank; zeggen ze bijv. moweje (voor mooie), roweje (voor rooje, roode)? |
|
| 19. | Zeggen ze voor nu, nou? Ook waarschouwe? Kouw voor
kooi? Douwen voor duwen? Ook grouwelijk? Zeggen ze kuur of kuwer? Luitersch voor Luthersch en Uitert voor Utrecht? Duizend of duzend? Gebruiken zij, in plaats van ui, den slapperen klank van het Fransche fleur, of klinkt er een lichte j achter de ui in huis, buiten, enz.? |
| 20. | Klinkt er een zachte j achter de ij, in zijn, tijd enz. Of zeggen ze rein met een klank als in het Fransche
peine? Hoe is het met tijd, bijl enz.? |
| 21. | Hoe is het met de verzachting van de d? Zeggen zij hoeje en blaje voor hoeden en bladen? Baje (subs.) voor baden? Hij heeft gebaaid? De boje? Goeje dagen? Gouwe ringen? Binneplaas? Klesse of kletse? Hij is tros (trotsch)? Hij hiel of hij hieuw en hij wier (voor hield en wierd of werd)? sting voor stond? Zeggen ze optetafel of obdetafel? Op solder, van 't solder, van 't somer? Van ous (van ouds)? |
| 22. | Onderscheiden zij duidelijk de g en ch? Of zeggen ze lagge (lachen)? en chulde voor gulden? Zeggen zij ik hep noch in griffie of noggin? Zeggen zij de dag is gekomme of de dach is? Zeggen zij hij is wech en komt nooit weerom? Laten zij de h overal goed hooren? Zeggen ze nee of neej, voor neen? Zij laten gewoonlijk de n der meervouden en diminutieven |
| weg; maar ook als er een
klinker volgt? bijv. zeggen zij niet geven
en neme? Naatjen
en Mietje? Zeggen zij ook niet: ik reken, maar ook een teeken? |
|
| 23. | Laten ze de t der 2de personen wel weg: Je kom, je
zeg? Zeggen ze wel doch ie derom (dacht hij er om)? Gezoch voor gezocht? gedoch voor gedocht? |
| 24. | Spreken zij de v zacht uit? hetzelfde voor klinkers als medeklinkers,
bijv. vele, vreemde? (NB. Buiten annmerking blijft de verharding, die aan een voorafgaanden scherpen medeklinker is toe te schrijven, bijv. hij heeft fele vriende.) Spreken zij de r algemeen scherp uit? |
| 25. | Hoort men nog voortdurend voor het Zuid-holl. penen, wortelen? ook in
onderscheiding van wortels? voor luiken blinden (ZH.);
voor trommeltjes blikjens (ZH.); voor reepies, reepjes
paretjes (ZH.)? Maken ze raam steeds onzijdig; school vrouwelijk? Zeggen ze overzij of overkant? Pui of gevel? Onder voor beneden? Wal voor gracht? Sluis voor steenen brug? Appelpent of appelmoes? |
| 26. | Hoort men nog opentop, uitenduit, uitenderna? In welken zin worden ze gebruikt? Wordt de dubbele ontkenning nog gebruikt bijv. ‘En assi it niet en doet...’ of zelfs: ‘hij en doet het niet.’ Hoort men nog: hij het nooit geen tijd? nergens geen rust? Zegt men irris (klemtoon op ris) in den zin van: een reis of es (voor eens)? Toe voor toen of zelfs doe? |
| 27. | Ikke voor ik? Wel neni (als men van een derden persoon iets ontkent)? Men zegt slager, maar toch paardeslachter? Is het woord gatepetie nog in gebruik? Het woord slonsie voor papieren lantaarn? Het woord tonnetje voor vlinderpop? Zegt men nog wel eens damee of demee voor aanstonds? |
| 28. | Is het overtollig gebruik van die nog in zwang: ‘Jan die |
| seit datti geen gelt op sak het’, ja zelfs: ‘Die die seit’ enz.? Hoort men nog wel: Ik heb dat gezien gehad, gekocht gehad enz.? Wat meent men er mee? Noemen Amsterdammers cichoreilof ook wel bloot lof? Zegt men wel karrendemelk of alleen karremelk voor karnemelk? Ook roomdemelk? foernuis? gardijnen? |
| 1. | Zeer velen spreken in staal, naam, kaas en kwaad de
a gemengd uit, dus als ao, of als twee deelen a verbonden met één deel o, vooral in 't oostelijk deel der
stad, Kattenburg enz. Het meest werd deze klank waargenomen in woorden op aas,
aad, aar, aal en in opene lettergrepen. Kaas klinkt echter bij sommigen kaes; de a in kwaje jongen wordt zuiver uitgesproken en op het einde van bijna soms dof (bijne). Om de a voort te brengen, moet de mond wijd geopend worden; uit traagheid wordt dit evenwel nagelaten en zoo ontstaat een dof geluid. De Amsterdamsche straatjongen spreekt van zijn baos en vaoder. Men hoort echter in dezelfde buurt de a verschillend uitspreken. *De traagheid waarop boven werd gedoeld heeft ook invloed op de uitspraak van de gesloten a, die, vooral vóór de n kort wordt afgebeten: mann, Jann, of menn, Jenn. Daarin hoort men den klank der a, met een korten bijklank als van de geklemde i in pit, zonder merkbare verlenging: main, Jain. Deze uitspraak komt ook voor bij overigens beschaafde vrouwen, wanneer bij zij op zuiverheid van uitspraak niet veel acht geven1). |
| 2 en 3. | De meesten verklaarden geen onderscheid te bemerken tusschen de a voor r en voor andere letters. Enkelen verklaarden dat de a voor r minder open, anderen dat hij iets langer klonk. Eenigen oordeelden, dat de a in kaart zuiver, of althans zuiverder werd uitgesproken, dan voor andere medekleklinkers; doch ook een enkele meende het tegendeel. De meesten echter hadden zich van het antwoorden op deze vragen onthouden. Ook in de a van staat en staal werd door bijna niemand eenig merkbaar verschil waargenomen. Eén verklaarde dat de a in staal meer gerekt was; een paar anderen, dat die in staat als ao, die in staal zuiver werd uitgesproken, doch weer een ander verklaarde het omgekeerde. Eén enkele hoorde in de uitspraak van staal soms een overgang, iets als stawl. |
| 4. | Sommigen hoorden ook in deze woorden geen gewijzigden klank. De meesten echter verklaarden, dat men dikwijls hoorde paers, laers, paerd, kaers, staert en ook wel loars, poard, stoart of start. Eén verklaarde, dat hij altijd de oa-klank in deze woorden hoorde. Bij hoogbejaarde lieden komen keers en steert voor; de uitspraak pêrs, lêrs, pêrd (waarin de ê klinkt als in het Fransche être) hoort men ook bij de hoogere standen, vooral bij personen tusschen 40 en 60 jaar. De voerman zegt: ‘hort paert!’ |
| 5 en 6. | Zweert en rechtveerdig hoort men nog soms van oude
menschen en van vrome moeders, vooral in deftige kringen. Voor parel hoort men niet zelden paerel of perrel; voor kerel meest kerel, zelden kaerel. |
| 7. | Verreweg de meesten hoorden dake, zatte, atte, brocht, docht, karse,
varse en ster. Vooral bij bejaarde dienstboden komt karse (of mijkarse) en varse voor, het laatste
wordt ook gehoord in varse waar (kattenvoedsel, bestaande uit gekookte
lever en afval van vleesch.) Een enkele hoorde vorse voor versche. In de Jodenhoek hoort men meest hy broch en hy
doch. De uitspraak dakke, kerse of kerze, verse of verze schijnt echter ook nog in zwang te zijn. Behalve de genoemde woorden komen nog voor: kwamme, zagge, sprakke, lazze, gavve, magge en of voor af. |
| 8. | (au en ou.) De meesten verklaarden in de uitspraak geen |
| onderscheid waar te nemen. Enkelen hoorden altijd au: gaud,
aud; anderen altijd ou. Sommigen hoorden zoowel sous
als saus; één verklaart, dat er dikwijls verwarring heerscht tusschen au en ou, zoo hoort men frau voor vrouw, pou voor pauw, dou voor dauw, blou
voor blauw. Ook wordt door één inzender vrouw voor vrouw gehoord. In touwtje klinkt de ou
lang: taauwetje. *Douw in den zin van stoot hoort men nimmer; altijd duw, pomp of opdonder. |
|
| 9. | (e en ee). Tusschen de uitspraak van de zacht- en scherpopene e kan bijna niemand onderscheid ontdekken. In keeren klinkt de ee iets gerekter door den invloed van de r, in nemen, deelen en spelen klinkt zij niet als de Fransche é in feé maar met een trek naar i, iets als neime, deile, speile (nijme, dijle, spijle) of neeime, geeile, speile. |
| 10. | (e als eu.) Door velen werd gehoord: beusem, veul, speule, teuge, vooral bij bejaarden. Zeven klinkt
echter schier altijd zeve of zeeiwe. Anderen hoorden
zoowel veul als veeil, speule als speile,
teuge als teeige, maar altijd verspeulen. ‘Zet de
beusem er teugenan’ en ‘loop niet teuge menan of ik zal je mit de beusem’ is echt
Amsterdamsch. Zeuwe wordt wel bij den boerenstand, maar niet in den mond
van eigenlijke Amsterdammers gehoord. *Voor goot zegt men algemeen geut. |
| 11. | (spelen, speulen, spel, spul.) Uit de antwoorden blijkt, dat nog worden gehoord spul in jachtspul; ‘met zijn zundagsche pak an, is-i goet in de spulle’, een mooi spulletje, beestespul, paardespul; spul in de beteekenis van moeite, last, verdriet: ‘ik heb met dat kint wat veel spul gehat,’ een spul kaarte. In de beschaafde uitspraak echter wordt een spel gespeeld. |
| 12. | (ver en vers) De meesten verklaarden, dat ver in de uitspraak rijmt op ster, enkelen meenden op het Fransche dessert. Vers klinkt gewoonlijk lang, enkele malen als versch, somtijds bijna als vaars. In versje is de e altijd lang: vaersje. |
| 13. | (ij en ei) Allen zijn het hierin eens, dat de Amsterdammers deze klanken niet onderscheiden, maar dat men voor beide verschillende, wel vierderlei klanken hoort. Vooral in de laagste standen worden ij en ei als een wanklank uitge- |
| sproken: voor wijs
bijv. iets als wèès, voor meid: mèèt, kijken: kèèke, reiken: rèèke; dus de klank waarmee de ei begint lang
aangehouden. *'t Verleden deelwoord van reizen is zeer algemeen: gereese. Men spreekt van ingelege groenten. |
|
| 14. | (eu en eeu) Keuw's, deuw'r komen
veelvuldig voor. De eu heeft voor de r dikwijls een
klank, die tusschen eu (in 't Fransche bleu) en ui ligt. Op 't eind der woorden komt de i-klank er nog bij:
kneui, reui, bleui (voor bloode). Leew of zelfs leev voor ‘leeuw’ is vrij algemeen; naast sneeuw hoort men sneew, sneev, en maar zelden, snu of snuuv, zoo ook gesneeft, gesnuwt en wat snuwt 't. *Op gelijke wijs hoort men: geschreef voor geschreeuw; schreven voor schreeuwen; nuw voor nieuw, gebeuiren voor gebeuren, en voor geeuwen meest gapen: ‘wat gaap je!’ |
| 15. | (ie) In het woord niet, vragenderwijs uitgesproken,
klinkt de ie wel gerekt. Overigens hoort men den tweeklank het meest bij
bewoners van den ‘Jordaan’, in de woorden op l en n: ziël,
misschiën, verdiënen. Muziek en de fabriek klinken meest meziek en 't fabriek. Iever, en ieverig hoort men
soms; maar altijd andijvie, ijdel; bezonder zoowel als bijzonder, meest cetroen (met gerekte oe-klank)
voor citroen. Vrinde wordt in de gemeenzame taal altijd gebruikt; daarentegen ‘vrienden in den goloove’. Voor nieuw hoort men niet zelden núw, ‘'n núwe jas’ of nuut ‘hè-je daar 'n nuut mussie op?’ Hong en vong worden meer gebruikt dan hing en ving. Ook stong en sting voor stond, en gong voor ging. *Voor heeten wordt meestal hieten gebruikt: hoe hiet je; en voor nergens met zelden niewers. Van 't woord niet wordt voor een medeklinkers de t meestal niet uitgesproken: ‘Heb je 'm nie gezien? |
| 16. | (Diminutieven) Meisjes wordt doorgaans meisies
uitgesproken of meizjes met den klank der Eng. th voor de
s. Ook luikie, koppie en knippie zijn algemeen, zelfs
onder beschaafden. In 't algemeen wordt je gehoord nà t of d: betje (bedje), bultje, straatje. kammetje, votje (vodje), tobbetje, velletje, |
| leewtje, Aaltje, Daatje, Dientje. Daarentegen ie in:
daggie (dagje), liggie (lichtje), grivvi (grifje) lantarengkie lantarentje) en kussingkie voor kussentje.1)
*Het meerv. van luik klinkt luikes. |
|
| 17. | (De gesloten o) In stòf klinkt de o eenigszins open, in dof, kof, koffer, knorde gedempt; in bord weer helder. In 't algemeen klinkt de gesl. o vóór r in Amsterdam dikwijls dof, waar andere Nederlanders den helderen klank laten
hooren. Men gebruikt bloeme en blomme; docht altoos blommetje, blompot, blommart (bloemmarkt), blomkool. |
| 18. | (De opene o) Verreweg de meesten hoorden geen onderscheid in de
uitspraak der zacht- en scherpopene o. Deur, neute en vort of fort komen meer voor dan zeun en botter. Men zegt: hij gaat vort, naar d'Oost; maar: wij hebbe vandaag hart voortgemaakt. Deur komt voor in uitdrukkingen als: deur 't luik, deur het raam; daarentegen hoort men steeds: “die gaat er van door.” De o zweemt bij de lagere volksklassen naar ou, of au vandaar: koop wat bowter (of bouter) en wat neute bij me zown, mer loop niet over de geutplank. Mooi wordt dientengevolge ook dikwijls moowj, vooral wanneer de hartstochten opgewekt zijn: je bent men-en moowje! Ook in roowje of rouwje hoort men dien wanklank. |
| 19. | Nou, waarskouwe naast waarskuwe, kouw en kooi, maar vogelkootje; douwe, duwe en duve; meest Luthersch en Utrechtsch, maar ook,
vooral bij bejaarden, Uiterse straat en Uiterse kool;
meest duizend, vooral bij het jongere geslacht, dusent
wel in samenstellingen: honderdusent. Gruwelijk wordt zelden gebruikt; grouwelijk niet anders dan spottenderwijs, om de “tale Kanaäns” belachelijk te
maken. Den klank der ui in 't Amsterdamsch noemden sommigen zuiver; velen echter vonden dat deze klank zweemde naar de eu in 't Fr. fleur, en dan nog gerekter werd uitgesproken, bijna alsof er stond eui of uiw. *Men hoort ook spouwen voor spuwen en drungen, gedrungen voor dringen en gedrongen. |
| 20. | (ij). De ij wordt volgens sommigen zuiver als ei uitgesproken, doch de meesten hoorden er een klank in, die zweemde naar aai of zelfs naar aa, vooral in 't woordje vijf, dat vaaif of vaaf klinkt. Voor tijd hoorde men nagenoeg taet, of het Fransche tête. |
| 21. | Men hoort zoowel hoede(n) of blade(n) of blare(n), als hoeje en blaje, ook bade(n) en baje, gebaad en gebaaid. Boje is vrij
algemeen, zelfs in 't enkelvoud: ze leefde met één booi, doch daarentegen
de boden van 't fonds, of van de “bos” (begrafenisbus). Goeie
dage, gouwe ringe, klesse (in de beteekenis van leuteren), binneplaas en tros (voor trotsch), hiel en hieuw, wier, sting en stong. Sommigen hoorden zoowel obdetafel als optetafel; op 't solder en op te solder; van 't somer, van de somer en mitte somer. De weglating van de t vóór s komt veelvuldig voor: van ous of van aus, eertijs, dooshoof, Moedergosbeelt, mus (muts), praas, koesse, plaassing, gosdienst, booschap, possegel, nies (niets), lanswerf, hanschoen, messelen, messelaar. Zelfs hoort men hoofpijn en zaddoek voor hoofdpijn en zakdoek. |
| 22. | Het meest werden gehoord lagge en chulde, ik hep noggin of nog'n griffie, dach, wech enz.
Vrij algemeen wordt de g als ch uitgesproken, doch niet
in verkleiningswoorden, bijv. ploegje, haagje, (die niet
klinken als “ploechje”, “haachje”). In de diminuttieven geeft de geboren Amsterdammer toch
bijna zonder uitzondering de voorkeur aan den zachten medeklinker: zeer dikwijls hoort men
bijv. brievje, grivje, meizje, huizje, dazje, brugje (niet bruchje). De h wordt over 't algemeen uitgesproken waar hjj geschreven staat, behalve in: mijnheer, dat soms meneer, maar vaker meheer of meheir klinkt en in 'r voor haar. Ook wordt de h somtijds niet uitgesproken in het achtervoegsel heid, matigeid, menscheid enz. In plaats van neen hoort men gewoonlijk nee of neej. De n voor een klinker wordt door sommigen uitgesproken, door velen echter weggelaten. Men hoort zoowel geve en neme als geven en nemen; en steeds Naatj' en Mietje, maar daarentegen ook: een tobben - en een emmer. Altijd: ik reken, teeken, maar een teeke. |
| 23. | In de opgegeven woorden is de weglating der t ver van algemeen, tenzij
in vragende zinnen: wat zeg je, kom je of kom je niet. De
weglating heeft echter veelvuldig plaats bij de joden, en bij hen, die te midden van een
joodsche bevolking wonen; zij zeggen vrij algemeen: ik doch, ik zoch, gedoch,
gezoch en ook gezich. De a van dacht en gedacht wordt steeds als o uitgesproken. Docht-i derom en doch-i derom hoort men allebei. *Voor: “ik heb dit mogen doen”, hoort men van sommigen ik heb gemaggen.’ |
| 24. | De v wordt volgens sommigen zacht, volgens de meesten echter als f uitgesproken. Dit is waarschijnlijk voor een goed deel toe te schrijven aan den invloed der vele Duitschers, Friezen en Joden, die zich in Amsterdam hebben nedergezet; doch ook de w klinkt wel als v = f, in 't bijzonder in de woorden: vreed voor ‘wreed’, vringe voor ‘wringen’, veil of feil voor ‘dweil’, fraak voor wraak en and. |
| 25. | Volgens sommigen wordt tusschen wortelen (uitgesproken met den doffen
klank der gesloten o) en wortels van boomen altijd
nauwkeurig onderscheid gemaakt; het raam, en het of de school; het onzijdig gebruik van school neemt af. Overzij en overkant worden beide gehoord; het eerste altijd, wanneer het Buiksloter tolhuis bedoeld wordt; ook arekant of andere kant. Luiken voor blinden; steeds trommeltjes, blikkies en reepies. Pui, ook voorpui, onderpui, puitje wordt het meest door vrouwen gebezigd, en slaat dan voornamelijk op het onderste gedeelte van de gevel; gevel of voorgevel wordt gezegd, als men het geheele front van een huis bedoelt. Onder en beneden worden algemeen door elkander gebruikt, althans in hun eigenlijke beteekenis. - Wal, komt voor in de uitdrukkingen: smijt het in den wal; aan den wallekant, uit den wal putten. Sluis voor: steenen brug is algemeen, echter verklaarde één der inzenders |
| dit woord nooit in die beteekenis gehoord te hebben.1)
Appelpent, of appelepint en appelmoes worden beide gebezigd. |
|
| 26. | Op-en-top in de uitdrukingen: ‘Hij is opentop een heer’ en ‘het lijkt
opentop’, beteekent volmaakt, geheel. Uitentuit wordt niet gebruikt, behalve in het kinderrijmpje: ‘Uitermeduit, het liedje is uit.’ Uitenderna, beteekent aanhoudend, tot vervelends toe, in: ‘Hij huilde uitenderna’, ‘ik heb it hem uitenderna gezegd.’ De dubbele ontkenning in ‘hij en doet het niet’, en ‘as-i het niet en doet’, wordt nog zelden gehoord; 't meest echter van oude dienstboden, maar men hoort nog dikwijls onder de ouderen: ‘iets dat er niet en was’ en ‘als hij het niet en wil’, meest op gemoedelijken toon. Menigvuldig is het gebruik van de dubbele ontkenning in uitdrukkingen als ‘hij vindt nergens geen rust’, ‘hij heeft nooit geen tijd’ ‘niks geen zin’, ‘hij heeft er nooit niets (of nies) van gezegd’, ‘zonder nies gegeten te hebben is hij de deur uitgegaan’, en meer and. Men hoort nog erres of erris en, vooral bij twistende vrouwen, erreissies; doch ook es of ens: kom 'es hier, jij! en ‘zeg 'es of zeg ens.’ Toe voor toen is frequent. Sommigen beweren, dat doe ook gebruikt wordt. |
| 27. | Ikke vooral bij kinderen. Sommigen beweeren, dat men dit woord altijd, anderen soms, nog anderen hoogst
zelden aldus uitspreekt. Het schijnt het meest in gebruik na een vraag: ‘Wie deed dat?
Wie is daar?’ Ikke, en als men met nadruk spreekt: ikke niet,
ikke wel. Neni of neen-i werd door de meeste inzenders niet gehoord; enkelen namen deze uitdrukking waar bij oude |
| lieden. Velen echter
verklaarden, dat neen ik en wel neen ik frequent zijn. Paardeslager, ook paardeslachter; paardeslagerij en paardenslachterij. Sommigen zeggen paardemepper anderen hortsek, welk woord echter volgens één der inzenders paardevleesch beteekent. - Osseslager en varkenslager zijn algemeen. Gatepetiel (voor gatenplateel = keukenvergiet, vergiettest) hoort men veelvuldiger dan gatepatie. Sommige inzenders echter kenden het woord niet; anderen, onderwijzers, verklaarden, dat het bij hun leerlingen onbekend was. Slonsie hadden velen in de aangeduide beteekenis nooit gehoord. Eén verklaarde, dat door zekere arbeiders een koffieketeltje aldus genoemd werd. Het woord schijnt echter in de Jodenwijken voor papieren lantaarn nog in gebruik. Pop en tonnetje werden beide, doch zelden gehoord. Het woord tonnetje kan overigens niet gerekend worden tot een bijzonder dialect, daar het de technische term is voor 't Fransche cocon. Demee of temee (niet damee) worden dikwijls gehoord; ook wel ‘strakkies’, enkele malen demeetjes. |
|
| 28. | Het overtollig gebruik van die komt volgens sommigen veel voor. De
onderwijzers strijden er vruchteloos tegen. Die, die seit werd door slechts
enkelen gehoord. ‘Ik heb dit gezien gehad’ zegt men niet. Wel: ‘Ik heb dat gekocht gehad’ waarmee dan bedoeld wordt, dat de koop later weer vernietigd is; ‘Ik heb dat verloren gehad’ = verloren en teruggevonden. ‘Ik heb dat gebroken gehad’, wil zeggen dat het breken een geruimen tijd geleden is. Onder de Joodsche bevolking komen deze vormen inzonderheid voor. Karrendemelk komt zelden voor; meest karremelk of karremellek met de klemtoon op melk. 't Woord roomde melk werd door de meeste inzenders niet verstaan; sommigen zeggen: room of room van melk, anderen ‘taptemelk’, 't geen niet hetzelfde is. Fornuis en fernuis werden beide gehoord; het laatste 't meest. |
| Gardijnen, gordijnen en gerdijnen (gurdijnen) werden alle drie gehoord. |
De meeste inzenders hebben buiten de gestelde vragen, nog bijzonderheden opgegeven, die wij hier eenigszins gerangschikt laten volgen.
Jan z'n fader, Jan's vader; Naatje der man, Naatje's man; Het huis wat verbrand is (dat verbrand is); We benne of binne d'r gekomme, wij zijn er gekomen; Ik ken it niet helpe, ik kan het niet helpen; Hij kan z'n les nog niet, hij kent zijn les nog niet.
Algemeen heeft er verwarring plaats in de uitspraak der sisklanken: zuiker, suiker; zent, cent; sand, zand; so, zoo; swaan, zwaan; Suidersee, Zuiderzee.
Er bestaat nog neiging om sommige woorden onzijdig te maken: het vensterbank, de vensterbank; het Singel, de Singel.
Sommige meervouden worden onregelmatig op s gevormd: luikes, luiken; groentes, groenten; vorkes, vorken.
Dikwijls komen de volgende gebrekkige vormen der werkwoorden voor:
wiwwe, willen we; lâwe, laten we; mowwe, moeten we; zawwe, zullen we; kawwe, kunnen we;
en zelfs:
nou motte me, nu moeten wij.
Niet ongewoon is de spalking:
karetje, kaartje; gesturreve, gestorven; geürreve, geërfd; werreke, werken; vorreke(n), vorken; kelleke, kelken.
Of de achtervoeging van een t:
dubbelt, dubbel; kraft, karaf.
Voorts hoort men in den mond des volks de volgende woorden en uitdrukkingen:
afgappen (ook gappen heimelijk afnemen); allemaal, allen; andere week, volgende week; as, als; aved, avond; bakkes, bakhuis, gelaat; bloeit (hij), hij bloedt; blonte, blonde; boel mensche, veel menschen; bokkes, bokking; borendevol, boordevol; effen, effetje, even, eventjes; eindelijk, eigenlijk; fedder, verder; gelege, gelegd; genog, genoeg; gunter, ginder, ginds; hast, haast; heeleboel, zeer veel; laast, laatst; magge (ze), ze mogen; ze mogge, ze mochten; mar, maar; murg, merg;
meuje, tante (wordt zelden gehoord); motte, moeten; nedeldoek, neteldoek; ogget, ochtend; schulp, schelp; uitmeie, vermijden; verschuilde, verschool; vier duite, 2½ cent; vulles, vuilnis; zaddoek, zakdoek; zalle, zelle, zullen; wárom, waarom; worre, worden; Van iefie tot afie, van a tot z (in de Jordaan). De beene vege, de voeten vegen; Ik raai jet ja, ik raad het u aan; Ik raai jet neej, ik raad het u af; It kompernietopan, het komt er niet op an;
Onder de Joodsche bevolking hoort men nog:
ik bent hier, ik ben hier; ik doet het, ik doe het; ik gaat er heen, ik ga er heen; ik ziet het niet, ik zie het niet; het hoef niet noodig, het hoeft niet; snoge, synagoge; broin, bruin; soiker, suiker; de soldaten eksekseke, de soldaten exerceeren; de kind, het kind; de boek, het boek.
Tot zoover de ontvangen inlichtingen.
Hieraan zou nog het volgende kunnen worden toegevoegd.
Wat hierboven omtrent de afgebeten uitspraak van de gesloten a is opgemerkt, is ook toepasselijk op de gesloten o, e, en i, vooral wanneer deze gevolgd worden door n. Ton klinkt in den mond van een volbloed Amsterdammer als toinn, pen wordt uitgesproken als peinn, spin als spinn met een klank, die eenigszins zweemt naar de opene ie.
Bijzondere uitdrukkingen zijn nog:
ik daan het niet, ik deed het niet (Jordaansch);
niet-es, nietis, neen, } Deze uitdrukkingen worden vooral gebezigd bij twistenden.
welles, wel-is, ja, welwaar, } Deze uitdrukkingen worden vooral gebezigd bij twistenden.
welware, wel waar, } Deze uitdrukkingen worden vooral gebezigd bij twistenden.
welwaris { wel waar, } Deze uitdrukkingen worden vooral gebezigd bij twistenden.
nie-waares { niet waar, } Deze uitdrukkingen worden vooral gebezigd bij twistenden.
't sit eran bij hem, Hij is welgesteld, goed bij kas, gul in 't onthalen, ook. hij is goedgeluimd;
't sit er nietan bij hem, het tegendeel;
't sit er bij mij niet an, Ik ben niet rijk enz.
petroléum (met de klemtoom op lé), petroleum.
Frequent is de omschrijving van den onv. verl. tijd door zijn of liever wezen.
Wij zijn weze(n) vissche(n), wij hebben een vischpartij gehouden.
Hij is puissies weze(n) vange(n), hij heeft zich vermaakt met deurtjeschellen.
Hij is stukjes weze draaie, hij heeft gespijbeld, heimelijk de school verzuimd.
Zij is tauwetje wese springe, zij heeft touwtje gesprongen. en het gebruik m'n, z'n eige, d'r eige voor ‘zich’ of ‘zich-zelf.’
Hij heeft z'n eige vergist, hij heeft zich vergist.
Ik heb m'n eige gewasse, ik heb mij gewasschen.
Ze prijst d'r eige uitenderna, zij prijst zich zelf voortdurend.
Je hep j'eige niet gemaakt, gij zijt uw eigen Schepper niet.
Een eigenaardig staaltje van Amsterdamsch vindt men in den eersten bundel van Multatuli's ‘Ideën’ onder no. 386-388.
‘- Heeremens.... dâ-doeme plissier dat uwe der al bent. Leentje, sê-chou die stoel wech, en cheef ereis 'n tessie in die stoof,.... toe as 'n meit, of 'k doe 't liefer sellif. En -oe maakje 't mens? Juffrò-Laps k'mt ook, weetje? Mijntje, denk 'm je deeg, en skei uit mê-kamme - ze ken niet f'n d'r hare blijve, die meit, as 'r folk is.... ga sitte, mens.... né, niet in die hoek.... 't tocht er so....
- Och me lieffe juffre Pieterse.... 'k was so bedaan toen Louweris me kwam fraache. Want 'k sech al so teuch Wimpie, die musse maakt, weetje - né; dankie f'r fuur. Strakkies Pietje -'k zech al so teuch Wimpie, hoe sou juffre Pietersen 't make, 'mdâ 'k in so lang nie fâ-je chehoort-ep weetje - ja, lech 'm m'r neer, 't is m'n outje - je neemt ommes nie kwalik, dâ'k màr m'n outje hep omchedaan?.... en doe sei Wimpie, o mdâ-we net aan de was wasse....
- Wel mens, cha sitte.... ja, dâ's f'àrons.... 't is tweemaal - Leentje, wâ-benje weer.... d'r wordt cheskelt, hoorje niet! -'t Sel juffre Sipperman wese.... w'nt juffre Sipperman k'mt ook, weetje....’ Enz., zie verder t.a.p.