terug  begin  verderprepost

Aanvulling.
A.

Almsgaat, almsgater, almsgêêtje, klankgat in den klokketoren. Van alarmsgat.
Aaftrêkke(n)! 1. Afdingen: wè laoten hie niêt aaftrekke(n) = hier is vaste prijs.
2. Afstroopen: ei peêrd et vel aaftrêkke(n) = een paard het vel afstroopen.
3. Photografeeren: wè hebben ôs laoten aaftrekke(n) = wij hebben ons portret laten maken.

B.

Baar, eene groote aarden schotel. Bare(n) beteekent een buurpraatje houden. Van eene vrouw die lang van huis blijft, zegt men, dat zij bezig is een baar te binden. Baar wordt ook gebruikt voor geheel in: hè is baar erm enz.
Baas, de molenaar van 't dorp. Zijne vrouw noemt men bazin.
Battere(n), al kloppende veel geraas maken.
Bêdkoets, eene legerstede door een deur afgesloten.
Bedraag, oplettendheid, overleg. Dao beginjt toch ei bitje bedraag in nm te komen = Hij begint toch wat verstandig te worden. Vergelijk met het Hd. Betragen.
Bekinnen, bekennen. Ich waas héil verdooldj, ich bekinde mich aan mien eigen hoes nog neêt = = Ik was geheel verdwaald, zoodat ik mijn eigen huis niet herkende. Bij vele kaartspelen moet de door den eersten gespeelde kaartsoort ook door de anderen gespeeld worden, dit noemt men bekinnen, Ned. bekennen.
Beeldje, bidprentje.
Begaaie(n), vuil maken, bederven, zich slecht gedragen. Bij Maerland vindt men begaden voor mishandelen en in het Walenland hoort men nog voor slijk: begâ.
Beginne(n), begost, begost. Ook elders in gebruik.
Biêchten (zich), biechten. Algemeen wordt dit werkw. wederkeerend gebruikt.
Biês, biêsse(n), biêske, bies (eene plant).
Bies, bieze(n), bieske, bui.
Broet, broeten, bruutje, bruid. In het kaartspel de heer en de vrouw. Zijn deze van de troef, dan heet men ze belle broet. Het spel zelf noemt men broeten.
Bronke(n), trotsch en verwaand uitzien.
[p. 236]

C.

Chaldeês, een insect, dat het den paarden in den zomer dikwijls zeer lastig maakt.

D.

Dobbelen ougst, twee aren op een halm.
Dronkert, onkruid. Men zegt, dat bier, gebrouwen van gerst, waarin zich veel van het zaad van dit onkruid bevindt, de gebruikers spoedig dronken maakt.
Doôn, dee, gedaon, doen. Teg. tijd.: Ich doôn, doe duist, hè duit. wè doôn enz.
Onv. Verl. Tijd: Ich dee, doe deest, hè dee, wè deeje(n), gè deejt, zuj deeje(n).
Dröpke, borreltje. Een dröppelke is een droppeltje.
Dumpel, deuk in metalen potten of kannen. Ook het w.w. dumpelen is bekend.

E.

Eigelste, dezelfde. Et is den eigelste muis dè gister hie waas. Het is dezelfde man, die gisteren hier was.
Eikappel, galnoten op de bladeren der eiken.
Eivellig, onnoozel, eentonig, vervelen. Det is mich te eivellig aaf. Dat is mij te onnoozel. Vergelijk met Hd. einfältig.

F.

Féisten, streelen van honden.
Flap, sul, stumper, idioot.

G.

Gaon, ging, gegangen, gaan, Teg. Mijd.: Ich gaon, doe geist, hè geit, Wè en zuj gaon.
Onv. Verl. Tijd: Ich ging enz.
Gaonjde, en komende, de voorbijgangers, de wandelaars.
GaIderie, galerie.
Gebaort liggen, in de kist liggen. Zoolang een doode op het bed ligt, zegt men, dat hij op schouf ligt,
Geeigend, geschikt. Hè is goed geeigend veûr det werk.
Geêr, gaarne.
Gelu, gloeiend.
Genoffel, anjelier (Fr. girofflée).
Gescheid, slim, verstandig, bij de hand. De mins déi heel gescheid det er nao hoes ging. De man handelde zeer wijs, met naar huis te gaan. Det wicht is gescheid genôgt. Dat kind is goed bij de hand, weet zich goed te houden; Hoogd. gescheidt.
Göst. Een koe is göst, wanneer ze opgehouden heeft melk te geven en niet drachtig is. N. Holl. en elders gust.
Guimert, dwaas, bespottelijk, kinderachtig mensch.

H.

Happutruk zegt men tegen de paarden, wanneer ze achteruit moeten gaan.
Haru, hoort men zeer dikwijls de paarden toeroepen in plaats van haar hu, tegengestelde van hot.
Héis, héisse(n), héiske,1) het binnendeel van het been tegenover de knie.
Heischen (zich), Ich heisch mich, zegt de knaap bij het knikkerspel en vergt daardoor voor zich het recht, het terrein effen te maken, en zelfs op eene andere plaats te gaan staan, ten einde den knikker van zijn maat beter te kunnen raken. Verg. met eischen en zie N. en Z.
Heksel, haksel.
[p. 237]
Hitsen, hitte veroorzaken. Die kolen hitse(n) goôd = die kolen geven veel warmte.
Hitst, hitte, warmte.
Hote(n), in dichte drommen bij elkander staan kijken. De schaop wille(n) niêt weie(n), zuj stavn mer gedurig te hoten.
Hötsel, hoofdstel van een paard.
Huske, huisje. Ook in de uitdrukking: me zooî het huske van de zeel verborre(n), door het eten van te heete spijs namelijk. Ook in: het huske van zien zeel zuver haoje(n) voor: zich wachten voor de zonde.

I.

Ies. IJs. In het rijmpje:
Op sint Mathies,
Brikt of kumpt het ies
.
Men vergelijke hiermede het Hd.:
Matthies bricht's Eis
Find't er keins, macht er eins.
Jonessen,1) foppen, begekken. (bedrijvend werkwoord).

K.

Kaoi, koude, ook koorts.
Karnoffele(n), slecht behandelen, verfommelen, verkreuken.
Kiê(r)s, kers.
Kiê(r)seboum, kerseboom.
Kinue(n), kanj, gekandj, kennen. Ich kin hum neet en höb hum noot gekandj.
Kinue(n), een hazardspel; quinespel of lottospel.
Kirkhoof, kerkhof.
Kis, bil van menschen. Het achterdeel der groote dieren noemt men bats, maar een kalf, dat van achteren zeer zwaar is, heet een pêêrsbil = paardenbil.
Kisse(n), 't geluid, dat bradend vleesch maakt. Ook heet ijzer, in water gedompeld.
Kling, ketting, waarmee de paarden aan den wagen worden gespannen.
Klitshendje staon, wanneer een knaap een hoogen boom wil beklimmen, stapt hij eerst op de saamgevouwen handen van zijn kameraad, die zich tot dat einde voor den boom heeft geposteerd; daarna op diens hoofd en zoo kan hij gemakkelijk de takken bereiken. Dit kunstje noemt men klitshendje staan.
Kluut, bal, bestaande uit een mengsel van steenkolen en klei.
Konne(n), kost, gekonnen2) kunnen, Teg. Tijd: Ich kan, doe konst. hè kan, wè en zuj konne(n). Onv. Verl. Tijd: Ich kost enz.
Köstîêk, overloop van kussens. Comp. van kössen en tîêk = tijk.
Kreibek, kraaienbek, draadtangetje.
Kreunlik, moeielijk, lastig, ontevreden. Ene kreunlike mins, een lastig man, wien het zelden naar den zin te maken is.
Kroetnegel, de bloemen der sering. Deze hebben eene treffende overeenkomst met de bekende specerij, kruidnagels genaamd.
Kuiten, zonder zorg, zonder oplettendheid, wild spelen. Bij het beugelen en kegelen voornamelijk, doch ook op een muziekinstrument.
Kuit. In de lange winteravonden komen de vrouwen uit eene buurt met nog eenige vriendinnen bij elkaar op eene bepaalde plaats. Hier wordt koffie (soms jenever) gedronken, gegeten, gezongen en gesprongen: 't gaat er wel eens zeer wild toe. Deze bijeenkomst heet dan de kuit.
Kume(n), zuchten, stenen.
Kummen, schimmelplantjes op bier of andere dranken. (Kaam).
[p. 238]
Kuzele(n), streelen, aaien, liefkoozen.
Kwellen, kwol, gekwollen, zwellen, uitzetten. Het hout is gekwollen, het hout is gezwollen.

L.

Laf, zeer, drukkend. 't Is laf werm = het is zeer of drukkend warm.
Laweit, lawaai.
Licht, paardentuig, waarin de boomen van den wagen rusten.
Liek, lijk. Dit woord hoort men wel eens vrouwelijk gebruiken, doch meestal onz. Dat echter het geslacht oorspronkelijk vrouwelijk was, blijkt uit de uitdrukkingen: ter liek beje(n), ter liek neuje(n), ter liek gaon = naar de begrafenis bidden of noodigen of gaan.
Liggen, laag, gelêge(n), liggen. Teg. Tijd: Ich ligh, doe likst, hè likt, wè en zuj ligge(n). Onv. Verl. Tijd: Ich laag, doe loogst, hè laag, wè loge(n), gè loogt, zuj loge(n). In de uitdrukkingen: hè likt den heelen daog dao; hè likt altied te zanike(n) geeft liggen eene gewoonte te kennen.
Loesterlappe(n), oorlappen om den paarden het ter zijde zien te beletten.
Loeszak, kwajongen, bengel.

M.

Maon: Loup nao de maon sterre(n) plökke(n) zegt men tot iemand, wiens gezelschap ons lastig is.
Medalie, medalje.
Menneke: Het appelmenneke kumpt om zie geldj, Gij zijt ziek, ten gevolge van het eten van onrijp fruit.
Mesandj, mishand, ongemak. Ich höb der gei mesandj bie, Ik heb er in 't geheel geen ongemak van.
Moak, plaats, waar de kinderen onrijp ooft bergen, om het zacht te laten worden.
Moake(n), onrijp ooft bergen. Bilderdijk zegt van dit woord: Moken of meuken van den wortel mo, zooveel als broeien beteekenende, ook week maken, of week worden: waarvan moker, hamer, maag, enz. Dit werkw. maakt mook, broeiing, gloed.
Mogen, mogen, doch ook lusten: Ich maog geinen hering = ik lust geen haring. Men vergelijke hiermee de spreekwijze ‘tegen heug en meug.’
Moor, more(n), meurke, wortel, peen. Hoogd. Mohrrübe.
Momme gezicht, masker. Vgl. Mom aangezicht.
Môôrnaaks, moedernaakt.
Muik, onnoozel, kinderachtig ventje.
Muntj en kruuts, de beide zijden van een geldstuk.

N.

Nêêr, een kolk (draaikolk). Eene diepe plaats in eene rivier, gewoonlijk bij eene kromming, noemt men kouk.
Noescheerig, nieuwsgierig.
Nîêste(n), niezen.
Nistel, veter. Nistelgaat, vetergat. (Hd. Nestel).

O.

Onêve(n), heeft niet dezelfde beteekenis als in 't Nnl., maar beteekent leelijk, onaanzienlijk, b.v.: Det kleid is gaar nîêt onêven = Dat kleed is in 't geheel niet leelijk. Dit woord is immer van eene ontkenning vergezeld.
Opbêûre(n), in ontvangst nemen.
[p. 239]
Geljd opbeuren, geld in ontvangst nemen.
Oppernoe, op nieuw.

P.

Paart, part, aandeel. De meiste paart = het grootste gedeelte.
Paljas, stroobed op den vloer uitgespreid. Fr. paillasse.
Pave(n), aanhoudend schieten of ook wel sterk rooken naar het geluid bij 't uitblazen van den rook.
Parteclan, in den héile parteclan vooralles bij elkander.
Pêre(n), mv. van peer; ook een w.w. in de volgende uitdrukkingen: hè heet hum gepêêrd = hij heeft diep in 't glas gekeken; hè gaaf hum ein flinke pêêr of hè peerden hum doorewech = hij gaf hem een fiksche muilpeer.
Pîêgel, ijzeren pin, waarom het wiel van een kruiwagen draait; ook de stift in de tollen der jongens.
Piep, pijp, buis. Ein piep toebak = een pijp tabak.
Piepke verberge(n), een kinderspel, waarbij eenigen zich verstoppen, terwijl één moet trachten hen te vinden, in welk geval deze roept ‘piep!’ Verstoppertje spelen.
Plek, vlek in een klad b.v.
Ploetere(n), pochen, bluffen.
Poedelnaaks, geheel naakt.
Poake(n), zwoegen, tobben.
Pöl, jonge kip in tegenstelling van haan.
Poorgaandj, gaapster, onbezonnen meid.
Poutert, onverstandige vrouw.
Prie, prij: zeer gierig mensch.
Proficiat winsche(n), geluk wenschen, feliciteeren.
Prusse(n), knoeien, sukkelen, inzonderheid bij 't bereiden van 't eten.
Pruus, Pruis; Pruuse(n) = Pruisen.

R.

Rie, rij. Op ein rie = in ééne rij; op en rie = achter elkander. Rie noemt men ook den maatstok van een timmerman.
Rommentom, ongeveer (erom ende om).
Rôôpen, (op). Eigenaardig genoeg hoort men hier zeer dikwijls het ww. roepen met het voorz. op gebruiken, gelijk in 't Mnl.
Ruzing, ruzie.
Ries, rijst. De t van rijst is dan ook later aangehecht. Ten bewijze daarvoor dienen: Fr. riz, Ital. riso, Eng. rice, Hd. Reis, en vroeger bij Cats nog rijs.

S.

Santepetik, (sainte boutique) in den heele santepetik = de heele rommel.
Schêût,1) schot. Schimpschêût zegt men voor een steek onder water.
Schikschouere(n), op en neer trekken met de schouders, ten teeken, dat men aarzelt eene beslissing te nemen.
Schink, been, harde bestanddeelen der lichamen van menschen en dieren, waarvoor men in sommige streken ook knook, mv. kneuk hoort.
Schonk, ham. In streken, waar men beenderen kneuk noemt, zegt men in plaats van ham: schink.
Schouf, mv. schuif, lang, zuiver stroo, dat gebruikt wordt om er de bekende bosjes tot 't dichtmaken van 't dak van te maken.
[p. 240]
Op schouf ligt iemand, als hij dood en nog niet begraven is.
Schravele(n), frequentatief van schraven en hiervan ontstond de versterkte vorm schrabben.
Schöpke, een klein (half) bierglas.
Schreem, streep in de aarde getrokken. Schreemke steken is het bekende spel, waarbij met centen naar eene schreem (streep) wordt geworpen. Wie er het dichtst bij werpt, heeft het recht de centen het eerst op te werpen. Al de centen, welke met de zijde, geteekend 1 cent (kruuts) naar boven liggen zijn voor den opwerper.
Schroene(n), onrustig zitten, heen en weer schuiven.
Schroet, kalkoen.
Schwêrnoot, in: zoa hool dich de schwernoot eene hier algemeen in gebruik zijnde verwensching. Vgl. met Hd. Schwerenoth.
Seffes, dadelijk, onmiddelijk.
Serpent, slang.
Smaal, smal, uitgehongerd. Dao kwaam der smaal van aaf = daar kwam hij met schade en schande af.
Smeet, de werking van het smijten In ene smeet weêgs bedoelt men ongeveer zoo ver als men met eenen steen kan werpen.
Spiêl, spel. Spiêl haoën wil zeggen dansmuziek doen maken voor de danslustigen.
Sprunks, in galop. Hè kwaam dao sprunks aangeloupen = hij kwam daar in galop aan.
Staôn te kreien, nog niet betaald zijn.
Stêken, in de broodkorsten steken hum voor hij is brooddronken.
Stiep, stut, steun en van daar het ww. stiepen - ondersteunen.
Stök, stuk; vooral ook een stök van vieffranc = 2,40. Men zegt meestal kortweg b.v. 20 stökken
Stroot, strot.
Sponj, ijzeren staven in keldergaten en vensterramen.

T.

Tepelter,1) de vrucht van den eglantier, ook de boom of struik zelf. Vrucht en boom worden op andere plaatsen haneköl geheeten.
Teuterechtig, zeurend, teuterig.
Tied, tijd. Om diêstie = op het zelfde tijdstip, waar wij nu zijn, b.v. mörgen om diêstie ben ich hieje = morgen op dit uur ben ik hier.
Toot, mond, vooral een wat ver vooruitstekende mond. Men kan met den mond eene toot maken.
Torbel, troebel.
Toter, slijk, modder.
Trampele(n), trappelen, trantelen.
Trekken, trocht, getrocht, gelijken. Hè trekt goôd op zie broôr, hij gelijkt goed op zijn broeder.
Trekschei, hout, waaraan de strengen van ploeg en egge worden bevestigd.
Tuinen, toonen, schijnen. Det tuint zoo, mer het is toch zoo niet, dat schijnt zoo, maar het is zoo niet.

V.

Van vorres, van verre. Voor ver gebruikt men anders wiet.
Van 's gelieke, insgelijks. Wanneer iemand ‘goeden dag’ of ‘goeden avond’ wenscht, is ge-
[p. 241]
woonlijk 't antwoord: van 's gelieke.
Verdoôn, verhuren.
Verdotseld, sufferig door ouderdom, ziekte of armoede.
Verdutse(n), verklaren, duidelijk maken
Verf, verw. Geêl verf, eene ziekte.
Vergete(n), vergissen. Hè heet zich daomet vergeten, hij heeft zich daarmee vergist.
Verhapzakken, verknoeien, bederven; elders verhobbezakken.
Vering, iets om mee te varen, (rijden). Dè mins heet eige vering die man heeft zelf paard en wagen. Vering wordt ook gebezigd met de bet. van pret; vgl. met Hgd. Feier, feiern.
Vermêre(n), conj. van ver en wêren. (= worden), anders worden, Van kleur veranderen door schikken of anderszins.
Verom, weerom, terug.
Verscheert, de volgende zin zal het gebruik van dit woord duidelijk maken: het waas leelijk verscheert, mer het liêp goôd aaf, men verwachtte eenen slechten afloop, doch alles viel goed uit. Zou dit woord ook in verband kunnen gebracht worden met het Nld. beschoren en Hd. beschéren?
Verslakkere(n), verslensen, verdorren.
Verzieë(n), minder melk geven dan gewoonlijk. Het tegenovergestelde daarvan is vermelke(n).
Vets, zier. Ich geef der gein vets om, ik geef daar geen zier om.
Vlaak, vlak. De vlake haodj, de vlakke hand. Door dit ongelôk is de boôr vlaak bedorven, door dat ongeluk is de boer glad geruineerd.
Vol, veel.

W.

Wafer, wat voor een.
Wegstêke(n), zich stil uit de voeten maken.
Wicht, kind, mv. wichter.
Wie, als toen. Mie vader ging ewech, wie ich dao kwaam, mijn vader ging weg, toen ik er kwam.
Wiebes, dwaas, zot, onnoozele.
Wieëboum, wilg. Men zegt ook kortweg wie, wieë(n), zooals in het bekende kinderrijmpje:
Hout snieje(n), Door de wieë(n), Klompe(n) make(n), Det zel krake(n)
Mikshe bakke(n) Breudje bakke(n),
En dét same(n) In den hoven smakke(n).
Wild verke(n), wild zwijn, everzwijn.
Wiet en breit, wijd en zijd.
Wietëwech, verreweg, voor 't grootste gedeelte.
Wits, teen voor mandwerk.
Witsen, slaan met eene wits, of schoon deze bij beteekenis is verloren gegaan.
Wuiles, wilde, onbezonnen dartele jongen.

Z.

Zoomedein, Ned. zoomedeen.
Zomp, lage waterige plaats.
Zootie, zoodra.
Zurkel, zuring. Ook noemt men dit gewas op sommige plaatsen zôômôôs.
Zweinnikkel, mensch met een laag gedrag; scheldwoord in den mond van minder beschaafden; zwijnegel.

1)In de 17de eeuw nog in gebruik als haasse, haassen; zie de Jager, Wdb. der Frequentatieven, 778.

1)Eigenlijk Jonassen. Zie over dit woord N. en Z. V. blz. 343.

2)Hè kan goôd = hij leert goed; hij is goed op de hoogte.

1)Het ga zoo 't wil; ghij moet dien scheut beletten zegt Vondel in zijn Leeuwendalers,

1)Bij Beckering Vinckers (T, en T.I.) leest men: Apeldoorn en Appeltern = appelboom, Dor, dore, tor, ter, tier = boom, vroeger in eglantier, hazelaar, appeltere, noteltere enz.
Zou men hier niet mogen denken aan een boom die vruchten draagt in den vorm van tepels?

prepostterug  begin  verder