terug  begin  verderprepost

Tweede lijst van Woorden en Spreekwijzen, gebruikelijk in 't Stadsfriesch.

aaïen, streelen.
balstienen, (u-klank gerekt) keisteenen.
balstuurig, oproerig, baloorig.
bargen, afgel. van barg-varken, morsen.
zich bebargen, zich bemor en.
begriemen, (ie-klank gerekt) met vuile vingers iets betasten.
bekorren, even ophouden; b.v. bij 't kaartspel zegt men ‘ik bekor’ of alleen ‘bekor’ = ik houd even op.
belslee, arreslede.
belsleejagen, met de arreslede jagen.
bij de roes, bij menigte.
bollepiest, (u-klank gerekt) opgedroogde mannelijke roede van een stier, die gebruikt wordt om kleeden uit te kloppen. In bijna iedere boerderij wordt zulk een instrument aangetroffen.
boltsje, (o-klank gerekt) rond krentenbroodje.
botsje, 2 1/2 cent stuk; ook meisjesnaam, afgeleid van Boudine.
bruïen geven, slaag geven.
butteren, lukken; wordt meestal in ontkennenden zin gebruikt, en is afgeleid van een spreekwijze bij 't boter maken ‘dat buttert niet’, ‘daar komt geen boter van’.
daar zal ik eens om te velde,
[p. 181]
daar zal ik eens naar rondzien.
dat is mij ook een bedoeling, dat is mij wat te zeggen.
dat is ook pas eer, dat is ook bijtijds
dat trapt dierbaar in, dat trapt zeer vuil in - bij slecht weder gebruikelijk.
deurgnuuven, doorsnuffelen.
die naait er uut as oud smeer, die loopt hard weg.
dinderen, dreunen.
dreege kost, zware kost.
een haas bedagvaarden, een haas uit het leger lokken.
foefke, smoesje.
galgen, bretèls.
gappen, stelen.
gatsjepanne, vergiet; pan met gaatjes.
giebelen, onderdrukt lachen.
glandig uit de oogen zien, vurig uit de oogen zien.
glisperen, op een sneeuwbaan glijden.
goteling, koperen ketel.
gremietig, verdrietig.
griemen, morsen.
gries, (ie-klank gerekt) afschuw.
grotsh, trotsch - van een persoon.
heeringsliner, soort van duikereend, die van kleine haringen leeft, en langs de kusten van Friesland gevonden wordt.
hiepe brood, ferme snede brood.
hij hangt den stok aan de muur, hij houdt op verkooper te zijn.
hij is dierbaar ziek, hij is erg ziek.
hij is met de dongmestwagen op den loop, hij heeft diarrhee, spreekwijze uit het Friesch vertaald, en daarin gebruikelijk.
hij loopt met den stok, hij is verkooper.
hoantsje, kemphaan.
hondsk, onbeschoft.
hoos, kous.
hoosvoetlingen, sokken.
hor's ouster, hoor eens vriend -spreekwijze als men vertrouwelijk tot een vriend spreekt.
host, bijna.
hoozen appe slomp, afgezakte kousen.
in de bedèlte, beneden.
in 'n amerij, in een oogenblik.
jaar, melkzak van een koe.
jij bent m' ontmorken, jij bent mij ontgaan.
kiepmantsje, IJlster mop.
klauwentsje geeren, garenklosje.
kletteren, het suikergoed met klatergoud beplakken.
klontjes gruus, kandij gruis.
knibbel, knie.
knoffelig, door koude stijf - op de handen toepasselijk.
kom fut! kom nu! vooruit!
krabbedaaïen, ontfutselen
lebberen, slurpen, lepelen.
lollemanstip, mengsel van stroop, boter, melk en meel; wordt als saus gebruikt.
met 'n boerenopdonder springen, met een polsstok springende, den sprong met een aanloop doen.
met 'n memmehandsje 't werk doen, 't werk ten halve doen - ‘mem’ is het Friesche woord voor ‘moeder’.
mosh, musch.
nies (ie klank gerekt), zoo even.
nuut (uu klank gerekt), mak, tam - bij eenden.
Och goijen, Ach God!
ofpollen (beide o klanken gerekt), slinks afhandig maken.
op het slecht loopen, op de kleine steentjes loopen.
ophiemeljen, vuil opnemen.
opkeeren, tegenwerken.
optsie, ophouding - gebruikelijk bij verkoopen b.v.: ‘vijf minuten optsie’
overwielsk, overdreven.
[p. 182]
piekje, kuikentje.
piemelen, kleine boodschap doen -kinderen.
poer, duivelsch.
poergek op 'n meisje, doodelijk verliefd op 'n meisje.
poester, flinke wind.
pofke, krentebroodje.
posk, post - soort van visch.
potstrouw, meel in water gekookt. Met appelen, kruisbessen enz. vermengd, vormt het een in Friesland geliefdkoosde schotel.
pruusten, niezen.
rattelmansreeuw, niet veel zaaks.
reeuw, boerengereedschap.
ropentsje, lokeend.
roppig, gulzig.
schaansproetig, met zomervlekken.
scharluun, schurk gluiperd.
scharluunig, gluiperig.
schieteldoek, luier,
schiethakken, winterhakken.
schielig, scheelziend.
scholk, voorschot.1)
schottel, grendel.
schreppen, hard werken, zich haasten.
schriemen, huileu.
schier, grieto.
slaad, salade.
slak, suikerbal.
slikken, likken.
slinen, stelen.
slof, slordig.
smotsen, gulzig eten.
sobberke, dotje voor kinderen.
sobreeren, ontbeeren.
spuïen, spuwen.
steden, plaatselijke huiduitslag.
stinnen, krennen, kermen.
stroffelen, struikelen.
suup, karnemelk.
suutterig, versuutterd, verflleusd -van een voorwerp; verrooid -van een persoon.
toon, teen - van den voet.
tjanteren, seuren.
tjanterig, slecht van humeur.
tjerk, kleine soort kieviet.
tuufke, bosje - een tufke haar
tweerke, dwarrelwind.
uuleborden, driehoekige planken op den voor- en achtergevel van de schuur, behoorende aan een boerderij.
uutnaaid, met de noorderzon vertrokken.
uutruugelen, uitrollen.
uutsliepen, uitjouwen.
uut van huus gaan, afgeleid van het uit logeeren gaan.
landfriesche uut fin hoeszen.
verriefelen, bedriegen.
waar 'k hem weet, - jagersuitroep ik zie het haas in 't leger liggen.
wegge, geribd wittebrood.
wiebelen, heen en weer schuiven, b.v. een kind zit op een stoel te wiebelen.

1)Scholk is natuurlijk schorteldoek door haastige uitspraak saamgetrokken.
Red.
prepostterug  begin  verder