terug  begin  verderprepost
[p. 211]

Woordenlijst1).

A.

Aafgeloate, aafgeloate melk is melk, waarvan de room is afgeblazen.
Aafgoan, hè mot aafgoan of hè is aan den aafgank, d.i. hij is loslijvig.
Aafrakkere(n), slecht behandelen, te zwaar beladen: ei peerd aafrakkere(n).
Aanveltj, aambeeld.
Aangemaaktj, geplaagd, onderhevig: hè is met maagpien aangemaaktj.
Aanspannen, iemand klop geven, scheldwoorden of verwijtingen toevoegen.
Alik, geheel, niet gebroken, einen alike koek, einen alike pot.
Alleinig, alleen2).
Alleinsche, dezelfde: die twee jonges höbbe(n) alleinsche bôkse(n).
Astrantigheid3), onbeschaamdheid.
Avekoal, neef Kool.
Anger, ander: de anger weêk, de toekomende week.
Aovendj, avond.

B.

Baaie(n), baden.
Baandj, ingesloten stuk weiland, hetzelfde als beemd.
Babbeltoet, een praatzieke vrouw.
Babbeleguutje, snapper of snapster. 5) Gron. en elders,
Bak, (o.) bigge.
Bagghe(n), biggen krijgen.
Babbeler, een stukje suiker, in verschillende vormen en kleuren. 5)
Baktandj, mv. baktenj, kies.
Bekker, bakker.
Balien, balein. 6) Geld. Dit is een van de weinige woorden, die in dit dialect ie hebben, ofschoon de schrijftaal ei vordert.
Balkebrie, 7) Geld., Overijs. en elders een soort van brij, vervaardigd van boekweitemeel, vermengd met varkensbloed en andere fijngehakte binnendeelen van dit dier. Men denke aan brij, afkomstig voornamelijk uit den buik (balg)4) van een dier.
Bang, (höp mer geine) wil zeggen: wees maar niet bang. Vergelijk hiermee de Fransche uitdrukking: n'ayez pas peur.
Bats5), bil van mensch of dier.
Bandj, band, hoepel.
Bak, hetgeen gebakken wordt.
Banne(n)6), plagen, aanhouden om iets te verkrijgen.
Banzele(n), rondslenteren, doelloos
[p. 212]
rondgaan, zorgeloos heen en weer loopen.
Banzel, afgeleid van het voorgaande en aanduidende eene vrouw, die weinig zorg aan de huishouding enz. besteedt en daardoor vuil en slordig is.
Banzeler, een man, die zorgeloos rondslentert.
Barier, tol (Fr. barrière.)
Bast, kwajongen, deugniet.
Bazel, malle, praat (Ned. Gebazel).
Bazeler, uitstrooien van zulke praatjes.
Bebbele(n), veel praten en snateren.
Bebbeler, veelprater.
Bêd, bed. Men bedenke, dat de e lang en dof wordt uitgesproken. Men onderscheidt euverbêd en ongerbêd of overbed en onderbed.
Bedstaat, bedstede, ledikant.
Bedrêufdj, bedroefd.
Bêren, beren (Hd. Bär).
Béir, mannetjesvarken mv. béire(n).
Béiste(n), dieren en ook menschen van een zeer laag gedrag.
Begaoving, stuipen1).
Bêje(n), bidden. Onv. verl. tijd en verl. deelwoord van dit werkw. zijn bêjdje en gebéjd.
Bêjvert2), bedevaart. Zuj gaon bêjvert, zij gaan eene bedevaart doen.
Benaamdj, beroemd, bekend.
Benjig, buitengewoon, vooral in de uitdrukking benjig kwaod zîen, buitengewoon boos zijn3).
Benul4), verstand; hè heet er gei benul van, hij heeft er hoegenaamd geen verstand van.
Benkelijk, bedenkelijk, droevig, bang; samentrekking van bedenkelijk: eine benkelijken toestandj, een bange toestand.
Berf, barbeel (visch).
Berg, barg, varken.
Berreg, berg.
Berm, een groote hoeveelheid graan of stroo in het veld of in de schuur bij elkaar gebracht.
Berostj, beroest.
Beschuut5), mv. beschute(n), beschuit.
Bestaon, bestaan.
Bêstevader, grootvader.
Bestemôôder of môôr, grootmoeder.
Bestute(n), prijzen, loven.
Bêunes6), kinderachtige, sufferige vent.
Bêûren7), ontvangen, verkrijgen, behalen.
Bêûrzesniejer, bewezensnijder, zakkenroller.
Bezei, oordeel, overleg. Hè sprikt zonger bezei, hij spreekt zonder overleg, zonder verstand.
Bezête(n), bezet. De stôôl is bezeten, de stoel is bezet.
Bleui, bleu, verlegen, bang.
Biel, (o.) bijl; ook norsch, onvriendelijk: hè kiektj zoo zôôr as ei biel, hij kijkt zeer norsch.
Bighel, stuiter of groote knikker.
Binjel, kouseband.
Birk, berk.
Bitje, beetje, een weinig.
Bizze(n), loopen, van koeien, die in de weide op en neer loopen. Sprw. As de ein koe bistj stikt de anger de stert omhoog, wat
[p. 213]
de een doet, doen dikwijls ook de anderen, ook Geldersch, Twentsch.
Blaat, mv. blajer, verkl. blêêdje, blad.
Bleek, blik.
Bleik, bleek (bvn.) en bleek (grasperk).
Bleike(n), bleeken.
Blikaars, gewoonlijk bikaars, gein 't Nederlandsch.
Blaok, een dikke rookwolk.
Blaoke(n), een dikken rook verspreiden.
Blôôd, bloed.
Blôôd-trêkke(n), aderlaten.
Blôôm, bloem. Ook foelie, een specerij.
Bluje(n), bloeien. Ook van eene ziekte, die besmettelijk is, zegt men: die zîêkdje bluujt. Ook van zweren, etterbuilen enz., met eene glanzende oppervlakte, zegt men, dat zij bluje(n) van bluen, dat oorspronkelijk glanzen beteekende.
Bluustere(n), hard, onstuimig waaien.
Brûje(n), broeien van vogels.
Bruje(n), broeien van hooi enz. Ook voor de grap iemand plagen.
Boek, mv. buuk, verkl. buukske, buik.
Boan, mv. boane(n), verkl. beunke, boon.
Boat, mv. boate(n), verkl. beutje, boot.
Bôchte(n), door elkaar werpen, in een prullekraam zoeken.
Boes, bos; ein boes streu. Een bijna ronde bos met één band gebon den en uit kort stroo bestaande, wordt krombössel genoemd.
Bôôr, bôôre(n), bêûrke, boer.
Bôôre(n), eene boerderij bestieren. Hè bôôrt gôôd, zegt men van ieder, die goede zaken doet.
Boeze(n), hard waaien.
Bôkse(n), uit de broek gaan, om aan eene natuurlijke behoefte te voldoen.
Bökkum, bokking. Een zeer dom mensch bestempelt men ook met dien naam.
Bôôk, boek.
Bo(r)sel1), of liever bossel, borstel.
Bonjert, boomgaard.
Boom, bodem.
Boum, boom.
Boumluiperke, boomkruipertje.
Borre(n), branden. 't Vûûr bort; hè heet ziene vinger gebort.
Bosch, bösch, böschke, (m.) Bos in een bos stroo; een bos hout wordt door bössel vertolkt. Het verkleinwoord luidt echter ook böske: ei böske selderie.
Bôts, bots, stoot.
Bôtse(n), tegen elkaar stooten en daardoor een geluid bots te weeg brengen. Ndl. botsen.
Bôtter, boter. Bôtter stoate(n) beteekent boter karnen, daar deze bewerking bij de meeste landbouwers al stootende wordt verricht.
Böts of bêûts, een goedhartige vrouw; ein gôôi bêuts van en vrouw.
Boum, boom. Boum van ein ker, boom eener kar, waaraan de paarden worden gespannen. Boum heet ook hetgeen de kaartspelers opschrijven bij het begin van elk spel, mv. buim, vklw. buimke.
Beuveste beste, allerbeste.
Braok, braak.
Broaje(n), brôôi, gebraoje(n). Vervoeging: Teg. tijd: Ich broaj, doe brûjst, hè brûjt, wè broaje(n), gè broajt, zuj braoje(n). Onv. verl. tijd: Ich brôôi, doe brôôjst, hè brôôi enz.
Bras, ich gêêf der de bras van, ik geef er den brui van.
Braomel2), Geldersch-Saksisch
[p. 214]
Brummel, braambes. Ook eene vrouw, die zit te klagen en te jammeren over eene kleinigheid.
Braomele(n), klagen en jammeren als boven.
Braaf, braaf vêûl geldj, braaf gôôd, voor tamelijk veel geld, vrij goed.
Breet, een bret of plank, achter in een wagen geplaatst; ook eene plank op de zijplanken van eene boeren kar, om die hooger te maken; nog een uithangbord.
Breit, breed.
Brenjig, brandig, roosachtig.
Bresem, brasem (visch).
Brîef, mv. brief of brieve(n). Briefdreger, postbode. Brîevetes, enveloppe.
Broad, breuj, breudje, brood. Klein breudjes bakke(n), gansch uit het veld geslagen zijn.
Broet, broete(n), bruutje, bruid
Brôôk, brûûk, brûûkske, broek, lage, moerassige grond.
Brôk, klokhen.
Brôkke(n), stil en zwijgend bij den haard of de kachel zitten
Broen, bruin.
Broes, bruis of schuim.
Brôôr, brêurs, brêurke, broer.
Brômme(n), brommen.
Brögh, brug.
Brugom of bruum, bruigom. Bruumsknecht en broetsmaagd noemt men de wederzijdsche getuigen bij een kerkelijk huwelijk.
Brêûj, het vet, dat uit de een of ander vette zelfstandigheid kookt of braadt.
Brum, brem.
Bûkeboum, beuk.
Bûke(n), beukenoten.
Bujel, buidel.
Bukke(n), het wit maken van linnen, gewoonlijk door middel van houtasch.
Börg, 1. berrie aan wagens en kruiwagens; 2. börg, de persoon, die zich als borg stelt en het borg stellen zelf.
Börge(n), 1. Uitstellen met betalen; 2. Uitstel tot betaling geven.
Bössel, bos: ein bössel graas, een bos gras.
But, soort van varken.
Buus, buis.

C.

Champiter,1) veldwachter, gardechampêtre.
Ciefer, cijfer.
Cieferblaat, wijzerplaat.

D.

Daach, daag, dêêgske, dag.
Daak, dake(n), dêêkske, dak.
Daal, dale(n), dal. Het verkleinwoord is niet in gehruik.
Deig, deeg.
Dêk, dêkke(n) dêkske, deksel.
Dêk, dök, dikwijls; deze woorden werden vroeger ook gebruikt door goede schrijvers.
Deile(n), deelen. En deil appele(n) = eenige appels; en héil deil appele(n) = zeer veel appelen.
Déime(n), tepels aan de uiers van de melkgevende dieren.
Dempig, kortademig; zoo dempig as ene pot, buitengewoon kortademig.
Dên, dorschvloer.
Derm, darm.
Det issem, plat Hollandsch: dat issem.
Dîêne(n), dienen.
Dîênlepel, groote soeplepel, waarmee ieder de soep wordt toegediend.
Dink, díngher, dinkske, ding. Det is gôôd dinghe(n) = dat is goed stof. Hè duit zien dinghe(n) gôôd. = hij doet zijn zaken goed.
Daonig ook danig, danig, zeer.
Doas, doaze(n) deuëske, doos.
Dobbel, dubbel.
Doe, du, en ook voor toen.
Doedele(n), een spel, waarbij ieder
[p. 215]
speler van een doedeler één of meer kaarten ontvangt, naardat hij betaalt; op deze kaarten (eigenlijk stukken stevig carton) zijn verschillende kleine speelkaarten geplakt. Dan wordt uit een zak, doedelzak een kleine ineengerolde speelkaart gehaald en wie deze op zijn carton vindt, is winner.
Doef, doeve(n) duufke, duif.
Dôôk, doek voor vrouwen of halsdoek. Ook het linnen wordt dôôk genoemd.
Doem, doeme(n) duumke, duim. Het mv. van dit woord wordt ook gebezigd, vooral in bitse uitdrukkingen voor vingers of handen.
Dumeling, een genaaid lapje om een zieken duim in te bewaren.
Dôòn, deei, gedaon, doen. Teg. tijd: ich dôôn, doe duist, hè duit, wè dôôn, gè dôôit, zuj dôôn. Onv. verl. tijd: ich déi, doe déist, hè déi, wè déie(n), gè déit, zuj déie(n).
Dôôre(n), duren.
Doezendj, duizend.
Dole(n), dolen, verdwalen; ijlhoofdig zijn.
Donkel, donker.
Dore(n), dooier van een ei.
Dörp, dörpe(n), dörpke, dorp.
Dörpel, dorpel of stoep.
Dörve(n), durven.
Do(r)sche(n), dorschen.
Doorslaag, vergiettest.
Door de bot, gewoonlijk1).
Dok, dog, een hond.
Douf, doof. Zo douf as ene pot, zoo doof als eene kwartel.
Drank, drenk, drenkske, drankjes door geneesheeren of veeartsen voorgeschreven.
Draod, drêûj, drêûdje, draad.
Drei, draai, enen drei van de wêêg, een kromming van den weg.
Dreië(n), draaien.
Dreibank, draaibank.
Dreig, ondiep. Einen dreige graaf, een ondiepe sloot.
Dras, bezinksel van de koffie.
Dreeí, vlug. Dreei gaon, vlug gaan.
Dreug, droog.
Dreugen, drogen.
Drêûmele(n), draden, welke van de schering overschieten na het weven.
Driekenjtig, 't Is enen drikenjtige. 't Is een onhandelbaar persoontje.
Drîês,2) weg, bijna geheel met gras begroeid.
Droef, droeve(n), druufke, druif van den wijngaard, doch ook duig, waarvan vaten worden vervaardigd.
Droevewingert,3) wijnstok of wingerd.
Droume(n) en op sommige plaatsen druime(n), droomen.
Drupe(n), ook dröppe(n), druppelen.
Dröppel, droppel.
Dröpke, borrel
Drêûvig, droevig.
Dull, (u als in hut) dol, duizelig. Een dollen hond noemt men einen. raozenden hondj.
Döbbeltje, dubbeltje.
Duipe(n), doopen.
Dumper, domper, waarmee men kaarsen uitdoet.
Döppe, onnoozele, dreumes.
Duzelig, duizelig.
Duuster, duister.
Duvel, duivel. Men zôô zeghen, det et der duvel met zie môôr was = men zou zeggen, dat er heel wat achter zat.
Dweijel, dweil.
Dwêrs, dwars.
[p. 216]

E.

Eechel, ook wel hechel, bloedzuiger.
Echelste, achterste. Het echelste van ei verke, de ham. Hè is zoo lomp as et echelste van ei verke, hij is zoo dom als een gans.
Eegdje, egge.
Eek,1) azijn.
Eekvêsch, hagedis.
Éiker, aker.
Eênj, eend.
Êenjemôôs, eendenkroos.
Eense of ênse, gelijke, dezelfde. Twee ênse mötse(n), twee gelijke petten.
Eêrdbéir, aardbei.
Eêrpel, aardappelen.
Eei(r)st, eerst.
Effikes,2) eventjes.
Egaal, (fr. égal) gelijk. 't Is mich egaal, 't Is mij om het even.
Eêgerst, ekster.
Eierschaal, eierdop.
Eikkörke, eekhoorntje.
Eiges, zelf. Ich höb der eiges niks van gezîên. Ik heb er zelf niets van gezien.
Elkerein, iedereen.
En (fr. ne) ontkenningswoordje, vroeger algemeen in gebruik, dient hier nog op vele plaatsen om nadruk aan de ontkenning bij te zetten: Ich en weit et nîêt,
Êns, eens.
Erbeit, arbeid.
Erks, een vel papier.
Eêrdgalle(n), wilde cichorei, die hier in het voorjaar menigvuldig wordt opgezocht tot voedsel voor het vee.
Eêrd, aarde.
Erbeijer, arbeider.
Erm, arm, zoowel het lichaamsdeel (arm.) als bvn. (arm.). In zeer vele woorden kwam vroeger vóór de r de e in plaats van de a. Waar deze klankwijziging in dit dialect nog voorkomt zal telkens naar dit art. verwezen worden.
Errt, erwt, uitgesproken ert.
Eête(n), eten.
Eum, oom.
Eurtje, oortje, halve cent.
Eusdje, rand van het dak.3)
Eusdjendröp, het druppen van het regenwater van den rand van het dak. Bij Bild. vindt men nog oosdrop, vgl. Eng. eaves-drop.
Euver, over. Euver den anjeren daag. Om den anderen dag.
Euverjas, overjas.
Euverloeje(n), het gelui der klokken, als iemand gestorven is.
Euvere(n), overhouden.
Êvel, evenwel; Holl. aléval.
Êvelens: het is mich evelens, het is mij om het even. Hooft gebruikt evenleens, Ned. eveneens.
Êveleers, eindelijk.
Ewech, weg. Gank ewech, scheer je weg.

F.

Falie, falie, vrouwenkleedingstuk, dat gedragen wordt over de andere kleeren, voornamelijk bij rouwplechtigheden. Spottenderwijze noemt men eene slordige vrouw ‘falie.’
Falekenjtig, faliekantig. Det is falekenjtig (verkeerd) oetgevalle(n). Zie Van Dale.
Fiks4) keeshond.
Fínistig, slim, schrander.
Flaai, vlade, gebak van rogge- of tarwemeel, waarover eene laag
[p. 217]
appel-, peren-, pruimen- of soms wortelbrij is gesmeerd.
Flap,1) onnoozele bloed, onwijze.
Flêêr, klap, oorveeg.
Flírs2) speeltuig voor kinderen, om water mee te spuiten.
Flitsboog, een soort kruisboog.
Flouze(n),3) gekheden, domme praatjes.
Fluit, eene wulpsche vrouw.
Flunstere(n), fluisteren.
Fôf, grap. Det is ein schoan fôf, dat is een mooie grap, vgl. plat amst. foef.
Foek, fuik, vischtuig. Ook in gebruik voor eene slechte, afgedragen muts.
Fôk, moed. De fôk is der héil oet, de moed is heelemaal weg.
Hè heet geine fôk méir, hij heeft geen moed meer.
Foekepot,3) rommelpot. Een pot of pan, met eene blaas bedekt, waarin een riet is bevestigd. Wanneer dit een weinig is bevochtigd en men beweegt dan de hand er langs op en neer, ontstaat daardoor een rommelend geluid. Vooral in de Carnavalsdagen wordt hiervan gebruik gemaakt door arme kinderen om aalmoezen machtig te worden.
Fornuus, fornuis.
Froezele(n) ook fronselen, frommelen, kreuken.
Foetele(n)4) onrechtvaardig spelen, bedrog gebruiken bij het spel.

G.

Gaaie(n), behagen, lusten. Det gaait mich, dat bevalt mij. In het Mnl. had men gaden. Men denke nog aan ‘gading.’
Gaar, geheel. Noe dôôn ich et gaar nîêt, nu doe ik het in 't geheel niet. Men vergelijke met het Duitsch: ‘ganz und gar.’
Gaaroet, hetzelfde als het vorige van het Duitsche: ‘garaus.’
Gaas, gas.
Gaat, gater, gêêtje, gat.
Gabbere(n),5) veel praten en lachen.
Galpe(n), op sommige plaatsen in gebruik voor schreien.
Gank, voor gang.
Gardenîêr, tuinier; fr. jardinier.
Gats, vuil straatje.
Gasp, gaspe(n), gespke, gesp.
Gebeet, gebit, zoowel het gebit van menschen en dieren (de tanden) als het ijzeren gebit in den bek des paards.
Gebroeke(n), gebruiken.
Gebroek, gebruik.
Gedôôns, drukte. Det is mich ei gedôôns dao. 't Is me een drukte daar.
Gêve(n), gaaf, gegêve(n), geven. Teg. Tijd: Ich gêèf, doe gêûfst, hè geûft, wè gêve(n), gè gêêft, zuj gêve(n). Onv. verl. tijd: Ich gaaf, doe gôôfst, he gaaf, wé gôôve(n), gè gôôft, zuj gôôve(n).
Gêêrd, gard, roede.
Geheiver, gehoor.
Géif,6) gaaf.
Geisele(n), geeselen. Van melk, welker quantiteit door middel van water bijna verdubbeld is, zegt men, dat ze is gegeiselt.
Gelje(n), golj, gegolje(n), gelden, kosten, koopen. Et guljt neet,
[p. 218]
het geldt niet. Wieveût guljt det laken? hoeveel kost dat laken? Hè heet zich ein bôks gegoljen, hij heeft eene broek gekocht.
Gelink, op sommige plaatsen voor eene omheining.
Gelp, vruchtbaar. Gelp land, een vruchtbare akker. Het kore(n) steit gelp, de rogge staat (is) goed.
Gemeuk, ingewand der dieren.
Gemeûrt, troebel. Het water is gemeûrt. Deze klank zweemt sterk naar de uu.
Genderm, gendarm, diender, van gens d' armes. Zie onder Erm.
Genôgt, genoeg.
Gerei, gereedschap.
Gerfkamer,1) sacristij.
Gerustigenacht, geruste nacht. Gerustengenacht, vindt men o.a. bij Huygens.
Get, iets, wat. Get geldj wat geld. Dao likt get, daar ligt iets.
Geûl, peettante.
Geveers, voertuig of rijtuig.
Gewikst, gepoetst. Schoenen worden met wiks bestreken en dan al wrijvend met een borstel glimmend gemaakt. Men noemt dit wikse(n). Van iemand, die goed bij de hand is, goed zijn woord weet te doen, zegt men! he is gewikst genôgt.
Gezwaai, zwad, snede gras.
Gichele(n), ook soms gibbele(n) aanhoudend en bedekt lachen. Men vergelijke met Holl. ‘gijbelen’, ‘gichelen’ en Eng. ‘to giggle’.
Giege(n), hijgen. Hè giegt nao zienen oam, hij hijgt naar adem.
Giepe(n), ergens verlangend naar staan zien.
Giftig, zeer boos, nijdig.
Gloôm, bijt, een rond gat in het ijs gekapt.
Gaon, ging, gegangen, gaan, Teg. Tijd: Ich gaon, doe geist, hè geit, wè gaon, gè gaot, zuj gaon.
Onv. verl. Tijd: Ich ging, doe gingst, hè ging, we gingen, ge gingt, zuj gingen.
Gaos, gaoz, geûske, gans.
Gôônsdag of Gôônsdig, Woensdag.
Gôsting, smaak, zin. Ich höb der gein gôsting in, ik heb er geen trek in.
Groôs, groôze(n), greûske, gras, en daarvandaan overdrachtelijk de plaats, waar het gras groeit, de weide.
Graav, grave(n), greêvke, sloot, gracht.
Grab, grabbe(n), grebke, grap.
Granjte(n), plagen, bedelen om iets te mogen hebben, voornamelijk van kinderen.
Grauwele(n), knorren, pruttelen. Het beschaafd Ned. heeft ‘grauwen’ (norsch, onvriendelijk spreken) en het Eng. ‘to growl
Grellig, rood, gezwollen. Dit zegt men van een zweer, eene wonde of etterbuil, zeer rood en gezwollen zijnde.
Gröntje, grondeling (visch).
Gribbele - grab, (gooie(n), iets te grabbel werpen. Ook zegt men wel ‘heûrke plökke(n)’ (haartje plukken) omdat bij dat spel nog al eens een haar in den steek blijft.
Groezelig, gruwzaam, vreesaanjagend. 't Is zoo groezelig (donker) van aovend.
Grôment, nagras, Hgd. grummet.

H.

Haan, hane(n) heênke, haan. Bij het beugelspel zegt men, dat hij, wiens bal het dichtst bij den ring ligt, den haan heeft.
Haarbol,2) een ijzeren voorwerp, waarop de landman zijne zeisen
[p. 219]
en andere scherpe werktuigen haart, d.w.z. scherp maakt, door er met eenen aan beide einden dun toeloopenden hamer op te kloppen. Dezen hamer noemt men haarhamer.
Haarinkele(n), een woord, samengesteld uit den stam van het werkw. haren en het zelfst. nw. inkel (enkel). Deze werking geschiedt door met den klomp van den eenen voet tegen den enkel van den anderen voet te stooten, (bij het loopen natuurlijk) waardoor dikwijls een hevige pijn veroorzaakt wordt.
Hachel, deze a wordt niet uitgesproken als de a van kachel, maar lang) hagel. Bij het braken van het vlas valt de bast der plant in kleine stukjes af; deze nu noemt men ook hachele(n). Ook hoort men ergens den hachel van geven voor: den brui van geven.
Hak, landbouwgereedschap, waarmee het land wordt omgehakt, in plaats van omgeploegd.
Hakkepak, gepeupel, schorremorrie.
Halfe of halfer, de huurder eener pachthoeve. Waarschijnlijk van half, daar hij en de verhuurder elk zoowat de helft der winst genieten.1)
Halfelfke, een kop koffie met een hartig stukje, ongeveer tegen half elf te gebruiken.
Halsplak, das. Elken doek noemt men een plak; zoo is er een teschplak, (zakdoek), terwijl een plak kortweg een vrouwendoek of omslagdoek beteekent.
Hampel, hampele(n) hempelke, handvol.
Hannik, een tamme ekster.
Haomelzeiksel, mier. Op sommige plaatsen noemt men dit diertje ‘zeiksdumjo.’ Bilderdijk spreekt van een ‘pismiere’ en de Engelschen hebben nog ‘pismire’. Al deze namen herinneren aan het werkwoord ‘pissen’. Vgl. ook Onze Volkst., bldz. 235: Zḕikwȫrm.
Haos, haose(n), hêuske, handschoen.
Héip,2) kleine bijl.
Heêr, heen.
Heêrd, vloer.
Heim, thuis. Men denke hierbij aan de woorden ‘heimpje’, ‘heimwee’ en ‘heimwaarts’ (Duitsch heimwärts), waarvoor men hier algemeen hoort ‘heivers’.
Heister, heester, jonge boom.
Hêghschool, haagschool. Hêghschool houden, doen kinderen, die heimelijk de school verzuimen. Spijbelen.
Herst, een stuk vleesch in pannekoek. Vier hersten in eine koôk, vier stukken spek in één pannekoek
Herstikke(n),3) in de uitdrukking herstikke dood steken of schieten = morsdood steken enz.
Heûmel, hommel.
Höre(n), van hoorn (stoff. bvn.
Hie, hier.
Hieër, hierheen
Hingele(n), aarzelen, sukkelen. Waat staot ge dao te hingele(n), wat sta je te kijken en weet niet of ge komen zult of niet.
Hoôfslaag, dat gedeelte van den weg, waar de paarden loopen.
Hoôrra of hôrra, een geplooid en versierd lint op een vrouwenmuts.
Hoetele(n), ruilen, kwanselen.
Hoevere(n), kouwelijk zijn of gebruik maken van eene stoof.
Haok, heûk, heûkske, haak. Heûk op de tänj höbben = haar op tanden hebben.
Haor, vkw. heûrke, haar. Dit woord is vrouwelijk in gebruik.
[p. 220]
Haost, haast. Ook aas uit het kaartspel, en dan heeft men het meerv. heûst.
Hole(n), halen.
Hommele(n), donderen.
Hondjsbloôm, paardebloem.
Hoos,1) hoze(n), heuske, kous.
Hosdie, hostie.
Huid, (de d wordt zeer zacht uitgesproken) hoofd. Ook kool, en dan hoort men in 't mv. huier en voor 't verkleinwoord heûtje. In het Mnl. bezigde men hoot voor hoofd en dit komt ook nog voor bij Brederô,
Huje,2) straks, van heden vroeger huiden?
Hul,3) doek van wit linnen om het hoofd der kloosterzusters.
Humme, hemd.
Hummere(n), hinniken van paarden.

I.

Iême of iêmes, iemand.
Iesder, ijzer.
In euvertel, overtollig, meer dan men noodig heeft.
Inseling, eindelijk.

J.

Ja, Jao. Dit laatste is het gewone bevestigende ja. Het eerste drukt in 't geheel geene bevestiging, doch eer iets twijfelachtigs uit, b.v. ja, ich zel ens kieke(n) voor: ik weet het niet zeker, ik zal eens zien.
Jakken, aanhoudend rondloopen.
Jaomer, jammer. O jemmig!4) voor helaas!
Joeks, pret.
Jonkere(n), janken, het klagend geluid der honden.

K.

Kaof, kaover, keûfke, kalf.
Kaar, korf. Bieëkaar, bijenkorf.
Kaffe(n), blaffen.
Kassei, groote straatsteenen. Vandaar wordt de weg zelf wel eens kassei genoemd.
Kalle(n), praten, babbelen, kouten.
Kamp, een gewoonlijk door eene heg omringd stuk land. Ook kam.
Kantoorschriever, spottenderwijze gezegd van een zeer mager varken.
Kardien, gordijn.
Kardienepreek, bedsermoen.
Karmenaai, karbonade.
Kavele(n), - Vele kaartspelen en ook het beugelspel wordt met 4 personen gespeeld, waarvan twee aan twee samen spelen. Twee winnen alzoo en de twee andere verliezen. Willen deze twee nu zien wie alles betaalt, dan beginnen zij met hun beiden eene nieuwe partij en dit noemt men kavelen.
Kegh, de kleinste jonge vogel uit een nest.
Keime(n), kammen.
Kéis, kaas. Een soort kaas, bereid van karnemelk, wordt hier zeer veel gebruikt. Zoetemelksche kaas noemt men meestal Hollense kéis.
Kêlle, ketel.
Kennep, gewoonlijk knep, hennep. (Lat. cannabis.)
Keps,5) wie al zijn geld, knikkers of wat ook verloren of uitgegeven heeft wordt gezegd ‘Keps’ te zijn.
Ketele(n), kittelen. Dat dit woord vroeger algemeen gebruikt werd blijkt duidelijk bij Bilderdijk.
[p. 221]
Keukerke, naaldenkoker.
Kichele(n), aanhoudend lachen.
Kijss, op sommige plaatsen voor muts.
Kirkwas, bloem, pioen.
Kirkel, krekel.
Kiskenade, kaskenade (fr. Gasconnade.
Kitz, het klokhuis van appels, peren enz.
Klak, muts.
Klaterschôttel, schaal, waarmee in de kerk wordt rondgegaan om de giften der geloovigen te ontvangen. Een schotel, waarin de centen klaterend neervallen.
Klatz, klatze(n), kletske, klap, oorveeg; Een weinigje: dao is nog ei kletske in 't glaas, er is nog een weinigje in 't glas.
Klee, klaver.
Kleveren, klaveren in het kaartspel.
Kliester, lijster.
Klingelbuul, hetzelfde als klaterschôttel. Samengesteld uit het werkw. klingelen en het zsnw. buul, alzoo een buul (buidel), waaraan onder een belletje is bevestigd, dat klingelt.
Klocht, troep, vlucht. Ein klocht veldhoender, een vlucht patrijzen.
Klöppel, knuppel.
Kloters, groote ronde bellen aan het haam des paards bevestigd.
Knaptoet, klapbuis; het bekende speeltuig: proppeschieter.
Knecht (luie), een werktuig, door de smeden gebruikt om karren enz. op te lichten.
Knevel, snor; stoere knaap. 't Is eene knevel van ene jong, het is een stevige jongen.
Knieboone(n), groote- of tuinboonen. Deze boonen dragen verschillende namen, als door zijn: lapboonen, wölle (wollen), boonen, dikke boonen enz.
Kniep, knijp, zakmes.
Knieze(n), ontmoedigd zijn, en om zoo te zeggen in gedachten verzonken, treurig en terneer geslagen zijn levenspad bewandelen.
Knoefele(n), kreuken, frommelen.
Knungel, prul, vod; een mensch, voor wien men niet bijster veel achting gevoelt.
Kôkkoekszeiver op andere plaatsen klet genoemd; eene harsachtige zelfstandigheid uit den kerseboom.
Koelekop, de kikvorsch in zijne eerste gedaante.
Kôêkeblôôm, sleutelbloem.
Koet, koete(n), kuutje, eene laagte ergens in; een gat of diepte.
Koffie drinke(n), ontbijten.
Kokkerel, tol (speeltuig voor kinderen).
Kolleblôôm,1) waterlelie of plomp.
Köls, kuis, knikker.
Kölsen, knikkeren.
Kôme(n), kwaom gekôme(n),komen. Teg. Tijd: Ich kôôm, doe kumst, hè kumfpt, wè kôme(n), gè kôômpt, zuj kôme(n). Onv. Verl. Tijd: Ich kwaam, doe kwoomst, hè kwaam (of kwoom) wè kwome(n), gè kwoomt, zuj kwome(n).
Komies spelen, krijgertje spelen.
Konkele(n), dikwijls en sterke koffie drinken.
Konnen, kôst, gekôst kunnen. Teg. Tijd.: Ich kan, doe konst, hè kan, wè konne(n), gè konjt, zuj konne(n). Onv. verl. tijd: Ich kôs, dee kôst, hè kôst, we kôste(n), gè kôst, zuj kôste(n). Deze onvolm. verl. tijd vindt men nog gebruikt door Bredero, Camphuyzen, Brandt, e.a.
Kore(n), rogge. Een kore(n) is een korrel en heeft voor mv. kores, en voor verkleinwoord körke.
Korsemis, kerstmis.
[p. 222]
Kortvleugele(n), kortwieken.
Kouk, kouke(n), kuikske, eene diepe plaats in eene beek of andere rivier, gewoonlijk aan eene kromming.
Kraakwage(n), een gebrekkige vrouw.
Krabbe(n), op andere plaatsen kaoë(n) genaamd, zijn de brokjes, welke overblijven, nadat het vet der varkens is uitgesmolten.
Kraft, krafte(n), kreftke, karaf.
Kral, kralle(n) krelke, een kraal, waarvan halssnoeren worden vervaardigd; lijsterbessen; de blaasjes in bier en andere geestrijke dranken.
Kramp, kremp, krempke, kram, haakje voornamelijk gebruikt aan vrouwenkleedingstukken.
Krangs,1) 't binnenste buiten.
Krant, krante(n), krentje, stuk Pr. zilver van 30 centen.
Kree, dichtbij. 't Ging der kree nêven, 't Ging er dicht voorbij.
Kreite(n), plagen. Men zou zeggen, dat kreiten het causatief was van krieten het gevolg van 't kreiten is krieten en omgekeerd van 't krieten is kreiten.
Krêûtske, eene zeer kleine, dikwijls wormstekige vrucht.
Kriege(n), kreeg, gekregen, krijg en Teg. Tijd. Ich krieg, doe krist, hè krigt, we kriege(n), zè krigt, zuj kriege(n).
Krîênsele(n), een gedeelte onzuiver graan, dat na het gebruik van den wanmolen overblijft. Ook is krîênselen een werkw., dat beteekent op stoel of bank heen en weer zitten schuiven.
Kroet, kruid, stroop.
Kroenekrane(n), kranen (trekvogels)
Kroepe(n), kroop, gekropen, kruipen. Teg. Tijd.: Ich kroep, doe kruupst, hè kruupt, wë kroepe(n), gè kroept, zuj kroepe(n).
Krom, gebogen mes om gras of biezen te snijden.
Kromp, krom, gebogen.
Krôônsele(n), kruibessen.
Krumpe(n), krimpen, opraken: 't Brood begint te krumpe(n). Ook kleumen: waat staot gè doo te krumpe(n).
Krub, kribbe.
Krukker, kruiwagen. 't Is duidelijk, dat dit woord eene samentrekking is van kruikar.
Kukekremer, poelier.
Kume(n), kermen, zuchten, stenen.
Kutele(n), wentelen, buitelen.
Kuus, zware stok, ook eene streep, waardoor wordt aangeduid hoeveel partijen een speler heeft gewonnen of verloren.
Kwakel, prul, flard, vuil wijf.
Kwaghelen, aanhoudend vuil, regenachtig weer zijn.
Kwakkert of kwakvorsch, kikvorsch.
Kwêêle(n),2) uitteren, kwijnen; zeer stellig in verband met het Duitsche quälen, en met ons kwaal.

L.

Lanteêr, lantaren.
Lêghge(n), lacht, gelacht, leggen. Teg. Tijd: Ich lêgh, doe lêghst, hè lêght wè lêghge(n), gè lêght, zuj lêghge(n). Onv. verl. Tijd: Ich lacht, doe lachst, hè lacht, wè lachte(n) gè lacht, zuj lachte(n).
Léig, laag.
Léigdje, laagte.
Leier, ladder.
Lempes, een man, die zich kinderachtig gedraagt.
[p. 223]
Lesse(n) (kalk), kalk blusschen.
Lêun, leuning.
Leuter, zeepsap.
Léwerk, leeuwerik. Bij Bilderdijk vindt men ook ‘liwerke’.
Lêze(n), loôz, gelêzen, lezen. Teg. Tijd: Ich lêez, doe leûst, hè leûst, wè lêze(n), gè leêst, zuj lêze(n). Onv. Verl. Tijd: Ich loôz, doe loêst, hè loôz, wè loôze(n), gè loôst, zuj loôze(n).
Lezend, lijnzaad. Lezeskoôk, lijnkoek. Lezesmeêl, lijnmeel.
Liêge(n), loog, gelogen, liegen.
Lievenheersmäsche, op andere plaatsen Lêvelerswörmke genoemd, lievenheerskevertje.
Liekteiken, likteeken.
Liêmendj, wiek in de lamp.
Liemgeêrd, lijmroede.
Litsen, schouderbanden om de broek op te houden; bretels.
Lievent, lijnwaad.
Loependj, Eine loependje mins is een man, die stil zit te kijken, maar gewoonlijk toch niet veel te vertrouwen is, die het achter den mouw heeft.
Lommel, prul, slecht werk.
Lommele(n), sukkelen, niet vooruit gaan met het werk.
Lommert, lombert, bank van leening; een krentekoek van een paar centen.
Looie(n), de eikeboomen in het voorjaar van hunne schors ontdoen. Deze schors noemt men namelijk looi.
Loupe(n), liêp geloupe(n), loopen. Teg. Tijd: Ich loup, doe luipst, hè luipt, wè loupe(n), gè loupt, zuj loupe(n). Onv. verl. Tijd: Ich liêp, doe liêpst, hè hêp enz.
Lucht, een kleine lantaarn om in 't donker op straat, in schuur of stal te gebruiken.
Luchtworm, glimvorm.
Luchthout, glimhout.
Luchter,1) kandelaar.
Luit, pret, allerdolst pleizier.

M.

Maal, zak in een kleedingstuk.
Maar,2) nachtmerrie. De maar heet hum gereje(n), de nachtmerrie heeft hem gereden, voor: hij heeft de nachtmerrie gehad.
Meêgtje, meisje.
Man, man, menke,3) man. Dao woren mer twee man in de kamer, er waren slechts twee personen in de kamer. Ook een man van koek, mv. mander, vkn. menke en in 't mv. dikwijls menderkes.
Mantoering, monteering, kleeding, pak.
Maor, malder. Eene maat, houdende 6 vat, een vat is van 25 tot 27 Liter.
Maste(n), vet mesten.
Matsoot, domoor, sul. Zie Van Dale.
Miêjen, huren van dienstboden.
Miêjpenning, huurpenning.
Meêlder of meêrling, meerle.
Meêr, (fr. mère) merrie.
Mem, vrouwenborst.
st. Merte, st. Martinus. Van daar st. Mertesvuûr, vuur, dat op den vooravond van den 11 Nov. gestookt wordt, en st. Merteskôok, koekjes, op dien zelfden avond gebakken.
Mêts, metser, metske, mes.
[p. 224]
Metterhaost, inderhaast.
Meûn (de sterk naar u over), peettante of eenvoudig tante.
Miemere(n), aalbessen.
Miêr, mierik (onkruid.)
Mietere(n) in 't Kan mij niet mietere(n), 't Kan mij niet schelen. In verband met mijt, een geldstuk. Zie op dit art. Van Dale.
Mieterig in mieterig er uitzien, voor vervallen, haveloos voor den dag komen.
Misniête(n), ontgelden, bezuren. Den onschuldige mot et dek misniête(n) voor: de onschuldige moet dikwijls het gelag betalen.
Moar, moor, neger; waterketel koffiepot. Bij vele landbouwers gebruikt men om water te koken een bolronden ketel van gegoten ijzer, die over een haardvuur wordt gehangen.
Moalje of moelje, trog, waarin het brooddeeg wordt gekneed.
Moele(n), veel praats hebben.
Moele(n) (maken) - gezichten trekken.
Momer, momber, voogd.
Mondj, munj, mundje, mond. Ei mundje is ook een kus. Een hoeveelheid van 10000 baksteenen heet ook ene mondj stein.
Moôs, moes, iedere koolsoort.
Mösch, musch. Iederen vogel evenwel wordt hier die naam gegeven.
Môtse(n), slapen onder den arbeid.
Munjig, mondig, meerderjarig.
Mûng, vermoeid.
Muûre(n)1) troebel maken (van het water).

N.

Naaks, naakt. Naaks bier noemt men gewoon bier zonder suiker.
Naas, naze(n), neêske, neus.
Naober, nabuur, buurt. Eerste naober, eerste buurman; in de naober, in de buurt.
Naolj, naolje(n), neûldje, naald.
Nein of op andere plaatsen naanzt, neen.
Neijerink, vingerhoed.
Neuje(n), nooden, noodigen.
Neûlen2), zaniken.
Nörges, nergens.
Neutelijk, slecht gemutst. Dit woord staat waarschijnlijk in verband met noode = ongaarne, onwillig.
Niêmes, niemand.
Niêringe(n) of ook nerike(n), herkauwen. Verbasterd uit ederikken.
Nina, wieg.
Noe, nu; nieuw. 't Verschil in uitspraak van dit woord is opmerkelijk. Wanneer het voorkomt met de beteekenis van nu, meent men achter de oe nog een e-klank te hooren; in het andere geval wordt de oe zeer kort uitgesproken.
Noodstal, stal of liever plaats, waarin de hoefsmid de paarden beslaat. (Fr. travail.)
Noster, nösterke, rozenkrans. Op vele plaatsen zegt men: oster, österke, waarschijnlijk ontstaan door het weglaten der n tengevolge van het stootende in ein nösterke. Zie hier verder den oorsprong van dit woord: Een ‘Onze Vader’ noemt men ook wel een ‘Pater noster’. Door dit gebed dikwijls achter elkaar te bidden ontstond het werkwoord ‘paternosteren’ of kortheidshalve ‘nosteren’. Daar de rozenkrans juist dient om er aan te ‘nosteren’ heeft men hem een noster genoemd. Nosteren nu wordt veelal fluisteren of half hoorbaar verricht en daarom zegt men van iemand, die zich door zijn aanhoudend gepruttel onuitstaanbaar maakt, dat hij voortdurend zit te nosteren.
Noveen, negendaagsche bidoefening.
Nöt, leelijk, vuil, morsig.
[p. 225]
Nöttert, morsebel, vuilprater.
Nuizik het enclytisch uitgesproken woord neusdoek. Een doek, dien de vrouwen om schouders en borst dragen. De eigenlijke neusdoek heet teschplak.

O.

Ood, oud. Opmerking verdient, dat men b.v. in Roermond zegt aad, zaat, kaat; in Venloo integendeel alt, zalt, kalt, terwijl men in deze streken niet anders hoort dan aod, zaot, kaod.
Oor, aore(n), eûrke, aar.
Oar, oare(n), eûrke, oor.
Oost, eûst, eûstje, oest, knoest in 't hout.
Oetruup, openbare veiling.
Oetblakere(n), zonder schaamte zeggen wat men denkt.
Oetrijfelen, uitrafelen.
Ommezus, Hgd. umsonst.
Ongebeijd, sterk, krachtig. 't Is ener ongebeijde; 't Is geen katje om zonder handschoenen aan te vatten.
Ongeheurig, buitengewoon Vergelijk met het Hd. ‘ungeheuer
Onjerwêges, onder weg.
Ongelök, ongeluk.
Ont, ook onpaar, oneven.
Ontrint, uit on (om) en trind, dat rond beteekent.
Ontvenjer, ontvanger.
Oop, open.
Onverschillig. Dit woord wordt hier juist gebezigd in de beteekenis, die het in Gelderland heeft. 't Is onverschillig wil zeggen: 't Is geheel verschillend.
Orgelist, organist.
Ougst, oogst.
Ovebekkerke, vogeltje, dat zijn nest maakt in hoog opgeworpen wallen van slooten.

P.

Patersvêêtje, (oet), drank van de beste soort.
Ped, pad. En ped kruupt euver de paad. = Eene pad kruipt over het pad.
Peddekéis, paddestoel.
Pêêrstuug, paardentuig.
Pêêrskoupman, paardekoopman.
Pekel, - Iets oet de pekel motten haolen = iets peperduur moeten betalen.
Pert bakke(n), - Iemes een pert bakke(n) = Iemand eene poets bakken, partenspelen.
Peske1) Iets op zie peske dôôn, beteekent: Iets op zijn gemak doen.
Pêûlf, peluw.
Pîêske, een klein verachtelijk ventje.
Pinkele(n), pingelen, afdingen. (Zie Van Dale).
Pinksteblôôm, sering.
Pisser - eine pisser maken = eenen slipper of sluiper maken; zich ongemerkt uit de voeten maken.
Plak, een doek: Een vrouwendoek heet eenvoudig plak; een halsdoek of das kalsplak, en een zakdoek teschplak.
Plak, plek, plekske, - Eine plak landj = een stuk land.
Plakke(n), voortgaan: 't Plakt nêêt gôôd = dat gaat niet vlug in zijn werk. Men versta dit aldus: op deze wijze kan men niet in korten tijd eenen plak bearbeiden.
Plaoster, pleister.
Plavie, hak onder schoenen en laarzen.
Pochel, bochel, rug. Hè krigt get op ziene pochel = hij krijgt eene kastijding op den rug.
Poeleke, liefje.
Poejakke(n), slooven, zwoegen.
Poepak, hop (vogel).
Poerke(n), dooreen halen, in de kachel b.v.
Pôffe(n), eene stofwolk doen opgaan.
[p. 226]
Pöl, jonge kip.
Pongel, prul, vodde.
Poor, prei.
Porderm, jachtbewijs (Fr. porte d'armes).
Port, porten, pörtje, poort; ring op eene beugelbaan.
Pordeviseé, verbastering van porte brisée.
Praam, toestel, door middel waarvan de molenaar den molen tot stilstaan brengt.
Preugelen, prugelen, iemand slagen toedienen.
Punjer, unster.

Q.

Quansies, quansuis.

R.

Raar, lustig, aardig. Ene rare snaak, een lustig mensch. Aardig wordt in deze streken gebezigd voor zeldzaam, vreemd, zonderling.
Raat, rajer, reêdje, rad, wiel.
Rabbie, persoon, wiens eerlijkheid in twijfel getrokken wordt.
Rap, afval bij het bewerken van het vlas.
Rapzak, niet te vertrouwen kwant.
Raozendj, dol. Eine raozenjden hondj, een dolle hond.
Rats, geheel en al. Zie geljd is rats op, zijn geld is heelemaal op.
Ratse(n), voor de grap iets wegnemen.
Reêk, hark. Dit woord staat in verband met rake of reke. Vergelijk ook oprakelen, inrekenen enz.
Reêp, werktuig bestaande uit een grooten ijzeren kam, tusschen welks tanden het vlas wordt doorgetrokken, om de zaadbolletjes er van te scheiden. Deze bewerking noemt men reêpen.
Réip,1) visscherstuig: een lang touw, waaraan kleine touwtjes, van angels voorzien, worden bevestigd.
Reip. reep, hoepel.
Reilik, rein, zindelijk.
Reumer, roemer, wijnglas.
Reûpzaod, raapzaad.
Reûpsolie, raapolie.
Reûpskook, raapkoek.
Rie, rij.
Rieje(n), reei, gereeien, rijden.
Rief, rijf, rasp, om suiker, aardappels, enz. tot poeder te wrijven. Rief zijn zegt men van hem of haar, die niet tegen groote uitgaven opzien. Rive beteekende vroeger ruim.
Riêk, drietandige mestvork. Zie onder Reêk.
Rieëere(n), sidderen, beven, rillen.
Rieze(n).2) Dit woord heeft 3 verschillende beteekenissen: 1. Rijzen: het deeg is gerezen. 2. Ergens door vallen: het fienste meêl riest door het zeef 3. Uitvallen: ‘het koren riest’ = het graan valt uit de aar.
Rink, ringh, ringske, ring.
Rîs, rusch, zode.
Roe,3) eene aanstekende ziekte: de schurft. Ook hoort men hier en daar kretz van kratzen als in Hgd.
Roôi, roôie(n), rûuike, molenwiek. Hê heet ene slaag van de rôoi = hij is niet bij zijn verstand
Roeps, roepse(n), ruupske, rups.
Röghstrank, ruggegraat.
Roof, rok: enen roof wol is de wol van één schaap geheel.
Rooíen hondj, roodvonk.
Roôpe(n), riep, geroôpe(n), roepen Teg. Tijd: Ich roôp, doe ruûpst, hè ruûpt.
Rouk, rook.
Rouke(n), rooken, en het Nl. rooken
[p. 227]
(vleesch rooken) wordt hier vertolkt door ruike(n).
Roum, room.
Rouve(n), rooven, stelen. Een roover noemt men eenen ruiver.
Rozip, reseda. (Fr. rose d'Egypte).
Rub, rib.
Ruite(n), stoeien.
Ruzele(n), ruien.

S.1)

Satien, satijn.
Schaafsel, krullen. (Eng. shavings).
Schaal, schale(n), scheêlke, eierdop. boomschors, behalve de schors van eikeboomen, die men looi noemt. Zie aldaar.
Schampe(n), van ter zijde even raken. Vandaar mislukken: 't Is hum geschampt = 't Is hem niet gelukt. Verder nog beschimpen.
Schante(n), kwaad spreken.
Schaap, schap, plank in eene kast.
Schaof, schaoven, scheûfke, grendel.
Schaop, schaop, scheûpke, schaap.
Schebbig, ellendig, slecht. (Hd. schäbig).
Schei, dwarshout in den bodem van een boerenwagen.
Schêmel, ellendig, doodziek. Vergelijk met schamel.
Schêuteling, varken, dat reeds eenigen tijd gespeend is.
Schiête(n), (kaart), de kaarten dooreen schudden.
Schiêm, schaduw.
Schiêmere(n), schemeren.
Schob, overdekte plaats tot berging van brandhout enz.
Schôbbe(n), wrijven en schuren, alsof men iets onreins aan 't lichaam had.
Schumer, wie uitgaat om hier of daar iets te ontvreemden. Men denke aan zeeschuimer, tafelschuimer enz.
Schoôrre(n), schuren.
Schôft, schoft, onbeschaamd mensch.
Schollek, schorteldoek, voorschoot.
Schöp, schup, spa.
Schöppe(n), schoppen.
Schoe, schoôn, schuuke, schoen.
Schoer, bui, vlaag. Ook in Gelderland.
Schobbe(n), korenschoven.
Schokkeere(n), belasteren (Fr. choquer.)
Schout, schuld.
Schouw, (op): hè is op schouw zegt men van iemand, die een dag of wat aan den draai is en zijne bezigheden verwaarloost.
Schraap, dor, droog.
Schreûm: hè heet schreûm = hij bezit veel geld.
Schreur, kleermaker.
Schreursgaat, opening in de rokken der vrouwen.
Schufele(n), fluiten op de vingers.
Semmelijk, tamelijk (Hd. ziemlich).
Sibot: op ene sibot = haastig, schielijk.
Sigaard, sigaar.
Sint, sinds.
Sjoeg, uitroep van koude.
Slaon, sloôg, geslage(n), slaan. Teg. Tijd: Ich slaon, doe sleist, hè sleit; wè slaon, gè slaopt, zuj slaon. Onv. Verl. Tijd: regelmatig.
Slaope(n), sliêp. geslaope(n), slapen. Ich slaop, doe sleepst, hè sleept, wè slaope(n), gè slaopt, zuj slaope(n).
Slec, sleeuw (van tanden).
Sliddere(n), glijden over het ijs, slieren.
Slôf, slôffe(n), slufke, muil, pantoffel.
Slôkke(n), snoepen.
Sloot, sleui, sleutje, slot. Eene sloot of gracht wordt graaf genoemd.
[p. 228]
Slum, slim.
Smeet, smeei, smeetje, smid.
Smêle(n), kijnen, pruttelen, smalen.
Smik, zweep.
Smikke(n), met de zweep slaan.
Smispele(n), fluisteren.
Smoele(n), veel praten, zwetsen, veel beweging maken met den mond (smoel).
Smôtsig, vuil. (Hd. schmutzig).
Snaai, zeer dun takje.
Snaatse(n), eten van onrijp en ook wel van rijp ooft.
Snaor, snaar.
Snakker, slank (voornamelijk van boomen).
Snee, (m.) sneeuw.
Sneu, slim, schrander. Zie van Dale onder snood.
Snuflen, een snuifje nemen, en daarvan het frequentatief snuffelen.
Snuffelter of snuffeltes, kapel. Een diertje, dat aan elke bloem bijna gaat snuffelen.
Snul, onnoozele hals.
Snunjel, idem.
Snutte(n), iets onaangenaams zeggen, een verkeerd bescheid geven. Ook de kaars snuiten.
Snuje(n), snoeien.
Sôkker, suiker.
Sôkkerpêêk, of pêêksôkker, drop. Pêêk of pik, die een suikerzoeten smaak heeft.
Sop, soep.
Soppe(n), door dik en dun loopen.
Spaansch: 't Zel hum dao Spaansch veurkomen = 't Zal hem daar niet best bevallen. Hè sprikt Fransch as en koe Spaansch = Hij kent maar zeer weinig van het Fransch.
Spaarzie, zwart naaigaren. Waarschijnlijk samengesteld uit sparen en zie = zijde; derhalve een soort garen om het zijden naaigaren te vervangen, om dus de zijde te sparen.
Spaon, spaonder, spêûnke, spaan.
Speik, dwarshout, in de wielen der voertuigen.
Speike(n), (ww.) aan de genoemde dwarshouten werken, om een vrachtwagen van plaats te brengen.
Spenjel of spang, speld.
Spie, wigge.
Spieë(n), spuwen, doch hoofdzakelijk braken (Fr. vomir.)
Sokkerei, suikerij of cichorei.
Soldaot, soldaote(n), soldêûtje, soldaat.
Spoor, speur, speurke, voetspoor.
Spieker, klein huis. Doevespieker = duiventil.
Spiêrke, sprietje. Ich gêêf der gei spierken om = Ik geef er geen zier om.
Spinnegewêêf, spinnewebbe. Samenstelling van spin en gewêêf = weefsel. Ook hoort men in dezelfde beteekenis spinnekop gebruiken.
Spinnekop, glas of ruit boven de deur.
Spinnejeeger, raagbol.
Spôôl, spinnewiel.
Spreen, spreeuw.
Sprinkele(n), water droppelsgewijze uit elkander werpen.
Sproet, sproete(n), spruitje, spruit.
Sprok, broos.
Sproot, sport van een stoel of ladder.
Spuit, waterspuit (speelgoed); ook gieter.
Srung, sprong. Hazensprung = het deel van het been der hazen, waarvan sigarenpijpjes worden vervaardigd.
Stanj, boterkarn. Men zegt hier ook niet boter karnen, maar bôtter stoate(n), wijl dit al stootende gedaan wordt.
Staol, staal.
Staon, stong of sting, gestange(n), staan. Teg. tijd: Ich staon, doe steist, hè steit, wè staon, gè staot, zuj staon. Onv. verl. tijd: Ich stong, doe stongst, hè stong, wè stonge(n), gè stongt, zuj stonge(n), of: Ich sting, doe stingst, hè sting, enz.
[p. 229]
Statie, station. Ook een der 14 schilderstukken in R.C. kerken, het lijden van Jezus voorstellende.
Stechele(n), twisten met woorden.
Stéïg, staag, aanhoudend.
Stein, stein, steinke, steen. Ene stein vlas is eene hoeveelheid vlas van 2½ K.G.
Steinwêg, kiezelweg, grintweg.