terug  begin  verderprepost
[p. 175]

Lijst van Woorden en Uitdrukkingen in West-Vriesland gebruikelijk.

Akelkontakel = zeeslak.
Bejage = zoeken - doen. Wat moet jij hier bejage? Wat moet jij hier doen of zoeken?
beunhaas = een jongen, die bij alles haantje de voorste is.
brakke = het steeds op de straat verkeeren van kinderen.
breiden = breiën.
bijster = y als ai, zeer b.v.: Het is byster mooi.
Darsk = dorschvloer.
doede = lummel: Wat ben jij toch een doede!
doedel = zie doede.
droelie. Te droelie of te deksel! = Uitroep van verwondering of bewondernig.
druul = zie doede.
Endje = stukje: Geef mij een endje brood.
Gatemetiel = vergiettest.1)
glyme = y soms als ai, glimlachen,
grasduine = met elkaar ravotten.
Grootebroek. ‘Hij komt van Grootebroek’ zegt men van iemand, die hoog van zich zelven opgeeft.
Hakkere = stotteren.
hok = schoof.
huik = een bedrieger.
Kladder = verver.
kladdig = i als u, morsig of vuil. ‘Wat is die meid kladdig!’
klucht of kluft = hellende weg, waar langs men van den straatweg op den zeedijk komt.
Loeder = valschaard.
Meukel = mollig.
miersk. ‘Ik ben miersk!’ Ik verlang naar voedsel, dat flink met zout doortrokken is.
moddere = Iemand voortdurend op den schouder knijpen, ter plaatse, waar 't opperarmbeen in 't schouderblad sluit.
Poest = iemand, die spoedig driftig is.
polleka2) of droogwater = soda.
posken, o als in kom = beslag voor meelspijzen.
prakke = het eten met een vork fijn maken en door elkaar mengen.
prieke = steken.
Ragge = Op stoel of bank voortdurend heen en weər schuiven of wrijven. ‘Jongen, rag je kleeren toch niet stuk!’ = Verslijt je kleeren toch niet door
[p. 176]
dat voortdurend heen en weer schuiven.
Skabbeleur = knippatroon.
sknapseljoen = knippatroon.
skeiboter = boter vervaardigd van de melk, die men ontving toen de koeien gedeeltelijk hooi en gedeeltelijk gras aten.
skei'- of skeidelvet = ei als ai, vet uit het darmnet der varkens.
skrot = uitschot der vruchten; dus de kleinste en aangestoken vruchten.
smak of smijt = groote verzameling. Een smak of smijt menschen.1)
slai = groote houten hamer.; vgl. Eng. sledge.
smuigert = bedrieger.1)
snoffe = weenen.
sont = sinds of sedert. Ik heb sont gisteren niet gegeten.
stunneke = zoeken. In 't geheim doen. Wat stunnik jij daar toch?
Sunderklaas = St. Nikolaas.
Taiëluk = tijdig - op tijd. ‘Ik kwam taiëluk op de boot.’ ‘Ik kwam nog taiëluk bij hem.’
tain = tijn. Kleine ovale tobbe, waarin de boter ter markt gebracht wordt.
tomment = tobbe.
Uitsudden = wegkwijnen.
ullekie = zeehorentje.
Vergange of Vergane. Vergange week = Verleden week.
vlam. Koude vlam = koude mist.
Wapeling = zeepsop.
wiedekie = kleine schelvisch.

 

Bovencarspel.

P. FRANSEN Jz.

1)Te Amst. (en elders?) gatepetiel d.i. gatenplateel (zie V. Dale i.v.).
2)Wordt ook in Zeeland gebruikt.
1)Ook te Amst.
1)Ook te Amst.
prepostterug  begin  verder