terug  begin  verderprepost
[p. 47]

Potloodstrepen bij de 3de aflevering van Onze Volkstaal, II.

In de eerste aflevering van den eersten jaargang van dit Tijdschrift verzoekt de Redacteur in Ons Programma, aldaar blz. 7 onderaan, aan de medewerkers, op te geven welke woorden ook in eene andere ‘streek dan de genoemde gebruikelijk zijn.’

Teneinde aan dat verzoek te voldoen, streepte ik onder het lezen van de jongste aflevering van Onze Volkstaal hier en daar aan. Hier volgt wat mijne aandacht trok.

Blz. 141. Meesteren is algemeen Nederlandsch. (Van Dale.)

Blz. 142. Oksaal insgelijks (Van Dale.)

Ollaers, Nederbetuwsch hoolaars, aldus genoemd naar de groote holte op de plaats waar het steeltje zit. Derhalve hoolaars = holle aars.

O-tje-pato-tje. Nederbet. ootje vange; N.-Brab. nulleke vaore.

Pikken. Dit ww. wordt ook in de Neder-Betuwe gebruikt, inzonderheid bij het snijden van riet. Arme menschen, die des winters den Rijn oversteken, om in 't Sticht riet te snijden, heeten rietpikkers.

Blz. 143. Bij Ruuffetute staat: onbehouden. Dit zal wel eene drukfout zijn voor onbehouwen.

Blz. 144. Straole-biië wordt in sommige streken van N.-Brabant gebezigd, niet voor de ‘gewone bij,’ maar voor de wesp.

Blz. 153 e.v. Naar aanleiding van dezen degelijken arbeid van Brabantius zij mij de volgende opmerking veroorloofd. Het komt mij voor, dat de schrijver, waar hij tot grondslag voor zijne studie Van de Schelde tot de Weichsel en Winklers Nederduitsch Idiotikon gelegd heeft, niet genoeg rekening heeft gehouden met het minder of meer fijne gehoor van de schrijvers der verschillende stukken. Bij eene dergelijke vergelijkende studie van de verschillende tongvallen uit eene zelfde streek is het mij althans gebleken, dat, hoe gaarne ik hulde breng aan de verdienstelijkheid van den arbeid

[p. 48]

der H.H. Leopold en Winkler, sommige schrijvers in beide bovengenoemde werken niet genoeg betrouwbaar zijn. Het gehoor is vrij subjectief. Daarbij gaan niet alle schrijvers die de volksspraak willen photografeeren, even nauwgezet te werk. Ten derde ontbreekt een eenparig spellingstelsel. Zeker oorzaken genoeg voor verwarring en onzekerheid.

De volmaaktheid zou men eerst nabij kunnen komen, indien iemand met een fijn spraakgehoor begaafd, eene landstreek afreisde, gesprekken aanknoopend met het landvolk, met den waard in de dorpsherberg, met den barbier in den scheerwinkel, den koetsier in de tilbury, den schaapherder op de heide, met de melkmeisjes en de huismoeders, met al wie maar praten wou. Toegang moest hij zien te krijgen tot den haard op een langen winteravond, en zich de legenden en sprookjes laten vertellen door de oudjes......

Of ik dit zelf niet voor eene utopie houd? Zeer zeker. Althans zoolang Onze Volkstaal niet over ruimer geldmiddelen mag beschikken.

Toch meende ik er op te moeten wijzen, als op het m.i. eenige afdoende middel om een betrouwbaren grondslag voor de uitspraak te verkrijgen.

J.C.G.

prepostterug  begin  verder