In ‘De Bibliotheek’ (Bijblad van ‘Noord en Zuid’) 4e jaarg., blz. 156, noemt de Heer Ic. Bikkers de ‘Spreeckkonst’ van Pieter Berch, alias Petrus Montan(u)s, in den jare 1635 verschenen ‘eene physiologisch-taalkundige proeve... als eene volledige behandeling van het onderwerp wel eene eerste proeve enz.’ Op dien lof wil ik in het algemeen niet afdingen, te meer daar ik het bedoelde werk niet ken; alleen wensch ik hier te wijzen op een voorganger, die, al doet hij wellicht in volledigheid voor Montans onder, toch om zijn verdienstelijk en oorspronkelijk streven naar zuiverheid van spelling en, in verband daarmede, naar juiste omschrijving der Nederlandsche spraakklanken met eere genoemd verdient te worden. Ik wensch hier nl. de aandacht te vestigen op een boekje, dat, in Noord-Nederland althans, tot nog toe vrij onopgemerkt is gebleven. De Maatschappij der Vlaamsche Bibliophilen heeft in 1882 een heliotypisch facsimile gegeven van het eenig bekende ex. der Néderlādsche Spellijnghe, uutghesteld by vrághe ende antwoorde, duer Joas Lambrecht Lettersteker. Tot onderwijs der Jonghers voor haar earste beghin. Gheprent te Ghend in tiaar MDL. Deze her-uitgave, voorzien van eene voorrede over den schrijver en drukker door de HH. Dr. J.F.J.H(eremans) en Fd. V(ander) H(aeghen), is, evenals alles wat deze Maatschappij in het licht geeft, zeer fraai uitgevoerd, doch tengevolge van den hoogen prijs (fr. 15.-) weinig verspreid
en bekend geworden.1) Juist om die reden wensch ik hier wat er mij belangrijk in voorkwam gemeen te maken.
Joost Lambrecht was een geboren Gentenaar, schoolmeester, graveur, lettersteker en lettergieter, die ten behoeve zijner eigene school, behalve eene Vlaamsch-Fransche cleine colloquie, een Ned.-Lat. woordenboek en eene Lat. grammatica, die alle verloren gegaan schijnen, ook bovengenoemde Nederlandsche spellijnghe heeft geschreven en gedrukt.
In den vorm eener tweespraak tusschen eenen learknecht en eenen measter behandelt de schrijver de letters, zoowel de teekens als de klanken, de verkortingen, de letterverbindingen, enz. en eindelijk de grammatische figuren en de interpunctie. Veel hiervan heeft natuurlijk nu alleen nog waarde voor de geschiedenis van het taalonderwijs. Belangrijker zijn zijne pogingen tot hervorming der spelling; Lambrecht was tot op zekere hoogte een voorstander van wat wij nu phonetische spelling noemen; in die richting wilde hij, hoewel niet al te omwentelingsgezind, eenige veranderingen in de toenmaals meest gebruikelijke wijze van spellen brengen: de voornaamste zijn, dat hij wil schrijven: aa in plaats van ae; á, é,2) í, ó,2) ú in open lettergrepen (vooral bij het onderwijs, en waar het noodig is voor de duidelijkheid); ea en oa voor de scherplange ee en oo; ae3) of oe
voor de zoogen. zware è in peerd, wereld enz., en doorstreepte è1) voor eene slot-e, die voor een volgenden beginklinker geëlideerd wordt. Het merkwaardigste echter is hetgeen hij mededeelt over de toenmalige uitspraak van zijn eigen en van andere dialecten. Doch gaan wij den inhoud van het werkje geregeld na.
Lambrecht begint in zijn voorbericht met te klagen over d'onuougheligheit, d'ouerhoapmijnghelijnghe ende tonachtzaam verschil, twelc alle schoolmeasters, schriuers ende boucprenters ghebrúken, in haar spellen van veelderley Nederlandsche, als Vlaamsche, Brábantsche, Hollandsche, Gheldersche, Cleefsche, Vriessche, Gullicsche ende Zeausche taalsilleben. Daarom heeft hij dit boekje geschreven, opdat de jeugd in deze (nieuwe) spelling onderwezen mocht worden. Men meene evenwel niet, dat hij de geheele Nederlandsche jeugd bedoelt. De staatseenheid was in 1550 nog pas in wording, de taaleenheid, die uit de eerste moest geboren worden, lag nog in het verre verschiet; den Nederlanders dier dagen was dit denkbeeld vermoedelijk volslagen onbekend. Joost Lambrecht althans heeft er nog geen begrip van: hij eerbiedigt elken tongval, en wenscht voor zichzelven en voor anderen vrijheid om te spreken en ook te schrijven overeenkomstig zijn eigen streekspraak: hij is taalparticularist. Men moge nu in deze netelige vraag van hem verschillen,2) en deze vrijheid eene tot taalkundige bandeloosheid, en daardoor tot staatkundige machteloosheid voerende willekeur achten: in zijnen eerbied voor de tongvallen zal thans ieder deelen. Hij zegt nl.: Niet dat mijn meanijnghe of verstand zy, dat de Hollanders, of Brábanters haar eighen manieren van uutsprake op de Vlaamsche wize, of de Vlámijnghen ende Vriezen haar pronunciacië op de Brábantsche of Hollandsche uutsprake veranderen zullen; maar dat elc in tsine zulke termen of silleben van spréken, als hy in zijnder moeder tálen ghebruukt, dezelue déghelic ende met zulken letters alsser toe dienen, spellen magh. Exempel: Zo waar de Zealander pronunciëerd Jae, daar en behoard hy in tspellen van den zeluen woorde den Vlámijngh noch den Brábanter niet te volghen, aldus J̇a, of hy moeste oac zoa spréken. Van gheliken schrijft de Brábanter qwálic búten, ghemerct dat hy tselfde woord pronuncieerd ende uutspreect aldus beuten: maar de bezonder faute van dézen es, dat hy de letter u quálic naamd, zegghende eu, desghelijcs
námende i ei. - Eindelijk verdedigt hij zich tegen de beschuldiging een opbrijngher van nieuwighéden te zijn met het Fransche spreekwoord: Meieuls vault sur le tard, que jamais.
In het earste deal (over de letters) spreekt hij o.a. over de i en u, die zomtijds veranderen in consonantes; i consonans (j) noemt hij ijnkel i en schrijft hij ị; u consonans es tweauaudigh van maaksel, 1o. v of u (ijnkel uwen), 2o. w of ụǮ (dobbel̇ uwen). Met accentus gravis (ḟlauwen opgangh van voaize, maar in het Nederl. ziet het meer op de beteakenesse) schrijft hij de vocalen, als ze alleenstaande een woord (tusschenwerpsel) vormen; met accentus acutus (stiụen o.v.v.) de ludende letters, die masculinoe zijn (open, volkomen klinkers), terwijl die, welke foemininoe (dats vrauwigh, wivigh of van flauwen voaize ende uutganghe d.w.z. gesloten, onvolkomen) zijn, zonder teeken blijven.
Vervolgens geeft hij eene voor zijnen tijd merkwaardig juiste op gezette waarneming berustende omschrijving van de Nederlandsche spraakklanken en van de wijze, waarop het spraakorgaan deze voortbrengt; men oordeele:
| a1) werd uutghespróken wat wide achtigh gápende, de kinne néder stékende, ende de tonghe los. |
| e wat zoetelic grijnkelende2), thende van der tonyhe téghen d'onderste tanden. |
| i of y wat greinzende, th. v.d.t.t. d'onderste t. en beade de canten van der tonghe téghen d'opperste baactanden haudende. |
| o de leppen wat rond treckende ende de tonghe los. |
| u
ean muulkin mákende, of ean tótgin3) uutstékende,
thende van der tonghe téghen d'onderste tanden. Van de consonanten noem ik o.a.: |
| f ef, d'opperste tanden téghen d'onderste leppen haudende, al blazende. |
| g gé werd gepronunciëerd tweasins, te wéten voor a o u ghelijc offer en h tusschen stonde, tdicke ende platte van der tonghe achter téghen tverhemelte van den monde. Maar voor e ende i zo medeluudse ghelijc ị cosonant (sic) voor de vocalen doed. |
| h ha of haats met ópenen monde, zoetgins uut den grond van |
| der borst uuthaasmende, alsse in tbeghin van den woorde staad; in midden van den woorde wat stiụer; maar in thende de canten van der tonghe zoetgins téghen tverhemelte haudende, al gussende. |
| i staande voor de vocálen werd uutghesproken de tonghe stékende, ende persende bóụen téghen ttandvleasch, zonder datmen dezelụe iet hoaren mag. |
| l el al gápende, de kinne ean weinigh neder stékende, ende thende van der tonghe stékende téghen topperste tandvleasch, ende daar an haudende, opdat duer tliht afscheaden gheanen achter lul1) ghemaakt en werde. |
| t té thende van der tonghe stijf téghen tbinnenste van d'opperste tanden stékende, ean weinig grijnkelende, ende met eanen berst. |
| v of ụ es ghenoug van gheliker uutsprake als f, zonder dat ze niet en blaast, maar horzelt wat. |
| z zeet, al huszende ende al horzelende, tvoorste deal van der tonghe, half en half by tbinnenste oppertandụleasch haudende, de tanden nálic gheslóten. |
Getuigen deze voorbeelden niet van nauwkeurig waarnemen en juist weergeven en omschrijven der spraakklanken, en mag men Joost Lambrecht niet beschouwen als een der voorloopers van de tegenwoordige wetenschappelijke phonetiek of klankphysiologie?
Wat hierop volgt heeft voor ons geen waarde: de voor den toenmaligen drukker en lezer hoognoodige verklaring der uit de handschriften in de gedrukte boeken overgenomene abbreviatones of ligaturoe in Nederlandsch, Latine ende Walsche, zooals ā = an, ' = us, d' = der of = pennijng (denier) enz., en de cijferwaarde der letters.
In het tweaste deal, sprékende van der spellijnghe der consonantende vocaalsilleben geeft Lambrecht alle mogelijke verbindingen van vocalen en consonanten: ab eb ib ob ub enz. tot de verbindingen van 6 letters toe. Opmerkelijk zijn hier alleen enkele nota's als: De vocálen voor de consonanten allean staande, verliezen wat van haarlieder rechte uutspráke (d.i. worden onvolkomen, foemininoe, van flauwen voaize, zie boven); g voor een i veranderd in i consonant, waarom ege, igi dan ook rood gedrukt worden en tusschen haakjes staan, evenals ghe, ghi; gha, gho, ghu neemt hij niet op, daar ga, go, gu voldoende zijn; evenzoo wel sca, sco, scu, niet sce, sci.
Voorts worden de diphthongen (waaronder L. ook aa, ee, enz. rekent) achtereenvolgens opgesomd met voorbeelden van elk, niet alleen uit zijn eigen Gentsch, maar ook uit andere dialecten. Ik laat het voornaamste hieruit, hier en daar verkort en van eene noot voorzien, doch zonder verderen commentaar, volgen: wat er voor de geschiedenis der taal en de kennis der dialecten merkwaardigs in is, kan ieder zelf beslissen.
| aa = Nl. aa. |
| ae, oe of e (gestaarte e). Bae, ghelijk de schapen bleaten; de aenden qwaeken; rael1), gaemlic, ghend mannekin van den ganzen; raept dat op zijn Zeausche; aerde, woesse,2) maet (Zee.); vaeze hoarebeaste die voaid calf en hadde.3) |
| aei of aey. Holl. Zee. Maeikin, naeiën, iaey, zaeid u coren. |
| ai of ay. Baiën, craiën, draiën, gay, haiën, kaië, maiën, naiën, paid, raiën op zijn Brábants;4) say, tay, zaiër. |
| au = Nl. ou en au, en ook fautzoen. Nota: ao en es niet zear different van au. |
| ea = Nl. scherpl. ee. Eakappel, eaden, eafvrauwe,5) deagh, weak, gheheal, leanen, eanleap,6) earbaar, heasschen, heat, gheau, meaze. |
| eai of eay. Cleaikin, scheaikin, weaikin, teaikin, zeaikin (dimin. v. Nl. kleed, scheede, weede (pijn), tee(n), zee. |
| eau. Leau, Meaus, reaustroa7), gheauwen, zeausch. |
| ee = Nl. zachtl. e. Eec (uit edik, Brab. voor azijn); teefkin (dimin. v. teve), weeghschale, meel, teems8), scheenbean, reepbank, leertauwer, leest, eett. |
| eei of eey. Steeikin, beeikin, reeikin, leeikin, peeikin, teeikin, zeeikin (dimin. v. stad, béde, réde, led, pé (Brab. v. wortel), té (letter), zéde). |
| eeu. Weeukin, weeuwe, weeuwere. |
| ei of ey. Zeik (Brab. v. pis); beiden,1) weifelen, reigher, veil, heimelik, grein, meiskin, creiten, wey, peizen. |
| eu. Heu, meutmaker, steuten, weuten, gheuzen, fleuzen (Brab., naar 't schijnt alle).2) |
| iae. Holl. Zee. Jae, Jaekip, iaeghen, iaer, iaes, iaet (v. ia, Jacob, iaghen, iaar, iazy, iaat). |
| iaei of iaey. Holl. Zee. Jaey voor iay of ia hy. |
| iai of iay. Jaic, iay (v. ia ic, ia hy); in welke woorden my dinkt dat wy qualic spréken; want alsmen vraaght: Hebd ghy dat jhedaan, men behoard t'andwoorden ia, ende niet iaic. Van gheliken: Es hy commen, Ja, niet iay. |
| iau, interiectio loetantis (der schutters of rolders), alsmen de schuete, of den rol wint. |
| ie. Tweasins: 1o. = alg.-Nl. (en speciaal-Vla.) ie: lief, riec, bedied, drieghdraad3)), enz. 2o. Holl. Zee. Wvl. ie (v. ghy), iéghen (v. téghen).4) |
| iei of iey. Bieikin, knieikin, dieikin, lieikin, lieikins, rieikins, (dimin. v. bie (Nl. bij), knie, die (Nl. dij), lied, lieden, ried(t)). |
| ieu. Mahieu,5) nieu, brieu, wieu (praet. v. Nl. brouwen, waaien), rieusch.6) |
| ij. Hier zal men oac notéren, hoe dat men zommighe lieden vind, die zegghen iy, of iy voor ghy. |
| ioa. Holl. Joast v. Joas, Iodocus of Iustus; of zom némen zy ị consonant ende zegghen Joast.7) |
| iou. Holl. iou v. ú, ioughen van iaghen. |
| iu. Huerbueren1) wy te rechte in.... Jucte2), iupenbier, baliu, maïu3). |
| iue. Juede,4) iueght, Juete (vrauwen naam). |
| iuei of iuey. Jueikin (dimin. v. Juede). |
| oa = Nl. scherpl. oo. Loac, doad, roafschip, hoaghcheit, oalic, oam, schoan, loapt, Oastland, oatmoedigh, gheloaụe, hoazen. Nota. oa, ua en uo zijn zear ghelijc. |
| oai. Hoay, doaiën, beroaid, goaiën, vloaiën, broaiën (Brab. v. broaden), noaid(t). |
| oe... heeft veel ghemeans met ou, zodat (sic) men zonder mesdoen d'ean voor d'ander wel ghebrúken magh. |
| oei of oey = Nl. oei. |
| oi of oy. Boikin, goikin, oikin, zoikin (dimin. v. bóde, god, o, zode); oy interiectio dolentis, oiụaar. |
| oo = Nl. zachtl. o. Loofd, beloofd, schoolmeaster, boom van der cupe, koolzaad, moorachtigh, proost. |
| ou. Es ghenough ghelijkụormigh met oe... Bouve, ghenoughen, roukeloas. Nota, hoe dat de Westvlamijnghen dezen diphthong altijds stellen in alle woorden, die wij Ghentenaers (sic) in au spellen. |
| ua = oa, dus onnoodig, want iplv. qua, volgens de Latijnsche spelling, schrijft men beter cwa-, kwa-. |
| uae. Quaekin, quoerne,5) quaelic (Zee. en Holl., zeker weder alle drie), volgens de Lat. spelling; beter volgens ons Nederl. wae. |
| uai of uay. Brab. quay, quayën (v. qwaad, q. werden). |
| ue.6) Ruek, verhueghen, kueken, vermuelen, ruem, huepe, cuensel, duerwaarder, gheluest, pueteren, ruexkin, nueze. |
| uea.7) Duearen, cuearen, huearn (Brab., althans het eerste, voor doaren, Cornelis, hoarn). |
| uei of uey. Hueikin, Jueikin, rueikin, zueikin (dimin. v. hue |
| schip1), Juede, rue, mannekin vanden honden, zuede vischs). |
| ui of uy.2) Buiëlen, cuiëlen, sluiëren, Ermuiën, huiën, cruiën, luiëren, puiën, tuiëren, zuiën wind. |
| uie3) = uea. |
| uu = Nl. ui, uu. |
Tderde deal over de grammatische figuren en de punctuwacië boezemt ons weinig belang in. Liever deel ik hier ten slotte een en ander mede over de taal van het boekje, vooral in zooverre het eigenaardig Gentsch of Vlaamsch schijnt, of ter bevestiging en opheldering strekt van hetgeen de schrijver zelf heeft te berde gebracht. Ik geef alleen de vormen op, welke mij in een of ander opzicht belangrijk voorkwamen, hetzij voor den tijd, hetzij voor de plaats van den schrijver.4)
| a. haarwaard, iaarmaart. |
| ae, oe. hoafdzwaere, ghaerne, daerụen en daerụen, beghoerd, paerden. |
| é. wéten, observéren (niet ae of ea), duersleghen, heelft. |
| e. es (is), maar eist (niet e, i, of ea), leddeal, lep, nemmermear, -nes. |
| ea. Streng-vlaamsch in heasschen, beade, tusschenbean (-beiden), verschean (-scheiden), onderscheaden; verder eawelic; voor r o.a. tear (teeder), en ook in niet-gesyncopeerde woorden: learen, nemmermear, veartigh (niet ie). In een vers van Henric van den Keare (L.'s opvolger, en vermoedelijk nu zijn helper) vóór in het boek, wordt als een der voordeelen van L.'s spelling genoemd, dat men nu eerst onderscheid kan maken tusschen wear, waer en weer5). Blijkens bleaten (niet ae, ae) was er een duidelijk verschil tusschen ea (e + naslag) en ae, ae (Fr. è), en mag men hier de laatste uitspraak niet aan de scherplange ee toekennen. |
| i. dinkt; verlijnghen, enz; ook in afl.-uitg. tidijnghe, enz. |
| o. commen. enz. |
| oa. Fransoays, voais, poaintgin, persoanen, dus Rom. o = scherpl. oo; ook hoarn, hoarnbeaste, doaren. |
| ou. bouxkin, roupt, enz. Als voorbeeld van synaeresis dient opgroiên (2 syll.) voor opgroeiën. |
| ue. huerbueren (orboren), duersleghen; in het vers van H.v.d. Keare rijmt onghetruerd: bezuerd. |
| u. vul, vullic, but (visch); Brusel. |
| au. Zalt op zijn Gulix, Cleefs, Ghelders ende Vries es by ons zaut. |
| ch, c-h. mogheligh, onbehoarligh, onuougheligheit, enz. |
| h is volgens de Latijnsche allean ean teaken van uuthasemijnghen. o is twoord van eanen waghenman, als hy wild, dat zijn poerden stille staan zullen. Synalepha is dan ook uutstoatijnghe eener e als 't volgende woord van h of vocále beghind. Eene slot-h wordt al gussende, s al hussende, z al huszende uitgesproken; wordt hier hetzelfde woord bedoeld?1) Verdere bewijzen der gewone verwarring met de h zijn heasschen, verhalen zijns hasems, vulhenden, hendt, hende, thenden. |
| Apocope der -e o.a. in -nes (ook -nesse), -ijngh (ook -ijnghe); naam, allean(e), nog niet in andwoorde (znw.), vive, tiene, te doene, ic scheade verder hy zey, maar Dit ghebuerd mear in tdicht dan in vulle materië; ieman (zonder d). |
| Onder de woorden, enz. wijs ik o.a. op became, eafvrauwe, gente, rael, namen (noemen), vullic (spoedig), tean of tea (toon), Daam (Adaam), Néles (Cornélis), Linen (Catlinen), duust, tweaste, haartweaster, vijfste, seste; verder hy wild (wil), wy wierden (werden), cond ghedistinghéren... ende dat wel gheráken, en connen noch en moghen.... ghemáken. |
De uitgevers van het boekje eindigen hun voorbericht met de woorden: ‘Lambrechts kenspreuk was Cessent solita, dum meliora of Satis quercus, d.i. verlaten wij den ouden slenter voor het nieuwere en betere; lang genoeg waren wij slachtoffers van oude vooroordeelen. Dat was geene ijdele leus; het was, onder een zinnebeeldigen vorm, de innige gedachte van onzen drukker. Hij voerde werkelijk nieuwigheden en verbeteringen in de druk- en graveerkunst, het onderwijs en de spelling in’, en ik voeg er bij: hij had een fijn oor en een goed hart voor de tongvallen zijner taal, bovenal voor zijn aangeboren Gentsch.
Haarlem, Januari 1887.
J.W. MULLER.