terug  begin  verderprepost
[p. 106]

Transvaalsche Spraakkunst.

I. Spelling.

De Transvalers zeggen: ‘Ons skrijf soos ons praat’, en daaraan houden zij zich. Daar alle Transvalers de woorden echter niet op dezelfde wijze uitspreken, heerscht er ook in de spelling nogal eenig verschil. In eene taal, waarin alleen de regel geldt: ‘Schrijf, zooals gij spreekt’, kan geene eenheid van spelling zijn.

Het Transvaalsch is een dialect der Nederlandsche taal, een dialect echter, dat onder den invloed van eene andere natuur en door de aanraking met andere talen en tongvallen, meer van de moedertaal is afgeweken dan één onzer dialecten.

In de woorden onzer taal komen verscheidene letters voor, die niet worden uitgesproken. In het Fransch en het Engelsch is 't aantal dier doode letters nog veel grooter. Door eene vergelijking van het Transvaalsch met onze schrijftaal zal het duidelijk worden, dat ook de Transvalers een groot aantal letters hebben laten vallen, veel meer dan wij. Sommige woorden onzer taal zijn daardoor tot onherkenbaar wordens toe veranderd. Wie zou b.v. in het woord dalk aanstonds ons woord dadelijk, in ons zeggen, in molik ons mogelijk en in mos ons immers herkennen?

Om een duidelijk inzicht te geven in de spelling van het Transvaalsch, kunnen we niet beter doen, dan de woorden dier taal met die van onze taal te vergelijken. Die vergelijking zal zich dan hoofdzakelijk moeten bepalen: a tot de uitlating en afkapping van letters; b tot de samentrekking van woorden en lettergrepen; c tot de verwisseling van medeklinkers; en d tot de verwisseling van klinkers en tweeklanken.

a. Uitlating en Afkapping van letters.

1. Woorden en lettergrepen, die in onze taal eene t tot slotletter hebben, hebben die in het Transvaalsch niet. Voorbeelden:

Bors, borst.
Gars, gerst.
Vees, feest.
Lus, lust.
[p. 107]
Erns, ernst.
Juis, juist.
Woes, woest.
Volstrek, volstrekt.
Op laas, op 't laatst.
Kosbaar, kostbaar.
Vrugbaar, vruchtbaar.
Diggees, dichtgeest.
Eers, eerst.
Lys, lijst.

 

In de woorden koorts, plaats, e.d. wordt de t ook weggelaten. Laatst wordt laas.

2. De w valt in het Transvaalsch weg, indien zij voorafgegaan wordt door eene ou of au. Voorbeelden:

 

Vrou, vrouw.
Gou, gauw.
Tou, touw.
Lou, lauw.
Flou, flauw.
Nou, nauw.
Nouer, nauwer.
Noulettend, nauwlettend.

 

Enkelen schrijven in sommige woorden eene w. Zoo vond ik o.a. klouwe en nouweliks (klauwen en nauwelijks).

3. In het midden der woorden wordt de g doorgaans weggelaten. Ook ge verdwijnt in 't midden der woorden. Door sommigen wordt dit door een weglatingsteeken aangeduid, doch door de meesten niet. Voorbeelden:

Teen, tegen.
Seen, zegen.
Reen, regen.
Gereeld, geregeld.
Voels, vogels.
Ma'er, mager.
Se'en, zegenen.
We'e, wegen.
Onmolik, onmogelijk.
Leu'ens, leugens.
Vroer, vroeger.
Einste, eigenste.
Eië, eigen(e),
Vabond, vagebond.
Ne'ende, negende.
Ho'er, hooger.
La'er, lager.
Molik, mogelijk.
Onmoêntlik, onmogelijk.
Onênblik, oogenblik.

Men schrijft oo'e en oge, oogen.

Ook aan 't einde van sommige woorden wordt de lettergreep ge weggelaten, b.v. rog, rogge.

4. In het midden der woorden worden ook enkele andere letters en lettergrepen uitgelaten. Voorbeelden:

De in dalik, dadelijk; dalik wordt doorgaans nog weder samengetrokken tot dalk.

De insgelijks in znw., die in 't meerv. eren of ers krijgen en in 't enk. eene d tot slotletter hebben, b.v. blare, bladeren; klere, kleederen; are, aderen; e.d.

[p. 108]

D in ou'ers, ouders; goue, gouden.

Du in wewenaar, weduwenaar.

V in oer of o'er, over; oerkant, overkant en andere samenstellingen met over. Ook in 't woord avond gaat de v verloren. Dit woord wordt verschillend geschreven: aa'nt, aant of aand.

V vervalt ook in boenste, bovenste. Boven zelf wordt eenvoudig bo, ook in samenstellingen, zooals bokant, bovenkant; bolip, bovenlip.

L in as, als; makaar, malkaar.

Le in de samenstellingen met alle, b.v. almal, allemaal; algaar, allegaar.

E in sommige woorden met het voorvoegsel be of ge, b.v. blo, belooven; glo, gelooven. In enkele woorden verdwijnt ook de e van het voorvoegsel ver, o.a. in vrot, verrot en vrek, verrekken.

H in tans, thans; tuis, te huis, 't huis.

De ch van sch vervalt in het midden en aan 't einde der woorden. Voorbeelden:

Vris, frisch.
Wens, wensch.
Wense, wenschen.
Duitse, Duitsche.
Ganse, gansche.
Mense, menschen.

Aan 't eind der woorden worden ook de volgende letters of lettergrepen weggelaten:

D in hoof, hoofd.
De in sy, zijde; ou, oude.

5. Zelfst. naamw., die in onze taal en in 't meervoud hebben, krijgen in het Transvaalsch alleen eene e. Voorbeelden:

Dade, daden.
Lippe, lippen.
Boeke, boeken.
Ore, ooren.
Vrinde, vrienden.
Skape, schapen.
Mense, menschen.
Diere, dieren.

Ook de n van den uitgang eren vervalt. Men schrijft ers of re, b.v. eijers, eieren; blare, bladeren; kinders, kinderen.

In aans voor aanstonds blijft van de laatste lettergreep alleen de s over.

Niet alleen de zelfstandige naamw. verliezen de n in 't meervoud, maar ook andere soorten van woorden verliezen die letter aan 't eind. Voorbeelden:

Sewe, zeven.
Ewe, even.
Binne, binnen.
Goue, gouden.
Eië, eigen.
Ne, neen.
[p. 109]

6. De uitgang en van de onb. wijs wordt altijd weggelaten. Ook de persoonsuitgangen vervallen in het Transvaalsch. Voorbeelden:

 

Praat, praten.
Soen, zoenen.
Roep, roepen.
Neem, nemen.
Woon, wonen.
Vry, vrijen.
Dink, denken.
Vouw, vouwen.
Ek praat, ik praat.
Jy praat, gij praat.
Hy praat, hij praat.
Ons praat, wij praten.
Julle praat, gij praat.
Hulle praat, zij praten.

 

Ook de d, t en en, de uitgangen der verl. deelwoorden, vervalen. Men schrijft: ek hct gewoon, ik heb gewoond; ek het gedink, ik heb gedacht; ons het gely, wij hebben geleden; enz.

Sommigen behouden nog de e van den uitgang en, zoowel in de onbepaalde wijs als in het verleden deelwoord. Voorbeelden:

 

Vinde, vinden.
Sterwe, sterven.
Skrywe, schrijven.
Skyne, schijnen.
Make, maken.
Drywe, drijven.
Gesproke, gesproken.
Verdwyne, verdwenen.
Geskrywe, geschreven.
Vergete, vergeten.
Ontvange, ontvangen.
Gedrywe, gedreven.

 

De werkwoorden worden in het Transvaalsch erg besnoeid. Eindigt de stam van een werkwoord op eene d, g, f of w dan gaan ook die letters met den uitgang verloren. Voorbeelden:

 

Lui, luiden.
Hou, houden.
Vashou, vasthouden.
Tre, treden.
Stry, strijden.
Ry, rijden.
Dra, dragen.
Wa, wagen.
, zeggen.
Vra, vragen.
Kry, krijgen.
Verdra, verdragen.
Bly, blijven.
Ge, geven.
Glo, gelooven.
Blo, belooven.
Gege, gegeven.
Oerge, overgeven.
Anskou, aanschouwen.
Waarskou, waarschuwen.
Skre, schreeuwen.
Beskou, beschouwen.
Sku, schuwen.

 

Ook het woord hebben verliest de b en verandert in .

[p. 110]

b. Samentrekking van woorden en lettergrepen.

Soos, samengetr. uit so, zoo en as, als.
Nes, samengetr. uit net, net en as, als.
Netsoos, samengetr. uit net, so en as.
Somar, samengetr. uit so, zoo en mar, maar.
Dis, samengetr. uit dit en is.
Daars, samengetr. uit daar en is.
Watter, samengetr. uit wat en ver, voor.
And', samengetr. uit an, aan en di, die.
Saans, snags, e.d. samengetr. uit des aans (avonds), des nags, nachts.

c. Verwisseling van medeklinkers.

1. De Transvalers rangschikken ook de z onder de vreemde letters. 't Schijnt dat een Transvaalsche mond die niet kan uitspreken. Zij hebben dus vier vreemde letters: c, q, x en z. Voor onze z schrijven zij steeds eene s, terwijl onze ij door eene y wordt voorgesteld. Voorbeelden:

 

So, zoo.
Sigbaar, zichtbaar.
Kiser, kiezer.
Se, zeggen.
Sooije, zoden.
Hy, hij.
Syn, zijn.
Begryp, begrijpen.
Kry, krijgen.
Verby, voorbij.

 

2. Met de spelling van f en v neemt men het niet nauw. De v wordt door eene f vervangen en omgekeerd. Voorbeelden:

 

Vees, feest.
Vris, frisch.
Begravenis, begrafenis.
Vijnigheid, fijnigheid.
Fluk, vlug.
Brifi en brivi, briefje.
Efventjies, eventjes.
Frolik, vroolijk.

 

3. De v wordt in het midden der woorden meestal door eene w vervangen. Voorbeelden:

 

Sewe, zeven.
Liwer, liever.
Hawe, haven.
Eweseer, evenzeer.
Drywer, drijver.
Klowe, kloven.
Stewels, stevels (laarzen).
Sterwe, sterven.
Suiwer, zuiver.
Lewendig, levendig.

4. De woorden, die in het Nederlandsch met eene c worden gespeld, schrijft men in het Transvaalsch met eene k, indien zij ge-

[p. 111]

volgd wordt door eene a, o of u, en in de overige woorden met eene s. Voorbeelden:

 

Konsep, concept.
Kompenei, compagnie.
Korant, courant.
Kompelmente, complimenten.
Kommissie, commissie.
Oseaan, oceaan.
Offisier, officier.
Kultifeer, cultiveeren.
Koerasie, courage.
Redakteur, redacteur.

Ook de ch wordt in vreemde woorden vervangen door eene s, b.v. masine, machine; marseer, marcheeren.

5. Aan 't begin der woorden gaat onze sch steeds in sk over. Voorbeelden:

 

Skool, school.
Skoen, schoen.
Skoon, schoon.
Sku, schuw.
Skouwer, schouder.
Beskou, beschouwen.
Miskien, misschien.
Skape, schapen.
Skraal, schraal.
Anskou, aanschouwen.

6. Woorden en lettergrepen, die in onze taal eene ch tot slotletter hebben, krijgen eene g. Voorbeelden: Sig, zich.

Dog, doch.
Tog, toch.
Wagter, wachter.
Glimlag, glimlach.
Egter, echter.
Nog, noch en nog.
Ag, ach.
Reenagtig, regenachtig.

In het woord Gristen, christen, verandert ook onze ch in eene g.

7. Woorden en lettergrepen, die in onze taal op cht uitgaan, krijgen alleen eene g aan 't einde. Voorbeelden:

Lug, lucht.
Lig, licht.
Ag, acht.
Nag, nacht.
Sug, zuchten.
Sug, zucht.
Eendrag, eendracht.
Sigbaar, zichtbaar.
Andag, aandacht.
Wag, wachten.
Eggenoot, echtgenoot.
Opsig, opzicht.
Veg, vechten.
Mag, macht.

In oggend, ochtend is onze cht in gg veranderd.

8. Onze d en ook onze b gaan in sommige Transvaalsche woorden in eene w over. Voorbeelden:

Kouw, koud.
Skouwer, schouder.
Ouwer, ouder.
Sawel, sabel.
Troewel, troebel.
Miserawel, miserabel.
[p. 112]

In stawelgek is onze p in eene w overgegaan.

9. Indien onze d voorafgegaan wordt door een volkomene klinker of tweeklank, gaat zij in eene i, eene j of eene ij over. Voorbeelden:

 

Goei, goed.
Goeje en goeije, goede.
Poejer, poeder.
Kwaai, kwaad.
Sooije, zoden.
Slaai, salade.
Verrajery, verraderij.
Rooi, rood.
Raaisels, raadsels.
Blaaie, bladeren.
Laai, laden.
Doje, doode.
Breje, breede.
Nooi, noodigen.

 

10. De g maakt in sommige van onze woorden plaats voor eene k. Voorbeelden:

 

Jonk, jong.
Fluk, vlug.
Lank, lang.
Nuwskierig, nieuwsgierig.

 

Ook verandert zij in enkele Transvaalsche woorden in eene w, zooals blijkt uit hawel, hagel.

11. De rg maakt in vele Transvaalsche woorden plaats voor rr. Voorbeelden:

 

Errens, ergens.
Terre, tergen.
Sorre, zorgen.
Besorre, bezorgen.
Morre, morgen.

 

Verwisseling van lg in ll vindt plaats in de woorden: vollens, volgens; vollende, volgende.

12. Onze d gaat in enkele woorden in eene s of eene t over. Voorbeelden:

 

Asem, adem.
Ronte (In di -), in het rond.
Ent, end, eind.

In moeg, moede, heeft zij plaats gemaakt voor eene g.

In hemp, hemd, is zij in eene p overgegaan.

13. Achter vreemde woorden verandert het achtervoegsel tie in sie of si; 't achtervoegsel ge eveneens in sie. Voorbeelden:

 

Nasie, natie.
Mosi, motie.
Koerasie, courage.
Edukasi, educatie.
Petisi, petitie.
Notisi, notitie.
Eleksie, electie.
Sirkulasi, circulatie.
Porsie, portie, veel.
[p. 113]

14. Lijstje van woorden, die in spelling van de Nederlandsche verschillen, en moeielijk onder een regel gebracht kunnen worden.

 

Jannewari, Januari.
Fewerwari, Februari.
Nuut, nieuw.
Horings, horens.
Yster, ijzer.
Kompelmente, complimenten.
Kwarantien, quarantaine.
Verweel, ffuweel.
Augus, Augustus.
Koring, koren.
Asseblief, als je blieft.
Perbeer, probeeren.
Karmenatji, karbonade.
Iwers, ergens.
Konsensi, concientie.
Oorlosi, horloge.
Stasie, station.
Moeg, moede.

d. Verwisseling van klinkers en tweeklanken.

1. In opene lettergrepen worden de klinkers niet verdubbeld. Niet alleen de a en u maar ook de e, o en i worden dus in die lettergrepen met een enkele letter aangewezen. Voorbeelden:

 

Twe, twee.
Hele, heele.
Vreselik, vreeselijk.
Ve, vee.
Enige, eenige.
Di, die.
Ni, niet.
Imand, iemand.
So, zoo.
Grote, groote.
Oge, oogen.
Bose, booze.
Ho'er, hooger.
Dri, drie.
Ider, ieder.
Nasi, natie.

 

Bij sommige schrijvers vindt men de klinkers echter ook nog verdubbeld.

2. 't Achtervoegsel lijk wordt in het Transvaalsch lik. Voorbeelden:

Eerlik, eerlijk.
Wenselik, wenschelijk.
Hartlik, hartelijk.
Eienlijk, eigenlijk.
Frolik, vroolijk.
Maklik, gemakkelijk.
Godlik, goddelijk.
Betreklik, betrekkelijk.
Molik, mogelijk.
Maatskaplik, maatschappelijk.
Moentlik, mogelijk.

 

Zooals uit deze voorbeelden blijkt, wordt de e tusschen het woord en het achtervoegsel doorgaans weggelaten.

Ook rijk wordt in samenstellingen meestal rik, b.v. bosrik, boschrijk; talrik, talrijk; waterrik, waterrijk.

Onze Volkstaal III.

[p. 114]

3. Het Transvaalsch heeft geene au; deze tweeklank wordt door ou vervangen. Voorbeelden:

 

Rou, rauw.
Nou, nauw.
Gou, gauw.
Flou, flauw.
Blou, blauw.
Lou, lauw.
Nouweliks, nauwelijks.
Nouer, nauwer.
Douw, dauw.
Klouwe, klauwen.

 

De eeu wordt meestal door eene e vervangen, b.v. sne, sneeuw; ewe, eeuwen; skre, schreeuwen.

De ieu van nieuw wordt eene u: nuw, nieuw; nuwsblad, nieuwsblad. Voor nuw vindt men soms ook nuut.

4. De volkomene a gaat in een groot aantal woorden in eene onvolkomene a over. Voorbeelden:

 

An, aan.
Andag, aandacht.
Algar, allegaar.
Nar, naar.
Mar, maar.
Lat, laten.
Almal, allemaal.
Anhou, aanhouden.

 

Sommigen schrijven echter ook maar, aan, naar, enz.

5. Wanneer de aa door eene r wordt gevolgd, gaat zij meestal in eene gerekte e over. Deze e wordt aangeduid door eene ê. Voorbeelden:

Pêrd, paard.
Stêrt, staart.
Kêrs, kaars.
Wêrd, waard.
Vêrs, vaars.
Regvêrdig, rechtvaardig.

 

6. De onvolkomene e gaat in enkele woorden in eene onvolkomene a over. Voorbeelden:

Vars, versch.
Harsens, hersens.
Pars, persen.
Bars, bersten.

 

7. In een grooter aantal woorden gaat zij in eene i over, b.v. in:

 

String, streng.
Dink, denken.
Sit, zetten en zitten.
Grip, greppel,
Bring, brengen.
Kring, kreng.

 

Omgekeerd gaat de i in eene e over in de woorden ék, ik; en wen, winnen.

8. In het woord hom, hem, is de e in eene o veranderd; in het woord murg, merg, in eene u.

9. De volkomene e gaat in sommige woorden in eene eu over. Voorbeelden:

[p. 115]
Sweup, zweep.
Speul, spelen.
Speulgoed, speelgoed.
Veul, veel.
Deuse, deze.
Seuwe, zeven.

 

Zij gaat in eene onvolkomene e over in het woord gen, geen, terwijl zij in eene ei is overgegaan in het woord keil, keel. In sif, zeef heeft zij plaats gemaakt voor eene i.

10. De volkomene o gaat in vele woorden in eene eu over. Voorbeelden:

Seun, zoon.
Steur, storen.
Veul, veel.
Deur, door.
Heuning, honig.
Meul, molen.

 

In enkele woorden gaat zij in eene oe over, zooals in: oek, ook en oest, oogst.

In het woord ver, voor, benevens in vereers, veral, verby, etc. is de oo in eene e overgegaan. Ver, het tegengestelde van nabij, wordt ter onderscheiding vêr geschreven.

In het woord vort, voort, is de volkomene o in eene onvolkomene overgegaan.

11. De onvolkomene o gaat in enkele woorden in eene i over, o.a. in wirm, worm; sywirm, zijdeworm en spring, sprong.

In het woord vurk, vork, heeft zij plaats gemaakt voor eene onvolkomene u.

12. De oe gaat in eene onvolkomene oe over in:

 

Blom, bloem.
Mot, moeten.
Bankrot, bankroet.
Blomme, bloemen.
Genog, genoeg.
Hora, hoera.

 

13. Vele woorden, die in onze taal met eene ei worden gespeld, worden in het Transvaalsch met eene y geschreven. Voorbeelden:

Klyn, klein.
Tryn, trein.

14. In nou, nu, heeft de u plaats gemaakt voor eene ou.

II. De Woordsoorten.

1. Het Werkwoord.

1. Zooals reeds in het vorige hoofdstuk is opgemerkt, wordt de uitgang en van de onbepaalde wijze altijd weggelaten, terwijl er

[p. 116]

van een groot aantal werkwoorden ook nog enkele letters van den stam vervallen.

2. De d, t en en van de verledene deelwoorden vervallen insgelijks. Alleen het voorvoegsel ge blijft. In het Transvaalsch zegt men dus:

 

Ek het gebring, ik heb gebracht.
Hy het verlies, hij heeft verloren.
Julle het gekry, gij hebt gekregen.
Ons het geloop, wij hebben geloopen.
Hy het hom voorgeneem, hij heeft zich voorgenomen.

3. Het tegenwoordig deelwoord krijgt even als in onze taal end of nd achter den stam, b.v. bewend, bevend; lewend, levend; vollende, volgende.

4. De onvoltooid tegenw. tijd is gelijk aan de onbepaalde wijze. De persoonsuitgangen vervallen in het Transvaalsch. De onvolt. teg. tijd der aant. wijze van 't werkwoord bring, brengen, luidt daarom:

Enk. Meerv.
Ek bring. Ons bring.
Jy bring. Julle bring.
Hy, sy, dit bring. Hulle bring.

5. De onvoltooid verleden tijd komt alleen bij de hulpwerkwoorden voor. De andere werkwoorden hebben daarvoor geene afzonderlijke vormen. En daar ook de verl. deelw. van de onbepaalde wijze gevormd worden door voorvoeging van ge, volgt hieruit, dat het Transvaalsch geene ongelijkvloeiende werkwoorden kent. Alle werkwoorden zijn gelijkvloeiend.

Voor den onvolt. verl. tijd worden de vormen van den onvolt. tegenw. tijd gebruikt. De beteekenis wordt door bijwoorden aangewezen of moet uit den zin worden opgemaakt. Voorbeelden:

 

Laas kry ek 'n lange brief, laatst kreeg ik een langen brief.
Toen hardloop hy weg, toen liep hij hard weg.
Hy loop deur di kamer, hij liep door de kamer.
Hy stry met homself, hij streed met zich zelf.
Hy lat hom drywe, hij liet zich drijven.

 

6. Sommige schrijvers bezigen echter ook nog de vormen, welke in 't Nederlandsch voor den onvolt. verl. tijd en het verl. deelwoord gebruikt worden. Zoo vond ik o.a.:

[p. 117]
Hy skudde syn kop, hij schudde 't hoofd.
Jy wist, gij wist.
Hy wis wel, hij wist wel.
Ons dog, wij dachten.
Ons dink, wij denken.
Ek wil, ek wou, ik wil, ik wou.
Ons het besog, wij hebben bezocht.
Ons het gespreek, wij hebben gesproken.
Ons het gesproke, wij hebben gesproken.
Ek het gedink, ik heb gedacht.
Ek het gedog, ik heb gedacht.

 

Enkelen laten van den uitgang en van 't verleden deelw. ook alleen de n weg, en schrijven dus: getroffe, verlege, getrede, geholpe, dedrywe, gesproke, etc.

7. De overige tijden van de aantoonende wijze worden evenals in onze taal met behulp der werkwoorden hebben (), zijn (syn) en zullen (sal) gevormd, zooals uit de volgende voorbeelden blijkt.

 

8. Vervoeging van de werkwoorden hê, syn en sal.

 

Aantoonende wijs.

Onvoltooid tegenwoordige tijd.

Ek het, ik heb. Ek is, ik ben,
Jy het, gij hebt. Jy is, gij zijt.
Hy, sy, dit het, hij, zij, het heeft. Hy, sy, dit is, hij, zij, het is.
Ons het, wij hebben. Ons is, wij zijn.
Julle het, gij hebt. Julle is, gij zijt.
Hulle het, zij hebben. Hulle is, zij zijn.

Onvoltooid verleden tijd.

Ek had, ik had. Ek was, ik was.
Jy had, gij hadt. Jy was, gij waart.
hy had, hij had. Hy was, hij was.
Ons had, wij hadden. Ons was, wij waren.
Julle had, gij hadt. Julle was, gij waart.
Hulle had, zij hadden. Hulle was, zij waren.

[p. 118]

Onvolt. teg. tijd. Onvolt. verl. tijd.
   
Ek sal, ik zal. Ek sou, ik zou, zoude.
Jy sal, gij zult. Jy sou, gij zoudt.
hy sal, hij zal. Hy sou, hij zou, zoude.
Ons sal, wij zullen. Ons sou, wij zouden.
Julle sal, gij zult. Julle sou, gij zoudt.
Hulle sal, zij zullen. Hulle sou, zij zouden.

De gebiedende wijs van en syn luidt: en wees. De verledene deelwoorden luiden: gehad en gewees. Van sal ontbreken deze vormen.

 

9. Vervoeging van het werkwoord bring (brengen).

 

Aantoonende wijs.

Onvolt. teg. tijd. Volt. teg. tijd.
   
Ek bring. Ek het gebring.
Jy bring. Jy het gebring.
Hy bring. Hy het gebring.
Ons bring. Ons het gebring.
Julle bring. Julle het gebring.
Hulle bring. Hulle het gebring.
   
Onvolt. verl. tijd. Volt. verl. tijd.
   
Ek bring, etc. = Ek had gebring.
Onvolt. teg. tijd. Jy had gebring, etc.
   
Onvolt. toek. tijd. Volt. toek. tijd.
   
Ek sal bring. Ek sal gebring hê.
Jy sal bring, etc. Jy sal gebring hê, etc.
   
Onvolt. verl. toek. tijd. Volt. verl. toek. tijd.
   
Ek sou bring. Ek sou gebring hê.
Jy sou bring. Jy sou gebring hê, etc.

De gebiedende wijs luidt zoowel in 't enkel- als in 't meervoud bring.

10. De lijdende vorm der overgankelijke werkwoorden (o'ergaande werkwoorde) wordt evenals in onze taal met behulp der verschillende tijden van het werkwoord worden (word of worde) gevormd.

Onvolt. teg. tijd: Ek word gebring.
Onvolt. verl. tijd: Ek werd gebring.

[p. 119]

Onvolt. toek. tijd: Ek sal gebring worde.
Onvolt. verl. toek. tijd: Ek sou gebring worde.

11. Voor de aanvoegende wijze worden de vormen der aantoonende wijze gebruikt. Alleen in deftigen stijl krijgen de werkwoorden een enkelen keer eene e in het enkelvoud. B.v. Di Here self wekke ons op tot gebed en verhore onse smekinge!

2. Het zelfstandig Naamwoord.

1. In het Transvaalsch hebben de zelfst. naamwoorden geene verschillende vormen voor het geslacht. Alle zelfst. naamw. worden op dezelfde wijze verbogen, zoodat men niet kan spreken van mannelijke, vrouwelijke en onzijdige substantieven; alle hebben één geslacht en één lidwoord.

2. Naamvallen, d.w.z. naamvalsvormen bezitten de zelfst. naamw. evenmin in 't Transvaalsch. De weinige overblijfselen van de buiging der zelfst. naamw., welke in onze taal nog leven, zijn in het Transvaalsch ook verdwenen. De betrekking tusschen de substantieven wordt door de woordschikking of door voorzetsels aangewezen. In plaats van des mans zegt men steeds: van di man; in plaats van der vrouw zegt men: van di vrou; in plaats van den manne altijd an of voor di man, enz.

Alle zelfst. naamw. worden dus op deze wijze verbogen, of liever de betrekking wordt op de volgende wijze aangeduid, daar van verbuiging eigenlijk geen sprake kan zijn.

 

Eerste Naamv. di man of 'n man.
Tweede Naamv. van di man of van 'n man.
Derde Naamv. an di man of an 'n man.
Vierde Naamv. di man of 'n man.

 

3. In enkele woorden en uitdrukkingen is echter nog iets van de vroegere naamvalsvormen overgebleven. Ziehier eenige voorbeelden:

Tweede naamval. Gods guns, Gods gunst; Gods bestel. Van smorrens vroeg tot sawens laat, van 's morgens vroeg tot 's avonds laat. Saans, des avonds. Snags, des nachts. In vredes naam, in vredes naam.

Daarentegen zegt men ook: Dit het di aand en nag in syn kamer gespook, het heeft 's avonds en 's nachts in zijne kamer gespookt. Di oggend vroe, 's morgens vroeg. Soek gen foute in een ander syn werk, zoek geene fouten in eens anders werk. Prys di Here syn naam, prijs den naam des Heeren.

[p. 120]

Derde naamval. Deze naamval wordt somtijds omschreven door 't voorzetsel ver (voor). B.v.: Waar sal ek ver Oom ontmoet? waar zal ik Oom ontmoeten? 'n Jaar gelede had hij eenmaal een aand ver Annie iets soetjies in die oer gefluister, een jaar geleden had hij Annie op zekeren avond iets zachtjes in 't oor gefluisterd. Gen pêrd was ver hom te kwaai, geen paard was hem te kwaad. Wat het ek ver jou gesê, wat heb ik u gezegd.

Vierde naamval. Ook deze naamval wordt door ver omschreven. B.v. Help ver Oom Jan, help oom Jan.

In den vocatief krijgt het zelfst. naamw. in deftigen stijl eene e, b.v. Segen, o Heere! myn vriend en myn Broeder!

4. Zooals reeds bij de spelling is opgemerkt, krijgen de zelfst. naamw., die in onze taal en in 't meervoud aannemen, in het Transvaalsch alleen eene e.

5. De woorden, welke in onze taal den meervoudsuitgang s krijgen, nemen dien uitgang ook aan in 't Transvaalsch.

Enkele zelfst. naamw., welke in onze taal in 't meerv. en krijgen, nemen in het Transvaalsch eene s aan. B.v.

 

Seus, zonen.
Geweers, geweren.
Mans, mannen. Ook manne.
Redes, redenen.

 

Het meervoud van vrou, vrouw, is vrouwens, van noi, meisje, noins; van wa, wagen, waens.

6. De woorden, die in onze taal ers of eren in 't meerv. aannemen, krijgen in het Transvaalsch ers, er of -re. B.v.

 

Lammer, lammeren.
Eijer of eijers, eieren.
Klere, kleederen.
Kinders of kinder, kinderen.
Blare of blaaie, bladeren.

 

7. De verkleinwoorden worden gevormd door de achtervoegsels ie (i), jie (ji), tjie (tji) of pie (pi). Voorbeelden:

 

Tannie, tante.
Neeffie, neefje.
Boeki, boekje.
Kissi, kistje.
Gesiggie, gezichtje.
Puisie, puistje.
Meisi, meisje.
Wysie, wijsje.
[p. 121]
Lietjie, liedje.
Vrindjie, vriendje.
Woordjie, woordje.
Stratji, straatje.
Pratji, praatje.
Bitji, beetje.
Bietjie, beetje.
Endjie, eindje.
Lepeltji, lepeltje.
Kindertjies, kindertjes.
Seuntji, zoontje.
Uurtji, uurtje.
Re'enbuitjie, regenbuitje.
Rijmpie, rijmpje.
Klompie, hoopje.
Oompie, oompje.
Riempie, riempje.
Boompie, boompje.

 

De meervoudsuitgang van alle verkleinwoorden is eene s: tannies, lietjies, lepeltjies, rympies, enz.

3. Het Bijvoeglijk Naamwoord.

1. De verbuiging der bijvoeglijke naamwoorden is evenals die der zelfst. naamw. zeer eenvoudig. Ze nemen in alle naamvallen eene e aan of niet, zonder orde of regel. Dat is alles. Voorbeelden:

Myn liewe goeje man. 'n Goei man. So ry hy op 'n goeje dag na oom. Di ou (oude) kerl is te swak. Dis di bes manier (dit is die beste manier). Met 'n ou mens. Vaarwel, mijn liefste soet! In druk tye, in drukke tijden. Wat het jy dowe, wat zijt gij doof. Geef di arme man 'n bitji (een beetje).

Een enkelen keer ontmoet men nog een overblijfsel onzer buigingsvormen, b.v. in: Goe'n dag, goeden dag.

2. De vergrootende trap der bijv. naamw. wordt evenals in onze taal gevormd door er achter den gewonen vorm te voegen. B.v. gou - gouwer; bly - blyer; sterk - sterker; swak - swakker; nou - nouwer.

Eindigt het bijv. naamw. op eene g, dan verdwijnt die g in den vergrootenden trap, b.v. ho'er, hooger; la'er, lager; vroere, vroegere.

De woorden, die in den stellenden trap de slotletter w verliezen, behouden die wel in den vergrootenden trap, b.v. nou (nauw) - nouwer; gou (gauw) - gouwer.

Evenals in onze taal wordt er eene d ingelascht, als 't bijv. naamw. op eene r eindigt, b.v. lekkerder, duisterder.

Enkele bijv. naamw. nemen in den vergrootenden trap nog eens weder er (der) aan, b.v. korterder, korter; beterder, beter; eerderder, eerder. Ons sal oer di ander dinge mos korterder praat, over die andere dingen zullen wij korter spreken.

[p. 122]

3. De overtreffende trap wordt ook in het Transvaalsch gevormd door st achter den gewonen vorm te voegen. Br. bang - bangst; hard - hardst.

Van sommige woorden wordt de t weggelaten, b.v. eers, eerst. Voor best schrijft men soms bes, b.v. Dis di bes manier, dit is de beste manier.

4. Na het bijv. naamw. in den vergrootenden trap volgt niet zooals in onze taal dan maar as (als), b.v. Die nuws gaat gouwer as die wind, het nieuws gaat gauwer dan de wind. In den stellenden trap bezigt men ook soos: So glad soos seep, zoo glad als zeep.

4. Het Voornaamwoord.

1. Persoonlijke voornaamw. Evenals de zelfst. naamw. hebben ook de pers. voornaamw. geen vorm voor den tweeden naamval. Deze wordt altijd omschreven. De vormen voor de overige naamvallen zijn:

Eerste pers. enk. Eerste naamv. ek; derde en vierde naamv. mijn. B.v. Ek trek mijn an die oggend vroe. Ek ver mijn, ik voor mij. Mijn is 'n ding gebeur, hier buite op di straat. In den derden en vierden naamval ontmoet men een enkelen keer ook den vorm my: Ek het my geschrik, ik ben verschrikt geworden. Ek wordt soms verkort tot 'k.

Eerste pers. meerv. In alle naamvallen ons. B.v. Ons is lekker, wij zijn dronken. Laat ons die uitslag hoor. Haar ouers het ons uitgelag, hare ouders hebben ons uitgelachen.

Tweede pers. enkelv. Eerste naamv. jy; derde en vierde naamv. jou. B.v. Jy moet jou mar klaar hou om te help. Skaam jy jou ni Willem? Jy het vergeet om huis te ve, om het huis uit te vegen. Verbrui jy, 'k sal jou kloppe.

In plaats van den eersten naamval jy komt soms ook den vorm je voor, b.v. ken je die drif? kent gij de rivier?

Tweede pers. meerv. In alle naamvallen julle. B.v. Mar, vrinde, julle kan myn glo, gij kunt mij gelooven. Julle wordt vaak verkort tot jull, en soms tot jul. B.v. jul kan jul selwe fop, foppen.

 
En as die storie jull' behaag,
 
En as jull' meer wil hê,
 
Myn pen is klaar, en ek weet meer -
 
Dan kan jull' dit maar sê.

Storie, vertelling.

[p. 123]

Derde persoon.

Mannel. enkelv. Eerste naamv. hy; derde en vierde naamv. hom. B.v. Eer hy dit weet, begin hy al te sing, eer hij 't weet, begint hij al te zingen. Grietjie lag hom lekker uit, Grietje lacht hem lekker uit. Ou Platje die siet hom, oude Platje ziet hem.

Vrouwel. enkelv. Eerste naamv. sy; derde en vierde naamv. haar. B.v. Sy was glad nie dom, zij was volstrekt niet dom. Ek het haar toen gevra, ik heb haar toen gevraagd. Hy vat die sambok, (zweep) en gé haar 'n slag o'er haar kop, en geeft haar een slag over 't hoofd.

Onzijdig enk. In alle naamvallen dit. Dit (het paard) het die eerste prys gewin (gewonnen). Ek het dit (het paard) duur verkoop (verkocht).

Meerv. van alle geslachten. In alle naamvalleu hulle, hull' of hul. B.v. hulle gaat na hom toe, zij gaan naar hem toe. Hoekom was hull' toen stil? waarom hielden zij zich toen stil? Sal dan 'n mager boerepêrd met hulle kan gaan loop? Hul seg, zij zeggen. Hy gé hul niks, hij geeft hun niets.

2. Evenals bij de zelfst. naamw., worden ook bij de persoonl. voorn. de derde en vierde naamv. vaak omschreven door ver (voor). Voorbeelden. Sy wys ver hom na Willem, zij wijst hem naar Willem. Wat het ek ver jou gesê? wat heb ik u gezegd? Ver haar hoef julle ni te betaal ni, haar behoeft gij niet te betalen. Ek moet ver julle nog vertel, wat myn o'ergekom het, ik moet u nog vertellen, wat mij overgekomen is. Soek mar ver jou 'n ander vrou, zoek u maar eene andere vrouw.

3. De verbuiging van het woordje zelf is willekeurig. Men schrijft zelf, selwe en selwers. B.v. Hy seg by sich self. Prys of laak jou selwers niet. Die lesing spreek ver sig self. Jul kan jul selve fop. Ek self het oek mar gesukkel.

4. In den derden persoon enkelv. komt bij de wederkeerende werkwoorden niet het woordje sig (zich) maar hom of haar. B.v. Hij lat hom drywe, hij laat zich drijven. Hy stry met homself, hij is met zich zelven in strijd. Sy het haar niks ontstel, zij heeft zich niets ontsteld. Een ider hou hom by syn roeping, een ieder houde zich bij zijne roeping. Hy 't nooit ver hom beseer, hij heeft zich nooit bezeerd. Boer ploeg hom moe, de boer ploegt zich moe. Hy het hom voorgeneem, hij heeft zich voorgenomen.

5. Bezittelijke vvornaamw. De bezittelijke voornaamw. worden

[p. 124]

in 't geheel niet verbogen. In alle naamvallen hebben zij denzelfden vorm, zoodat de betrekking in den zin door de woordschikking en door voorzetsels moet worden aangewezen.

De bezittel. voornaamw. zijn de volgende:

 

Eerste pers. enk. mijn; meerv. ons.

Tweede pers. enk. jou; meerv. julle, jull' of jul.

Derde pers. enk. mann. sijn. } meerv. hulle, hull' of hul.

Derde pers. enk. vrouw. haar } meerv. hulle, hull' of hul.

 

Voorbeelden. Myn ou ma haar klok, de klok van mijne grootmoeder. Jy maak mijn lewe vol verdriet. Laas kry ek 'n lange brief van ons vriend, laatst kreeg ik een langen brief van onzen vriend. Soos dit met ons boere gaat. Ons wens geluk aan al ons ou'e vrinde.

Nou vrou, jou werk is milies plant. Jy kan jou werk weer kry. Hou jou mond. Help jou suster. Maak ope jou oge, open uwe oogen. Met julle twe. Was julle bly omdat julle julle vryheid terug gekry het?

Hy siet syn vader op syn sterfbed. Syn vrou het hy gen woord geseg. Hy dwaal vér van syn ouers.

Haar ouers het ons uitgelag. Haar rug was 'n bietjie hol. Een vrou hoort by haar oont (oven) en pot.

Die diere weet tog ook hul tyd, Hul eiers maak die boer verblyd. Jammer dat mans so selde hoor, As hulle vrouens ver hul knor. Ons luister tog nie na hul raad. Di perde doet hulle bes. Gerrit volg hulle voorbeeld.

6. Een enkelen keer ontmoet men in verzen nog een spoor van verbuiging. B.v. Die vogeltjes die sing om onse God te roeme.

De tweede naamval van bezit wordt gewoonlijk door bez. voornaamw. aangewezen. Bv. Willem syn gewete, Willem's geweten. Annie haar vader. Myn ou ma haar klok. Soek gen foute in een ander syn werk. Jong noi haar soen, zoen van een jong meisje.

Zelfstandig gebezigd komt het bezittelijk voornaamw. meestal zonder lidwoord voor. B.v. Plaas dan myne oek, Plaats dan den mijnen (mijnen brief) ook.

7. Aanwijzende voornaamw. De bijvoeglijk aanw. voornaamw. zijn deus, deuse of deze. Die is lidwoord van bepaaldheid. Gene komt als aanw. voornaamw. voor zoover ik weet niet in het Transvaalsch voor. Het telwoord geen luidt gen.

Van verbuiging is weder geen sprake. Voorbeelden:

[p. 125]

Deus maand is een van vreugde, deze maand is een (maand) van vreugde. Deus maand beginnen die vools te lê, in dezen maand beginnen de vogels te leggen. Van deuse wereld, van deze wereld. Voor dese man, voor dezen man.

Voor deze en gene gebruikt men die en die. B.v. Die wil dit en die wil dat, Deze wil dit en gene dat.

Hoort men in onze spreektaal en vooral in de kindertaal wel eens zeggen: Jan, die heeft mij geslagen in plaats van Jan heeft mij geslagen, in het Transvaalscch zijn dergelijke volzinnen regel. Daar zegt en schrijft men:

Die ding die kom an, het ding komt er aan. Mar die donker die kom, maar het begint te donkeren. Die Hottentot die had gelyk, De Hottentot had gelijk.

8. Vragende voornaamw. De vragende voornaamw. zijn wie, wat en watter, welke. Watter is samengetrokken uit wat ver = wat voor (een). Welk komt in het Transvaalsch niet voor.

Ook de vragende voornaamwoorden worden niet verbogen. Voorbeelden:

Wie sou dit kwalijk neem? wie zou het kwalijk nemen? Wie is dit en wat wil hy gé? wie is het en wat wil hij (er voor) geven? Maar wat nou maak? maar wat nu te doen? Van wie zal hij geld kry? van wien zal hij geld krijgen? Wie en wat is hij? wie en wat is hij? Wie sal hy dit gé? wien zal hij het geven? Ver wie is jul skaam? voor wien schaamt gij u?

Om watter rede, om welke reden. Watter onrus en angs! welk eene onrust en angst! Met watter gevolg, met welk gevolg.

9. Betrekkelijk voornaamw. Het betr. voornaamw. is voor alle geslachten en naamvallen wat, zoowel in 't enkel als in 't meervoud. Voorbeelden:

Neef Jan, wat versies maak, Neef Jan, die versjes schrijft. 'n Man wat wil vry, maak gou gou raad, een man die wil vrijen, schaft heel gauw raad. Dis syn vrou, wat hom huis toe kom haal, Het is zijne vrouw, die hem komt halen. Annie lief, wat ek bemin, Annielief, die ik bemin. Di brifi wat ma geskryve het, Het briefje dat ma heeft geschreven. Haar broertji, wat veul van Gerrit hou, kom na hom toe. Annie, wat 'n vroom meisie was. 'n Vrou, omring van kinders, wat haar lief het; 'n vrouw, wat jy op haar gesig kan lees dat sy moeder is.

Wat staat soms ook voor waar. B.v. Die land, wat ons op woon, het land, waarop wij wonen.

[p. 126]

10. Het woordje wat wordt ook gebezigd in zinnen, waarin het vervangen kan worden door degene. B.v. Wat di koren verdien het, kry di kaf = wie het koren heeft verdiend, krijgt het kaf.

11. Bepalingaankondigende voornaamwoorden worden in het Transvaalsch zelden gebezigd. Voor degene wordt gewoonlijk di of die gebruikt, b.v. Ons hoop dat di wat kan ni sal agterbly ni, wij hopen dat degene, die wat kan (doen of geven), niet zal achterblijven. Die, wat wil samewerk, moet mar hulle name en adresse opstuur.

Voor dezelfde en hetzelfde heeft het Transvaalsch alleen dieselfde, dat onverbogen blijft.

12. De onbepaalde voornaamwoorden iemand en niemand luiden in het Transvaalsch imand en nimand. Ze blijven onverbogen. Voor nimand schrijft men ook gen een, geen een. Iets en niets worden op dezelfde wijze gebezigd als in onze taal.

Voor ons woordje men bezigt men in het Transvaalsch gewoonlijk jy of hul', hulle. Hulle sê, men zegt. En suip en raas en vloek en sweer, Dis wat jy (men) siet en hoor.

5. Het Telwoord.

1. De bepaalde hoofdtelwoorden zijn: een, twe, dri, vier, vyf, ses, sewe of seuwe, ag, n'en of neen, tien; - elf, twalef of twalf, dertien, veertien, vijftien, enz.; twintig, dertig, veertig, vyftig, enz.; honderd, duisend; - twe en twintig, dri en sestig, neen en neentig; enz., vier honderd, seuwe duisend, enz.

De getallen boven de duizend worden ook op deze wijze geschreven.

 

Agtien honderd seventig ne'en = 1879.
Twalef honderd sestig ag = 1268.

 

2. De bepaalde ranggetallen worden evenals in onze taal gevormd. B.v. eerste, twede, sesde, seuwende, dertigste, neen en neentigste, honderdste, duisendste, laaste.

In plaats van den tienden April, den eersten Juli schrijft men: April tien, Juli een.

Geen luidt in het Transvaalsch gen. Van een is 't woord eenders gevormd, dat gelijk, hetzelfde beteekent. B.v. Die geld brag myn gen (geen) voordeel an. Dit is eenders (hetzelfde).

't Woord ander blijft onverbogen in het Transvaalsch. B.v.

Di een mens kul (fopt) di ander so. Di een jaar volg di ander

[p. 127]

na. Di ander maand kom ek. Di een seg dit, di ander dat. Die niggies (meisjes) van 'n ander buurt.

3. De onbepaalde hoofdtelwoorden zijn: veul, baing (veel), ider, elkeen (iedereen), algaar of algar (alle, allen), almal (allen), elke, heel enz. Van verbuiging treft men slechts enkele sporen aan. Voorbeelden:

Al drie seg, alle drie zeggen.

Elkeen wat dit gaat kijk, moet dit bewonder.

Droogte is di klag van almal, allen klagen over droogte.

Almal stap ons na di graf.

Mense val nes (gelijk) blare af.

Daar was in al ons hele buurt,

Gen een wat so kan ry.

In 'n half dag sal ek meer uitvoer as jy in 'n hele. Jy is di enigste van di hele klomp, (hoop) wat 'n bitji verstand het.

Vryheid ver elke burger is syn eis.

Sy was nie veul wèrd (waard).

Dit kos menig uur.

'n Engels pèrd, wat baing so me spog, waarop velen zoo roemen.

So 'n kans kom nie ider dag weer.

4. Voor elk wordt vaak al gebezigd, b.v. Hy tel al aande (elken avond) syn geld. Voor beide zijden zegt men albei di sye. Voor ons woord beide gebruikt men vaak het telwoord twe. B.v. Met julle twe, zij beiden.

In plaats van alles wordt als gebruikt, b.v. Als behalwe reg, alles behalve recht.

6. Het Lidwoord.

Het lidwoord van bepaaldheid is di. Sommigen schrijven die. Het blijft onverbogen.

Het lidwoord van eenheid is een, hetwelk meestal verkort wordt tot 'n. Ook een of 'n blijft onverbogen.

7. Het Bijwoord.

1. De bijwoorden van plaats, die van de onze verschillen, zijn de volgende:

 

Daar en hier. Daar wordt ook voor er gebezigd, b.v. Tot ons spyt is daar (er) 'n fout in di raaisel gekom. Eindelik kom daar (er) uitkoms. In plaats van er gebruikt men ook dit (het), b.v. Dit word vertel, er wordt verteld.

[p. 128]

Waarnatoe. Ons weet nie waarnatoe ons moet gaan ni, waarheen we moeten gaan.

Hot en haar, rechts en links. Eers twe tre hot, dan twe tre haar. Di mense word hot en haar gedagvaard.

Vêr is een bijwoord; ver (voor) een voorzetsel.

Daarvandaan en hiernatoe. Toen is hulle na Holland gegaan, en daarvandaan af hiernatoe gekom, en van Holland zijn ze hierheen gekomen.

Tuis, te huis. Dis amper (bijna) al dag al en nou kom jy tuis.

Vort, voort, weg. Gerrit ry vort.

Bo of bowe, boven. Onderste bo, onderstboven: Di water slaat hom onderste bo teen 'n klip.

 

2. Bijwoorden van tijd:

 

Eendag, eens. Ek sal tog eendag kyk.

Dalk, dadelijk. Dalk kom hy, hij komt dadelijk. Men schrijft ook dalkies.

Min, zelden. In di kerk kom Oom Jan oek mar min.

Partykeer, vaak. Tans, thans. Laas, laatst.

Dan-dan, nu eens, dan weder. Dan veg hy, dan preek hy.

Nou, nu. Wat seg hy nou?

Teunswoordig, tegenwoordig; dikwels, dikwijls. Jou osse is teunswoordig dikwels weg.

Net, juist. Dis nou net die tijd. Die ou baas is net kwaad van oggend.

Netnou, juist. Ma het netnou papier kom haal, om te skrywe.

 

3. Bijwoorden van hoeveelheid:

 

Genog, genoeg. Min, weinig. Daar was maar min op gewerk.

Boe of boel, veel. Boe kleiner.

Nix of niks, niets. Ek het niks met Hendrik te maak.

Veul, veel. Sy was nie veul wèrd.

Heeltemaal, geheel en al. Syn suster trou ni heeltemaal na haar ouders hulle sin ni.

 

4. Bijwoorden van graad:

 

Regte of regtig, zeer. Regte koel, zeer koel. Regtig waar, zeer waar. Men schrijft ook alleen reg: 'n reg liewe noi, een heel lief meisje.

Baing, heel, zeer. Myn huisie is wel baing klein. Baing oud.

Mar, nogal. Nou, 'n Fransman syn bloed is mar warm. Hy is mar swak.

[p. 129]

Mos, heel, zeer. Mos groot, zeer groot. Ons sal oer di ander dinge mos korterder praat.

Danig en tedanig, zeer, heel.

Gou gou, heel gauw. 'n Man wat wil vry, (die wil vrijen) maak gou gou 'n raad.

5. Bijwoorden van hoedanigheid:

Halfhard, halfluid: Hy seg halfhard.

Gou gou, gauw, zeer gauw. Jy moet gou gou maak met di kos, heel gauw 't eten klaar maken.

Lekker, netjes. Hy het hom lekker gefop.

Saggies, netjies, effentjies, enz. zachtjes, netjes, eventjes.

Ampertjies, bijna. Die jong het ampertjies gehuil. Ook amper. Ek het my amper vaal geskrik.

 

6. Bijwoorden van omstandigheid:

 

Verniet, vergeefs. Jy praat verniet Annie.

Somar of sommer, als van zelve: Hy annexeer somar links en regs.

Mar, maar, slechts. Wees mar nie bevrees. Dit was mar net 'n grap.

Me, mede. Di stroom sleep hulle me.

Same, te zamen. Ons gaat same na di kerk.

Alleenig, alleen. Alleenig sit hul by di vuur.

 

7. Bijwoorden van wijze of modaliteit:

 

Evenals in het Fransch bezigt men in het Transvaalsch eene dubbele ontkenning. B.v. Dit was ni 'n plisiertoggi ni = het was niet een pleiziertochtje niet, het was geen pleiziertochtje. Nou doet ek dit ni langer ni, = nu doe ik het niet langer niet, nu doe ik het niet langer.

Gen eijer moet verloor gaan nie = geene eieren moeten verloren gaan niet.

Jy kan jou nooit los ruk nie, gij kunt u nooit losrukken niet.

Dit sal ek nooit doen ni, dit zal ik nooit doen niet.

Maskie, misschien. Dis maskie onnoodig.

Mos, immers. Hulle wil mos hulle dogter an di ellendige kerel ge.

Altemit, misschien. Altemit het hy dit van syn volk gehoor.

Vervas, voorzeker. Hy het vervas ni lekker geslaap ni.

Regtig, waarlijk: Gaat hy regtig na England? Di jaar is regtig amper om (waarlijk bijna om).

Molik, mogelijk.

Glad ni, volstrekt niet. Ek was glad nie bang. Dit is glad ni reg (recht, billijk).

[p. 130]

8. Het Voorzetsel.

Het Transvaalsch kent geen voorzetsel naar. In plaats van naar bezigt men na of men laat het geheel weg. B.v. Sy gaat na Oom Jan. Sy aart na haar ma. Syn vader was dorp toe, naar het dorp. Dit gaat see toe, naar zee toe.

Aan luidt an, b.v. An Boere! Aan Boeren. Jou Pa moet mar die plaas an myn afstaan. Seg an (tegen) jou ou meid, dat.... Dag an dag. An wordt vaak met het lidwoord di verbonden tot andi, dat afgekapt wordt tot and'. B.v. Hy raak and slaap, hij geraakt in slaap. Sy raak and' yl, zij begint te ijlen.

Over luidt oer of o'er. B.v. Lat ons mar oer iets anders praat. Daar kom al weer 'n karretji oer di bult (de hoogte). Di mense hou oer algemeen (over 't algemeen) veul van hom.

Voor wordt meestal ver, doch voor wordt ook nog gebruikt. B.v. Di karretji was (stond) voor di deur. Ek het di geld ver di osse in myn sak. Dankie ver di eer, dank voor de eer. Mar ons sorre (wij zorgen) ver ons famili. As sy mar ver (op) myn wil wag (wachten).

Ver wordt ook gebezigd voor tegen en ter omschrijving van den derden en vierden naamval. B.v. Hy seg ver (tegen) syn ma. Help ver Oom Jan, Help Oom Jan. Ek sal ver julle vertel, u vertellen.

Tegen wordt teen. Hy spreek ni teen hom. Di skip was teen di klip gedrywe (gedreven). Teen die agter middag (namiddag).

Door wordt deur. Half swem, half loop kom hy deur di klippe, Half zwemmende, half loopende komt hij door de steenen. Hy werd deur Annie haar Moeder vrindelik ontvang.

Boven wordt afgekapt tot bo of bowe. B.v. Hy sit bo in di dorp. Hy kruip bo di grond.

Achter verandert in agter. Jy loop agter di ellendige Gerrit an.

Tusschen is tussen. B.v. Met syn mes tussen die tanden swem hy.

De volgende voorzetsels komen met de onze overeen:

Om. Ek is skaam (ik schaam mij) om jou lastig te val. Hij 's bang om te vlug (vluchten).

By. Sy sat by di vuur. Ek sal Vrydag aand by hom kom.

Op. Saterdag moet ek op di dorp wees. Hy woon op di dorp.

In. Hy 't leelik in die knyp (in de engte) geraak. Gerrit was al in di water. In di swem, onder 't zwemmen.

[p. 131]

Langs of langes. Hy loop langs di wal. Jy kan ni langes myn huisie gaan, of....

Van. Ek kom van jou swager. Sy 's dood van haar boosheid (van boosheid gestorven).

Uit. Hy kom nou uit di kombuis (keuken). Oom Jan neem syn bondeltji (bundeltje) klere uit di kissi.

Sonder. Sy siet Japie staan sonder asem (adem) of kleur.

Met. Met di longsiekte was dit goed gegaan. Eers gaat Witbooi met perd en al onderste bo (onderstboven).

Te. Te perd sal ek wel deur kom, zal ik er wel door komen.

Tot. Kan dit ni wag tot Maandag ni? Ek het hom geskrywe om tot morre te wag (wachten). Tot morre, Annie!

Binne, binnen. Die plaas moet binne 'n maand afgelewer worde.

9. Voegwoorden en Zinsontleding.

Nevengeschikte volzinnen.

 

1. Aaneenschakelende zinsverbinding. Di koors werd erger en hy raak and' yl (aan het ijlen.) Die Basuto-oorlog brei gedurig uit, ni alleen in Basuto-land mar oek op die Oostelike grens. Dan (nu eens) veg hy, dan preek hy. Hy het ni veul verloor ni, selfs syn mooi vooros was deurgekom (door de ziekte). Vertrou mar net alleen op God, en geef Hom eer! Onse brandwag het dit achtergekom; hulle nageset; 25 doodgeskiet, en di ve teruggeneem.

2. Tegenstellende Zinsverbinding. Oom Hendrik was 'n goeje man, mar vreselik hardkoppig (stijfhoofdig). Hy wil di Bybel opmaak, mar di knippe (het slot) was stram. Daar was (Er waren) mar min mense op die begravenis, dog daar was 'n bisondere erns. Dit (Het) was Juny maand en baing (zeer) koud; tog het (is) Oom Jan vroeg opgestaan. Dis mar weinig, en tog nie onbelangrijk nie. Ek het die eerste prijs gewin; die resiedag was nogtans volstrek nie na myn sin. Syn ontwikkeling is nie met rukke en stote, mar 'n natuurlike groei.

3. Redengevende zinsverbinding. Ek wil oek myn geld hê, want ek het dit nodig. Ons kan dit lees, mar sleg verstaan, Dit bring dus weinig voordeel aan. Nee, dit doet hy nie; dan sou hy mos (immers) gedwaal het. Hy kon dit nie gelooven nie; en daarom sal hy nou, yveriger as ooit, die opstand onderdruk. Hy was so lang as een juk, dus 4 voet en 4 duim. Lerings wek en voorbeelden trek; daarom voeg ons by die woord oek daad.

[p. 132]

4. Zelfstandige zinnen. Dis tog mar goed, dat 'n mens ni altyd weet wat voor di deur staat. Di hardste was, dat hy moes sê, dat hy nou niks kan verkoop ni. Wat sy seg dit jok sy mar. Hulle sê dit spook in di kamer (Zij zeggen, dat het in de kamer spookt). Dat hy ryk was, kan jull' denk. Ons twyfel nie of dit sal aangenaam wees. Hy wil weet watter (wat of) di beste is. Jy kan op haar gesig lees dat sy moeder is. Eindelik begryp hulle tog, wat hy wil sê, Ek is bly dat hy kom. Hulle hou an, hy moet ni (Zij dringen er op aan, dat hij 't niet moet doen). Ek is bang, dat hy hom (zich) inwendig beseer het. Ek weet nie, hoe hy sou deurgekom hê ni, as.... Maar dis daarom nog niet bewese, dat hulle die belhamels was nie.

5. Bijvoeglijke zinnen. Anna haar broertji, wat veul van Gerrit hou, kom na hom toe. Annie, wat 'n bitje nuwskierig was, gaat by di deur staan. Volks-komite hou 'n vergadering, waarop beslote werd, die volk 'n Jannewari by makaar te roep.

'n Engels perd, wat baing so me spog (waarop velen zoo roemen). Elkeen wat dit gaat kyk, moet dit bewonder. Die land, wat ons op woon (waarop wij wonen). Dit was meteen die dag, waarop beslote werd om 'n Genootskap op te rig (richten).

 

6. Bijwoordelijke zinnen.

 

a. Plaatsbepalende bijzinnen. Sy gaan na Frankryk, waarvandaan hulle voorouers gevlug het. Ek bly, waar ek ben. Ons breng hom waar ons kom te same met die ploeg. Hulle vertrek waarnatoe hulle wil.

b. Tijdbepalende bijzinnen. Terwyl hy daar voor haar bed sit, kom hom die verledene voor di gees. Toen hy binne kom, werd hy deur Annie haar moeder vrindelik ontvang. Hij moes mar wag totdat Oom dood is. Hy gaat di bewysi (het bewijsstuk) haal, solang as Morris di geld tel. Amper (nauwelijks) het hy gelees of hy hoor iets. Skaars (nauwelijks) was ek 18 jare oud, Toen vry ek al na Sannie. Skaars was die woord uit syn mond, daar klink die klok die dorpie rond. Ek kry hom, soos (zoodra) hy huis toe kom. G. bied hom gewillig an, nadat hy eers 'n boodskap na huis gestuur het. Voordat imand hom kon hinder (tegenhouden) was hy in di water. Eer hulle vertrek, steek hulle die kasteel in brand. Nou (nu) die storm is o'ergegaan wijk ons nooit weer van jou. Net soos (zoodra) Oom Jan grond kry werd hy reg

[p. 133]

ging hij rechtop staan. So lank (zoolang) as ons het sal stuur.

c. Redengevende bijzinnen. Daar die weer verschrikkelik koud was, maak ons (maakten wij) groot vure. Hulle kies hom nie, omdat hy so goed kon veg, mar.... Dit, zoo opvallend zynde, behoeft geen betoog. Dewyl wylen myn vader veel prys stelde op zekere getuigskriften, zoo heb ik gemeend....

d. Doelaanwijzende bijzinnen. Maak kleinder die prys, opdat uit die lys nie vele wegval. Bid daarvoor elk wat bidde kan, opdat dit wel mag gaan.

e. Gevolgaanduidende bijzinnen. Hulle was so moeg (moede), dat hulle flou val. Hij lieg dat hy so bars (berst). Ons leeraar is siek, sodat hy syn werk ni kan doen ni. Ik wens jou lesers, wat jou prompt betaal, sodat jou krant nooit hoef te daal.

f. Voorwaardelijke bijzinnen. 'n Man is welkom as hy geld bring, Oompie! As die roes (de roest) ni verder toeneem ni, dan sal di laat gesaaide (koren) nog goed betaal (voor: betaald worden). Di skip sou behoude worde, mits di skeepslede op hulle poste bly. As jou vrind jou vyand word, pas dan op. Had Klaas geluister na syn vrou, Dan had dit hom oek niet berou. Daarme sal wel 'n jaar of 'n paar jare verloop, tensy hulle besluit om mar 'n enkele boek uit te ge.

g. Toegevende bijzinnen. Nietteenstaande hy veul gebreke besit, het sy di broer tog lief. Skoon hy dit met een slimme lis trag weg te steek (te verbergen), was dit lang genoeg bekent. Een flukse merrie was ou kol, Al was haar rug 'n bietjie hol. Al is di geld skaars, ons kan dit wel ly. Hoewel dit al laat was, kry Gerrit tog nog tyd om 'n bitjie met Annie te praat. Ofskoon hy dapper genoeg was, was daar ouer en knapper soldate onder hulle. Hoewel dit gen vaart geneem het ni, is die saak tog levendig gebly.

h. Beperkende bijzinnen. So ver as ons dit kan nagaan, het dit so gekom. So vêr ons bekend is, is daar nou net één Hollanse koerant wat meer inteekenaars het.

i. Vergelijkende bijzinnen. Dit was hom as of (alsof) hy imand hoor praat. Na (zooals) di waard is, vertrou hy syn gas. Oom Willem lag (lacht) toen (nu) hy haar beskou, soos (zooals) ider man doet wat (die) syn vrou lief het. Sy beefde nes (net als, evenals) een blaar. Soos (zooals) Oom wil, sal ek doen. Di spruit (rivier) raas nes hy vol is. Di huis was net soos (net zoo als) Oom Jan syn vader dit eenmaal lat maak het (heeft laten maken). Mar, soos dit gaat, 'n mens versuim) men blijft wel eens in gebreke).

[p. 134]

Hy was net so'n jongeling, as koning David moet gewees hê. Hulle was of hulle gek was. Hoe meer hy di opstand onderdruk, hoe erger breek dit weer uit.

10. Het Tusschenwerpsel.

Ag, ach. Ag! lat die ding toch nie doodloop nie!
O, o. O sing en vermeld dan di lof van di Heer.
Og, och. Og, lat dit nie gebeur! Og ne, Letjie.
A, ah. A! wat het ek ver jou gesê?
Klets, klets. ‘Klets!’ waai di sweep.
Arie of arrie, eilieve!
Soe! Soe! dit was tog na myn sin. Hulle het ook gemoor, soe!
Hora of hoera.
Kakaka! Spottende uitroep.
Tok, tok, tik, tik. Tok, tok.... Wie is daar nou weer, vrou?