terug  begin  verderprepost
[p. 1]

[III]

Woorden en Vaktermen uit West-Vlaanderen.

Een woord vooraf.

Toen de geleerde De Bo zijn merkwaardig Idioticon afgewerkt had, schreef hij onder andere dingen in zijne voorrede:

‘Duizende woorden, en van de beste, liggen op den akker van de volkstaal nog op te zanten. Maar wij hopen wel dat anderen ons zullen volgen....’

Ik heb gepoogd eenige honderden van die evengemelde duizenden voor den dag te brengen.

Mijne lijst is hoofdzakelijk samengesteld uit de volgende soorten van woorden:

1o. Woorden, die noch in het werk van De Bo, noch in eenig ander Idioticon of Woordenboek voorkomen;

2o. Woorden die, ofschoon bij Schuermans of De Bo geboekt, nog eene of meer andere beteekenissen hebben, ofwel van de aldaar opgegevene afwijken;

3o. Woorden, die men slechts in de eene of andere zegswijze of volksspreuk hooren zal;

4o. Eenige bijvormen van woorden, die reeds in De Bo's werk opgeteekend staan;

en 5o. Eene menigte benamingen, die eigen zijn aan de weverij, het molenmaken en timmeren, aan de dierkunde, de jacht, den landbouw en bovenal aan het beheer van polders en wateringen.

Vele dier vaktermen zou men te vergeefs in de volledigste woordenboeken opsporen; en toch zijn ze geene eigentlijke dialectwoorden, omdat ze in West-Vlaanderen - en voor vast ook in andere gewesten - slechts onder het volk en in den dagelijkschen omgang gebezigd worden. En hier mag wel de bemerking gemaakt worden dat, alswanneer al onze Nederlandsche gewesten hunne volkstaal zullen geboekt hebben, er bij slot van rekening uit blijken zal, dat nagenoeg de helft der zoogezegde dialect-woorden

[p. 2]

als algemeen goed erkend moeten worden, tot meerdere baat onzer nog vrij onbeholpene vak-terminologie.

Evenzoo zal het opzamelen en uitpluizen van al de Nederduitsche tongvallen en hunne idiotismen aanleiding geven tot het bepaald vaststellen, volgens orde van tijd en plaats, van al de uitwerkselen der algemeene klankverschuivingswet. Zoo wordt ons ook te eeniger tijd het middel aan de hand gedaan om al onze tongvallen, van in hun ontspruiten tot in hunne verste ontwikkeling, gade te slaan en het hoe en waarom te vinden voor eene menigte taalverschijnselen, die ons tot heden, bij gemis aan de benoodigde toelichting, niet afdoende verklaarbaar zijn.

In alle geval kan zelfs het geringste in zake van taal en tongvallen eene hooge waarde verkrijgen. Daarom aasde ik hier en daar op oneindig-kleinen, opdat ze ook niet verder te loor zouden gaan, maar hunne plaats vinden, waar het eenmaal passend zal blijken.

Karel Deflou

Brugge, 25 Juli 1883.

[p. 3]

A.

Aaischeut, vr. fr. partie de trame. Bij wevers, als de schietspoel scheef trekt en maar tot halverwege gaat, dan heet zulks eene aaischeut.
Aanbijten, b.w. Met klem iemand in de rede vallen. - ‘Zij spraken laster; maar ik beet hen seffens aan.’
Aanblijven, b.w. In 't kaartspel, die verliest is af, de anderen blijven aan.
= In de opzegging (catechiseer-examen) gelukken; de vragen kunnen beantwoorden; niet gelukken is afvallen.
AanIeg, ml. fr. Placement de fonds. ‘Wegens aanleg van gelden’ (Rekening Watering der Beth-Oostersche Broeken, 1878.)
Aanslaandertje, onz. Een te Brugge aldus geheeten kinderspel, dat bij De Bo, vo. Aveke, uitgelegd wordt als volgt: ‘Bij speelkinders; 's avonds, eer men scheidt, malkaar achterna loopen om de een den anderen het laatst aan te raken.’
Aansteker, ml. Jas of broek, die halfsleet is en maar enkel meer tehuis aangetrokken wordt.
Aanwezigheidspenning, ml. fr. jeton de présence. v. Legpenninck, Worpgelt. (Rek. 1878, Water. v. Blankenberghe).
-aart, ml. uitgangsvorm.
Dit aart komt, vooral in de omstreken van Brugge, vrij veel in subst. voor, die elders op het mannelijk teekenende -er eindigen, b.v.:
bagger = baggaart.
masscher = masschaart.
pijfer = pijfaart, enz.
Zoo kan men, meer in het algemeen, ook klauwer = klauwaart; Dronkert = Dronkaart; Lomperd = Lompaard, met malkander vergelijken.
Accout, onz. Engl. Account.
- Komt gemeenlijk in ontkennenden zin voor: ‘geen accout geven; hij kreeg geen accout van mij.’
- In bevestigenden zin: ‘Ik heb gisteren account (bescheid) gekregen van den burgemeester.’ (Dit laatste gehoord te Aertrijcke.)
AchterIoopertje, onz. Zeker kinderspel dat, zooals zijne benaming het uitgeeft, in achter malkander te loopen bestaat.
Achteruitboeren, b.w. Als landbouwer of pachter, door zorgeloosheid of ongelukken, ten onder komen.
- Ook in Braband bekend.
Achterwaarsterigge, v. Kinderbewaarster, Baker.
- Dit schoone woord, met zijnen kenmerkenden vrouwel. uitgang, werd door mij zoowel te Brugge als uit den mond van eenen Kortrijkenaar gehoord.
- Bij De Bo wordt er enkel een voorbeeld uit een oud boek van aangehaald.
Afdragen, b.w. fr. supporter - meest in ambtelijke stukken gebruikelijk voor: ‘Kosten dragen.’ - ‘De gemeente zal een derde van den onkost der nieuwe baan moeten afdragen.’
- Bij steenbakkers; het werk van den afdrager verrichten. Zie: afdrager.
Afdrager, ml. Bij steenbakkers; de werkgezel, die de in kleiaarde gevormde brieken (baksteenen) van de werkbank afdraagt naar de plaats, waar zij in de zomer-
[p. 4]
zon of, bij regenweder, onder strooien vlaken te droogen gesteld worden.
Afeten, b.w. - De koorts afeten. Overmatig eten, met het inzicht de koorts kwijt te raken.
Afloopen, b.w. - Iets afloopen. Sprekende van arbeid of nering; iets met kuiperij van een ander afwinnen, eenen stielgenoot onderkruipen. ‘Hij heeft mijne beste klanten afgeloopen.’
Afluizen, b.w. Afwinnen, afhandig maken. ‘Iemand zijn geld afluizen.’ - De Bo heeft afleuzen en brengt het met onzen term in verband.
Afreeden, b.w. Afrossen, aframmelen, slaan ter bestraffing.
- Reeden = slaan.
- Afl. afgereed, fr. rossé: ‘Gij zult geweldig afgereed worden’ (geh. te Coolscamp et circa; vgl. Loquela, III, 12, vo. ree).
Afsijken, b.w. Uitstaan, lijden, verduren. - (Sijk = fr. chique de tabac). - Hetzelfde als afbijten (alg. vl. idiot., suppl., blz. 5), dat in Westvl. ook in gebruik is.
Afsteken, b.w. Afscheiden. De room van de melk afscheiden.
Afsteker, ml. - Kleed of frak die versleten geraakt is. In Oostvl. aflaterken. Zie: Aansteker.
Afvallen, b.w. In het examen der catechiseering niet kunnen antwoorden op de gestelde vragen.
- Zie: aanblijven.
Afveuren, b.w. Afsnijden. ‘Ik zal een beetje gras voor de konijnen gaan afveuren’ (geh. te Coolscamp). Veuren = snijden, fr. châtrer. Ags. fŷram, Ohd. fûrian.
- De Bo geeft afveuren, afsnijden gem met eenig geweld. In bovenaangehaalden volzin is alle gedacht van geweld uitgesloten.
Allemaal schillen, o.w. (schelen) fr. différer du tout au tout.
Appel, ml. fr. contrepoids. - Aan eenen doelboog dient de appel als tegenwicht langs achter.
Appeltjen-over-de-zee, onz. - Zekere soort van kriekappeltje, naar ik gis dezelfde, die in de wetenschap solanum pseudocapsicum L. heet.
Arkadekoord, vr. Aan een Jacquart-weefgetouw; fr. arcades.
Arkadeplank, vr. Aan een Jacquart-weefgetouw; fr. planche d' arcades.
Arm, ml. Aan een weefgetouw; fr. battant.
Armeerder, ml. - De armeerder aan eenen pertseboog dient om de veêr te doen ‘spelen’ (in werking te brengen).
Armure, vr. Deel van een weefgetouw, fr. armure.
Avondnoen, vr. Iron. zegswijze: ‘te avondnoene,’ om te beduiden: nimmer!

B.

Baar, Bare, vr. Het gedeelte van eenen ijzeren anker, dat langs buiten tegen den gevel van een gebouw zichtbaar is.
Baarkoek, vr. Koek, die bij den Baarloop als prijs te bollen gegeven wordt.
Baarloop, ml. In Westvlaanderen, samenkomst in eene landelijke herberg, ten einde er bolling te houden en prijzen, zooals de baarkoek, te winnen. De baarloop wordt aangekondigd door het uitsteken van eenen meitak boven de deur der herberg waar het feest gehouden wordt.
Baggeren, b.w. De dunne modder uithalen. Mergelen is de dikkere grondstof wegnemen.
Bakken, o.w. Lichtjes vriezen, gew. Nederl. hard vriezen.
- De Bo heeft het frequen-
[p. 5]
tatief Bakkelen, opgenomen, met gelijke beteekenis.
Bakte, vr. Zoo noemt men bij vergelijking eene onbepaalde hoeveelheid gevallen sneeuw. ‘Wij zullen dezen nacht nog eene nieuwe bakte krijgen.’
Bankhaak, (holl. klemhaak). Liggende haak aan eene timmermans-werkbank, dienende om de te bewerken stukken hout platliggend vast te houden. Niet te verwarren met Bankvijs of Bankschroef, die den zelfden dienst verrichten als de vijlstaak. fr. valet, valet à vis.
Bardeken, onz. (uitspr.: Barretje).
Een bardeken platen (pladijsjes) = een getal van 13 kleine pladijsjes, dat één enkel koopje uitmaakt, op een langwerpig houten bordje door de vischwijven op haar kraam te koop gelegd.
Baron, ml. Bij de kooldragers te Brugge is een baron eene hoeveelheid van 25 kilogr. kolen.
Bas, (Baks) Pochel, lijf. Nedl. bast. Iets op zijnen Bas krijgen = iets toegeduwd, door den neus gewreven worden.
Bedekt, bijv. mv. - Bedekte armen, fr. pauvres honteux.
- Bedekte huizen. Huisgezinnen, die ongekend in ellende en kommer verkeeren.
Bedrijfgras, o. Weidegras.
‘... landing en bedrijfgras’ (Rek. 1877 en 78, Water. Ghistel Oost over de Waere).
Been, o. De beenen van den tempel aan een weefgetouw zijn de twee platte riggels, die als 't ware in een paar ijzeren schoenen vastzitten en den wever in het spannen van 't lijnwaad van grooten dienst zijn.
Beenenverrekking, vr. Kleine wandelingje, als 't ware om verstrooiing te zoeken en zich zoowat de ‘beenen te verrekken’.
Beer, ml. Gemetselde afdamming in eenen waterloop, met eene opening op zekere hoogte, ten einde het water juist zoo verre op te houden, als onschadelijk is voor het omliggende land.
‘fr. 2,500 voor het bouwen van vijf beeren langs de vaart in de aderen alleen der watering, om ten allen tijde, in geval van schaarschheid aan water, de binnen-aderen te kunnen ophouden.’ (Uit de Rekening eener Watering.)
Beerkot, o. Te Brugge noemt men aldus de standplaats der beerwagens (aalkarteelen, enz.)
Beerlepel, ml. Lange, groote lepel dienende om beer (aal) uit de aalputten te scheppen.
Belegplank, vr. Plank van het houten beschot eens dijks.
‘Twee duimplanken... en belegplanken aan de nieuwe brug.’ (Rek. 1878, Water. van Woumen).
Beletten, b.w. fr. Remarquer, noter. ‘Het is te beletten, dat...’ (fr. il est à remarquer que...). (Verslag zitting 1879 der Water. van Blankenberghe.)
Benthulle, vr. Hoopje biesgras in moerasland. Bent, bunt = soort van spichtig gras, waarvan de steelen tot het uitkotteren van tabakspijpen dienen; hul, hulle = kleine verhevenheid van gewas; hut, struikjes die dooreen groeien.
- Ook in Braband bekend.
Berksnijder, ml. Eigenlijk bezembinder, maar dit woord hoort men meest als scheldnaam bezigen. Syn. van Boschdief.
Bermsloot, Barmsloot, vr. Gracht vol water, met aan beide zijden opgeworpene barmen. (In 't noorden van Brugge, hoewel weinig, in gebruik.)
Betuinen, b.w. Met tuinstaken omheinen.
- ‘Haken en tuinpersen.... tot het betuinen van drie plaatsen van gemelde grachten, in-
[p. 6]
gestroomd door de groote regens.’ (Rek. 1878-79, Water. Volkaartsgote)
Beugel, ml. Zekere kram behoorende tot de paardenharnastuur.
= Ook de handvat eener schudmande.
Beuk, ml. Gewelf, Boog. Een kelder met beuken.
- In kerkbeuk had het woord oorspronkelijk ook dien zin.
Bezwaren, b.w. Bij de bank van leening, een hooger pand eischen op een reeds vastgezet voorwerp, wel te verstaan, wanneer de daarop ontvangene som de echte waarde van het verpande goed niet bereikte.
- Zie: Vastzetten, vastdragen en verzetten.
Bilkwachter, ml. Hetzelfde als Bilkkastelein, bij De Bo aangeteekend.
Billouw, ml. Oude gesnedene stier.
- Vgl. Engl. bull, bullock.
Blad, o. Zoo noemt men ééne enkele tong (fr. sole), die afzonderlijk te koop geboden wordt. - De tongen worden ter vischmarkt verkocht per blad (ééne) of per koppel (twee).
Blauwrok. Zie: Grauwrok.
Blauwvlas, o. Vlas, dat in stilstaand water geroot is en daardoor blauwtintig is.
Blad, blet, bijv. w. Kalm, effen, onbewogen (sprekende van de zee). Dit woord, in Veurneambacht van eenen vischer afgehoord, komt overeen met het Engl. flat.
Boek, ml. Spreekw.: Leege (laag) te boeke staan = Weinig achting of aanzien genieten.
Boeresteen, o. Soort van baksteen, die de middelmaat houdt tusschen de Moefen en het gewone baksteen.
Bom, ml. Aan een weefgebouw, fr. bobine.
Boogzaag, vr. De boogzaag wordt bij timmerlieden gebezigd om te schroffen, d.w.z. van boven naar beneden zagen.
- Schuermans, alg. vl. Idiot. zegt: ‘bij de schrijnwerkers, te Leuven, boogvormige zaag.’
Bontekraai, vr. Volksbenaming van den trekvogel, die in 't Fransch manteau gris heet.
Borstelnet, bijv. nw. Net, rein, doch slechts met den groven borstel rein gehouden. ‘Deze winkel is proper, maar het is er slechts borstelnet.’
Vergelijkende trap: Perelnet.
Braak, vr. De toestand zelf van het braakliggend akkerland, fr. Jachère.
Men onderscheidt aldus: Halve braak, blinde braak, winterbraak en zomerbraak. Eene braak is een geheel jaar rust voor het land en eene halve braak slechts een seizoen rustens.
Bramen, vr. meerv. - Van gegoten lood of ander metaal, ook van papier, de oneffenheden der zelfkanten.
Brakeling, o. Handvol vlas, dat men gaat braken.
Brakzout, o. Fr. sel non raffiné.
Brand, ml. Brandstof.
Zegsw.: Brand rapen = brandstof, dor hout in de bosschen rapen.
Branden, b.w. Zevsw.: Eene flessche branden = 's avonds gebrande jenever met siroop drinken.
Brander, ml. Bij steenbakkers, de werkman, die de kleien steenen ovensgewijs opeenstapelt.
Branke, branche, vr. De drie bovenste, opwaartsgeplooide takken eener gaaipertse, waarop de zijvogels staan, heet men de branchen, ter onderscheiding van de rakels, zijnde de drie onderste, effenstaande stangen die de kallen of ‘kleine vogeltjes’ dragen.
Brasem, ml. Klein, wit en platlijvig vischje, iets grooter dan de bliek.
Breinaadje, o. - Twee ronden ge-
[p. 7]
breidsel aan eene kous of een ander gebreid stuk vormen een breinaadje.
Breisteke, vr. fr. le remail (remailler).
Briekerij, vr. Steenbakkerij, fr. briquetterie. (Zuiden van Westvlaanderen).
Broedhenne, vr. Hen, die eiers bebroedt.
Broeken, b.w. Ironiek gebezigd = naar achter, naar de beste-kamer gaan.
Bruinvisch, ml. Inlandsche, maar zeldzame visch, die jacht maakt op alle andere zoetwatervisschen, zelfs de snoeken verdelgt en als een alleenheerscher in de vijvers regeert.
= Ook eene soort van zeevisch; fr. marsouin.
Bullink, ml. Ingewand van dieren, doch bepaaldelijk: ingewand van visch, fr. Vidure de poisson (Beuling bij De Bo).
Burgemeester, ml. Ironische toenaam van den policie-diender, die te Brugge op den Burg dienst doet meest ter voldoening eener disciplinaire straf.

C.

Cadencie, vr. fr. Décadence.
- Tot cadencie komen = Ten onder gaan, of liever: berooid worden.
- In Noord-Brabant moet de basterdvorm Nekadencie bestaan, zooals mij bleek uit den roman van Aug. Snieders, In't verrallen huis.
Caprice, vr. Minnares. Van het fr. caprice.
- Ook in Braband en Oostvl. blijkens het Alg. vl. Idiot. 222.
Capucienen-ronde, vr. De capucienen-ronde doen, sprek. van verdachte vrouwspersonen, die bij schemeravond de mannen aanspreken om haar ellendig bedrijf uit te oefenen; fr. faire le trottoir.
Cinterboor, onz. - Dit w. is. met gelijke beteekenis, in Leuven bij de timmerlieden bekend. Schuermans, Alg. vl. Idiot. 87, zegt: ‘.... eene boor met eene pin in 't midden en rondom twee snijders. Zij (te Leuven is het w. dus vrouwelijk) dient om pingaten te boren.’
- In Westvl. ook Appelboor geheeten.
Compagnie, vr. - Bijeenkomst in eene bepaalde herberg, vooral te Lichtervelde en in de omliggende gemeenten. - ‘Dinsdag aanstaande is 't compagnie in De Statie, en woensdag in De Keizer’ (uit een Dagblad).
- De Compagnie heeft niets gemeens met den Baarloop.
Corrigierder, ml. Zie Sleutel.
Cote-brief, ml. Aanslagbiljet voor belasting of watergeschot.
= In de taal der landlieden zeer veel, ja schier bij uitsluiting van andere synoniemen als: contributie-brief en geschotbrief, in gebruik.

D.

Dei, ml. Armen dei. Eene zegswijze, die in en rond de stad Rousselare, wellicht bij uitsluiting van andere plaatsen in Westvl. gebezigd wordt om eenen ‘berooiden toestand’ te beduiden.
- Dit w. kan verwant zijn met het fr. dèche (bij Littré, suppl.) en schijnt mij wel een overoude term te wezen.
[p. 8]
Deken, ml. In de gemeenzame spraak gebezigd om eenen bepaalden persoon aan te duiden, zonder echter zijnen naam te vermelden.
‘Nauwelijks was hij geroepen, of mijn deken kwam af. De brief werd gegrepen en mijn deken ging de gevangenis in.’
- Ook in Oostvl. en Braband veel in gebruik.
Deksteen, ml. Arduinen steen, die het metselwerk van eenen duiker of van een bas bedekt.
.... coulissen en deksteenen (Rek. 1878 der groote westwatering).
- Zie: dekstuk.
Dekstuk, o. Hetzelfde als deksteen. Arduinen dekstukken (Rek. 1879 der Watering Eijensluis Gr. Reygersvliet).
Derde, vr. In 't kaartspel een stel van drie troefkaarten. Zoo zegt men eene vierde, eene vijfde, eene zesde, enz. voor vier, vijf of meer samenkomende troefkaarten.
Derdeling, o. als stofnaam; ml. als voorwerp. - Gebakken kareelsteen, meest voortkomende uit de steenovens van Rupelmonde en Niel; formaat: 0,150 × 0,073 × 0,738 millim.
- Zie ook onder: Papesteen, klampsteen, kleine steen en putsteen.
Dievenkarre, vr. Gevangeniswagen, fr. panier à salade, uithoofde dat die wagen lange buiten in 't geel geschilderd is.
Dilft, ml. Hetzelfde als Delf bij De Bo, sloot, gracht - ‘in den middendilft aan 't gars vanX...’ (Rek. 1877, Water. van Merckem).
Doef, ml. l. coïtus.
Doefen, b.w.l. coïre.
Doelboog, ml. Ter onderscheiding van pertseboog noemt men doelboog dezen, dien men bij winterlijk gebruikt om, binnen een daartoe bestemd lokaal, in de doelen te schieten.
Doen, v.w. Junnen. ‘'t is je gedaan!’ Het is u gejund, toegestaan.
B.w. Geven. - In Friesland, blijkens Joh. Winkler's Dialecticon, I, 81, zegt men nog wel: v. 12 ‘tete! du me (geef mij) de part von a güdere, der me tokammt.’
- Doen voor geven ‘schijnt oorspronkelijk tot het oud-oostfriesche en westfriesche taaleigen te behooren’. (Winkler, I, 149).
- Dön, gedaan = gegeven, Id., I, 97.
Dood, vr. De dood smaken = in grooten angst verkeeren. (Antw. en Braband, zegt het Alg. vl. Idiot.). In Westvlaanderen wordt die zegswijze mede dagelijks gehoord.
Dooddeelen, b.w. Te Brugge, in Brab., Antw. en Kempen, (Alg. vl, Idiot. Suppl., 68 en Tuerlinckx Hagel. Taaleigen). Hetzelfde als Blootdeelen.
Dooddoener, ml. Knoeier; luierik.
Dooddoen, b.w. Ze dood doen = 1. iets verknoeien; 2. slecht of weinig werk opleveren; luierikken.
Doorsteker, ml. De doorsteker aan eenen pertseboog (zie ald.) dient om onder de note (onder het slot in den doelboog) in een gatje gestoken te worden tot het vastzetten der veêr.
Dorpel, ml. In de waterbouwkunde heet de dorpel eener sluis in 't fr. le busc.
Draaier, m. Drukletter, die het onderste boven staat, als α, β enz.
Drempel, ml. Aan een weefgetouw; fr. le seuil de chasse.
Drets, ml. fr. Drèche. Naam eener plant, die gekweekt wordt als de spurrie; zij draagt witte bloempjes en geeft tot drie sneden zooals de klaver. Zij kan wel 80 centimeters hoog groeien en wordt nog al veel rond Brugge gekweekt.
[p. 9]
Drieling, ml. Soort van wilde eendvogel, aldus genaamd, omdat de koopers er gemeenlijk 3 voor twee krijgen.
Drukkers, ml. meerv. Aan een Jacquart-weefgetouw, hetgeen in 't fr. les valets heet.
Duik, ml. fr. cachette.
Zegsw.: Iets koopen ten duike = fr. acheter qch. en cachette. - Het komt overeen met de zegswijze In 't duikerken; Antw. in 't genipt.
Duikhaantje, o. fr. canard plongeur.
Duitsche, vr. Eene duitsche = eene vrij aardige of in hare manieren of spreekwijze zonderlinge vrouw of jonge dochter. - ‘'t is zoo'n duitsche.’ (Brugge).
Duivelen, o. w, Iets overvloedig, geweldig doen. ‘Het regent dat het duivelt; schreeuwen, loopen, enz dat het duivelt.’
Duivels-naaigaren, o. Andere benaming van den kruisdistel.
Dweil, ml. Iemands dweil zijn = zich aanstellen alsof men iemands slaaf of nederige dienaar ware (Brugge en Westvl.)
- Ook bij Schuermans, suppl. 76, geboekt als in Vl. (Oostvlaand?) gebruikel1ijk.
Dwerzen, vr. mv. Aan een weefgetouw, fr. Traverses.
Lange dwerzen en korte dwerzen maken, met de tuimelaars, de zwenkels, de korte en lange latten uit, hetgeen men in 't fr. l'armure heet.

E.

Een-en-een, bijv. nw. Sprekende van het hoofdhaar. Halfgrijs, fr. grisonnent. ‘Die mans haar is een-en-een.
Effen, bijv. nw. “Effene rekening is goed bewijs” (spreekwoord).
Eigenaar, ml. Hij, wien iets aangaat, raakt.
“Lastertaal kan men lichtelijk aanhooren, zoolang men de eigenaar niet is”.
Eikels (de), ml. mv. Aan een Jacquart-weefgetouw, fr. les pédonnes.
Elle, vr. - Te Brugge zegt men soms: “'t is eene Elle” van eenen persoon, die van den buiten in stad is komen wonen, om te beduiden dat hij el uitspreekt, daar waar de geboren Bruggeling al zegt.
-en. Uitgangsvorm eeniger mannelijke doopnamen, zooals: Loden = Lodewijk; Eden = Edmond; Naarden, Narden = Bernard; Pieren = Pieter; Gusten = August; Stijnen = Augustijn; Seven = Josephus; Wanen, Waan' = Johan.
En, voegw. Versterking van een bevestigend gezegde door de herhaling van het voegwoord En: “'t Was altijd werken en werken!” Schreeuwen, en schreeuwen, dat hij deed!’
Zie: Noch, als versterking der ontkennende gezegden.
Enkel-ende-een. Dungezaaid; hier en daar, zeer ruim uiteenstaande.
Andere beteekenissen werden door De Bo opgenomen.
Ezeloor, vr. Omgeplooide hoek eener bladzijde (Waas) zegt Schuermans, suppl., 81. - Dit woord is in Westvl. en elders in Nederland algemeen bekend.

F.

Feestelijk, bijw. In oneigenlijken zin gebruikelijk.
Zegsw.: ‘Gij moogt feestelijk te huis blijven’ = fr. joliment(ook in tegenovergestelden zin genomen).
Fletten, b.w. Graszoden uitsteken en effenleggen langs de waterdijken in polders en bij andere waterwerken. Engl. to flat; vgl. vlak en plat.
[p. 10]
Fletter, ml. Werkman die flet. Zie Fletten.
Flikke slaan, b.w. Eenen lapsus linguae begaan.
- In het Roodwaalsch of Bargoensch is flik = taal, spraak. Ik vermoed, dat flik geen gefabriekeerd dievenwoord, maar een aloude Germaansche term is.
Fruittong, vr. Zeker slag van tong (fr. sole), bestemd om in de pan gefruit te worden.
Fuimelen, b.w. In 't stekken met de marbels (knikkers): ‘Hij heeft gefuimeld!’ Wordt gezegd van den speler, wiens duim bij onoplettendheid, of door koude aan de handen, over den wijsvinger henenslipt en alzoo het schot van den marbel doet mislukken.
- Zie ook: Vorpommersch-Mecklemburgisch Wörterbuch von Mi, blz. 24, v., ‘Fummeln, umherfühlen, tasten, suchen etwas mit der Hand’.
- De Bo heeft Fuimelaar, Tuimel, fr. culbute, hetwelk zonder moeite met Fuimelen losstooten, wegglippen (van knikkers) kan overeengebracht worden.

G.

Gaap, vr. Deel van een weefgetouw, in 't fransch hausse-en-vergure.
Gadood, vr. Schielijke dood, fr. mort subite.
Vgl Gaehe = subitus, ohd. (Grimm, Deutsche Grammatik, I, 190.)
Gaffel, ml. Schipperstuig, in den vorm eener eentandige piek, dienende om de vaartschepen van wal af te steken, of van den oever af te houden.
Gaftopzeil, o. Vierkant zeil op zeeschepen.
Gallen-aan-de beenen, vr. meerv., Kwaal, die bij de paarden, in eene ontspanning der spieren aan de schenkels bestaat.
Gang, ml. Aan een weefgetouw; fr. la portée.
Garendrager, ml. Aan een weefgetouw, in 't Fransch: ligneul.
Garssnip, vr. Soort van snip, iets grooter dan de watersnip en geplekt op de veeren.
Gebaante, o. Jagersterm; nagelaten drek van het wild, als spoor in aanmerking genomen.
- Zie: Smalte.
Geelwater, o. Bij paarden, die pas geboren of nog maar eenige weken oud zijn: kwaal, die de gewrichten aantast en eene sterkere secretie van het ledenwater teweegbrengt, waarvan de kleur, tengevolge der ontsteking geeler dan na gewoonte en soms etterig wordt.
Geerde, vr. Tuinstaak.
‘.... overlevering van eiken palen en geerden voor (om) de grachten te tuinen’. (Rek. 1879, Watering Hazegraspolder).
Gehandig, b.w. Handig, fr. Habile. Men zegt in Westvl. nooit handig, noch gehandig, maar wel g'handig = gehandig.
- De Bo, blz. 351.
Gekutteld, b nw. Verbrod, verward, vernesteld.
Gekutteld breiwerk = verbrod, verward breiwerk.
- Zie De Bo, vr. Kuw.
Geleerd, verl. deelw. van leeren.
Zegsw: Geleerd en gewezen zijn = fr. être lettré.
- Zie: Wijzen.
Gemaat, ml. Vennoot; fr. associé. Een molenaar die met eenen anderen molenaar vennoot is: ‘A en B zijn twee gemaats op den ×... molen te Brugge’.
- In den zin van vennoot staat het w. bij De Bo. Ook is het enkel bij molenaars in gebruik.
Gersgeite, vr. Grasgeit. Lastig, onuitstaanbaar vrouwspersoon,
[p. 11]
meest altijd echter zonder bepaalde aanduiding harer onhebbelijkheid.
- Vgl. Gersgaai, ml. bij De Bo en Gersgaai = gersvogel (Vlaand. en Antwerpen), in 't Alg. vl. Idiot., 149.
- Vele soortgelijke smaadnamen hebben eenen vrouwelijken en eenen mannelijken vergelijksvorm. Zie dus: Tjutten = Tjeuteka; Truntaard = Trunte, enz.
Geschept, bijv. nw., fr. papier à la main.
Geschept Papier. Hollandsch papier; handpapier; aldus geheeten, omdat de pap op vlakke metalen platen uit de kuip geschept en effengeschud werd om daarna gedroogd te worden.
Geschiêlijk, b.w. Geschiedelijk. Gebeurlijk, mogelijk. Juiste volksvertaling van het fr. woord éventuel.
- Het znw. Geschie staat bij De Bo.
Getrek, o. Een stel schragen om bard te zagen, met de werkende zagers, enz. inbegrepen, fr. Etabli de scieur de long en activité.
- Het w. heeft den minachtenden zin niet, die aan de andere, bij De Bo vermelde beteekenissen eigen is.
Geule, vr. Bij visschers op zee. Waterloop tusschen platen zand, maar van natuurwege dieper dan eene kille.
- Zie: Kille, dat echter, taalkundig gesproken, volstrekt hetzelfde woord is.
Gezegende distel. Soort van distel. L. Cnicus benedictus, of wel Centaurea benedicta.
Gidsen. ml. mv. Aan een Jacquartweefgetouw; fr. valets.
Goeze, Gouze. vr. met korte oe-klank. Soort van holle beitel, elders ook Guds geheeten; fr. Gouge. = Zegsw.: ‘Iemand de gouze geven’ = den doodsteek geven. Te Hoogstraten (Antw. Kempen) zegt men in denzelfden zin: De geut geven. (Alg. vl. idiot.; supl. 97.)
Gooien. b.w. Opjagen. ‘Den hond op iemand gooien’ = hem blaffend tegen iemand opjagen, met den daarbij behoorenden ophitsingskreet: ‘Gooie-pak-ze!’
- Dit gooien kan wel eene oud-vl. vorm van het Deensche at gjöe = blaffen, bassen, zijn.
Gootgatstopper. ml. Ventje of vrouwtje van kort en dik postuur.
Gracht. vr. en ml. fr. fossé.
- Halve Gracht. Men noemt aldus alle onderhoudswerk aan eene straat of eenen waterloop, dat voor de helft ten laste der beide aangelanden valt.
‘Kuischen van den halven gracht, gelegen van noorden den Grave Jans-dijk’ (Rek. 1878-79, Water. Volkaertsgote).
- Halfgracht. Zelfde beteekenis als boven ‘Een gedeelte halfgracht gereit...’ (ibid.).
Gratement. bw. Vlaamsch woord, met grat (glad, grondig, geheel en al, hgd. gerade) voor wortel en den fr. uitgang -ment, in den zin van 't fr. totalement, complètement: ‘Deze koopwaar is gratement bedorven.’
Gratis. b.w. Hetzelfde als Gratement.
Gratuitelijk. b.w. Hetzelfde als Gratement en Gratis, hoewel wat erger als verbastering van Grat.
Grauwrok en Blauwrok. De gemeene man; iedereen fr. le commun peuple; Pierre, Jacques et Paul, Jacques Bonhomme.
Greep. vr. Deel van een gewoon weefgetouw; in 't fr. poignée.
Greppenkuischer. ml. Te Brugge, een lang, mager man. Te Gent: Gotenkuischer.
Grond. ml. Grond van gebouwen = bebouwde, behuisde grond; fr. fonds bâti. ‘Land en grond van gebouwen.’ (Rek. 1878-79 Water. van Volkaertsgote.)
[p. 12]
Grondsteker, ml. Bij beeldhouwers, soort van beitel met opgekruld mes, om iets uit te hollen. fr. Bizeau.
Grootheer. ml. Wordt soms, doch zonder ironische bijgedachte, van oude ossen gezegd. - Zie: zestander.

H.

Haakske, Dimin. van Haak, o.
Een haakske, bet. te Brugge eene vrij groote hoeveelheid. ‘Zij hebben alzoo een haakske goederen in hun magazijn.’ ‘Daar liggen alzoo een haakske schepen in de vaart.’
- Haakske gaat, meest altijd, gepaard met het w alzoo.
Haal. ml. De ijzeren schroef eener dommekracht.
Haantje. fr. chien, aan eenen pertseboog, dienende om het schot te lossen.
Haarrijm. ml. Lichte rijm, die nauwelijks de spinnewebben en andere geringe voorwerpen met wit beslaat.
Haarrijmen. o.w. Zeer lichtjes vriezen, zoodat er enkel haarrijm (zie ald.) te bemerken is.
Hagemokke. vr. Zekere vogel, in 't fr. fauvette babillarde.
- Mokke = Mücke, hgd. = musch.
Haken. b.w. Aan een Jacquart-weefgetouw, in 't fr. crochets.
Hakkebakken. b.w. Dwarsdrijven. Synoniem van Jokkebanden. Zie ald.
- Ook weleens, doch zeldzamer, gebruikt in den zin van: niet overeenkomen met malkander.
- Bij De Bo staat een syn. daarvan: Hakeweren.
Halen, b.w. - Iemand halen = zedelijk overwicht op iemand uitoefenen; meester over hem zijn; hem aan zich hechten.
Kijven en slaan zijn de middelen niet om kinderen te halen; met trotschheid kan men zijne minderen niet halen.
- Vgl. aanhalen in het Wdb. der Nederl. taal.
Halfbouw, bv. nw. Een huis is halfbouw, fr. à moitié construit.
Handpeerd, o. Het paard, waarvan de voerder den toom houdt; het tegenovergestelde van roêpeerd.
- Zie: De Bo, vo. Roêpeerd.
Handzaag, vr. Korte zaag met een oog tot handvatsel en dienende om klein werk te zagen.
Haring, ml. - Gestoorde haring. Haring, in de visschersschuit op eenen hoop geworpen en met brakzout (zie ald.) overstrooid.
Harnas, o. Het harnas van een weefgetouw heet in 't fr. eveneens: harnais.
Haverdistel, ml. l. Cirsium arvense.
Heetebloed, o. Zekere paardenziekte, bestaande in eene velontsteking, meest rond den muil, den aars, de neusgaten de oogen en andere natuurlijke openingen. Hetgeen in 't fransch échauboulure heet, heeft er eenige gelijkenis mede, schoon het eene andere aandoening is.
Hel, Helle, vr. Bij de boekdrukkers, de houten bak, waarin men versletene en gebrokene letters wegbergt om te laten hergieten.
Hellepiet, ml Soort van piet of kleine vonder.
‘Over leggen en onderhoud der wissen en hellepieten’ (Rek. 1878, Watering van Woumen).
Helpen, b.w. Verhelpen, beteren, boeten.
Een slot, eene deur, eenigerhande werktuig helpen = terechthelpen, verhelpen, naar behooren doen gaan.
Hemel, ml. Het bovenste vak van eenen hinkelpoot (hinkelperk, fr. mérelle).
Herdenieuw (op een). Brugsche
[p. 13]
locutie gelijkstaande met het fr. à nouveau, de rechef.
Herel, ml. fr. lisse.
Halve Herel. Aan een weefgetouw; fr. culotte.
Hertekleedje, o. Een befje van saai of baai, dat men voor de warmte over de borst van kleine kinderen spant.
Het, lidw. Wordt herhaald in gezegden als bijv.: het is het hier niet te vinden, enz. even als het pers. vnw.: ik heb ik; hij heeft hij enz.
Hichelaar, ml. Soort van asthma, waarbij men de fluimen op de borst van den zieke hoort piepen. Dit gepiep zelf noemt men het hichelen.
Hichelen, b.w. Zie: Hichelaar.
Hoed, ml. Deel van het Jacquart-weefgetouw; fr. chapeau.
Hondeketen, ml. Zegsw.: Tekoop hangen 'lijk een hondeketen = Het eens zijn op verdachte of bedekte wijze, fr. s'entendre comme larrons en foire.
Hoofd, o. ‘Een hoofd op eenen onderlooper’? (Uit eene weversrekening).
Hoofding, vr. l. capitatio. Belasting bij de watering besturen in zwang.
Hoofdingboek, ml. Naamregister der aangeslagenen eener Watering.
‘Ingevolge de plans en hoofdingboeken...’ (Rek. 1877-78 der Watering van 's Heer Baselishoek en Kerke-Watering van Oostkerke). Ook bij de Wateringen omtrent Ghistel in gebruik.
Hoornwerk, o. In de vestingbouwkunde, soort van uitspringend versterkingswerk, fr. ouvrage à couronne.
- Sommigen vertalen dit, naar het Fransch, door Kroonwerk, doch ten onrechte. Hoorn beteekent hier wel degelijk uitspringende hoek. Zoo heeft men in Oostvl. een horenboom = hoekbalk, lat. augulus; en in de oudere taal Hornik = afgeronde onscherpe hoek:
‘In kanten ende hornicken.’
(Sproke der Karels van Gent).
- Wellicht heeft de groote Fransche vestingbouwer Vauban een oudvl., en dan ook in Noord-Frankrijk bekend, woord gebezigd, toen hij in 't Fransch een hoornwerck = ouvrage à couronne hiet?
Hoppebramen, vr. mv. Hetzelfde als Hippebramen, fr. églantier; en Hoppelbreem uit de omstreken van hier en Mechelen (Alg. Vl. Idiot. Suppl., 128).
Hopper, ml. Hooihopper, soms hooischelf geheeten. In West-Vlaanderen zal men, vooral op den buiten, bijna nooit hopper met schelf hooren verwarren. Schelf toch staat gelijk met sheaf, schoof, en wordt bij uitsluiting voor graangewassen genoemd: tarwe-, rogge-, haverschelf. Men zal dus geen hooischelf zeggen, vermits het hooi niet bij schooven, maar bij hoopjes gestapeld wordt.
- De dagbladen verwarren echter gedurig die beide termen en schrijven nu eens hooischelf, dan weêr hooihopper.
Hutse of Hurtse, vgl. fr. heurt, heurter.
Zegsw.: De Hutse tegen de blutse slaan. De schade door de baat verzachten.

I.

Inbressing, vr. Inzakking van grond langs eenen oever of in eenen dijk. Vgl. De Bo, Inbressen. o.w.
- ‘Uitsmijten van dammen en inbressingen.’ (Rek. 1878 Groote Westwatering).
Inkelderen, o.w. Sprekende van dammen en dijken. Door het
[p. 14]
water aan den voet uitgevreten worden en inzakken, fr. s'éroder par la base et s'ébouler ensuite.
Inslechten, b.w. Ineegden; met de eegde (egge) in den grond keeren.
- Zie De Bo, slechten.
Inslimpen, b.w. Wat men elders insluipen zegt; fr. entrer furtivement.
- Loquela, bl. 3, schrijft Inslimmen.

J.

Jaarkosten, ml. mv. fr. Rétribution annuelle.
De leden die nog hunne jaarkosten niet betaald hebben, zullen tusschen... dezer maand, hunne kwijtanciekaart... aangeboden worden. (De Landman, 18 Februari 1883).
Jageling, ml. Halfvolwassen jongen, die min of meer onbesuisd te werk gaat.
Jager, ml. Bij wevers, deel van het halam tot een weefgetouw behoorende; fr. taquet, galet, ou patinet.
Jagerleêr, o. Bij de wevers, hetzelfde als Schuiversleêr, fr. cuir à patinet.
Jare, te Jaren, ml.? In de zegswijze: te jaren = in de toekomende lente.
- In Limburg evenzoo in 't gebruik, onder den vorm: tegen tjare.
- In 't Sanskr., en ook in de Slavische talen, is yaro: de lente te zeggen.
Jokkebanden, b.w. Dwarsdrijven.
- Zie ook Hakkebakken. - Bij De Bo vindt men de zegsw.: Tegen den jokkeband trekken.
Jongen, ml. - Arme jongen. Eene der talrijke eigenaardige benamingen van den jenever.

K.

Kaaie, vr. Een nestvol, fr. nichée. Eene kaaie patrijzen, aan den (eendvogels). - Het woord wordt alleen voor wild gevogeltje gebruikt. Vgl. Keien.
Kaaiing, vr. Steenen dijkbeschot; fr. talus, revêtement en briques. Over het volzetten der kaaiing van den Waterloop. Rek. 1877, van de Moeze in Meetkerke.
Kabelgaren, o. Fijne koordjes waarmede de zeelieden de kabels of de zeilen aan het houtwerk vasthechten.
Kaksken, o. Verkleinwoord van kak (slecht, vuil, gr. ϰαϰο̂); fr. une affaire mal réussie, de rien du tout. - ‘Ik dacht wat schoons te zullen zien en 't was maar een kaksken’ (meest te Brugge in zwang).
Kaken, mv. van kaak. Deel van een weefgetouw; fr. cage.
Kalens. Denkbeeldige eigennaam, waarschijnlijk uit het gedacht van kaalheid ontstaan, in het volksgezegde: ‘'t is aan Kalens!’ = 't is verloren, 't is verbeurd!
Kam, ml. fr. Dent d'une roue.
Kambeitel, (Kapbeitel) ml. Ook in Braband bekend.
- Van de assimileering der P en het tusschenschuiven der M voor N levert dit woord een belangrijk voorbeeld, dat aan 't Westvl. en 't Brabandsch evenzeer eigen schijnt.
Kamschacht, ml. Aan een weefgetouw; fr. jumelle.
Kamsnoer, o. De kammesnoeren aan een weefgetouw; in 't fr. l'attelage.
Kamwiel, o. Holl Kamrad; fr. roue dentée.
- In Westvl. en te Leuven
[p. 15]
(Alg. vl. idiot. 219) in gebruik.
Kanker-in-den-voet, ml. Paardenkwaal, gewoonlijk van vrij langen duur, fr. crapaud.
Kapelkoorde, vr. Aan een weefgetouw; in 't fransch levée.
Kap, Kappe, vr. - De kappe van eenen dorschvlegel is de welsteren riemband, die den vlegel aan den stok doet houden en bij middel van een pinsoen (metalen nijpertje) vast zit.
Kappen, b.w. Kappen op iets of op iemand = in de gazetten geweldig er tegen schrijven; fr. faire une charge à fond contre qqn ou qch; Tomber qqn.
Katje, o. Zeker kinderspel, waarbij de kinderen beurtelings malkanderen naloopen om eenen makker aan te vatten.
Kauwe, vr. Naam van den vogel, die in 't fr. corneille heet.
- Er heerscht bij den gemeenen man veel verwarring in het rangschikken van kauwen en kraaien.
Keelziekte, vr. De noordsche keelziekte = zekere bij de paarden. Zij bestaat in eene algemeene vermagering van het paard; het dier kan weinig of niet meer zwelgen; laat drank en voedsel uit den muil leken, en sterft van uitputting na eenige maanden lijdens. De noordsche keelziekte heerscht alleen in den Noord-Oosthoek van Westvl. en op de Zeeuwsche grens.
Keerboor, o. Ook wel Spikkelboor (Spijkerboor) geheeten. Wordt bijzonderlijk door de schippers aangewend om gaten te boren. Het keerboor heeft eene houten pin tot boorspil.
Keerzaag, vr. Eene smalle zaag, dienende om rond te zagen.
Kei, ml. Wordt schertsend van het hoofd gezegd: ‘Iemand eenen slag tegen zijnen kei geven’
- Vroeger was het woord niet ironiek. Kei is eigenlijk l. caput. Een keiaard is een dwaashoofd, een dolleman; Kiliaen, l. homo insanus. - Keye = 1e hersenziekte; 2e dwaasheid, zotheid.
Keikop, ml. Smaadnaam op een koppig, eigenzinnig mensch toepasselijk.
- Onlangs was deze term ongetwijfeld synoniem van dwazerik?
Keien, b.w. Enkel van kiekens gezegd, lat. coïre, (hier en daar omstreeks Brugge).
- Vgl. Kaaie en Bekaaid.
Kernstok, ml. Het handvatsel, waardoor de boterkern in beweging gebracht wordt.
Kelder, ml. Een kelder aan een brood is de holte tusschen de kruim en de opgezwollene korst (Brugge).
- Dit woord is even juist en kenmerkend als het gr. ϰοιλος, dat zoowel het ondiepe in de laagte als het uitgeholde in de hoogte beduidt.
Kelderkarweitje, o. Onaangenaam of lastig werkje, waarmede men onvergeld, of tegen onzeker loon, belast wordt (Brugge).
Keunepijp, vr. Konijnepijp, fr. terrier de lapin.
- De woonstede van wilde konijnen heet nooit anders dan eene pijp; die der vossen een hol; dus zegt men keunepijp en vossenhol en nooit worden die termen verwisseld.
Kibbe, vr. Kool; fr. chou. Vgl. engl. cabits.
- Witte kibbe = Kabuiskool; fr. chou blanc, chou cabus.
Kibbeltjes, o. mv. 1o. Kieuwen en anderen afval van gezouten visch (De Bo);
2o. Zegsw.: ‘Ge hebt zeker vandaag kibbeltjes geëten?’ wordt gezegd tot iemand, die blijken geeft van overmatigen dorst. (Brugge.)
Kieskauw, ml. Iemand die met viesheid, met lange tanden eet.
[p. 16]
Kies = tand; kieskeurig = zeer nauwgezet op iets.
- Kauw is hier de zuivere vorm, die in Westvlaanderen algemeen in knauw (met ingroeiing der n) veranderd is. Dit woord kieskauw moet ook in de Hollandsche dialecten bekend zijn: ‘En zoekend, werd de meststaal, Den kieskaauw tot een graf.’
(Van Zeggelen, Sprokkels, blz. 58).
Kille, vr. Waterloop tusschen twee zandbanken in eene rivier of vaart.
Ook: Vaarwater tusschen twee zandbanken in zee (De Bo, Kel, Kelle). Zie Geule
Klampsteen, o. ml als voorwerp. Gebakken kareelsteen, meest afkomstig uit de steenovens van Rufelmonde en Niel; formaat: 0,190 × 0,090 × 0,047.
- Zie: Papesteen, Derdeling, Kleine steen en Putsteen.
Klappe, vr. Klep. In de klappe of het slot van eenen doelboog ligt de pees vast. - Zie ook slot.
Klasse, vr. Zegsw.: Dat is klasse! = Dat is puik! (Brugge).
Klauw, ml. Bovenste en onderste, hoornsgewijs loopend uiteinde van de schroef of haal eener dommekracht.
Kleed, o. Zoo noemt men den samenhang eener paardsharnassuur.
Kleine steen, ml. als stofnaam en als voorwerp. Gebakken kareelsteen, meest voortkomende uit de steenovens van Rupelmonde en Niel; formaat: 0,135 × 0,050 × 0,035 millim.
- Zie: Klampsteen, Papesteen, Derdeling en Putsteen.
Kleinhout, o. Hout, takkeling, enz. enkel goed om te branden.
Klik, vr? Aan een Jacquart-weefgetouw; in 't fr. crochet geheeten.
Kloefje-water, o. Kinderspel. Men legt eene plank in evenwicht met eenen kloef vol water op het uiteinde; de jongens loopen beurtelings voorbij, eenen stamp op de plank gevende, zoodat de kloef met water hun over het hoof of - tegen de tanden vliegt.... Het is een handigheidsspel.
Klofhout, o. 1o. Gekloven hout, om het even van welke soort of met welke bestemming.
2o. Een bundeltje van drie fasseelen te zamen geknoopt met eene teenen wis, heet bij de bakkers een klofhout. Ieder dezer drie fasseelen heet een schier; dus maken drie schieren een klofhout uit.
Kloof-in-den-Voet, vr. Spleet, kloof in het buitendeel van den hoef der paarden, fr. Seïme.
Kloppen, o. en b.w. Kleppen met eene kleine klok; fr. tinter.
- Misse kloppen zegt men hier en daar van de tweede pooze luidens, en luiden van de eerste pooze.
- Zie Luiden.
Kloppen, b.w. Soort van kaartspel, meest als tuischerij gespeeld.
Kluwen dragen, b.w. en onz. znw. Zeker kinderspel, bij De Bo nauwkeurig beschreven onder vr. Hutsekluts, een synoniem van onzen term.
Knauwvallend, bijv. nw. Spijsweigerend. ‘Dit kind is knauwvallend, omdat het zijne tanden krijgt’, eet niet, omdat... enz.
Kneukel, ml. Dwazerik; fr. Imbécile, ignare.
- Dit w. kneukel komt wellicht met het Deensch Knös overeen, dat eveneens dwaze jongen beduidt.
Kneukelen, b.w. Bij het marbelspel, onder het schieten van den knikker de hand vooruitstooten om alzoo bedriegelijk het doel naderbij te geraken.
- Hetgeen De Bo voor Kneukelen aangaande het marbelspel opteekent, geven wij onder knuks.
[p. 17]
Knotteren, b.w. fr. Murmurer.
‘Zij heeft zoo lang geknotterd totdat hij er van afzag’ (geh. te Coolscamp).
- Vergelijk met den volg. tekst uit die Excellente Cronike vâ Vlaenderen (1531) anno 1302: ‘Ende diere jegen knoterden, hi deidse steken in die vanghenesse.’
- Knoteren is ook in 't Limburgsche en in 't land van Waas bekend. In Braband heet eene grommelaarster alom eene kneut. In 't Westfaalsch is knütterich = knorrig, knoterig; hoogd. knausen, o.w.
Knuiver, ml. Zeil van een zeeschip, dat anders fokzeil heet; fr. foc.
- Men onderscheidt groote en kleine knuivers (fr. grand et petit foc, alsmede: foc d'été).
Knuk, ml. Knook, knök, met den ml. uitgang -el = Knokel.
In het marbelspel: Spelen voor de knuks. De verliezer, die geene marbels uitkeeren kan, brengt te weeg, dat men voor de knuks moet spelen. Dit beduidt dat hij, als uit eene soort van boete, zijne geslotene hand op den grond moet houden, om tegen zijne kneukels te laten knikkeren zoovele malen, als hij marbels verschuldigd is.
Knuisten, b.w. Bij het marbelspel: met de hand vooruitstooten, om nader den marbel te komen, die voor doel dient. Het tegenovergestelde is zich puiken (zie bij De Bo).
- De spelende jongens zeggen gewoonlijk voorop, tegen alle wederspraak:
‘'t Is al goed
Dat (wat) de marbel doet.’
- Knuisten wordt ook wel puisten geheeten.
Koelteel, vr. Platte, diepe teil met eene teut, waarin de verschgemolken melk in den kelder te koelen gezet wordt. Als die melk koel is, dan wordt zij in de kuip gegoten bij de reeds gestorte melk om er samen te ronnen. Daarna gaat zij in den kern.
Koelvat, o. In de brouwerijen, vat waarin het bier afgetrokken wordt. Het koelvat staat onder de tonnen, in welke men het verschgebrouwde bier giet.
Koete, vr. Zie: Marolle.
Zekere soort van zeevogel, omtrent dubbele grootte van eene Marolle, met een rood of wel blauwtintig hoornen schild op het voorhoofd. Men treft de koeten tusschen Nieupoort en Duinkerke bij menigten op de vlakke zee aan.
Kokkels, meerv. Soort van eetbare en nagenoeg ronde schelpvisch, ter grootte van eenen cent, wiens witte en ongeribde schelpen bijzonder kalkaardig zijn. Er liggen er vele langs het strand te rapen.
Kokkernagie, vr. Ongeregeld, kwalijk beredderd huishouden.
Kokkertje, o. Kindernaam, bij streeling aangewend: ‘Kom hier, mijn lief kokkertje!’
Kolliarooze. Soort van peer; fr. mansuette. (Brugge en te lande).
- Kollieroose zegt Alg. vl. Idiot, suppl. 171.
Komen, o.w. Gebeuren; fr. arriver. ‘'t en zou alzoo niet gekomen zijn’: fr ‘cela ne serait pas arrivé ainsi.’
Komenschap, vr. (uitspr.: kommenschepe).
- Iets in kommenschepe brengen = verwisselen, ruilen; fr. troquer, échanger.
Komenschappen, b.w. (uitspr.: kommenschepen). Ruilen, ruilhandel drijven; fr. troquer, échanger. ‘Willen wij deze waren komenschappen?’ (troquer).
Komkake, vr. Aan een gewoon weefgetouw; fr. le bassin.
Koorde, vr. Omvang. ‘Drie voet koorde’, fr. circonférence.
Koppelband, ml. fr. Escourgeon de fléau. Welsteren band waar-
[p. 18]
mede de eigenlijke vlegel aan den stok bevestigd is.
Kordeel, o. Bij visschers; lang touw, waaraan andere koordjes, van haakjes met levend aas voorzien, vast hangen. Men laat zulk een kordeel op het vaartof rivierwater vlotten.
Kortmalen, b.w. In den graanmolen iets fijn malen. Het tegenovergestelde is Breedmalen (zie: De Bo).
Kost, vr. fr. pension.
- In de halve kost zijn. Waar men in dienstloon is, enkel het middagmaal gebruiken.
- In de natte kost zijn. Geheel den dag in de kost zijn, waar men werkt.
Kraamzetter, ml. Zoo noemt men te Brugge de werklieden, die gedurende den vrijdagnacht op de groote markt de houten kramen plaatsen tegen de marktdag van 's anderendaags.
Kraamzitter, ml. Die met een kraam ter markt zit. (Brugge).
Kreusijzer, o. Bij glazenmakers, stuk ijzeren halam met insneden van onderscheidene diepte en breedte, om dienende, hetzij inhammen in vensterglas te creuseeren, hetzij om smalle strookjes glas, dat gesneden is, met gemak af te knijpen.
- Bij De Bo, onder Greusijzer; in de Woordenboeken Gruisijzer.
Krimpeling, o. als stofnaam. Soort van slechtgebakkene brieken.
Kritsewind, ml., zachte wind, nauwelijks voldoende om eenen windmolen in gang te houden.
Krotte, vr. Gebrande suikerij, die men in de koffie mengt, fr. chicorée torréfiée.
- In Westvl. ook frut, te Antwerpen en in Braband prut en pruts geheeten. Dit krot (te) = prot (te), prut, is dicht met het fr. adj. fruste verwant en in alle geval hetzelfde als prut. - De verwisseling van P met K is overbekend.
Kruis, o. Deel van het gewone weefgetouw; in 't Fransch: épée.
Kruisdistel, ml. Zekere soort van Distel, anders Duivels-naaigaren geheeten.
Zie: Duivels-naaigaren.
Kruisvartje, Kinderspel. Achterloopertje, vartje, met dit onderscheid echter, dat de speler die den achtervolgde, kruiswijs loopend, van den achtervolger scheidt, op zijne beurt achterna geloopen wordt.
Kruiswerk, o. Zekere weefwijze. In vele oude getouwen vormen de peerten een' hefboom, wiens kracht tusschen den weêrstand en het steunpunt komt. Doch, in het verbeterd stelsel van Vlaamsche getouwen, uitgedacht door de gebroeders Pareit, geven de peerden den wederstand tusschen de kracht en het standpunt. Dit laatste stelsel nu heet men kruiswerk.
Kutje-goêkoop, o. Spotbenaming. Een zeer gesparig, ja gierig vrouwtje (meest in Brugge).
Kutkammerij, ook kutkapperij, vr. IJdele bezigheid, prulwerk, fr. vétille, niaiserie.
- Vgl. Vodkapperij, zelfde onkiesch denkbeeld.
Kwaadweêrvogel, ml. Zoo noemt men soms langs de kust den pluvier.
Kwakkelbeen, o. Jagersterm, fr. pipeau à cailles.
Kwijlbabbe, vr. Slabje, dat men kwijlende kinderen onder de kin vastmaakt.

L.

Laan, vr., meest diminutivè gebruikt: Laantje. Kleine, ondiepe gracht langs een stuk land.
Lade, vr. Hetgeen de wever in de hand houdt om het garen toe te slaan, waarin het riet en de kam zitten.
[p. 19]
Ladebak, ml. Aan een weefgetouw, fr. boîte.
Ladebalk, ml. Aan een weefgetouw, fr. traverse du battant.
Ladeblok, ml. Aan een weefgetouw, fr. sommier.
Ladebrug, vr. Aan een weefgetouw, fr. traverse.
Laden, b.w. Opronden.
‘.... de straat openleggen, laden en verzanden.’ (Rek. 1879, Watering Egensluis-Groot Reygarsvliet).
Ladepin, Aan een weefgetouw, fr. marteau.
Ladeschacht, ml. Aan een weefgetouw, fr. épée.
Lagaen, fr. bien épave, sans maître.
- Men leest in de Costumen, wetten ende Statuten der stede ende Poorterye van Ipre, verryckt met de notulen van Mre. Laureyns van den Hane; Ghendt, P. de Goesin, 1769, rubriek 22, art. 1, blz. 207: ‘Goedt espave, lagaen ofte gevonden, dat men niet en weet wie dat 't toebehoort, moet ghelegt zijn in handen van Justicie....’
Lammertjesbaai, o. als stofnaam, fr. flanelle de santé.
- In Westvl., zoowel als in 't Antwerpsche en in 't Hageland bekend.
Lammerzak, ml. Lijnwaden of lederen zak, waarin de schaapherders onderweg de nieuwgeworpen lammeren bewaren en verzorgen totdat zij met de kudde weder te huis komen.
Langzaam, b. nw. langwerpig; fr. oblong. ‘Eene langzame kast, tafel, enz.’ (hooger of langer dan breed).
Langzamig, b. nw. Hetzelfde als langzaam = langwerpig; fr. oblong.
Lanteern, vr. Aan een weefgetouw-Jacquart; fr. lanterne.
Lapper, ml Slechterik, dronkelap. In Holland meer als lap bekend.
Latte, vr. Bij wevers; latten, niet ongelijk aan stoorlatten, dienende om het garen op te houden. Men heeft aldus: Korte latten en lange latten.
- De stalen dwarsarm van boel- en pertsebogen.
Laveeren, b.w. fr. louvoyer.
Leger, o. Kleine ondiepte of kuiltje door hazen en ander wild in den grond gemaakt; een polk daarentegen, bediedt wel eene zate boven den grond. Zie: Polk.
- In Limburg heet men het leger, de schuilplaats van hazen en ander wild: den leechter (Alg. vl. Idiot. blz. 382.)
Legge, vr. Zoo heet men ieder koopje afgehakt hout in de bosschen.
- Ook de hoeveelheid afgepikte halmen, welke de pikker in eenmaal ter gronde legt (zie: De Bo).
Lepelboor, o. Soort van boortuig met een lepelvormig uiteinde.
Letskordeel, o. Geteerde touw, meest gebruikt om de molenzeilen vast te leggen.
Leven, b.w. Beleven, weten gebeuren. ‘Wij zullen zoo iets nooit leven.’
- Leven = losbandig leven; fr. se débaucher.
Lijmstok, ml. Lange stok met vogellijm, om vinken, enz. te lijmen.
Lichter, ml. Aan een weefgetouw fr. ligneul.
Lijnwaadgeterdten, o. mv. Aan een weefgetouw, fr. pédales.
Lind, Lint, fr. l'intestin grêle. Vgl.: lintworm.
Lip, Lippe, vr. Het schof van den hangel boven het haardvuur. Te Brugge wordt die lip den haak geheeten.
- Ook de lip van een slot. fr.: pène d'une serrure.
Lod, Lot, bv. nw. Wordt gezegd van de tanden, die schijnen te jeuken als men brood eet na
[p. 20]
zerp fruit genomen te hebben. Zie: Negge en Nerrig.
Loffen, b.w. Bij zeelieden, schuins van de eerste richting varen.
Loket, o. Winket; fr. guichet. In Westvl. hier en daar in de telegraafkantoren gebruikt.
Loopen, b w. Wordt gezegd van visch, bijz. van paling, die langs den grond zwemt.
Looper, ml. Man, die bij de openbare veilingen, zich gelast met wegkruien der goederen naar de huizen der koopers. fr. Commissionaire, oulings courrier, waarvan de zin beperkter genomen is. Een commissionaris oefent te Brugge eene nagenoeg officieele bediening uit, terwijl de looper aan geenerlei verordening onderworpen is. - Manspersoon, die veel de kroegen en verdachte huizen afloopt. fr. un débauché. Het vrl. is Loopige (zie De Bo).
Lucht, vr. Bak met een lichtjen er in, dien de jagers des nachts bij slecht weder vóor den buik dragen om het wild na te trekken.
Luiden, b. en o.w. Misse luiden = wordt gezegd van de eerste pooze luidens, en kloppen van de tweede
- Zie: Kloppen.
Luiker, ml. Sluiter, poortier; fr. concierge.
- Men pleegt te Brugge den poortier van het vleeschhuis ‘de luiker van 't Beenhuis’ te noemen.

M.

Maat, ml. Werkgezel fr. compagnon, aide ‘aan X en maats, om het delven van...’ (Rek. 1877-78, Water. S. Jobspolder.
Maatstaat, ml. fr. métré.
Machtig, b. nw. Een huis machtig zijn = Een huis en zijne bewoners goed kennen.
Makken. Eigennaam voor Maximiliaan. ‘Makken, de gewezen keizer van Mexico.’
- Te Brugge noemt het volk somwijlen de zon met dien naam. ‘Makken gaat onder; Makken zit vandaag achter de wolken; Makken steekt.’
- Zie: Nora en Treze, andere toenamen der zon.
Malie, vr. Aan een weefgetouw; fr. maillon.
Man, ml. vocatief. Naam waarmede men eenen stier aanspreekt onder het geleiden: ‘Kom, man!’ Tot eene vaars zegt men: ‘Kom meisse!’ (meid).
Man, ml. In 't schilderwerk, eene onreine vlek of verwaarloosde streep, die tegen het overige afsteekt. Mannen maken = fr. laisser des défauts.
- Een mesdag is eene overgeslagene, vergetene plek in eenig werk; een man daarentegen is iets dat gedaan, maar slecht gelukt is.
Mannetje-gij, loc. Als men alleen leeft en alles zelf moet verrichten zonder medehulp van anderen, dan is het: mannnetje-gij.
Mannetjespotijze, vr. Zekere soort van snuif. Men onderscheidt ook natte Fransche, Eindhoofsche, Reukesnuif, enz.
Markt, vr. - De markt afrijden = sterven. Elders: Den hoek omslaan.
Marktlooper, ml. Te Brugge, een kruier, die des Zaterdags op de markten in bediening is.
- Zie: Looper.
Marolle, vr. Watervogel van het geslacht der zwarte eenden, die veelal in de met riet omzoomde vijvers of moerassen verblijft. Op het voorhoofd draagt hij een wit, hoornen schild. Deze vogel is iets kleiner dan eene Waterhoelje (Waterhoen) en mag niet
[p. 21]
verward worden met de Koete.
Martje, onz. Dimin. van Marte. Houten moker, fr. martel.
Masschaart, ml. Grijmte op het koorn, bij De Bo, vo. Masscher, voldoende beschreven.
Matekous, vr. Kous door de breister als maat voor de nieuwe gebezigd.
Mazeltjes droom. Zegsw. ‘Gij komt 'lijk (als 't ware) uit Mazeltjes droom’ = Gij schijnt van niets te weten, als versuft.
- Wellicht wordt hier ‘Madoes drome’ uit de mnl. gedichten herdacht?
Meermeuge, vr. Smaadnaam op eene onzedelijke deerne toepasselijk die, als 't ware, meer dan éénen man vermag (Brugge).
Meisse, o. vocatief. Meid (vr.) Naam waarmede men eene vaars aanspreekt onder het geleiden.
- Zie: Man.
Melk, vr. Magere melk = afgeroomde melk; vette melk = waarvan de room niet afgenomen is. Alsook: Blauwe melk = afgeroomde, en Geele melk = roomhoudende melk.
- De term blauwmelk komt voor in den Grooten Mechelschen Catechismus met uitleg, onder de vraag: ‘mag men wel met Blauwmelk doopen?’
Melkdistel, ml. Ook O.L.V.-distel geheeten. l. Silybum Marianum.
Metselrij, vr. Metselwerk; het gemetselde.
Meulenaar, ml. Naam van een zoetwatervischje, dat ongeveer eenen vinger lang is.
Mi en Di, loc. Die zegswijze wordt in West-Vl. nog wel eens uit den mond van hoogbejaarden gehoord.
- Van mi tot di komen. Vooruitgaan, tot welstand komen. ‘Hij is van mi tot di gekommen.’ = fr. il a prospére; il s'est enrichi.
Mijne. - Iemand de mijne maken. Met listen of door misbruik van macht ten onder brengen, te kort doen.
Mindering, vr. In het breiwerk. Aan de uitzwelling van den hiel begint de mindering, door welke de voet der kous wederom tot zijne vorige breedte komt.
Moederroch, vr. Soort van roch; fr. raie. Men onderscheidt: Katterochen, Vleet en Moederrochen.
Moere, vr. Moervijs aan eene gaaipertse, dienende om den keten te spannen.
Mogen, b.w. Moeten.
‘Godeuaerde den Rutere, den temmerman, van costen omme te makene eene exemplare van eene watermuelne die ghemaect mochte (moest) worden in de veste...’ (Brugge, Stadsrek. 1415-16) Gilliodts, Inv. Arch. V, 310. note 7.
- Mogen geldt te Goes en elders in Zeeland nog eveneens voor Moeten. ‘Vooral de menschen uit den geringen stand, die weinig lezen, verwarren deze beide woorden en hun beteekenis veelvuldig. Zoo zeit men: den ond mocht over den dulve sprüngen, als men wil te kennen geven, dat de hond over de sloot springen moest’ (Johan Winkler, Dialecticon, II, 198.) Blijkens hetzelfde taalwerk (II, 202) is dit evenzeer op het eiland Walcheren het geval.
Mol, ml. - Den mol hebben = luierig zijn; geen lust tot werken hebben (Brugge).
Molengeschot, o. Zoo noemt men bij de Watering der Moere te Meetkerke de belasting, die betaald wordt voor den grond, waarop voordezen de waterwindmolens stonden en thans de stoommolen werkzaam is.
Moortelmaker, ml. De Leemkneder bij de steenbakkers.
Moortelvoerder, ml. Bij steenbakkers, de werkgezel, die het moortel naar de werkbank brengt.
Muffen, b.w. fr. flairer.
- In onbeschofte zegswijzen,
[p. 22]
zooals ‘Ga muf het!’ gebruikelijk, om te beduiden: Gij hebt daar geene zaken meê.
- Wellicht verwant met het fr. mufle, snoet; en murf en murven = mond en zoenen, waarover breeder in Winkler's Dial. gehandeld wordt.
Muilen maken, o. en b.w. Slecht, verkeerd gaan.
- Zegsw.: ‘Dat begint daar muilen te maken’ = fr. cela n'y va plus comme il faut; cela périclite.
Muizelen, b.w. Eenigzins achteroverhellen; sprekende van windmolens waarvan de wieken eene zichtbare helling hebben.
Mutsen, b.w. Plagen, tergen, kwalijkgezind maken. fr. Taquiner; ennuyer. Iemand mutsen = voor den gek houden, tergen, gemelijk maken.
- Slecht gemutst zijn = slechgezind, gemelijk zijn
- De wortel mut schijnt met moed, gemoed verwant, en in alle composita eenen bepaalden gemoedstoestand uit te drukken.

N.

Naad, ml. Eenen naad doen = tweemaal eene ronde breien aan eene kous.
Naaldeplank, vr. Aan een Jacquartweefgetouw; fr. planchette.
Nachtkot, o. Herberg van welkdanig soort, waar men de drinkers tot laat in den nacht ophoudt.
Nachtlamp, vr. Dronkelap, nachtridder (Brugge).
Naseizoen, o. Herfst, najaar fr. arrière-saison.
- Zie: Voorseizoen.
Natuur, vr. De natuur afwerpen = Bij de paarden, enz. metritis of ontsteking van baarmoeder of scheede, waardoor eene sterke uitvloeiing van etterende slijmstof langs de vrouwelijkheid ontstaat, die door het volk verkeerdelijk voor natuur (sperma) genomen wordt.
Nazen, b.w. Naderen. fr. approcher. Naarzen, met ingeschovene R, bij De Bo. ‘Ze naasden al...’ (Jan Onraedt, door C. Callebert). Vgl Sanskr. NAS = komen, gr. νέω.
- Die grondvorm van het ww. naderen (schijnt niet verwerpelijk, als regelmatig gevormd zijnde uit NAH, NAS (s = r); zooals vriezen, gevrozen = gevroren; kiezen, gekozen = gekoren. Nazen staat dus tegenover Naren (hgd. alweder nahen), terwijl naderen eigenl. naren is met eenen lasch in den grondvorm.
Neers, vr. fr. Tulle. Effen, tullen geweefsel met gaatjes alleen en zonder bloemen, met eenen zelfkant aan beide boorden. Eene neerzen vrouwmuts is eene muts van effen tulle.
Negge, b. nw. Hetzelfde als nerrig en lod.
Nerrig, b. nw. Wordt gezegd van de tanden die aangedaan zijn door het eten van zapfruit, en dan ook wel lod of negge geheeten worden.
- Zie: Lod en negge.
Neuken, b.w.l. coïre, Engl. to nuck, nuckinghouse = bordeel.
- Zegsw. ‘Hij is van de ratten geneukt’ = hij bezit eene aangeborene doortraptheid.
Noch. Voegw. van loochening; fr. ni-ni.
- De herhaling van het ontkenwoord noch, tot versterking van het gezegde, komt voor in zegswijzen als:
‘'t En kan, noch 't en kan!
Ze zijn er, noch ze zijn er!
Hij wilde, noch en wilde.’
- Zie: En.
Noot, Note, vr. - De note van eenen doelboog is hetzelfde als het slot of de klappe.
[p. 23]
- De note van eenen pertseboog is daarentegen een beenen nootje, bestemd om den pijl te richten.
Nora. Een der persoonsnamen, die het landvolk aan de zon geeft.
- Zie: Makken en Treze.
Nu, bijw. Nu, nu! Uitroep, gelijkstaande met het fr. enfin, soit!

O.

Oliedom, b. nw. Zeer dom.
- Zie: Olie, 1o bij De Bo, 761, alwaar andere voorbeelden van olie- als aanduiding van den overtreffenden trap aangehaald worden. Veel te Brugge in gebruik.
Omstellen, b.w. Geschot omstellen, fr. imposer une taxe. Bij de wateringbesturen in zwang.
Omstelling, vr. fr. imposition. Bij de wateringbesturen in zwang.
Omstellingsrol, vr. fr. rôle d' imposition. Bij de wateringbesturen in zwang. (Zie o.a. Rek. 1877-78 der water. van de Moere in Meetkerke).
Omloop, ml. fr. Circonscription; territoire.
‘Van den zelfden, het tweede jaar pacht van den omloop des Polders’. (Rek. 1878. Wat. te Catharinepolder).
Ongangs, bijv. nw. Ongesteld, ziekelijk, machteloos.
- In Holland bestaat dit w. ook; maar het schijnt bijzonderlijk van toepassing op zekere ziekte onder de schapen.
Onraad. Iets kwaads of vuils. Ontuig.
- Raad = tuig; huisraad, enz.
Onthier en.... loc. tusschen nu en... (een bepaald tijdstip.) Geh. te Beveren bij Rousselare.
- Ook bij Schuermans, blz. 427 bekend.
Onzeboomenhout, o. Soort van struikgewas. Hondsboomenhout. Ook: Onzelarenhout.
Onzelarenhout, o. Hetzelfde als Onzeboomenhout. Hondslarenhout.
Oogen, b.w. Naöogen; jagersterm = fr. suivre du regard.
- Zie: Opoogen, hetwelk een algemeene, geen jagersterm is.
Oogherel, ml. Aan een gewoon weefgetouw; fr. lisse à boucle.
Oostersch, bijv. nw. Die bijnaam wordt aan alle trekvogels gegeven. Zoo heeft men oostersche vinken, oostersche ganzen, enz.
Opblazen, b.w. Bij kalsijders. De kalsijden (straatsteenen) op de lage plekken met den handboom hooger doen uitkomen en gelijk van peil brengen met de daarnevens liggende steenen.
- De Bo heeft Blazen.
Opening, vr. - Staande opening. Hydrol. fr. débouché linéaire.
- Geheele opening. Hydrol. fr. débouché superficiel.
Openleggen, b.w. Bij kalsijders. De straat openleggen, = de kalsijden uitnemen, hetzij om ze beter te leggen of door nieuwe te vervangen; fr. relever à bout.
- Zie: De Bo, v. Uitpakken, dat er een synom. van is.
Openvletten, b.w. Rozijnen, druiven, enz. openscheuren, openspreiden.
- Zie: Vletten.
Opgaan, b.w. - Iemand opgaan = fr. attraire qqn. en justice.
- Syn. Aanspreken, Wdb. van De Vries.
Opgepoefd, bv. nw. Opgezwollen en winderig, ten gevolge van overmatig eten of drinken.
Ophouding, vr. fr. barrage.
‘.... tegenover de brug en de ophouding (barrage).’ (Rek. 1877-78, Water. Moerkerke.- Zuid-over-de-Lieve).
Ophoudingsstelsel, o. fr. systême de barrage. (ibid., 1877-78).
[p. 24]
Opkaaiingswerk, o. De ophooging en versterking van dijken, bij middel van steenen of houten beschot.
Opkaaiingswerk in de Bommelarevaart’. (Rek. 1877, Water. Noorden van Veurne).
Opkaaiing, vr. De daad van het opkaaien. ‘....opkaaiing der kanten met palen en planken...’ (Rek. 1877, Water. Noorden van Veurne).
Opkaaien, b.w. De dijkkanten van eenen waterloop met houten of steenen beschot versterken. fr. consolider.
Opkoking, vr. Volkswoord om de opschorging van water te beduiden, die ontstaat bij het opheffen van het kassijn eener sluis in eene vaart; fr. remou.
Opleggen, b.w. Bij steenbakkers; de kleiaarde in den bak gereed leggen voor den vormer.
Oplegger, ml. Bij steenbakkers; de werkman die met het opleggen (zie ald.) gelast is.
Opnemer, ml. Doopdoek. Vierkante lap, van diemit of nabijkomende stoffe, waarin men het kind wikkelt, dat ten doop gebracht wordt.
Opoogen, b.w. Met de oogen iets of iemand nieuwsgierig of met gespannen aandacht opvolgen. Hetzelfde als naöogen uit de boeketaal.
- Zie: Oogen.
Oprapen, b.w. De steken oprapen: de oogskens der draden van gebreidsel op de naald nemen om den brei voort te zetten of te herwerken.
Opsnakken (Zich), b.w. Zich optooien, opschikken; fr. s'attifer. (Te Brugge).
- In Limburg beteekent snak en snakker = gauw, vlug, gezwind, ieverig (Olg. Vl. id. 637). - Snakker = frisch en smakelijk. (Lijst van Zaansche woorden, in Noord en Zuid, 1880, blz 316). - Volgens Schuermans (Alg. Vl. id.) is het woord verwant met snaak, snugger, snap, snappen, snakken of knap en knappen.
Opperlade, vr. Aan een gewoon weefgetouw; fr. poignée.
Opperwater o. Water van stroomopwaarts; fr. eau supérieure.
‘Want het zijn de opperwateren die de overstroomingen veroorzaken’. (Rek. 1879, Wat. Eyensluis. Gr. Reijg.)
Optelsol(-me), vr. In ambtelijke stuks bijwijlen gebruikt in den zin van het fr. relevé, en soms ook in dien van 't fr. statistique.
Opzeggen, b.w. De daad der opzegging. (Zie ald.)
Opzegging, vr. In de R.K. Kerk, bij de kinderen, algemeene opzegging der catechismus-lessen, bijwijze van examen, om tot de eerste communie toegelaten te worden.
Opzetten, b.w. Van dijken sprekende: met houten barderen of steen effen en vastzetten.
‘... Voor het opzetten der kanten aan de zelve heule.’ (Rek. 1879, Wat. v. Blankenberghe.)
Oudeman, ml. Zekere ziekte bij het vee; fr. tête de vieux en tête de vieille naar gelang van het geslacht der zieken.
Overlicht, o. Glazen wand, die het licht eener voor- of achterkamer aan eene middenzaal mededeelt.
- Te Brugge noemt men zulks ‘eene kamer licht van licht’.

P.

Paalplank, vr. fr. palplanche.
Paap, Pape, vr. Zegsw.: Den Pape scheren. Met den eetlepel de koele soep van langs den boord der telloor het eerst afscheppen, in afwachting dat het middendeel koeler geworden zij.
- Den Pape scheren is mede
[p. 25]
een kinderspel, uitgelegd door De Bo, en dat eenige overeenkomst heeft met de bewerking hierboven beschreven.
Pachtenaar, ml. Pachter, huurder, fr. locataire. Deze vorm is even goed als huuraar nevens huur der.
Paleibank, vr. Aan een weefgetouw; fr. Estasses.
Panneschuit, vr. Visschersschuit van het gehucht de Panne, onder Alveringhem, nabij Veurne. (Burgerwelzijn, 11 Nov. 1882)
Pannevet, o. 1e Eenigerhande vet gebraadsel.
2e. Kleine overschot van afgesmolten vet, die nauwelijks eene pan vullen zou.
Papesteen, o. als stofnaam; ml. als voorwerp. Gebakken kareelsteen, meest afkomstig uit de steenovens van Rupelmonde en Niel, formaat 1,080 × 0.085 × 0,045 millim.
- Zie: Klampsteen, Derdeling, Kleine steen en Putsteen.
Paplammeren, b.w. Zoo noemt men de wijze waarop vee, kinderen, enz. met vetten en fletsen kost grootgekweekt worden.
Parochie-stier, ml. (Ironiek); fr. grand débauché.
Pastoors-erweten, vr. mv. Soort van groote erwten.
Patrijsralie, vr. Trekvogel, die in 't fransch râle de genêt heet.
Pauwenoogske, o. Zekere weefteekening in ammelakens, servietten en handdoeken, niet ongelijk aan het oog der pauwenveeren.
Peerd, o Ann eene gaaipertse, vorksgewijze haak, dienende om den keten te vatten en op te houden.
Peerdsvoetblad, o. Zekere plant, ook kortaf Peerdsvoet geheeten; fr. tussilage, pas d'âne, welke, zooals hare fr. benaming het uitgeeft, tegen den hoest aangewend wordt.
- In de Woordenboeken: Hoefblad, Hoeflatouwe, Ezelspoot, Paardsklauw (Sleeckx en v.d. Velde).
Peil, o. Hijdrol. fr. Etiage.
Pele, vr. Vel; fr. peau. ‘Iemand bij de pele hebben’ = Vast-, beethebben.
Perceelsch, b. nw. fr. parcellaire.
... ingevolge de nieuwe kadastrale perceelsche kaart. (Rek. 1877-78 der Wat. van Romboutswerve).
Perelnet, b. nw. Zeer rein, zindelijk. Het min reine heet men Borstelnet.
- Bij De Bo aangeteekend.
Perk, o. In den zin van schaapsperk, fr. parc à moutons.
Pers, vr. Aan een Jacquart-weefgetouw; fr. gallet.
Pertseboog, ml. Ter onderscheiding van Doelboog noemt men Pertseboog den boog waarmede bij zomertijd op het schuttersplein naar de gaaipertse geschoten wordt.
Pestel, ml. fr. bretelle.
Lint of bandje aan kinderkleedjes, dat over de schouders gekruist wordt om de kleêren vast op te houden. Om broeksbretellen te bedoelen zegt men nooit Pestel, maar altijd het fr. bretelle.
Peurkuip, vr. Bij De Bo staat het synon. Peurbak.
Peurpertse, vr. Hetzelfde als Peurstok bij De Bo.
-piep. Achtervoegsel, dat altijd samengaat met den diminutiefvorm -tje, en in minachtenden zin wordt aangewend, b.v.:
Drukkertje-piep = Knoeidrukker. Schildertje-piep = Onkundige schilder.
Boertje-piep = Onbekwame landbouwer.
- Iets dat flauw en gemeen is, zooals flauwe koffie, flauwe thee, flauwe praat (Gent en elders; Alg. Vl. idiot., suppl. 240.)