De eerste afl. van het ‘Woordenboek der Groninger Volkstaal’ is verschenen, menigeen heeft die met mij nieuwsgierig tegemoet gezien. Schrijver en uitgever hebben zich verontschuldigd over het lang uitblijven van 't beloofde boek en bovendien verzekerd, dat de rest gereed ligt voor de pers en weldra zal volgen.
Dit ‘Woordenboek’ zal waarschijnlijk tweeërlei koopers lokken, vooreerst n.l. zulke, wien 't alleen te doen is om de echt-Groninger uitdrukkingen en woorden in beknopt bestek eens bij elkaâr te hebben.
En dàn de mannen der wetenschap, die voor hun doel, de studie der Germaansche talen, ook de kennismaking met ons beperkt dialect noodzakelijk achten.
Ons Groningsch dialect kan, wat de waarde voor de taalstudie betreft, de vergelijking met het Friesch geenszins doorstaan, want het mag in zijn geheel noch op eene geisoleerde ontwikkeling uit ééne grondtaal, noch op hooge oudheid bogen, integendeel het is eene vermenging van twee verschillende dialecten, het Saksisch en het Friesch en die vermenging kwam bepaaldelijk in de laatste vijf eeuwen tot stand. Waarom het dan nog voor de studie belangrijk is? In de eerste plaats wijs ik op de massa oude woorden en vormen, die elders minder juist bewaard zijn, en hier nog stand gehouden hebben. (Zie Wdb. op: aiber, aisk, aling, buiten en anbuiten, andob, ang, bag, baiske, bamberig of wamberig, bandiezen, bark, barm, bat, bats, beb en bep, bedogen, benoam, bes, beren, berzie, besipt, beslanteren, besoeteren, betijn, beteien of betien, betjoend, beun, beutel, bewissing, bezuiken, bienens, biller, birs, en birsen, boalie, boesoppert, boksem, bonk, borsem of bossem, boudel, braggel, breuken, briek, broagen, buus, deel, dellen, dienen, doameln, dob, doen, doetje, dommit, dral, drauwen of drouwen, dreuteln, drijg.)
Zoo krachtig kon het Saksisch zich nergens nestelen en doen gelden, of er bleven nog altijd bestanddeelen van 't oude Friesch over, en dat was natuurlijk in de landstreken, het dichtst aan
Friesland en langs de Wadden gelegen, het sterkst. Maar ook de Saksische tongvallen, die hier hun lot aan dat van het Friesch kwamen verbinden, handhaafden hier woorden en woordvormen, die elders niet zoo goed bewaard bleven, of wijzigden andere dermate naar de nieuwe levensomstandigheden, dat ze tot onherkenbaarwordens toe verminkt werden.
De vermenging der Saksische tongvallen met de Friesche had plaats in zoo verschillenden graad, dat men met een paar uren reizens eene streek, waar het Friesch nog verreweg de overhand heeft, verwisselt met een andere, waar zijn aanwezen nauwelijks meer bespeurd wordt. Eene vergelijking dier verschillende streekspraken zal dus ook - en dat is mijn tweede beweegreden - zeer leerzaam zijn voor hem, die wenscht te onderzoeken, hoe de vermenging van twee talen tot stand komt, wat ze wederkeerig geven en nemen, hoe ook hier het recht van den sterkste geldt, hoe deze zijne macht handhaaft, maar ook hoe gene zijne existentie, al is 't dan kwijnende, bewaart.
In de derde plaats heb ik te wijzen op de weinige zelfstandigheid, die onze Groninger volkstaal vertoont. Wij Groningers zijn prat op onze spreektaal, zoo zeer, dat we 't zelfs een onderwijzer moeilijk maken, als hij in den dagelijkschen omgang Nederlandsch spreekt; maar dat neemt niet weg, dat we allen zonder onderscheid er op uit zijn, van andere streekspraken en talen, het Nederlandsch inzonderheid, over te nemen. Zóó hebben we hier nog eene menigte woorden van Franschen oorsprong uit den tijd van de overheersching, zoo is een groot deel oud taalmateriaal langzamerhand verloren gegaan en vervangen door Nederlandsche woorden, naar onze uitspraak gewijzigd. Ouden van dagen spreken bepaald ouderwetsch, en gebruiken tal van woorden, b.v. aisk, aling of oaling, allieke, amperan, andob, angen, anschudel, anzweng, atte, bag, baiske, bakstaf, bats, bedappern, begōsseld, bespieren, betijn, betoefd, beuge, bienens, blaisterg, boazen, bōdder, boeze, bōntjer, bōrrie, brengen en breuman, brug, dauweln, moaksman enz. (Z. Wdb.) aan het jonge geslacht onbekend. Dit verschijnsel geeft iets te denken. Bij eene vergelijking toch met het Friesche dialect valt terstond in 't oog dat het Gron. dialect als hoofdzakelijk Saksische tongval veel nauwer met het Nederlandsch verwant is dan het Friesch, dat bewijzen een ontelbaar aantal woorden, die alleen wat de spelling en hoofdzakelijk de uitspraak der klinkers betreft, van de gelijknamige Nederlandsche verschillen. Die overeenkomst in hoofd-
zaken maakte ons het overnemen gemakkelijk, te meer daar sedert eenige eeuwen de literatuur den meer beschaafden man steeds met het Hollandsch in gemeenschap hield. Het Friesch echter vertoonde en vertoont nog zooveel verschil in materiaal en vormen met het Nederlandsch, dat het overnemen daar niet gemakkelijk ging zonder verminking der eigene taal.
De gewichtigste reden, waarom ik de studie der Groninger volkstaal aanbevelenswaardig acht, ligt in hare waarde voor den ethnoloog. Zij toch is de beste wegwijzer voor hem bij zijne onderzoekingen omtrent de uitbreiding der twee verschillende stammen in ons gewest en hunne vermenging in zoo uiteenloopenden graad. Zij is te merkwaardig, om hier niet met een enkel woord te worden besproken. Denkelijk kwamen reeds vroeg Saksers van de schrale zuidelijker gelegen streken naar de meer productieve kleigronden aan de Eems, de Lauwerzee en de Wadden afdalen, en de gissing van den Heer Winkler (z. Tijdspiegel 1880, 9) dat dit vooral na de eerste bedijkingen in massa ging, is niet ongegrond, want door het voortdurend droogleggen dezer landerijen werden uitgestrekte gronden onmiddellijk voor bebouwing geschikt en bij de schaarschheid der bevolking kwamen er handen te kort. Of de Fries er lang de grondbezitter en werkgever bleef, zooals Winkler (t.a.p.) tracht te beweren, zal moeilijk te bewijzen zijn, integendeel ongetwijfeld kon de ingedrongen Sakser weldra evenveel recht op den grond doen gelden als de ingeboren Fries, immers de Friesche landbouwer dezer streken daalde langzamerhand van beschermeling van den heer of 't klooster tot den rang van weinig meer dan hoorige af, zijne maatschappelijke welvaart was gering, hij onderscheidde zich in weinig van den vreemden werkman, die hem bij den arbeid hielp en aan een vermenging door huwelijk stond niets in den weg. Aan een verschil in dialect tusschen den boer en zijnen werkman in 't Oldambt ligt dan ook geenszins zulk een verschil in afstamming ten grondslag, zooals de Heer Winkler bedoelt. De Oldambtster boer is een middelding tusschen boer en heer. Als boer heeft hij eene menigte woorden en termen uit de streekspraak in gebruik; zijne halve beschaving deed hem vele Nederlandsche woorden overnemen of radbraken en ziedaar een mengsel, dat van alles wat is. Wat zijn werkvolk betreft, daarvan zijn zeker de meesten achter de ‘Bonner poale’ (z. Wdb. i.v. geboren en deze hebben van hunne voorouders nog een aantal plat-duitsche uitdrukkingen bewaard.
De toevloed van Saksische landverhuizers is niet gering te tellen; toch geloof ik niet, dat ze ooit eene numerieke meerderheid op den Frieschen stam verkregen hebben behalve in eenige zuidelijke streken der provincie, Westerwolde met name; maar twee omstandigheden kwamen hun dialect te hulp, die het eindelijk volkomen den zege verzekerden. De stad Groningen kwam reeds in 1040 onder de oppervoogdij van den Utrechtschen, het grootste deel der Ommelanden ook ongeveer om dien tijd onder die van den Bremenschen bisschop, maar weldra onder die van Munster en van dien tijd af kan men rekenen, dat de zielzorg der ingezetenen meest aan geestelijken van Saksischen stam was opgedragen. De opperhoogheid van den Utrechtschen bisschop binnen Groningens muren, met zijne talrijke geestelijken en ambtenaren deden het gebruik van de Friesche taal aldaar spoedig afnemen. De geschiedschrijver Ubbo Emmius vermeldt, dat in zijn tijd bijna niemand binnen Groningen meer Friesch sprak of schreef. Destijds was het verkeer tusschen de stad en de Ommelanden nog niet zoo geregeld en druk als thans, maar toch was de stad reeds de markt- en stapelplaats der omgelegen landen en dit verkeer werkte ook, al is 't in geringer mate, eene overneming van Saksische woorden in de hand.
Maar wat wel 't meeste tot den ondergang der Friesche taal in de Ommelanden bijdroeg, is ongetwijfeld de Hervorming. Na de Reductie toch zien we hier in bijna alle kerspelen predikanten optreden, wier taal, ons nog in de oude doopboeken en enkele andere geschrevene stukken bewaard, hun herkomst uit de streken der Saksers verraadt. Zij waren de voorgangers der gemeente in geestelijke zaken, maar ook hare raadgevers in elk opzicht, bij ieder gezien en welkom. Het kon niet wel anders of het volk moest een aantal woorden en uitdrukkingen van hen overnemen; de Saksische tongval geraakte door hunne bemiddeling meer en meer inheemsch, en bleven er nog Friesche klankvormen en klanken in zwang, dan werden de Saksische daarnaar vervormd en omgebogen.
Hoe verder naar 't Z. en ZO., hoe meer het Saksisch de overhand gekregen heeft. In het Westerwoldsch zal men moeilijk een overblijfsel van het Friesch, eenmaal zeer waarschijnlijk in den Z.O. hoek der Provincie gesproken, terugvinden; het komt zeer met den tongval der Drentenaren overeen. Hoewel de dialecten van 't Goorecht en de stad Groningen aanmerkelijk van dat der Westerwoldingers verschillen, vertoonen ze toch ook al even weinig sporen van 't Friesch, en de streekspraak der Veenkoloniën komt met deze
zeer overeen. Alleen is hierbij op te merken, dat de zeer verschillende herkomst der bevolking eenigen invloed op de taal en bepaaldelijk op de woordvorming heeft gehad; een lappedeken, een bargoensch werd ze evenwel niet.
Opmerkelijk is 't, dat men in de Veenkoloniën en Westerwolde de h als ‘Anlaut’ niet uitspreekt en waar ze niet behoort, met haar aanvangt. ‘Ou is 't mit dien bruier?’ De man is mit de joaren holt worden! Dit gaf aanleiding, dat men zeer algemeen in Groningerland gelooft, dat dit gebrek aan de veenstreken, ‘het lichte land’ eigen is. Maar in Zeeland is de grond toch zwaar genoeg en ook daar is de weglating niet zeldzaam.1) Deze uitspraak der Veenkoloniën is in de aangrenzende streekspraken overgegaan, maar daar valt het juist als 't uitkomt; voor 't zelfde woord nu eens de h en dan weer niet; te pas of te onpas. Zoo hoort men spreken van ‘Eerepoorde’ (Heerepoort) en Hebbingestroade (Ebbingestraat.)
De eigenaardige uitgang dezer beide namen herinnert mij juist aan de gewoonte, die in 't Z. der Provincie, waar de Saksische tongvallen volstrekt de voorhand hebben, heerscht, de wet n.l. dat de slotmedeklinker der zwakke feminina en ook van enkele zwakke masculina (z. Engelien § 67 en 68)2) verzacht wordt en dan met de stomme-e verlengd: koarde, piebe, kas(t)e, krande, stroade, görde enz. in plaats van koart, piep, kast, krant, stront, gort enz. Daarbij spreekt men den klinker van den stam steeds gerekt uit. In 't W. en 't N. der Provincie geldt deze wet niet, maar in de tusschenliggende streken, Duurswold en Oldambt half en half. De bewoners dezer streken hebben veel bewaard, maar ook veel, zoo niet meer van de zuidelijker streekspraken overgenomen en zoo hoort men er zoowel deur als deure, kast als kaste, enz., maar in Duurswold met name heeft de verzachting van den slotmedeklinker geen ingang gevonden, zoodat men er, ook zonder verlenging van den stamvocaal zegt: kraffe, krante, piepe, stroate.
Duurswold toont in nog menig ander opzicht door de tweeslachtigheid zijner streekspraak, dat het een overgangsgebied is. Zoo maken
de stad Groningen en de Veenkoloniën eene uitzondering op den regel, die in de Provincie voor de uitspraak der ui geldt in woorden als huis, ruim, schuit enz. Terwijl men overal elders hoes, roem, schoet enz. hoort, klinkt het in genoemde streken als huus, ruum, schuut. In Duurswold zegt men beiden.1)
Eigenaardig in de overige streekspraken, die 'k thans kort zal trachten te karakteriseeren, is, dat ze de i nergens zuiver hebben, en wel het minst zuiver in Hunsegoo. In de meeste stammen heeft men haar tot ie verlengd: kiend, wiend, bienden, in andere klinkt ze nagenoeg als de scherpkorte e: reng, kreng, zengen. Onderscheid tusschen en en in, tusschen leggen en liggen kent men er in de uitspraak niet. In Hunsegoo is ook nooit het gebruik van 't refl. pron. zich (Gron. zōk) doorgedrongen, men gebruikt er nog altoos als zoodanig 't pers. pron. 3e pers. Hij het hōm bezeerd = elders: Hij het zōk bezeerd = Ndl. Hij heeft zich bezeerd.
Overigens verschillen de streekspraken van Hunsegoo en Fivelgoo zeer weinig; 't onderscheid bepaalt zich tot enkele woorden. Karakteriseerend is, dat wat in Fivelgoo slim (erg) genoemd wordt, in Hunsegoo bot of slim bot heet; daarbij bedenke men dat genoemde woordjes zoozeer tot den rang van stopwoorden zijn afgedaald, dat ze bijna in elken zin of elke uitdrukking gebruikt worden. In 't Z. der Provincie zegt men biester (= bot, erg.)
Het westelijk deel van Hunsegoo heet de Marne; de tongval is er geheel dezelfde als in 't overige deel van de Gouw aan de Hunze, slechts enkele woorden, stellig uit het Friesche tijdperk overgebleven, heeft men er, die elders ontbreken.. In 't Wdb. is op eenige gewezen.
Dat in het N. der Provincie: Fivelgoo, Hunsegoo en de Marne, nog veel Friesch taalmateriaal aanwezig is, zal ieder merken, die uit de stad Groningen het Hoogeland opgaat. Een Groninger (stadjer) zegt geen drie woorden in zijn dialect of de Hoogelandster hoort, waar hij vandaan is, en omgekeerd is een Hoogelandster terstond door den stadjer aan zijne taal te herkennen. Maar nog veel meer is dit het geval met den bewoner van 't Westerkwartier. Hier had de taal der aanwonende Friezen genoegzamen invloed, om den volkomen zege der Saksische tongvallen te weren en dit ligt voor de hand. Gelegen tusschen het Reit-
diep, aan de eene zijde, dat nog altijd eene scheiding vormt tusschen de naaste stamverwanten en dat daarom niet ten onrechte ‘de Jordaan’ genoemd wordt, en de onherbergzame Drentsche heiden aan den anderen kant, ligt deze streek alleen naar den kant van Friesland geheel open en dit moest van grooten invloed zijn op het verkeer. We hooren dan ook over geheel het Westerkwartier een sterk naar het Friesch zweemend dialect met een bepaaldelijk Friesch accent en dit neemt toe, hoe meer men de Friesche grenzen nadert, zelfs het Fr. jou en jimme heerschen er met onverzwakte kracht. Het voorgaande in 't kort samenvattende, bekom ik de volgende verdeeling der verschillende Groninger streekspraken:
| 1o | De Spreektaal der Stadjers (Stad Groningers)} Saksische tongvallen, met enkele bestanddeelen van 't Friesch. |
| 2o | De Spreektaal in 't Goorecht en de Veenkol.} Saksische tongvallen, met enkele bestanddeelen van 't Friesch. |
| 3o | De Spreektaal in Westerwolde} Saksische tongvallen, met enkele bestanddeelen van 't Friesch. |
| 4o | De Spreektaal in 't Oldambt.} Overgangstypen. |
| 5o | De Spreektaal in Duurswold} Overgangstypen. |
| 6o | De Spreektaal in Fivelgoo} Saxo-Friesche tongvallen. |
| 7o | De Spreektaal in Hunsegoo en de Marne} Saxo-Friesche tongvallen. |
| 8o | De Spreektaal in 't Westerkwartier, Friesch-Saksische tongval. |
De verdienste van deze eerste afl. van des Heeren Molema's werk ligt in de eerste plaats daarin, dat men er, op enkele uitzonderingen na alle karakteristiek Groninger woorden en uitdrukkingen in vindt.
Het werk getuigt van een volhardenden arbeid, van verscheidene jaren en van veel waarde zijn ook de groote menigte opmerkingen over grammatica en spelling, overal tusschen het werk verspreid1).
Niet minder verdienste ligt er in, dat de S. zich de moeite heeft getroost, onze volkstaal te vergelijken met de verwante Saksische en Friesche in Nederduitschland, met de Drentsche en verschillende Saksische tongvallen binnen de grenzen onzes lands, en welk een groot aantal bronnen hij daarvoor raadpleegde, blijkt genoegzaam uit de aanteekeningen en parenthese door het werk gezaaid. Omdat de schrijver echter geen enkel werk tot grondslag voor zijnen arbeid kon gebruiken, en alles door afluistering uit den mond van 't volk in de verschillende streken hebben moest, behoeft het ons niet
te verwonderen, dat dezen eersteling op dit gebied gebreken aankleven. Allereerst maak ik de aanmerking, dat de S. weinig of in 't geheel niet heeft vergeleken met de tongvallen van Friesland over de Lauwers; daar toch hebben we onze oudste stamverwanten en met deze moeten we nog altijd veel taalmateriaal gemeen hebben, juist dat, 't welk ons dialect 't meest onderscheidt.
Heeft het bijna al de karakteristiek-Groninger uitdrukkingen, de woorden en uitdrukkingen, die niet zuiver dialectisch zijn, maar geheel of ten deele met het Nederlandsch overeenkomen, heeft het niet.
Dat het aantal woorden in ons dialect, 't welk door den Heer M. niet genoemd is, omdat het tot ‘de algemeene volkstaal’ behoort, niet gering mag heeten, blijkt duidelijk als men eene bladz. uit een woordenboek der Nederl. taal ter vergelijking opslaat. Ik laat hieronder eene rij, bij ons in gebruik zijnde woorden volgen, die ik vind door zulke vergelijking met v. Dale's Wdb. der N.T. 1e druk pag. 97:
| Beloopen (in Hunsegoo en Fivelgoo ik belijp, in Duursw. en 't Goor beluip.) Die weg is nijt beloopen. Dat belopt veuls te veul. Wat belopt dei man toch (wat wil hij toch te loopen). |
| Beloven bw. zw.: golden bargen beloven, dat belooft nijt veul, nou 'k beloof joe! (z. daarov. Molema Wdb.) |
| Belroos. Belslee, belslede, arreslede. Beluden, bw. zw. Beludĭng. Beloeken, b.w. st. (alleen 't v.d. beloken in gebruik, maar zeldzaam). Belusteren, bw. zw. Belul, Hij het er gijn belul van. Hij het gijn belul meer. Belust, onp. w. zw. 't Zet mie belusten (Zie Molema Wdb.) Bemachtĭgen, is ook reeds hoewel nog niet algemeen, doorgedrongen. |
| Bemoalen, Men zegt hier niet alleen, dat een watermolen den polder bemaalt, maar ook dat een korenmolenaar zijn dorp bemaalt, d.w.z. dat hij uitsluitend voor de ingezetenen van 't dorp maalt. |
| Bemannen, alleen in de Veenkoloniën, waar veel zeevolk woont, in zwang. |
| Bemannĭng. Bemeeld. Bemasten. Bemarkbaar. Bematten. Bemarken. Bemesten, door mesten (= vetvoederen) verkrijgen. Ik kan 't nijt an 't zwien bemesten, n.l. eene bepaalde winst. Bemisten of bemissen, mis (= mest) over 't land brengen. Bemiddeld. Bemiddelen. Bemind. Beminner (beminnaar), hier in den zin van liefhebber: Hij is 'n beminnaar van spek. Beminnelijk. Beminnen, begint ook al nu en dan naast lijfhebben in gebruik te komen. Bemodderen. Bemondigen. Bemuien en zok |
| bemuien, bemoeien. Bemuienis. Heb doar moar gijn
bemuienis over. Bemuielken (bemoeilijken). Bemuisel. Bemost. Bemuren.
Ben, korf. en bij overdracht eene bepaalde hoeveelheid visch: 'n benne
schelvisch. Benaaien. Benoadijlen. Benoagern = beslag leggen op, maar overdr. ook: bevrijen. Benoagelen. Benuimen. Benamen kent men hier niet. Benuimen komt hier voor in de bet. van: naar iem. noemen (z. wdb. v.
Molema i.v.) Benauwd (z. Molema wdb. i.v.) Benauwen. Benauwend. Bende, ook ben voor troep. Beneden. |
Heeft nu ons dialect zooveel uit het Nederlandsch overgenomen, verwerkt en voor eigen gebruik geschikt gemaakt, 't behoort nu ook tot de Gron. volkstaal, zooals ze thans is. Maar er zijn hier zeer ook veel woorden, die naar hun voorkomen en zeer oppervlakkig beschouwd, naar hun inhoud ook tot de ‘algemeene taal’ behooren, maar bij nauwkeuriger beschouwing toch eene andere functie bekleeden dan de overeenkomstige Nederlandsche woorden. Zoo heeft, om een enkel voorb. te noemen, 't w.w. bedisselen in 't Nederl. de beteekenis van ten uitvoer brengen (z.v. Dale i.v.), maar in ons dialect kent men het als zoodanig niet, wel echter in iem. bedusselen = bepraten, door overreding tot bedaren brengen. Wij kennen hier 't woord behoufte (behoefte) hoofdzakelijk in de beteekenis van gebrek; wij zeggen hier ook van: ‘in behollen hoaven’, maar tevens van ‘'n behollen stuver’ = een bespaarden stuiver. Bejegenen heeft, behalve de in in 't Wdb. van v. Dale opgenoemde beteekenissen, ook nog die van ontmoeten. Wij kennen 't ww. bekrabben hier niet anders dan in de bet. van iets, dat verbroddeld is, meer trachten te herstellen, goed te maken. Een bekwaam mensch heet hier knap, en zeggen we van iem., dat hij tot alles bekwoam is, dan is dat volstrekt geen deugd; de bedoeling is: hij is tot allerlei ondeugden in staat.
Nu moge men mij tegenwerpen, dat zulke uit het Nederlandsch overgenomen, of nauw met het Nederlandsch verwante woorden niet van groote beteekenis zijn, ik meen, dat ze opgenomen dienen te worden, zal het Wdb. een getrouw beeld van onze volkstaal leveren. De taalonderzoeker heeft er evenveel belang bij te weten wat nationaal in onze volkstaal is, als wat bepaaldelijk Friesch of Saksisch is.1)
Maar de grootste grieve heb ik tegen de zeer onvolledige aanwijzing der verschillende streekspraken. Wel heeft de schrijver getracht ook in dit opzicht aan de eischen van een goed woordenboek onzer streekspraken te voldoen, doch 't is bij eene zeer spaarzame aanwijzing hier en daar gebleven, en dan nog heeft deze volstrekt geene rekening met de hoofdonderscheidingen in ons dialect gehouden. Of wat bedoelt S. er mee, wanneer hij als spraakstreek de Ommelanden aanwijst? De historische verdeeling der provincie, die 't Westerkwartier, Hunsegoo, Fivelgoo en Duurswold onder dien naam samenvat? Maar dan is de omvang van 't gebied voor de uitspraak en 't gebruik van vele der door hem genoemde woorden veel te ruim, zoo o.a. wat hij zegt van de vormen bie 'n ander en bie 'n kander, askeen as, waarbij ook nog wel de overgangsvorm ask diende opgenomen te zijn, baiske en bais, waarbij ook nog behooren bais en bois, enz. Soms zou men dan ook meenen dat S. met de Ommelanden alleen Hunsegoo of Hunsegoo en Fivelgoo bedoelde, dan weer dat hij 't Westerkwartier er bij rekent. De aanwijzing van de Ommelanden als spraakstreek is daarom echter 't meest onjuist, omdat Duurswold, wat de oude indeeling betreft, er volstrekt toe behoort, maar wat zijn taal aanbelangt, er geheel buiten staat. 's Schrijvers aanwijzing van de Ommelanden bij eenig woord, geldt dan ook in den regel niet voor Duurswold, en in vele gevallen evenmin voor 't Westerkwartier.
Ten slotte eene lijst van woorden, die òf bij Molema ontbreken òf waarbij eene aanteekening om de eene of andere reden niet ongewenscht is.1).
| Aansch, oansch, in Duurw. steeg. |
| Aber, oaber. Als uitr. in 't N. (Hunsegoo en Fivelgoo) weinig gehoord. Als voegw. alleen in Westerwolde en aan de Oostfr. grenzen. |
| An meer voorb. van 't gebruik: Men ken nijt öp höm an (niet op hen vertrouwen.) Hij zit er an (er is procesverbaal tegen hem |
| opgemaakt.) Kom maar an, 'n Peerd het 'n bek, en die vret altied an. Dat loopt van daag maar al an. 't Volk is al an de gang. 't Vuur is hoast oet, zet 'n turf an. De hoas is anschoten (gekwetst). Hij was 'n beetje anschoten (dronken.) 't Begint moar al an. De reken lopt nog al wat an (bedraagt nog al wat.) De regen holt nog al wat an. Ik heurde an (hoorde toe.) Zij kieken 't weer an (wachten af wat het worden zal met het weder.) Hij vragt maor al an. Hij hoart de zwou an (scherpt de zeis,) 'n schroef knipt nog al wat an. Bie ons an hoes. Goa nijt an de grond liggen. 'k Smeet hem op den grond (verschillend van op den grond.) |
| Anbetern = beter worden Most maar gauw wat aanbetern. |
| Anbirzen van birzen (z. Wdb. i.v.) Doar komt de hond ambirze: hard aanloopen. |
| Anblieven Van de lamp = brandende blijven, van een speler = aan het spel blijven. |
| Angeven en znw. = zich laten inschrijven voor de nationale militie. 'n King aangeven de geboorte van een kind laten inschrijven bij de Burgerl. stand. |
| Angloepen van gloepen (= gluipen) valsch, boos kijken. Hij gloop mie an zag mij kwaad aan. |
| Anheurder = toehoorder. |
| Anriepen = rijper worden. 't Koren riept al wat an. |
| Anruiren = aankomen, aanroeren. Möst mii d'r nijt anruiren! |
| Anscheren (de gek) Ook: de gek ansteken, in (ien) de zeef kriegen. |
| Ansloagen zeer algemeen in gebruik in: zii stoan ansloagen (ook in 't kastje) = zij hebben aangifte van hun voorgenomen huwelijk gedaan bij den Burgerl. stand. |
| Ansteukelder: aanstoker, oorzaak van 't woord Hij is de ansteukelder. |
| Ansteukeln. Hij het de roezie ansteukeld. Hij zet er onder te steukeln. |
| Appelkoekjes! ook als uitroep: mörgen brengen! 't is kloassie! |
| Assmis ook in de bet. van misschien: Kendt mie assmis ook zeggen, hoe loat 't is! |
| Badjerd in Duursw. bosterd, koelbosterd. |
| Baffeld in Hunegoo hoort men niet zelden: 'n Gezicht vnn bnffelt: 'n leelijk gezicht. |
| Bag in Duursw. hoort men: mag: 'k bin zoo mag: = lui, lodderig. |
| Bakkeln. De samenst. ombakkeln = wachten met trouwen is veel |
| in gebruik: trauwen ze nijt? Dat bakkelt al om. Wat zel zōk gebakkel beduden? |
| Balhier-baldoar hoort men in Duursw. en de Veenkol. en misschien in 't geheele Z.O. der Prov. niet zelden. Hij is balhier-baldoar = hij komt overal. |
| Banboksem eigl. bangboksem. Hij het de banboksem an = is bevreesd voor iets. |
| Bandiezen ook vaak met verscherpte b: pandiezen. |
| Barge, gecastreerd mannetjesvarken, tegenstelling van mot. |
| Bedoaren. Hij ken zōk (hōm) nyt bedoaren = niet inhouden van pijn. |
| Bedoeren. Alleen in Westerw., 't Oldenambt en een deel der Veenkol. bekend. In Zuidbroek gebruikt men b.v. 't woord nog; in Duursw. niet meer. |
| Bedonken. (z. Molema Wdb. i.v.) van dong = mest. Mesthoop = dongbult. Zeer waarschijnlijk spreekt men in Langew. de g wat scherp uit. Elders bedongen. |
| Bedonken in Duursw. voor bedolven (z. Molema i.v. Ondergedompeld) 't Stait onder woater bedonken. |
| Begrijmen ook (Huns.) begreemen = vuil maken. |
| Bekeukelen = begoochelen. Hij het hom de oogen bekeukeld = heeft hem bedrogen, terwijl hij er bijstond. |
| Bek. Ook zeer gemeenz. in de uitdr.: Hij het 'n bek as 'n slop, as 'n scheermes = is brutaal. |
| Beklaien Ook overdrachtelijk voor vuil maken. Hij beklait alles mit zien voele handen. |
| Beklarren voor bekladden overdr. voor belasteren. |
| Bekonkelen: door knoeierij bewerken; maar in Duursw. en de Veenkol. te onderscheiden van beknokkeln = met moeite voor elkander in orde brengen. |
| Bekweem, bekweemtjes wordt ook gezegd van iem., die eens ferm terecht gezet is, en zich daarop welvoegelijk gedraagd. |
| Bekwaam. Van landerijen heb ik 't slechts zelden in Hunsingoo gehoord; maar dáár zoowel als in Duursw. van een slecht mensch: De kerel is tot alles bekwaam. Ook zegt men wel, als men wat deftig wil zijn: Hij is 'n bekwaame man = Hij is een bekwaam mensch. |
| Beneien, belusten (Molema i.v.), maar ook in: Beneet mie slim! = 't Verwondert mij zeer. |
| Benoadern = benaderen, maar ook overdr. bevrijën. |
| Benoud, benaud. Eigenaardig is den uitroep: Joa benaud! = Dat ken je begriepen! = 'k Geloof er niets van. |
| Benusseln = langwijlig, peuterig werk verrichten. Wat benusselt hij doar? = Waarom maakt hij niet voort? |
| Beproaten = hum beproaten = hem overreden. |
| Besoaksemt. Bist besoaksemt? = Ben je gek? |
| Beutel. In Hunsegoo hoort men daarvoor niet zelden beul. 't Is al 'n hyle beut = 't Is al 'n groote jongen (naar zijne jaren). |
| Bevouden. In Hunsegoo en ook in Duursw. hoort men veelmeer: bevouern. |
| Bewies, bewieske, ook kwitantie. |
| Bezijn. Zeer gemeenzaam in: Dat zel zien bezijn hebben = 'k Wil niet gelooven, dat het gelukt. |
| Biebrengen. Op een boeldag wordt vaak wat ‘biebrocht’ = bijgebracht; zulk goed heet: biebrocht goud. |
| Biedoan, het v.d. biedoan gebruikt in de uitdr.: Hij het al zien geld er biedoan = Hij heeft al zijn geld bij dien handel of die onderneming verloren. |
| Biesjoager; thans niet meer gehoord; wel koddebaier, kolbaier jachtopziener. |
| Biet. Dat wij in 't aanduiden van kleinigheden, zelfs voor 't Mnl. niets onderdoen, bewijst de volgende rij van woorden: Gijn biet, -griezeltje, - knibbeltje, - korreltje, - groantje, - sikkepitje, - hoar, - cent, döit of dait, - snippeltje, - droad, -krōmmel, - zier, - drup. |
| Bigge. Ook nog zeer gemeenzaam in: Biggen moaken = braken, vooral van iem. die te veel gedronken heeft. |
| Bikberen in Duursw. blijkens. |
| Bildern - loopen of men gejaagd wordt. |
| Birzen. Het znw. birs ook in gebruik. Hij lopt of he de birs in de staart het. |
| Blaai; in Duursw. slei. |
| Blinde mug, ook bij overdracht, 'n lamp die slecht brandt. |
| Blinde hummel, zegt men smadelijk tot iem., die niet dadelijk ziet wat hij zoekt. |
| Blok an 't bijn. Een houten blok, waarmee men de paarden verhindert, om over de slooten te springen; en bij overdr. eene lastige vrouw. |
| Bloomaiske in Duursw. blaumaiske. |
| Bloudse, een versterkingsadject bijv. bloudse, geern = zeer gaarne. |
| Boan = baan, in: alles over de boan hoalen = ordeloos werken. |
| Board in de spreekw. uitdr.: in de board speien = harde woorden weergeven. |
| Boardpoetser dient ook wel naast boardschrapper genoemd te worden. |
| Bocht in: Hij het de bocht: is mooi dronken. |
| Bōddel, bōrrel ook glas: Schenk ijs 'n bōrrel in. |
| Bōdder in Duursw. ook onbekend. |
| Boel, boele = buil, opzwelling. Stoot iemand zich of krijgt hij eene verwonding, dan wordt er al spoedig gevraagd, of er ook ‘'n boel op komt.’ |
| Boeskoolsoep, vroeger eene zeer algemeene kost, begint meer en meer in onbruik te raken. |
| Boeten, zegt men ook van een zieke, die ijlt: Hij is boeten, Hij is boeten westen. |
| Boien. Bij anboien en aetboien dient ook touboien genaamd te worden. Hij boit zōk (hom) tou = maakt zich vuil. |
| Bok. Eigenaardig zijn de spreekw.: Hij het 'n bōk schoten = heeft zich in zijn praten deerlijk vergist. Hij (de (bakker) het de bok in d'oven = hij heeft niets meer te doen, de nering is verloopen. |
| Bommerossen. Veel leven maken; ook: lastig zijn met vragen. |
| Botterheks (Duursw.) eld. botterklitse (z. Molema i.v.) |
| Bottern = boter afscheiden: De melk bottert en overdr.: 't Wark wil wijt bottern = gelukken. |
| Brits. In Gron. prut, in Duursw. brits, in Hunseg. braggel. |
| Broaf = flink. Dat's broaf (doan)! = dat is flink (gedaan). |
| Broesken = bruischen. 't Woater broesket er deur. |
| Broodvreten = brooddronken, moedwillig (van knapen). |
| Brijd. De uitdr. hij het 'n brijde rug = heeft geld genoeg |
| Bukken (bokking.) Iemand die niet kan meedoen: 'n dreuge bukken. |
| Bult. Ook elliptisch gebruikt in: Hij het er 'n hijle bult zijn: Hij heeft er zeer veel zaken gezien. |
| Buusvol, 'n Buusvol = een zakvol. |
| Daai voor warm niet alleen in 't Wkw., ook in Duursw. en in Hunsegoo. |
| Dardert, rangsch. telw.: eerstert, andert, dardert, enz. en als znw.: De dardert van veuren. |
| Dat (aanw. voornw.) in den uitroep: Ja datte! = juist! |
| Deel, del = beneden. In 't Wkw. uitsl. del, in Hunsegoo deel en del beide, in de andere streken deel. |
| Deimt, daimt van diemath. In Duursw. meet men het bouwland bij deimten, het hooiland bij matten. |
| Dekken = helpen. Zij hebben hom dekt = beschermd, geholpen. Hij is weer dekt = geholpen. |
| Dienen. In Duurswold: De locht dient op = Er komt een regenlucht op. |
| Dik. Hij het 't dik op 't zin = Hij is juist gestemd, om het te doen. |
| Dirtjen, in Duurw. stirtjen. |
| Doaldersgoaren. De beste soort zwart gekleurd wollen garen. |
| Dobbeln = dobbelen. Het dobbelt er om, - zel er om dobbelen = 't Is zoo of zoo, 't kan nog even goed mislukken als gelukken. |
| Doem. Eigenaardig is de spreekw.: Hij holt (de) doem in (de) hanste = Hij past wel op, dat hij niet te veel zegt. |
| Doen en doenighaid. Men heeft ook nog de uitdrukkingen: Hij is over zien thee, hij het hōm stoan, hij het 't keelgat op afloop, hij is goad anschoten, hij het hom pruifd, hij het 'n laaden in, hij is loaden. |
| Dol = 't Handvat eener zeis. |
| Dood - versterkingswoord: doodmakkelk, doodmisselk, doodmuielk, enz. = doodgemakkelijk, zeer flauw, zeer spijtig. In Hunsegoo: Dat 's dood woar! 't Is werkelijk zoo. |
| Dörm. Overdr. en niet in kwaden zin, welgevoed en daardoor slecht loopende: ‘Dat is 'n dikke dörm.’ |
| Dreug. Die niet best in de algemeene vroolijkheid meedoen kan heet dreug = droog, saai, of ook wel een |
| Dreugzuite, eigl. de naam van eenen zoeten appel. |
Westernieland, Oct. '84.
J. SCHELTENS.