Woordenschat, verklaring van woorden en uitdrukkingen


auteur: Taco H. de Beer en Eliza Laurillard


bron: Taco H. de Beer en Eliza Laurillard, Woordenschat, verklaring van woorden en uitdrukkingen (ed. Ewoud Sanders). Verba, Hoevelaken 1993 (facsimile van uitgave 1899)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 1113]

T

[T]

T op Fransche munten, wijst aan, dat ze te Troyes geslagen zijn.

[T.]

T., Titus.

[T.]

T., onder de senaatsbesluiten in oud-Rome, duidde aan, dat de volkstribunen ze goedgekeurd hadden.

[T]

T, (muz.), staat voor tutti = allen, d.i. al de instrumenten of stemmen te zamen; in tegenoverstelling met S voor Solo.

[Ti.]

Ti., Tiberius.

[T.A.V.E.N.U.]

T.A.V.E.N.U., Tot Aangename Verpoozing En Nuttige Uitspanning; maandblad in den smaak van de Engelsche Tit-Bits; leesgezelschap te Amsterdam en daarnaar naam voor verschillende vereenigingen.

[T.F.]

T.F., travaux forcés, fr. dwangarbeid.

[T.F.P.]

T.F.P., travaux forcés à perpétuité, fr. levenslange dwangarbeid.

[T.(l.) a.p.]

T.(l.) a.p., ter (laatst) aangehaalder plaatse. Bij aanhaling uit boeken.

[T., s.v. pl.]

T., s.v. pl., (fr.), Tournez, s'il vous plaît. Zie bij Vertas.

[T.T.]

T.T., Totus tuus, (lat.), geheel de uwe. Als onderschrift van brieven, in vertrouwlijken stijl.

[T.T. in Do]

T.T. in Do (totus tuus in Domino) = geheel de uwe in den Heer.

[T.w.]

T.w., te weten.

[T.z.]

T.z., ter zake.

[Ta]

Ta, (chin.), groot. In Chineesche plaatsnamen.

[Taal der geleerden (De -]

Taal der geleerden (De -, lat. lingua eruditorum, was in de 17e, 18e en nog in de eerste helft der 19e eeuw het Latijn, omdat weleer elke wetenschap in deze taal behandeld, en vooral ook beschreven werd. De taal der geleerden in Japan is het Chineesch, waarin bijna alle belangrijke in Japan vervaardigde werken geschreven zijn, als bv. de rijksjaarboeken, encyclopaedieën, enz.

[Taäm]

Taäm, (hebr.), smaak, gevoel, gewaarwording; vandaar ook verstand, geest. Spreekwoorden: het heeft geen taam en geen reiach = het heeft geen smaak en geen geur, niets aantrekkelijks; het is noch geestvol, noch boeiend. Hij heeft geen taam en geen gein van

[p. 1114]

iemand, die niet aardig, niet geestig, die vervelend is. Vandaar ook: een on-taäm = een vervelend of een niet aantrekkelijk persoon. - Ook reden, motief; zonder eenige taam = zonder eenig motief.

[Taare]

Taare, zie Taharoh.

[Tabakscollege (Het -]

Tabakscollege (Het -, naam van een avondgezelschap dat, koning Friedrich Wilhelm I van Pruisen (1688-1740) gewoon was schier daaglijks te Potsdam of te Wusterhausen rondom zich te vereenigen. Daartoe behoorden de meest vertrouwde vrienden van dien vorst, alsmede de ministers, stafofficieren, benevens sommige geleerden. Deze kring bezorgde den Koning zeer aangename ontspanning, omdat hij aldaar zonder terughouding zijne gevoelens kon openbaren, en tevens meende, dat ook de overige leden van het gezelschap dit voorbeeld volgden. Men rookte er uit korte aarden pijpen, en zij die niet rookten, moesten toch de pijp in den mond nemen. De invloed, dien in deze bijeenkomsten vooral de door Oostenrijk omgekochte leden hadden op den Koning, die er op vertrouwelijke wijze en zonder eenigen argwaan zijne gevoelens en plannen mededeelde, is voor de geschiedenis van Pruisen hoogst merkwaardig.

[Tabarin]

Tabarin, zie Bouffon.

[Tabbaard]

Tabbaard of tabberd, lange, wijde statierok, statiekleed, bv. van rechtsgeleerden. Vanhier geen man van den degen, maar van den tabbaard, d.i. geen krijgsman, maar een man van 't recht. 't Was de oud Rom. stola (z.a.). - Verwant met eng. tabard (wapenrok), en ital. tabarro (korte mantel).

[Tabbaäs]

Tabbaäs, (tabba'äth), hebr. ring.

[Tabbert]

Tabbert, (z. afr.), vrouwenkleed. Tabbertjie=kleedje: die vrous trek hulle tabbertjies van agter op.

[Tabernae]

Tabernae, (lat.), benaming van onderscheidene stationsplaatsen aan de heirwegen der Romeinen, vooral in Gallië. Zie ook Tres Tabernae.

[Tabernakel]

Tabernakel, van lat. tabernaculum (tent), uit taberna (plankenwoning), bij de oude Romeinen de tent buiten Rome, waarin de Augur vóor het houden der volksvergadering zijne auspicia waarnam.

[Tabernakel.]

Tabernakel. De verplaatsbare tent der samenkomst en des heiligdoms voor den eeredienst der Israëlieten in de woestijn en in Kanaän, later door den tempel van Salomo vervangen.

[Tabernakel.]

Tabernakel. In de R.-Katholieke kerken is het tabernakel de rijk bewerkte plaats of kast midden op het hoofdaltaar, waarin het H. Sacrament wordt bewaard. De kisten der middeneeuwen hadden veelal het tabernakel in de dikte der muur uitgespaard, aan de buitenzijde rijk versierd en met metalen deur gesloten. In vele kerken was het tabernakel ook in den vorm van een kleinen toren geheel vrij opgebouwd met symbolische versieringen. Te Leuven in de St. Pieterskerk is een zeer fraai tabernakel in steen uit de XVe eeuw, het tabernakel in koper te Léan in België is zeer beroemd. Wij hebben in ons land slechts nog een vrij staand tabernakel in steen uit de XVe eeuw te Meersen in Limburg, wel bestaan er nog in ons land eenige wandtabernakels uit de XIVe en XVe eeuw die echter thans niet meer als dusdanig gebruikt worden omdat de liturgische voorschriften in ons land dit verbieden.

[Tabernakel.]

Tabernakel. In uitdrukkingen als hij heeft veel met zijn eigen tabernakel op (= hij houdt van zich op te schikken); iemand op zijn tabernakel komen of spelen (= afstraffen); mijn aardsche tabernakel wordt verbroken (liever, afgebroken) (= ik word zwakker; mijne lichaamskracht gaat achteruit); zijn aardschen tabernakel goeddoen (= zich te goed doen aan eten en drinken); beduidt dit woord menschelijk lichaam, als woonstede der ziel; en is aan den Bijbel ontleend; vgl. 2 Kor. V:1; 2 Petr. I:13, 14.

[Tabernakelen bouwen]

Tabernakelen bouwen, ook wel verkort tot een uit tabernakel (z.a.) gesmeed werkwoord tabernakelen, er-

[p. 1115]

gens zijne tenten opslaan, woonverblijf kiezen of nemen. Naar Matth. XVII:4, Mark. IX:5, Luk. IX:33.

[Tabi]

Tabi, (japan), sok, die voorzien is van een afzonderlijken grooten teen. Ook de geta (hooge houten sandaal (z.a.), die met een paar dwarsbalkjes op den grond rust), wordt vastgehouden door een bandje, dat loopt tusschen den grooten en den tweeden teen.

[Tabik]

Tabik en tabek, (mal.), tabé, (jav.), compliment, groete, gegroet, ik groet u. Minta (= verzoeken), minta tabek = met uw permissie, met uw pardon.

[Tabitha]

Tabitha, zie Dorkas.

[Table à cicogne]

Table à cicogne, drie, vier of meer salontafeltjes aan elkander vast, uittrektafeltjes; ook Mimi-tafeltje.

[Table d'hôte.]

Table d'hôte. In de Middeleeuwen, en zelfs tot op den tijd van Lodewijk XIV, was de tafel van den hotelhouder de eenige publieke ordinaris, in Duitschland en Frankrijk.

[Tableaux vivants]

Tableaux vivants, voorstellingen van groepen of beelden door levende personen; uitgevonden door Madame de Genlis, die de kinderen van den Hertog van Orleans opvoedde.

[Tableheads]

Tableheads, (am.), tafelhoofden, spotnaam voor de bewoners van New Brunswick; oorspr. onbekend.

[Taboe]

Taboe, op de Zuidzee-eilanden en Nieuw-Zeeland, verboden. Als iets taboe verklaard is, wordt 't als heiligschennis beschouwd het aan te raken. Ook, ongeschikt voor het gebruik.

[Tabor]

Tabor of Thabor, berg in 't noorden van Palestina, die de vlakte van Jizreël ten oosten begrenst. Op dien berg en in deze vlakte versloeg Barak met de strijdbare mannen van Zebulon en Naphtali der Kanaänieten koning Jabin en zijn veldheer Sisera (Richt. IV:6 vg.). De overlevering, welke Jezus' verheerlijking op dezen berg (Matth. XVII:1 vg.; Mark. IX:2 vg.; Luk. IX:28 vg.) plaatst, dagteekent eerst van de 2e helft der 4e eeuw, en is dus niet zeer betrouwbaar, doch wordt door Van der Palm gehandhaafd. Vanhier

[Tabor (Dat is zijn -]

Tabor (Dat is zijn -, dat is de plaats, waar hij in hooge geestvervoering geraakte.

[Taborieten]

Taborieten, eene der twee partijen, waarin zich de aanhangers van Johannes Huss († 6 Juli 1415 te Constanz) verdeelden; éene gematigde partij noemde zich Calixtijnen (Utraquisten); de andere, de Taborieten, (naar Tabor, de stad, in 1419 in Boheme op een heuvel van dien naam gesticht), was zeer gestreng en verwierp alle leerstellingen der Roomsche Kerk, welke niet letterlijk uit den Bijbel te bewijzen waren. Deze beschouwden zich als de Uitverkorenen tot de Zaligheid.

[Tabouret (Droit de -]

Tabouret (Droit de -, (fr.), recht om op een tabouret te zitten, in tegenwoordigheid der Koningin. Werd aan 't oude Fransche hof eerst verleend aan prinsessen, later ook aan de eerste hofdames, nog later aan de vrouwen der afgezanten en hertogen. Den heeren werd eveneens 't droit de fauteuil verleend.

[Tabula memorialis]

Tabula memorialis, (lat.), gedenktafel.

[Tabula rasa]

Tabula rasa, (lat.), letterl. afgekrabd of afgeschrapt (van was schoongeveegd), schrijfbordje = plankje (zie bij Stijl). Effen rekening, schoon schip, opruiming. Wordt ook gezegd van een van alle bebouwing en beplanting ontbloot terrein, van een algemeen ontslag van personeel, enz.

[Tabula votiva]

Tabula votiva, (lat.), geloftetafel, d.i. een gedenksteen ter vermelding van een, naar aanleiding van eene gedane gelofte, gegeven geschenk (ex voto).

[Tabulatuur]

Tabulatuur, inrichting van een muziekstuk met letters, vóordat het

[p. 1116]

notenstelsel was ingevoerd. Van lat. tabula = plank of bord. De vorm en inhoud van het Meesterlied (zie Meesterzangers) waren aan allerlei regels gebonden; deze regels droegen ook den naam van tabulatuur; men kon er tegen zondigen, bijv. door valsche en blinde fouten; de eerste waren onchristelijke, onzedelijke, de andere onduidelijke denkbeelden; men kon zondigen tegen den strophenbouw, het rijm, de taal, enz. Was een leerling in de geheimen der Tabulatuur ingewijd en onbesproken van gedrag, dan kon hij, na 't afleggen van eene bekwaamheidsproef, in de Vereeniging van Meesterzangers worden opgenomen, onder belofte geen Meesterlied te zullen ontwijden door het op straat te zingen. Vandaar:

[Tabulatur (Nach der -]

Tabulatur (Nach der -, (hgd.), geheel naar de bepaalde orde of volgorde.

[Tac (Répondre du - au tac]

Tac (Répondre du - au tac, (fr.), een argument met een andere passende tegenwerping beantwoorden. Hoewel eene uitdrukking van vrij jonge dagteekening, ligt haar oorsprong in het duister.

[Tacchina-lakwerk]

Tacchina-lakwerk, proeven van mozaïek van Tacchina, te Parijs. 't Is nagebootst Japansch lakwerk.

[Tace aut face]

Tace aut face, (eng.), zwijg of handel; houd je mond of doe het zelf. Devies van Sir Walter Scott.

[Taceo, video]

Taceo, video, (lat.), Ik zwijg en zie. Spreuk van Koningin Elizabeth.

[Tacere qui nescit, nescit loqui]

Tacere qui nescit, nescit loqui, (lat.), Wie niet zwijgen kan, kan niet spreken. Spreuk van Vernot de Jeun.

[Tachanoen]

Tachanoen, (hebr.), smeekgebed. Be-tachanoenim tot iemand komen = smeekend zich tot iemand wenden. Als term duidt het aan het dagelijksche smeekgebed der Israëlieten in de ochtenden middag-liturgie der gewone werkdagen.

[Tache de beauté]

Tache de beauté, (fr.), schoonheidsvlek, oorspronkelijk modenaam voor vlekken of puisten in 't gezicht, gevolg van uitspattingen; later de naam van pleisters daarvoor en van de deze vervangende mouches = pronkpleistertjes, hgd. Schönheitspflasterchen; thans nog ironisch gebruikelijk voor vlekje of moedervlekje.

[Tachlies]

Tachlies, (tachlieth), (hebr.), lett. voleinding, voltooiing, vervolkomening. In het n.-hebr. einddoel, bestemming, vaste toekomst.

[Tachrichin]

Tachrichin, (chald.), kleederen, omhullingen. In Talmudisch taalgebruik, en vandaar ook in de Joodsche volkstaal bepaaldelijk doodskleederen; de gewoonlijk van wit linnen of katoen vervaardigde kleederen, waarin het lijk na de ritueele reiniging (zie Taharoh) wordt gehuld.

[Tachypodie]

Tachypodie, (gr.), snelvoetigheid. Bij een tweegevecht ging een der partijen op den loop, voordat de eerste degen getrokken werd. Dr. Péan († 1898), de eer van den lafaard willende redden, schreef in het proces-verbaal: ‘Bij den eersten aanval kreeg de heer X. een onwederstaanbaren aanval van tachypodie, zoodat de getuigen in overeenstemming met den geneesheer het gevecht deden staken’. Niemand kende deze ziekte (!), en de eer was gered.

[Tacitus (De Hollandsche -]

Tacitus (De Hollandsche -, Pieter Corn. Hooft, zoo genoemd naar den Lat. geschiedschrijver, die hem tot voorbeeld diende en dien hij zoo ijverig bestudeerde, dat zijn stijl hier en daar volkomen overeenkomst met zijn model had.

[Tadpoles]

Tadpoles, (am.), naam voor de bewoners van Missisippi, naar de vele poelen met kikkers. Eng. tadpole = donderpad.

[Taedium vitae]

Taedium vitae, (lat.), levensmoeiheid, afkeer van, weerzin in het leven (die vaak tot zelfmoord drijft).

[p. 1117]

[Taël]

Taël, meerv. taëls, Chineesche rekenmunt, iets minder dan 1½ dollar (f 3.75). De koers staat echter niet altijd vast; de taëls staan soms ook f 3.50.

[Taenia expansa]

Taenia expansa, (lat.), letterl. uitgespannen lintworm.

[Taf]

Taf, verkorting van pers. tâftah = geweven; eene stof uit zijde vervaardigd, was eerst zijde en linnen, later zijde en wol. In de 18e eeuw was het glanzige zijde, soms met goud doorstreept.

[Taf]

Taf of tau, (fr. wap.), St. Antonieskruk (z.a.). Dus geheeten omdat die krukjes op eene T gelijken. Fr. tau = T-vormige figuur. - Ook bekend als béquille de St. Antoine en als croix de potence. - Hebr. tav (tau), de 23e laatste letter van het Hebr. alphabet = kruis (aldus afgebeeld bij de Phoeniciërs en op de munten der Makkabeeën), heeft eene getalwaarde van 400.

[Tafel van vermenigvuldiging opzeggen (De vleeschelijke -]

Tafel van vermenigvuldiging opzeggen (De vleeschelijke -, een talrijk kroost verwekken; in scherts uit Genes. XVI:10, XXII:17; Exod. XXXII:13; Jerem. XXIII:22; Gen. VI:1, enz. enz. enz.

[Tafeldans]

Tafeldans, de draaiende en tevens voortgaande beweging, die zich, naar veler beweren, bij een tafel vertoont wanneer de daaromheen gezeten of staande personen daarop hun handen leggen en door aanraking der duimen en pinken een gesloten keten vormen. In verband daarmede staat de tafelklopperij, waarbij de tafel door het tikken met een der pooten antwoord geeft op gestelde vragen. Daar zulke antwoorden alleen door een verstandelijk wezen konden gegeven worden, schreef men een en ander toe aan den invloed van geesten (zie Spiritismus). In een stroom van geschriften - in 't begin van 2e helft dezer eeuw verschenen - werden die verschijnselen toegekend aan electriciteit, magnetisme, zenuwvloeistof en de werking van geesten; terwijl anderen daarin niets zagen dan misleiding en zelfbedrog.

[Tafelendienst]

Tafelendienst, beheer der geldzaken in eene kerkgemeente. Uit Hand. VI:2: tafelen = tafelen, waarop geld verhandeld werd. Anderen denken hier aan spijs-tafels = liefdemaaltijden van rijken en armen. De kantteekenaars van onze Staten-bijbel vereenigen beide denkbeelden.

[Tafelgoederen]

Tafelgoederen, lat. mensalia bona, vaste goederen, waarvan de opbrengst de kosten voor het onderhoud van kloosterlingen moest dekken.

[Tafelpartij]

Tafelpartij, in N.-Brabant, het brengen van ketelmuziek bij het verbreken van een voorgenomen huwelijk.

[Tafelronde (De -]

Tafelronde (De -, orde der ridders van de ronde tafel. Verbond der uitstekendste Engelsche ridders, die zich langzamerhand verzameld hadden om den half-fabelachtigen koning Arthur uit het heldentijdvak (6e eeuw) der geschiedenis van Engeland. Om eene ronde marmeren tafel gezeten, hielden deze uitgelezen helden met Arthur op zijn kasteel Kaarlleon of Karleol hunne feestmaaltijden. Slechts het bezit van alle ridderdeugden, in tal van wapenfeiten en avonturen gebleken, gaf het recht om tot deze ridderorde te behooren.

[Tafelronde]

Tafelronde, (m.-nederl.), tweegevechten na de mêlée op het steekspel. Ook in 't algemeen steekspel, z.a.v. joeste, jostierspel.

[Tagales]

Tagales, benaming der Maleische immigranten op de Philippijnen, die tot dusver door hun eigen Sultans of Datos geregeerd werden, onder Spaansch oppergezag. Een dapper en athletisch menschenras. Ook Tagalen = inlandsche troepen op Manilla.

[Tagelöhner mit dem Geiste]

Tagelöhner mit dem Geiste, (hgd.), noemde Freiligrath de auteurs, en zoo noemt Noiré de schooljongens, die gratis onderwezen worden, maar schitterende examens moeten doen als reclame voor de school.

[Taggerijn, tangerijn]

Taggerijn, tangerijn, oud-ijzerkooper, van taggarin nw. van enk.

[p. 1118]

chald. taggâr = koopman, van tegar (handeldrijven). - Het m. nl. tagger = = twister komt van chald. tegar (twisten).

[Taghairm]

Taghairm, middel, door de Schotten aangewend, om in de toekomst te lezen. Iemand, gewikkeld in de huid van een pas geslachten os, werd naast een waterval of aan den voet van een afgrond geplaatst, om daar de voorgelegde vraag te overwegen. Wat ook zijne verbeelding hem in dezen toestand ingaf, werd voor de ingeving van zijn van het lichaam ontdanen geest gehouden. Walter Scott, in zijn Lady of the Lake IV:4, zegt: ‘Last evening-tide Brian an augury has tried, of that kind which must not be, unless in dread extremity, The Taghairm called.’

[Taharoh]

Taharoh, (taharah), (hebr.), reiniging, reinheid. Als term duidt het aan: de ritueele reiniging, wassching van een lijk volgens Israël. godsdienstige voorschriften en gebruiken. In de volkstaal is het woord vaak verbasterd tot taare of tot teiere.

[Tahil]

Tahil, (mal.). als gewicht voor edele metalen wegend pl. m. 0.054 KG. en onderverdeeld als volgt: 1 Tahil = 2 Real, - 1 Real = 4 Soekoe, - 1 Soekoe = 2 Tali, en 1 Tali = 3 Oewang; als gewicht voor opium wegend pl. m. 0.0386 KG., en onderverdeeld als volgt: 1 Tahil = 1/16 Kati = 1/1600 Pikoel = 10 Tji, - 1 Tji = 10 Timbang, Mata of Hoen.

[Taikoen]

Taikoen, (jap.), de groote heer, vroeger de wereldlijke Keizer van Japan, belast met het uitvoerend bewind en staande onder den Mikado of geestelijken Keizer; sinds 1868 afgeschaft. Sedert is het uitvoerend bewind bij den Keizer of Mikado bijgestaan door een kabinet. In 1889 is er ook een constitutie in Japan afgekondigd.

[Tail, tayl, thäl, tale]

Tail, tayl, thäl, tale (spr. teel), Chineesche rekenmunt van 1000 pitjes ter waarde van pl. m. f 3.50 Ned. Vgl. Taël.

[Taillable et corvéable à merci (Gent -]

Taillable et corvéable à merci (Gent -, (fr.), op lijfsgenade schatplichtig volk. Ironisch de tegenwoordige klassen onzer maatschappij, die onderhevig zijn aan bedrijfs- en vermogensbelasting.

[Taillé (C'est bien -, mon fils; maintenant il faut coudre]

Taillé (C'est bien -, mon fils; maintenant il faut coudre, (fr.), dat is slechts een begin; het moeilijkste moet nog worden volbracht. Woorden van Catharina de Médicis, toen Hendrik III haar (23 Dec. 1588) kwam aankondigen, dat hij thans Koning van Frankrijk was, aangezien zijn mededinger, de hertog van Guise, daareven werd vermoord. Het gezegde wordt soms aan Maria Theresia van Oostenrijk toegeschreven, doch het geldt voor uitgemaakt, dat, werd 't waarlijk door haar gebezigd, zij Catharina de Médicis napraatte.

[Taille]

Taille, in middeneeuwsch Latijn tallia = collecte, ingezameld geld, noemde men in Frankrijk in de 15e eeuw onder Karel VII eene regelmatige directe belasting (hoofdgeld, impost) op het vermogen of op het inkomen, die de plaats verving der vroegere buitengewone en onregelmatige lasten. Ze werd alleen gevorderd van de niet-bevoorrechte standen; en men onderscheidde eene taille réelle, die volgens een gebrekkig kadaster van vast goed geheven werd, en eene taille personelle, die op het bedrijf of den persoon rustte.

[Taille]

Taille, (muz.), tenor; basse-taille = tweede tenor, de diepere stem.

[Taillé]

Taillé, (fr. wap.), zie linksgeschuind; zooals het wapen der stad Utrecht.

[Take care of the pennies; the pounds will take care of themselves]

Take care of the pennies; the pounds will take care of themselves, (eng.), pas op de stuivertjes; de ponden (sterling) zullen wel voor zichzelven zorgen.

[Takkianen]

Takkianen, voorstanders van nagenoeg algemeen kiesrecht, dus ook voor werklieden enz. Naar den oud-Minister Mr. J.P.R. Tak van Poortvliet,

[p. 1119]

die hiervan tijdens zijn ministerie een ontwerp maakte.

[Takkief]

Takkief, (chald. en hebr.), machtig, invloedrijk. Vandaar spreekwoordelijk: takkief bij iemand zijn = invloed hebben, gaarne gezien zijn, intiem zijn.

[Tal]

Tal, (hebr.), dauw. Tefillas-tal, het gebed om verfrisschenden dauw, dat op het Paaschfeest wordt uitgesproken. Tal-benschen = de zegenbede uitspreken (zie Benschen).

[Talaro, tallero]

Talaro, tallero, (it.), afkomstig van daler, daalder, groote zilveren munt, vroeger gangbaar in Italië. Een talaro van Venetië deed pl. m. f 2.45.

[Tale Kanaäns (De - spreken]

Tale Kanaäns (De - spreken, spreken in oud-Testamentische termen, uit oprechte of ook dikwerf voorgewende vroomheid. Jes. XIX:18 gewaagt van vijf steden in Egypteland, sprekende de spraak van Kanaän, en zwerende bij den Heer der heirscharen.’

[Talen]

Talen en Tali, (jav.), mal. tali zilveren munt ter waarde van 30 duiten of 25 centen, eigenlijk een koord (tali = touw) met pitis (zie pitje), waarvan er 75 de waarde van een tali zouden hebben.

[Talent]

Talent, gr. talanton, balans, mrv. de weegschalen; vervolgens het gewogene, en wel een bepaald gewicht, bij Homerus altoos van goud; later in Griekenland een werkelijk handelsgewicht, het Attische was ruim 29 kilogr. zwaar. Thans z.v.a. een half kilogr. of een oud pond (bij bepaling van het gewicht van kerkklokken). Voorts, eene bepaalde geldsom, waarvan de waarde oorspr. met het genoemde gewicht aan zilver overeenkwam; het Attische talent, 't meest gebruiklijke en gewoonlijk bedoeld, was van ongeveer 31½ KG. = 60 minae = 360 drachmen of ongeveer f 2640, later (4e en 3e eeuw v.C.) slechts f 2497; het Euboische talent gold f 3675, het Aeginatische en Babylonische f 4400, later slechts f 3937. Voor het Israëlietische talent, zie Kikkar. - Door de talenten in Jezus' gelijkenis Matth. XXV:15, - Luk. XIX:16 vg. heeft ponden, - moet men noch aangeborene geestesgaven noch bizondere gaven en bekwaamheden verstaan; want van deze gold niet, dat ze ‘een' iegelijk naar zijn vermogen, d.i. bizondere vatbaarheid’, konden verleend worden. Er wordt mede bedoeld de meer of minder uitgebreide kring van werkzaamheid, de onderscheiden post en plicht, aan elk in het Rijk van den Messias aangewezen. Toch wordt, op grond dezer gelijkenis, talent algemeen gebezigd in den zin van begaafdheid, bekwaamheid, spreekt men van een ‘mooi’ of ‘ongelukkig talent’ = kanselvoordracht, en gebruikt men uitdrukkingen als: ‘men moet zijn talent op woeker zetten’ (vgl. vs. 27) = er voordeel mede doen, ‘men mag zijn talent niet in de aarde begraven’ (vgl. vs. 25) = zijne gaven en bekwaamheid niet ongebruikt laten. Vgl. nog de spreekwijzen: daar ligt zijn talent niet; hij heeft van de vijf maar éen talent gekregen; woekeren met zijn talent.

[Tali-api]

Tali-api, vuurtouw, de lont waarmee men eene sigaar opsteekt. Mal. en jav. tali = touw; api = vuur.

[Talisman]

Talisman, (perz.), mrv. talismân, van enkelv. tilism; een wonderdoend voorwerp, behoedmiddel tegen gevaren en derg. Zeer bekend als zoodanig zijn de Abraxassteenen. In Arabië gebruikt men den talisman nog, bestaande uit een stuk papier, waarop de namen van de Zeven Slapers en hun hond zijn geschreven, om het huis voor geesten en duivels te vrijwaren. Zie Amulet.

[Taliter qualiter]

Taliter qualiter, (lat.), zoo (gedaan of geschied), als (het gedaan of geschied is), d.i. zoo zoo, zoo wat, middelmatig.

[Talitha Knmi]

Talitha Knmi, benaming van een asyl te Steenbeek (gem. Valburg, in Over-Betuwe) voor verwaarloosde meisjes. Ontleend aan Mark. V:41: Talitha kûmi (Arameesch) = dochtertje, sta op!

[Talles]

Talles, van hebr. Tallies (tallith) = kleed Als term duidt het aan

[p. 1120]

het godsdienstkleed met de ‘franjen’ of ‘aanschouwingsdraden’ (zie Tritsies), waarmee de Israëlieten bij hun ochtendgebed en andere plechtigheden ter Synagoge zich omhullen (vgl. Numeri XV:38).

[Tallith]

Tallith, zie Talles.

[Tally-ho!]

Tally-ho! afgeleid van den Normandischen jachtkreet taillis au! (naar 't kreupelhout!) in 't Fransch taï-aut! Vooral bij vossenjacht gebruikelijk.

[Talmied]

Talmied, (hebr.), leerling. Talmiedchochom (Talmied-chacham), lett. wijze leerling, duidt als term aan: een geleerde op het gebied van Joodsche, Rabbijnsche, Talmudische wetenschap.

[Talmud]

Talmud, (n.-hebr.), (letterl. studie, leer-oefening), naam van het groote nabijbelsche standaardwerk des traditioneelen Jodendoms, waarin de godsdienstoverleveringen, als organieke regelen naast den Pentateuch als grondwet, zijn nedergelegd. De vorm van het werk bestaat in eene verzameling van besprekingen en mededeelingen, gedurende ongeveer 4 à 5 eeuwen, van de 2e tot na de 6e eeuw, in de leerscholen van Palestina en Babylonië bijeengebracht, en later gesorteerd, opgeschreven en gegroepeerd rondom de paragrafen der Misjnatraktaten (zie Misjna). Er zijn twee verzamelingen, de Palestijnsche Talmud en de Babylonische Talmud, die naar vorm en inhoud geheel verschillend zijn, doch in uitspraken en beslissing nagenoeg geheel overeenkomen. Wanneer men spreekt van den Talmud zonder nadere bijvoeging, dan wordt stilzwijgend bedoeld de Babylonische Talmud, als van de beide Talmuden de meest algemeen verspreide en beoefende, en ook als de hoofdgrondslag van den godsdienstcodex. Ze bestaat uit 36 deelen, meestal verdeeld in 12 folio-banden. De chaldeeuwsche term voor Talmud is: Gemara (gemoro) (z.a.). Die term beteekent ongeveer hetzelfde als Talmoed. In de Joodsche volkstaal wordt zelden van Talmud, meestal van Gemoro gesproken. Gemoro leeren = Talmud leeren. Een gemoro-kop = een scherpzinnig hoofd, geschikt voor de moeilijke Talmudstudie. Van eene moeilijke kwestie of ingewikkelde redeneering wordt vaak gezegd: dit is een heele gemoro = het lijkt op een moeilijke, scherpzinnigheideischende Talmudplaats.

[Talmud Tora]

Talmud Tora, (hebr.), leer van den Talmud. Stichting te Amsterdam school waar onderricht in den Talmud wordt gegeven.

[Talmudisten]

Talmudisten, geleerde uitleggers van den Talmud. Men vindt hen in de 3e en 4e eeuw n.C. Vooral bekend zijn Mozes Maimonides († 1204) en Obadja Bartenora, wier verklaringen voor de beste gelden, en met bijgevoegden tekst te Amsterdam 1698-1703 door Arenhusius zijn uitgegeven. In den Babylonischen Talmud (Tract. Gittin alsook in Agadische geschriften als Targoem Koheleth en Midrasch Rabba) komt de geheele Aschmedai-Salomonische sage voor. De inhoud daarvan is deze: Aschmedai, de heer der Demonen, wordt door tusschenkomst van den held Benajahu gevankelijk tot Salomo gebracht, om bij den tempelbouw behulpzaam te zijn, door verschaffing van den steen-splijtenden worm Schamis. Hij weet Salomo door list te winnen, en dezen den goddelijken zegelring afhandig te maken, waarna hij in Salomo's gestalte den troon Israël's bestijgt en jaren lang als koning Israël regeert, terwijl Salomo als bedelaar rondzwerft. Dit duurt totdat Salomo den goddelijken zegelring weder in handen krijgt; dan verdwijnt Aschmedai. Zie boven, Asmodée. Nog andere legenden van den duivel Aschmedai komen in den Talmud voor.

[Talud]

Talud, (bouwk.), glooiing, schuinte. Fr. talus.

[Tamaai]

Tamaai, (afr.), groot.

[Tamarinde]

Tamarinde, (arab.), tamr hindî, lett. Indische dadel.

[Tamarisk]

Tamarisk, boomsoort, genoemd naar een hebr. woord dat zuiveren beteekent, wegens haar zuiverende eigenschappen. De Romeinen bekransten het

[p. 1121]

voorhoofd der misdadigers er mede. De Arabieren maken koeken, genaamd manna, van de verharde sappen, uit dezen boom getrokken; want de tamarix mannifera zweet eene naar manna gelijkende, zoetsmakende stof uit.

[Tambangan]

Tambangan, licht vaartuigje der Maleiers te Batavia.

[Tambi]

Tambi, (mal.), jongste broeder, naam voor de Klingaleezen.

[Tamboir]

Tamboir, (bouwk.), houten betimmering als toegang of portaal in eene kamer, veelal cylindervormig. De tamboir in het stadhuis te Oudenaarde is wegens het zeer fraaie beeldhouwwerk zeer beroemd. Men noemt ook tamboir cylindervormige gedeelten in muurwerk en aarde gevormde verdedigingswerken (in 't Duitsch Zwinger).

[Tammany]

Tammany ook St. Tamany, (am.), eigenlijk Tamendy, hoofd der Indianen eerst in Delaware, later aan den Ohio, vriend der blanken, die als profeet vereerd en later heilig genoemd werd; langen tijd als beschermheilige der demokratische partij genoemd (1789). De naam leeft voort in Tammany Hall, de vergaderzaal der machtige politieke ring te New-York. Deze partij sloot zich meest aan bij de democraten, doch niet uitsluitend; zij zocht vooral steun bij den geringeren stand. De partij zocht de overhand te krijgen, vooral met het oog op financieele voordeelen, zoo door vergoeding te vorderen voor beweerde uitgaven of verschotten als door het bemachtigen van vette posten.

[Tamme godgeleerde (De -]

Tamme godgeleerde (De -, Desiderius Erasmus († 1536), die wel een voorlooper der Kerkhervorming geweest is, maar altoos uitmuntte door verdraagzaamheid.

[Tampat]

Tampat, (mal.), plaats; verblijfplaats, gelegenheid voor iets.

[Tampat tidor]

Tampat tidor, (mal.), plaats waar men slaapt, ledekant.

[Tampat toempah darah]

Tampat toempah darah, (mal.), geboorteplaats.

[Tampat makanan]

Tampat makanan, (mal.), plaats, waar men eten in bewaart.

[Tampat minoeman]

Tampat minoeman, (mal.), plaats, waar men drank in bewaart, drankzetje, drankstel.

[Tampolong]

Tampolong, (mal.), kwispedoor.

[Tamtam]

Tamtam, (muz.), gong.

[Tanagra beeldjes]

Tanagra beeldjes, kleine (1 à 3 decim.) klassieke Grieksche beeldjes van gebakken aarde, meest figuren uit het dagelijksch leven voorstellend, het eerst gevonden in de graven van de stad Tanagra.

[Tanah (Boeka -]

Tanah (Boeka -, (mal.), open den grond; de leus van den Sultan van Koetei, die zijn land wenscht open te stellen voor Europeesche ondernemingen.

[Tanah Malayoe]

Tanah Malayoe, zie Haantjesduit.

[Tanah Sasak]

Tanah Sasak, zie Sasaks.

[Tanak (Mĕnanak)]

Tanak (Mĕnanak), (mal.), rijst koken, koken; Djoeroe tanak, (mal.), kok; zie boven Djoeroe.

[Tandak]

Tandak, (jav. en mal.), menandak, op inlandsche wijze dansen; penandak, danser, danseres, dansmeid.

[Tandakken]

Tandakken, (k.m.a.), dansen.

[Tandem D.O.M.]

Tandem D.O.M., Latijnsche formule dikwijls aan het einde van vergaderingen of als slot van een geschrift gebezigd; Tandem Deo optimo maximo = aan het einde zij de eer aan den besten en hoogsten God.

[Tandem]

Tandem, (sport), rijwiel met twee zitplaatsen. Naar een edelman van dien naam, stalmeester van een der koningen van Engeland, die voor het eerst twee paarden vóor elkander inspande, in plaats van naast elkander.

[p. 1122]

[Tandem]

Tandem, eindelijk. Spreuk van Taets van Amerongen.

[Tandem bona causa triumphat]

Tandem bona causa triumphat, (lat.), eindelijk zegepraalt de goede zaak.

[Tandem fit surculus arbor]

Tandem fit surculus arbor, (lat.), het rijsje wordt eindelijk een boom. Spreuk van Prins Maurits.

[Tanden, die staan als de huizen in de Benthuizervenen.]

Tanden, die staan als de huizen in de Benthuizervenen. Spreekwoord gezegd van iemand, die een onregelmatig gebit heeft; wegens de onregelmatige ligging der huizen in Benthuizen bij Leiden.

[Tandil]

Tandil, (mal.), onderofficier aan boord, met een rang beneden dien van Sèrang = sergeant.

[Tandoe]

Tandoe, (mal.), draagstoel, draagkoets met een hangmat of een rustbank (ambén) er in.

[Tangan dingin]

Tangan dingin, (jav.), lett. koude hand, d.i. gelukkige hand, bijv. om iets uit te planten; tegenstelling van tangan panas, d.i. warme hand.

[Tangent spokes]

Tangent spokes, (sport), gekruiste spaken.

[Tannebaum (O -, o Tannebaum, wie grün sind deine Blätter]

Tannebaum (O -, o Tannebaum, wie grün sind deine Blätter, (hgd.), O sparreboom, o sparreboom, hoe groen zijn uwe blâren. Aanvang van een, oorspronkelijk tusschen 1550 en 1580 ontstaan allerliefst lied, dat later, in verjongden vorm, in het blijspel Der Kurmärker und die Picarde, van L. Schneider, werd gezongen, en zoo, een 45 jaar geleden, dank de toenmaals te Amsterdam bestaande Duitsche schouwburgen, aldaar vrij populair werd.

[Tannhäuser]

Tannhäuser, een minnezanger uit Zuid-Duitschland, die in de 13e eeuw een avontuurlijk en veel bewogen leven leidde. Met dat leven en een aan hem toegekenden boetzang is de sage verbonden van den ridder Tannhäuser, die in den Venusberg vertoefde en vervolgens een pelgrimstocht ondernam naar Rome, om vergiffenis voor zijne zonden te ontvangen. Doch Paus Urbanus wilde van geen genade weten, en voegde hem, op zijn bisschopsstaf wijzend, toe: ‘Evenmin als deze staf ooit weer bloeien zal, evenmin zal den zondaar Gods genade ten deel vallen.’ Met wanhoop vervuld, keerde nu de ridder naar vrouw Venus terug, en vertoefde hij andermaal in het hol van den berg. Na verloop van drie maanden begon de pauselijke staf groene bladeren te dragen door het wonder der eeuwige liefde; boden werden uitgezonden om den ridder te zoekén, doch deze was verdwenen. 't Is deze sage, die aan Wagner de stof leverde voor zijne bekende opera. - In het Middelnederlandsch: Heer Danielken.

[Tant de bruit pour une omelette]

Tant de bruit pour une omelette, (fr.), zóoveel of wat een drukte om een kleinigheid! Naar Voltaire beweert, gezegde van Jacques Vallée, sieur des Barreaux (1602-72), raadsheer in het parlement van Parijs, die, ruw godloochenaar, op een Goeden Vrijdag met gezelschap in eene herberg te St. Cloud, bij 't opkomen van een onweder, zich verbeeldend ‘que Dien faisait tant de vacarme pour lui’, een spekpannekoek, welken de bandelooze groep, tegen het verbod der R.-Kath. Kerk in, den waard had afgedwongen, uit het raam wierp, zeggend: ‘voilà bien du br. p.u.o.’ of ‘omelette au lard’. Louis Blanc schreef in Les salons du XVIII siècle voorkomend in Le Figaro van 9 en 16 Febr. 1895, over de diners van Mad. Geoffrin: ‘C'est évidemment de la frugalité de ces repas que Mad. Du Deffant se moquait, lorsque, piquée d'entendre vanter l'influence de Mad. Geoffrin elle s'écria: ‘Voilà bien du bruit pour une omelette au lard!’

[Tant de fiel entre-t-il dans l'âme des dévots]

Tant de fiel entre-t-il dans l'âme des dévots, (fr.), Boileau, Lutrin I, d.i. kan de ziel der vromen zooveel gal bevatten, m.a.w. kan een vroom man zich zoo boos maken? Vergilius zeide reeds:

[p. 1123]

[Tantaene animis caelestibus irae?]

Tantaene animis caelestibus irae? (lat.), ligt er zooveel toorn in de ziel der hemelsche goden? Aeneis I, 11.

[Tantalus-beker]

Tantalus-beker, een beker, waarin een hevel zoodanig is aangebracht, dat, wanneer men daaruit wil drinken, al het vocht van onderen wegvloeit.

[Tantalus-kwelling]

Tantalus-kwelling, marteling of foltering van iemand, die iets in zijn bereik heeft, en het toch niet machtig worden kan. Naar Tantalus, rijken koning van Sipylos (in Phrygië), zoon van Jupiter, die als gast der goden zich hunne gramschap had berokkend, en tot straf in de onderwereld, door dorst en honger gekweld, tot aan den hals in een meer moest staan, terwijl de heerlijkste vruchten vlak boven zijn mond hingen; doch, bukte hij om te drinken, dan zonk het water, en hapte hij naar de vruchten, dan weken ze in de lucht, zoodat hij moest blijven dorsten en hongeren.

[Tante (Ma -.]

Tante (Ma -. De studenten en burgerlieden te Parijs noemen aldus de Bank van Leening; zie Oom Jan.

[Tante Voss]

Tante Voss, (hgd.), de Vossische Zeitung van Berlijn, voluit: Königlich privilegirte Berlinische Zeitung von Staats- und gelehrten Sachen, een zeer oud blad; aldus sedert 1848 genoemd, toen het blad zich moeilijk in de nieuwe orde van zaken scheen te kunnen schikken. Om dezelfde reden kreeg de even oude Spenersche Zeitung toen den naam Onkel Spener.

[Tantel]

Tantel, (barg.), sleutel.

[Tantour]

Tantour, zilveren huif, overtrokken met een witten sluier. Hoofddeksel der vrouwen onder de Drusen, eene onrechtzinnige Mohammedaansche sekte, omstr. de 11e eeuw ontstaan in de bergen van Syrië, genoemd naar Ed-Darazi, een dweepziek aanhanger van den Kalif (uit den stam der Fatimiden) Hakim Biemrillah, die in 1021 n.C. van de aarde verdween, om het geloof zijner dienaren (de Muahhiden = de belijders der eenheid Gods) op de proef te stellen, maar eenmaal in macht en heerlijkheid zal terugkeeren, om hun, zoo zij getrouw zijn, het rijk der wereld te schenken. Hij werd als de belichaamde Godheid vereerd.

[Tantum]

Tantum, (lat.), zooveel; vandaar tegenwoordig wel als substantief gebruikt: iemands tantum of tantième, d.i. zooveel, als iemand toekomt, zijn wettig deel.

[Tâon]

Tâon, (fr. wap.), paardenvlieg.

[Taper]

Taper, (fr.), in de gemeenzame taal, geld van iemand leenen. Vandaar tapage, het leenen van geld van iemand.

[Tapeur]

Tapeur, (fr.), iemand, die op kosten van anderen leeft (parasiet), die van geleende gelden bestaat.

[Tapisserie d'Aubusson]

Tapisserie d'Aubusson, tapijtwerk, waarmede stoelen, canapés, enz. bekleed worden, in den stijl Louis XIV, en dat te Aubusson (Frankrijk, dep. de la Creuse) vervaardigd wordt.

[Tapisserie maken]

Tapisserie maken, figuren op een behangsel in eene danszaal vormen; zie ook Muurbloemen.

[Tappen]

Tappen, (telegr.), zich met het naaste telegraafkantoor in betrekking stellen, door een draagbaren toestel aan den draad aan te sluiten. Getapt (alleen van personen) = in trek, in achting.

[Tappen]

Tappen, (stud.), altoos met ui verbonden; een ui tappen = eene aardigheid verkoopen.

[Tapperjaan]

Tapperjaan (Hilversum 18e eeuw), de gildebroeder van het wevers- of drapiersgild, die belast werd met bier tappen.

[Taprobane]

Taprobane, vroeger Saliee of Simundu, sanskr. Sinhala Dvipa (= leeuweneiland), bij de oude Romeinen naam voor het eiland Ceylon. Oud-Indisch Langkâ. Bij Haafner Taprobané.

[p. 1124]

[Taptoe]

Taptoe, het avond-signaal, waardoor de soldaten vroeger werden gewaarschuwd, dat het tijd was, om zich naar hun nachtverblijf te begeven. Het woord schijnt afkomstig te zijn van een voormalig gebruik der politie om op een bepaalden tijd de herbergen rond te gaan en te zorgen voor het sluiten van den tap of de kraan. (Doe den tap toe!)

[Taranis]

Taranis of Taranus, de dondergod der Gallen, ook genoemd Tanaris, door de Romeinen veranderd tot Tanaricus. Hij werd met menschenoffers geëerd.

[Tarantella]

Tarantella, (it.), bizonder levendige volksdans, dus genoemd naar de spin Tarantella, welker beet, zoo men zeide, zenuwbewegingen in hevigen graad veroorzaakte; Saint-Saëns en vele anderen componeerden er de muziek bij, voor fluit en klarinet. De Macaroni is eene Napolitaansche tarantella; zie Macaroni (waar bij vergissing volksdrank staat). Naar Tarente, stad in Beneden-Italië vernoemd.

[Tarantisme]

Tarantisme, dans-manie, aanstekelijk bij de toeschouwers. Een dergelijke ziekte openbaarde zich in Duitschland in 1374. Ook in de Fransche revolutie werd het dansen om den vrijheidsboom en van de Carmagnole dikwijls spottenderwijze zoo genoemd.

[Tararaboemdijee.]

Tararaboemdijee. Aanhef van een vermaard of berucht lied, dat als straatdeun dienst doet, en waarvan men heeft verhaald, dat het oorspronkelijk door een wilden volksstam bij godsdienstplechtigheden gezongen werd, om in geestverrukking te geraken. In Maart 1894 wist een Amerikaansch schrijver mee te deelen, dat de componist een ter dood veroordeeld soldaat was, die in '54 in de gevangenis het lied vervaardigde, waaraan hij den titel: ‘Afscheid van het leven’ gaf. De Engelsche café-chantant-zangeres Miss Lottie Collins bracht het in de wereld.

[Tarboilers]

Tarboilers, (am.), teer-kokers; naam der bewoners van North Carolina vgl. Old North State.

[Taré]

Taré, (fr. wap.), van ter zijde voorgesteld, n.l. helmen. Taré de trois quarts = half-aanziende.

[Tarfoes]

Tarfoes, zie Tereifo.

[Targoem]

Targoem, (chald.), vertaling of Targum, de Arameesche en Chaldeeuwsche vertaling van den Pentateuch door den Rabbijn Onkelos bijgenaamd Hagher (2e eeuw n.C.). De Targumim (mrv.) zijn de verschillende klassieke chald. vertalingen en paraphrasen van de Bijbelboeken, ten deele reeds vóor Chr. aanwezig.

[Tarheeler]

Tarheeler, (am.), spotnaam voor de bewoners van Zuid-Carolina, lett. een man met teer aan zijne hielen.

[Tarjag]

Tarjag, woord, in de Rabbijnsche literatuur gevormd voor de getallenwaarde: Taw, Resch, Jod, Gimel = 613. Dit woord wijst op de 613 geboden en verboden, in den Pentateuch vervat: Tarjag Mitswous (mitswoth = geboden).

[Tarlatan]

Tarlatan, fijne zomerstof voor dameskleeding, in verschillende kleuren; aldus genoemd naar de plaats der uitvinding in Frankrijk.

[Taro]

Taro, Siciliaansche zilveren munt uit de vorige eeuw van pl. m. 20 ct. Ned.

[Tarok]

Tarok, het aantrekkelijkste maar tevens ingewikkeldste van alle kaartspelen. Het wordt gespeeld door 3 personen met 78 kaarten, welke uit de 52 kaarten van het Fransche spel, 4 ruiten en 22 taroks of troeven bestaan.

[Tarpeius (Spurius -]

Tarpeius (Spurius -, bevelhebber van den burcht op den Capitolijnschen berg te Rome, in den oorlog na den Sabijnschen maagdenroof, zou, volgens de sage, Rome aan de Sabijnen hebben willen overleveren, doch werd door Romulus met zijne dochter Tarpeia, die den weg naar het Capitool aan de

[p. 1125]

Sabijnen zou hebben verraden, ter dood gebracht. De steile rots, op welker top de straf zou zijn voltrokken, aan den zuidhoek van het Capitool, kreeg den naam Saxum Tarpeium of rupes Tarpeia. Van deze rots werden soms ter dood veroordeeelde staatsmisdadigers naar beneden geworpen.

[Tarring and feathering]

Tarring and feathering, (eng.), zie Teeren en vederen.

[Tartare]

Tartare, (fr.), in de kleermakerswereld, een leerling. Oorsprong onbekend.

[Tartarus]

Tartarus, als persoon de zoon van den Aether en Gaea (de Aarde), is bij Homerus de kerker der Titanen (z.a.), en ligt zoo diep onder de oppervlakte der aarde en de zee, als de afstand is van den hemel er boven; terwijl de Hades in de Aarde ligt. Bij Hesiodus en latere schrijvers is Tartarus = Hades, d i. de onderwereld.

[Tarte à la crème]

Tarte à la crème, (fr.), een argument, waarmede men alle bezwaren meent te hebben ontzenuwd, dat verdere ontwikkeling eener meening onnoodig maakt, ongeveer onze dooddoener. Het gezegde is ontleend aan Molière's Ecole des femmes I, 1, en aan diens Critique de l'Ecole des femmes. Hij werd namelijk scherp, wegens sommige, in het eerste stuk voorkomende uitdrukkingen, waaronder ook tarte à la crème, aangevallen. Hij deed nu in zijne Critique een markies optreden, die aanhoudend, te pas en te onpas, dien volzin uitspreekt.

[Tartuffe]

Tartuffe of Tartufe, een huichelaar, een geveinsde vrome. Aldus naar den hoofdpersoon van Molière's blijspel van dien naam. Molière zelf schreef Tartuffe. Ital. Tartufo komt als aanduiding voor van een boosaardig mensch in Lippis' Malmantile, dat in handschrift vóór den Tartufe in omloop was. Genin, Récréations philologiques I, 292.

[Tarwe (Daar is onkruid onder de -]

Tarwe (Daar is onkruid onder de -, daar zijn boozen of verkeerden in dat goede gezelschap. Door Jezus in zijne gelijkenis Matth. XIII:24-30 gezegd omtrent de schijnbare burgers van het Godsrijk, in tegenstelling met de goede en de echte.

[Tasveld]

Tasveld, open plek bij eene steenfabriek, waarop de steenen opgetast staan.

[Tata]

Tata, (afr.), vader.

[Tattersall]

Tattersall, plaats waar raspaarden verhandeld werden, in 1766 nabij Hyde Park Corner te Londen geopend door Richard Tattersall; op 10 April 1865 werd ze naar Knightsbridge overgebracht.

[Tautogrammatische verzen]

Tautogrammatische verzen, verzen, waarin alle woorden dezelfde beginletter hebben, b.v. Ruisch, reine regen, ruisch! Roer ritselende ranken!

[Taukruis]

Taukruis, (wap.), zie St. Antonieskruis.

[Taxische posten]

Taxische posten. Zie Turn und. Taxis.

[Tchang-kooe]

Tchang-kooe, (chin.), het middelrijk, naam voor China, nml. bij de Chineezen.

[Tchiliatchef-prijs]

Tchiliatchef-prijs, ad 3000 francs, bestemd als belooning voor de belangrijkste studiën over natuurlijke historie in Midden-Azië.

[Te Deum]

Te Deum, nml. laudamus, (lat.), U; God, loven wij. Ten onrechte is dit de gansche wereld door beroemde kerklied het Ambrosiaansche gezang (z.a.) genoemd; want het is wel eene eeuw na Ambrosius († 397) ontstaan. Volgens de legende vervaardigd door dezen en zijn kweekeling Augustinus († 419), die in den Kerst- of Paaschnacht, 387, na den doop van den laatste te Milaan, in heilige geestdrift dit lied in beurtzang zouden hebben aangeheven. Luther bracht het in zijn ‘Herr Gott, Dich loben wir’ in 't hgd. over. Door Ahasuerus van den Berg vertaald in het Ev. Gezang 3.

[p. 1126]

[Te souviens-tu? disait un capitaine, au vétéran qui mendiait son pain]

Te souviens-tu? disait un capitaine, au vétéran qui mendiait son pain, (fr.), herinnert ge u nog wel, zeide een kapitein tot een veteraan, die voor zijn brood bedelde; zeer populair geworden regels uit een door Emile Debraux in 1815 gedicht lied (Chants et chansons populaires de la France par H.L. Delloye, Paris 1843, 2e Serie, No. 1), waaraan K.v. Holtei (1798-1880) het Denkst du daran, mein tapfrer Lagienka? ontleende. In navolging daarvan dichtte E.W. van Dam van Isselt († 1860) bij den Tiendaagschen Veldtocht: Herinnert ge u? sprak laatst een oude krijger.

[Tea-cap]

Tea-cap, (eng.), mutsje, dat men over het trekpotje heen slaat, om de thee warm te houden. Ook cosy, teacosy geheeten.

[Team-klasse]

Team-klasse, eenige honden van hetzelfde ras, onverschillig van welke geslachtskleur, aan eenzelfden eigenaar toebehoorend. Team (eng.) = span, troep. Klassificeering voor eene hondententoonstelling.

[Téba]

Téba, zie Teiwoh.

[Teca]

Teca, (ital.), het kleine vat, waarin twee fleschjes, welke het wonderbloed van den H. Januarius in de Domkerk te Napels moeten bevatten. Gr. thèkè = kast, kist.

[Techi-jo]

Techi-jo, (techija), (hebr.), herleving. Techijas hameisim (Techijath haméthim), opstanding der dooden.

[Techinno]

Techinno, (Techinna), (hebr.), smeekgebed.

[Techoem]

Techoem, (chald.), grens, begrenzing. Als term duidt het buiten het bebouwde stadsgedeelte de grens aan, die de Israëlieten op hun Sabbath niet mogen overschrijden.

[Tecum habita]

Tecum habita, (lat.), woon bij uzelf. Een gebouw op de Heerengracht te Amsterdam, dat oorspronkelijk de kerk der Hernhutters was, later die van de Evangel. gemeente van Ds. De Liefde, thans (1896) voor kantoren gebruikt. Aldaar werd in Nov. 1870 eene Opleidingsklasse voor Zondagsschoolonderwijzers gesticht door (C.R. Frowein en) A.J. Hoogenbirk, die als jubilaris 20 Nov. 1895 zijn herdenkingsdag vierde.

[Tedesco furor]

Tedesco furor, (it.), Duitsche furie; zie Furia Francese.

[Teekengeld]

Teekengeld (fictieve munten), munten van onedel metaal, dienende tot betaling in gevangenissen, werkhuizen, koloniën van weldadigheid en op plantages in de Indiën, en die bij het verlaten dier inrichtingen tegen gangbaar geld ingewisseld worden. Zij zijn van koper, zink, lood, blik enz.; de waarde en de naam der inrichting staan er op uitgedrukt.

[Teellingisten]

Teellingisten, spotnaam van rechtzinnige ijveraars onder de Hervormden van het laatst der 17e eeuw. Aanhangers van Willem Teellinck, † 1629, als predikant te Middelburg, door Gysbert Voet († 1676 als hoogl. te Utrecht) den Gereformeerden Thomas à Kempis († 1471) geheeten. Zijne geschriften, zóo talrijk, dat ze eene kleine boekerij vormden, vonden, omdat ze meer gewicht legden op beoefenende godzaligheid, dan op de belijdenis des Geloofs, tegenkanting bij de steil-rechtzinnigen, welke echter later overwonnen werd, toen Voet(ius) en de Voetianen, aan wier rechtzinnigheid niet viel te twijfelen, Willem's voetspoor volgden.

[Teemsdraaisters]

Teemsdraaisters, toovenaressen, die, terwijl zij eene teems (zeef) ronddraaiden, goed geluk aanzegden. Men vond ze nog einde 16e eeuw.

[Teeren en vederen]

Teeren en vederen, barbaarsche eigenrechtstraf, reeds in de kruistochten op roovers en verraders toegepast, waarbij de verontwaardigde volkshoop zijn slachtoffer, geheel ontkleed, met teer insmeert en daarna in veeren rolt, zoodat, indien de teer niet spoedig wordt verwijderd, het gewelddadig afsluiten

[p. 1127]

der huidporiën doodelijke gevolgen kan hebben. Soms werden zij daarna verbrand of gehangen. Het is nog in Amerika in gebruik, doch werd o.a. Mei 1894 ook op de diamantenmarkt te Kimberley toegepast op een volksleider, wien men oneerlijke praktijken te last legde.

[Teerputsen]

Teerputsen, sjako's waarvan de bovenrand tweemaal zoo groot was als de benedenrand; dus naar den vorm aldus genoemd. Ze waren in gebruik bij de infanterie, en werden omstreeks 1850 afgeschaft.

[Teetotaler]

Teetotaler, (eng.), geheel-onthouder. Gevormd uit totally (geheel en al, ganschelijk), welk woord op eene vergadering der Temperance League te Londen, door een stamelenden voorstander, Dick Turner, gebrekkig en gerekt werd geuit. Vandaar ook het woord teetotam, naam voor een werkmansclub, waar sterke dranken zijn uitgesloten.

[Teetotal]

Teetotal of Total Abstinence, geheel-onthouding.

[Tefillin]

Tefillin, (n.-hebr.), (afgeleid van hebr. tefillah = gebed), de gebedriemen, of eigenlijk de in capsulen gelegde perkamentstrooken, die de Israëlieten bij het ochtendgebed aan hoofd en linker-bovenarm leggen, als sacramenten of symbolen, dat de inhoud der op die perkamentbladen geschreven geloofsbelijdenis hoofd en hart moge doordringen.

[Tefllo]

Tefllo, (tefilla), (hebr.), gebed. Vandaar ook het gebedenboek. Het woord wordt in de volkstaal verkort tot tfille. (Niet te verwarren met tefillin, z.a.).

[Tefise]

Tefise, (tefisa), (hebr.), (van tafoos = grijpen, vangen), gevangenis.

[Tegal]

Tegal, (jav.), ook Tĕgalan, niet of slecht bevloeibaar, min of meer hoog gelegen bouwveld, niet geschikt voor de natte rijstteelt.

[Tegen den stroom inroeien]

Tegen den stroom inroeien, reeds afgeraden door Sirach IV:31: ‘Streef niet tegen den stroom’.

[Tegengebloemd]

Tegengebloemd, (wap.), gebloemd; doch de bloemen staan beurtelings met den kelk en den voet buiten en binnen.

[Tegengoudhermelijn]

Tegengoudhermelijn, (wap.), het veld is van zwart, de vlokjes van goud.

[Tegenvair]

Tegenvair, (wap.), de schildjes en klokjes staan in gelijk geëmailleerde rijen beurtelings met basis en punt tegen elkaar.

[Tegenzegel]

Tegenzegel, (zeg.), een zegel, gedrukt in het was of lak, aan de keerzijde van het eigenlijke zegel. Meestal gebruikt men hiertoe een klein zegel met het wapen alleen.

[Tehillîm]

Tehillîm, (hebr.), (lett. psalmen, lofliederen), naam voor het boek der psalmen. In de volkstaal vaak verkort tot tillem. Tillem zeggen = psalmen recitęren. Dit geschiedt vaak bij wijze van gebed of voorspraak. Vandaar: tillem voor iets zeggen = gebeden opzenden voor het welslagen.

[Teiere]

Teiere, zie Taharoh.

[Teikef]

Teikef, (van chald. tekef = plotseling), Rabbijnsch woord, dadelijk, onmiddellijk. Teikef oe-mijad, dadelijk en terstond.

[Teiwoh]

Teiwoh, (Téba), (hebr.), kist, ark, kast. Als term duidt het aan: de H. Ark (des Verbonds, Exod. XXV:10) of de gewijde kast, waarin in de Synagoge de Wetsrollen staan.

[Teki'o]

Teki'o, (Teki'a), (hebr.), een der toonvormen van het bazuingeschal op den Israël. Nieuwjaarsdag; van Taka = trompet- of bazuingalm geven. De beide andere toonvormen heeten Teroe'a (= alarmtoon) van roe-a, jubelen, alarmmaken, en Sjebarim = gebroken toon (van sjabar = breken). De persoon die

[p. 1128]

het bazuinblazen verricht heet dan ook: Tokea' = de bazuinblazer of Baäl tokea' (Baäl = de heer; de man, bij wien het behoort).

[Tekoefo]

Tekoefo, (Tekoefa), (hebr.), lett. tijdsomloop; loop van een jaarkring. Vandaar, als term, voor de zonnewendingspunten(quatember of quatertemper), die het zonnejaar in 4 deelen verdeelen, tijdpunt waarop de zon treedt in het sterreteeken van den Ram (Lente), den Kreeft (Zomer), de Weegschalen (Herfst), en den Steenbok (Winter).

[Tektonische aardbevingen]

Tektonische aardbevingen, staan in nauw verband met de opplooiing der aardlagen tot bergen en zijn dus het gevolg van spanningen in de aardlagen. In streken met vouwingsgebergten als Zwitserland komen zij veelvuldig voor. Lat. tectonicus, gr. tektonikos = het bouwen betreffend.

[Tel brille au second rang qui s'éclipse au premier]

Tel brille au second rang qui s'éclipse au premier, (fr.), menigeen schittert op den tweeden rang die op den eersten verduistert, Voltaire, La Henriade, Ch. I, vs. 3, zinspelend op Henri III, die als hertog van Anjou wonderen van dapperheid had verricht als uitmuntend veldheer bij Jarnac, bij Moncontour en in het beleg van La Rochelle, maar die na zijne terugkomst uit Polen (1574) als koning van Frankrijk geheel onmachtig bleek te zijn.

[Tel est le sort fâeheux de tout livre prêté:
Souvent il est perdu, toujours il est gâté]

Tel est le sort fâeheux de tout livre prêté:
Souvent il est perdu, toujours il est gâté,
(fr.), dit is het treurig lot van elk boek, dat men uitleent; dikwijls raakt het weg, altijd wordt het bedorven. Opschrift der boekerij van Théodore Leclercq.

[Tel est notre plaisir]

Tel est notre plaisir, (fr.), zoo behaagt het ons, zoo begeeren wij het; vgl. Sic volo sic jubeo; naar de slot-formule van de besluiten der Fransche koningen, sedert Frans I, waarbij alle edicten en ordonnantiën eindigden met de woorden car tel est notre plaisir, en niet: notre bon plaisir, zooals men vaak citeert; deze uitdrukking is van Sully, Oeuvres VIII. Hier te lande heeft het den vorst behaagd; in Duitschland heet het: Seine Majestät, haben allergnädigst geruht, wat hetzelfde beteekent. Het oudste gebruik dezer formule is in een besluit van 6 Januari 1497 van Karel VIII van Frankrijk over rentebelasting en in een van 12 Mei van dat jaar aangaande de lijfwacht der Cent Suisses te vinden.

[Tel excelle à rimer, qui juge sottement]

Tel excelle à rimer, qui juge sottement, (fr.), menigeen is een uitmuntend rijmer (of dichter), maarspreekt dwaze oordeelvellingen uit, Boileau, L'art poétique, IV, 82.

[Tel qui rit vendredi, dimanche pleurera]

Tel qui rit vendredi, dimanche pleurera, (fr.), menigeen lacht Vrijdags, die Zondags zal weenen, 2e regel van les Plaideurs, van Racine, variant op overoude zegswijzen over de veranderlijkheid der menschelijke toestanden. Het gezegde in dezen vorm is van christelijken oorsprong, Vrijdag de dag van Christus dood, Zondag de dag zijner opstanding; zijne vijanden hebben gejuicht bij zijn dood, gesidderd bij zijne verrijzenis.

[Telegram.]

Telegram. Omtrent het ontstaan van dit woord lezen wij in den Albany Evening Journal van 6 April 1852 het volgende: Een onzer vrienden verzocht ons aan te kondigen, dat het te gelegener tijd goed zoude zijn, een nieuw woord in het woordenboek op te nemen. De bedoeling is, te vermijden, twee woorden te gebruiken, waar één voldoende is. Het woord is telegram in plaats van ‘telegraphische dépêche’, enz. enz. De uitvinder der nieuwe uitdrukking was de Amerikaan E.P. Smith uit Rochester. Strikt genomen, zou het telegrapheem zijn.

[Telegraphese]

Telegraphese, de eigenaardige gezwollen stijl en gezochte omschrijvende woordenkeus, welke het Londensche blad The Daily Telegraph kenmerkt. Uitvinder van dien schrijftrant was George Augustus Sala († begin Dec. 1895 te Brighton, 67 jaar oud), bekend Engelsch journalist, schrijver van een aantal

[p. 1129]

novellen en van een Leven van Charles Dickens, die ettelijke hoofdartikelen (leaders) voor genoemd blad schreef, er voor naar Oost en West reisde, en, evenals Dickens, ook als ‘lezer’ naam maakte.

[Teleologie]

Teleologie, (gr.), de leer van het einddoel. In de Theologie het Verlossingsplan. Van teleios = wat zijn doel of einde bereikt heeft.

[Telepathie]

Telepathie, (gr.), psychisch contact of geheimzinnig verband, dat er zou kunnen bestaan tusschen personen, die zich ver van elkaar verwijderd bevinden, om niet alleen altoos hetzelfde te droomen, maar ook in den droom altijd elkaar te ontmoeten en met elkaar te leven. Alzoo leidt de telepathische mensch, behalve zijn werkelijk bestaan, een tweede leven, een droomleven, in éen woord, een innerlijk leven à deux. Uit tèle (ver) en pathè (ondervinding). In fr. transmission des pensées, overbrenging van gedachten. Zie Occulte wetenschappen.

[Telephoon]

Telephoon, werktuig om door electrische werking het geluid op verren afstand aan te brengen Uit gr. tèle (ver, uit de verte) en phônè (klank, geluid), dus z.v.a. klank uit de verte van 't geluid (inzonderheid van de menschelijke stem). De uitvinder heette Reis; zijne weduwe overleed einde Januari 1895 te Friedrichsdorf (in Hessen, Homburg), hoog bejaard, en genoot een rijkspensioen, haar voor de verdiensten haars overleden echtgenoots toegekend. Door den Noord-Amerikaan Edison toegepast voor het daaglijksch gebruik als toestel voor het houden van gesprekken. Op groote schaal toegepast in 1876 door den Amerikaan Bell. Men zag het onlangs door verrespreker vertolkt, hgd. Fernsprecher; vgl. teleskoop = verrekijker.

[Telephoot]

Telephoot, (tele, ver, phos, licht), toestel om beelden langs electrischen weg op verren afstand over te brengen.

[Téléscoper (Se -]

Téléscoper (Se -, het doordringen, bij een botsing op spoorwegen, van een trein in een anderen; hoewel algemeen gebruikt, eene onjuiste uitdrukking. Immers de telescoop bestaat uit één stuk, en niet, zooals de verrekijker, uit verschillende in elkander schuivende buizen, een mecanismus, waaraan, bij de vorming van het woord, dat in de Vereen. Staten van Noord-Amerika ontstond, klaarblijkelijk werd gedacht.

[Telkaarten]

Telkaarten, Jan. 1896 ingevoerd ten dienste van de Gerechtelijke Statistiek. De leden van het parket bij de gerechtshoven, rechtbanken en kantongerechten dienen ze elk kwartaal ingevuld in bij het Departement van Justitie. Op alle moeten vermeld worden de datum van arrest of vonnis, de familienamen (bijnamen, valsche namen), de voornamen en de geboortejaren en dagen der veroordeelden; terwijl op die, betreffende de wegens misdrijf vroeger veroordeelden, bovendien de burgerlijke staat, de legitimiteit, het beroep en het kerkgenootschap der gestraften moet voorkomen. Overigens worden in bijzonderheden omschreven de gepleegde strafbare feiten en de opgelegde straffen.

[Tell (Willem -]

Tell (Willem -, volgens het volksverhaal een der hoofdpersonen uit de geschiedenis van den Zwitserschen vrijheidsoorlog, die tot diegenen zou behooren, die in 1307 onder aanvoering van Walther Fürst, Werner Stauffacher en Arnold v. Melchthal op den Rütli den grondslag legden van het bondgenootschap, toen de landvoogden der Hertogen van Oostenrijk de Zwitsers van hunne oude vrijheden trachtten te berooven.

[Tell-Amarra-tafelen]

Tell-Amarra-tafelen, gevonden in 1887, bevatten eene briefwisseling uit de 15e eeuw v.C. tusschen drie Egyptische koningen met de heerschers van Babylon, Assyrië, Armenië, Klein-Azië en Palestina.

[Tellus]

Tellus, de Aarde als godheid. Zie Gaea.

[Tempe]

Tempe, eig. een grootsch en wild, en tevens bekoorlijk en aangenaam dal tusschen de bergen Olympus, Ossa en

[p. 1130]

Pelion (in Thessalië); vandaar in 't algemeen een schilderachtig dal, een lustoord. Gr. ta Tempea, saamgetr. Tempè.

[Tempeh]

Tempeh, (jav.), gebakken of gebraden in platte koekjes samengedrukte, gegiste kadèlé boonen of boengril (kat-ang-koek van katjang tjina), eene geliefde toespijs bij de rijst.

[Tempelheeren]

Tempelheeren of Tempeliers, geestelijke ridderorde, in 1118 ter bescherming der bedevaartgangers naar Jeruzalem, ten tijde der kruistochten in Palestina ter verdediging der heilige plaatsen gesticht. De naam Tempelheeren is hiervan afkomstig, dat zij een kasteel ter bewoning kregen, dat gebouwd was op de plaats, waar zich weleer de tempel van Salomo bevond.

[Tempelwijding]

Tempelwijding, feest, door de Joden na de Babylonische ballingschap, ter inwijding van den tweeden tempel ingesteld en gevierd (Ezra III:10-13, VI:16).

[Tempi passati]

Tempi passati, (it.), vervlogen tijden.

[Temperamenten.]

Temperamenten. Voorheen onderscheidde men de menschen naar hun karakter in verband met lichaamstoestand in 4 soorten: die van het sanguinische, naar den indruk van 't oogenblik gestemde melancholische, peinzende, neergedrukte, cholerische, krachtige, doorzettende, snel tot toorn geneigde en phlegmatische, trage en koele temperamenten.

[Templeisen]

Templeisen, zie Graal.

[Tempora mutantur, nos et mutamur in illis]

Tempora mutantur, nos et mutamur in illis, (lat.), de tijden veranderen en wij met hen; Owen, Ad tres Maecenates I, 53, Epigr., d.i. andere tijden, andere zeden.

[Tempus actum]

Tempus actum, (lat.), de verleden of oude tijd. Horatius, Ars poetica 173, laudator temporis acti, iemand, die ouderen tijd als den beteren prijst.

[Tempus edax rerum]

Tempus edax rerum, (lat.), de tijd, die aan alles knaagt, die alles der vernietiging prijs geeft. Ovidius, Metamorphosen XV, 234.

[Tenack]

Tenack, (TNK), herinneringswoord (mnemo-technisch), samengesteld uit de initialen van Thora (Pentateuch), Nebicim (Profeten) en Ketoebîm (geschriften); zoodat men met dit woord den geheelen bijbel aanduidt.

[Tenai]

Tenai, (n.-hebr.), voorwaarde. 'Al tenai = onder voorwaarde. Meerv. Tenoïm (Tenaïm) voorwaarden. Tenoïm schrijven = eene akte van overeengekomen voorwaarden schrijven. In 't bijzonder komt dit bij verlovingen wel voor.

[Tenants]

Tenants, (fr. en eng. wap.), zie Schildhouders (menschen).

[Tendenzschrift]

Tendenzschrift, geschrift met eene bepaalde strekking, b.v. een tendenzroman.

[Tenderfoot]

Tenderfoot, (am.), letterlijk teere voet, mensch met gevoelige voeten, niet aan hard leven gewoon; in het verre Westen de naam voor een nieuw aangekomene, een baar.

[Tenebrae]

Tenebrae, (lat., muz.), lett. duisternis, de plechtige Mis op Goeden Vrijdag in de Sixtijnsche kapel, waarbij onder het zingen der Lamentationes (klaagzangen) de kaarsen op het altaar achtereenvolgens een voor een worden uitgebluscht

[Teneo te, Afriea]

Teneo te, Afriea, (lat.), Afrika, ik neem u in bezit. Dit woord had Julius Caesar († 44 v.C.), als slimme Romein zeer gevat bij de hand, toen hij, op de Afrikaansche kust aan wal stappend, struikelde en languit op den grond viel.

[Tenir le crachoir]

Tenir le crachoir, (fr.), in (op) zijn praatstoel zitten.

[Tenoe'o]

Tenoe'o, (Tenoe'a), mrv. tenoe'ous (tenoe'oth), (hebr.), vocaalteekens onder of boven de letters geplaatst.

[Tenong]

Tenong, (mal.), bamboezen sluitdoos.

[Tenzonen.]

Tenzonen. Zie Cours d'Amour.

[p. 1131]

[Ter elfder ure]

Ter elfder ure, ontleend aan Matth. XX:6 en 9, om aan te duiden, dat het laat was; dus hoog tijd.

[Teraphîm]

Teraphîm, (hebr.), huisgoden, lat. penates, welker dienst onder oud-Israël van de Arameesche stamvaderen dezes volks afkomstig (zie Gen. XXXI:19, 34), bij de Israëlieten hier en daar in zwang bleef. Uit 1 Samuel XIX:13-16 blijkt, dat die huisgoden een menschelijk hoofd en aangezicht moeten gehad hebben. Ze golden den Israëlieten als beschermers hunner woningen, als aanbrengers van geluk en zegen, ook als orakels, bij wie zij raad en troost zochten.

[Teredo navalis, Teredo norvegia]

Teredo navalis, Teredo norvegia, (telegr.), worm, die de telegraafkabels vernielt, in 1860 ontdekt door Huxley in een der kabels in de Levant.

[Tereifo]

Tereifo, (hebr.), lett. verscheurd. Vandaar als term bij slachtvee: wegens ongesteldheid voor Israël. gebruik ongeoorloofd. Vandaar in de Joodsche volkstaal bij iedere spijze van welken aard ook, die niet beantwoordt aan de Joodsch ritueele eischen: ongeoorloofd voor Isr. gebruik. Het daarvan gevormd substantief tarfoes duidt aan ongeoorloofde spijzen.

[Teresa (Santa -]

Teresa (Santa -, bijgenaamd: la Femme Séraphique, eigenlijk geheeten: Teresa de Cepada y Ahumada, de vrome hervormster van de orde der Carmelieten. Zij was geboren te Avila in Spanje 1515 en stierf 1582, en werd door Paus Gregorius XV in 1621 gecanoniseerd; sedert is zij de beschermheilige van Spanje, naast San Jago. Zij muntte ook uit als dichteres.

[Terminus]

Terminus, (rom. myth.), de grensgod, die de eigendommen onder zijne bescherming had.

[Terminus]

Terminus, (débarcadère), eindstation. Men noemt aldus de stationsgebouwen waar alle treinen in loopen en weer terug moeten om in verdere, richting voort te gaan. De stations te Frankfort, Keulen, Antwerpen en Brussel zijn aldus.

[Terminus ad quem]

Terminus ad quem, (lat.), grens, tot welken. Wordt gebezigd van het uiterste tijdstip, waarop men een feit, een geschrift of eene spreuk van onzekeren oorsprong, plaatsen kan of moet, of waar eene beslissing of een werk niet overheen mag gaan.

[Terminus a quo]

Terminus a quo, (lat.), de tijd, van welken af men iets rekenen moet of waarop iets een aanvang neemt; tegenover terminus ad quem, de tijd, tot welken men iets rekenen moet of iets duurt, of van kracht is, de eindtermijn.

[Terminus major]

Terminus major, (lat.), het gewichtigste of eerste lid eener sluitrede; waarop dan de terminus minor of medius, het minder gewichtige of middelste lid volgt; deze laatste wordt atqui ingeleid en de gevolgtrekking door ergo, vgl. atqui...ergo. In plaats van terminus major en terminus minor zegt men gewoonlijk alleen major en minor.

[Terminus motus]

Terminus motus, (lat.), bewogen grens (-paal, -steen, -lijn), vervalsching der grenzen van landerijen. Reeds door Numa Pompilius met socratis capitis (z.a.) bedreigd; in den tijd der Republiek door geldstraf vervangen, door Keizer Hadrianus afgewisseld met verbanning (velegatio) en gedeeltelijke verbeurdverklaring van goederen. Geringe lieden werden tot dwangarbeid aan staatswerken (condemnatio ad opus publicum) verwezen. Bij de Germanen werd iemand die een grenssteen te zijnen voordeele verplaatst had, geheel ontkleed, rechtstandig ten halven lijve op die plaats in den grond begraven, en door een scherpe ploeg met vurige rossen bespannen zijn bovenlijf, voorzoover het boven den grond uitstak, afgesneden.

[Terp]

Terp in Ureterp beteekent hoogte of heuvel.

[Terpsichore]

Terpsichore, Muze van reidansen en koorzangen, zij wordt gewoonlijk afgebeeld in dansende houding, met een lier en een plectrum in de handen.

[Terra incognita]

Terra incognita, (lat.), een onbekend (nog niet onderzocht) land.

[p. 1132]

Figuurlijk gebruikt van een onderwerp, waarin iemand niet thuis is.

[Terrae filius]

Terrae filius, (lat.), eig. een zoon der aarde, d.w.z. iemand van onbekende of lage afkomst.

[Terrassé]

Terrassé, (fr.), zie Gegrond.

[Terrets]

Terrets, eig. tiroets, afgeleid van het chald. tiroetsa = richtigheid, juistheid, antwoord; ook vaak in den zin van: verklaring, verontschuldiging.

[Terreur blanche (La -]

Terreur blanche (La -, de witte Schrik. Witte, nml. die der hongerlijders. En daarmee werd tevens gezegd, dat het uit was met de macht der Jacobijnen, met de macht van het Tribunal révolutionnaire, met la Terreur, met de guillotine. Dit laatste werktuig der ontzetting scheen vervelend geworden - de Parijzenaren haakten naar wat nieuws. Men zou eerlang aan hun wensch voldoen - de Terreur blanche was in aantocht. Alles wat hatelijk geworden was, werd nu op rekening van den zondebok, Robespierre, gebracht. Men had de lafheid een spottend grafschrift op hem te drukken in de dagbladen, van dezen inhoud:

 
‘Passant, qui que tu sois, ne pleure pas mon sort
 
Si je vivais, tu serais mort’.

De ware Terreur blanche kwam uit het Zuiden van Frankrijk. Daar wemelde het nu al van royalisten en verbannen priesters, die zich noemden des patriottes opprimés, uit zelfbehoud zich gedragend of zij goede republikeinen waren. Deze lieden sloten zich aaneen tot gewapende benden, zich noemende: Compagnons de Jésus of Compagnons du soleil. Het is waarschijnlijk, dat de eerste titel luidde: Compagnons de Jéhu, naar den koning van Israël, die gezalfd was door den profeet Eliza, om de misdaden van den koning Achab te wreken.

[Terreur (Gele -]

Terreur (Gele -, een schrikbewind in China, omdat in dit land de gele kleur die is van den Keizer en zijne Rijksgrooten.

[Terreur rouge]

Terreur rouge, het schrikbewind van 1793; Terreur blanche van 1817 noemt men de vervolging der Protestanten en der aanhangers van de revolutie door edellieden en priesters, waarbij de vervolgden meedoogenloos vermoord werden. Deze gruwelen geschiedden ongestraft onder de oogen van Lodewijk XVIII, vandaar het witte schrikbewind (wit is de kleur der Bourbons en der (Fransche) koningsgezinden. Terreur verte, het schrikbewind van den angst, gedurende de laatste weken van 1893 na de dynamietaanslagen van Ravachol en Vaillant te Parijs en dien in het theater te Barcelona.

[Territoriaal stelsel]

Territoriaal stelsel, de kerkrechterlijke theorie, volgens welke het geestelijk bewind over een land in de handen is van den souverein. Het werd na den vrede van Munster vaak op een drukkende wijze toegepast.

[Territoriale wateren]

Territoriale wateren, wateren, die tot éen bepaald grondgebied behooren, waarin men dus, zonder vergunning, niet visschen mag.

[Terrorismus]

Terrorismus of schrikbewind noemt men een bestuur, dat door bloedige daden schrik aanjaagt en dit middel bezigt om zijn willekeurige maatregelen door te zetten. Berucht is vooral het schrikbewind der groote omwenteling in Frankrijk.

[Terroristes (Le bataillon des -]

Terroristes (Le bataillon des -, bataljon der patriotten van 23 Vendrémiaire (15 Oct.) An IV (1796).

[Terrors]

Terrors, (amer.), benaming der Amerikaansche vrijwilligers van Roosevelt (te New-York), wier regiment schrik en angst verspreidde, nog vóordat zij ten strijde trokken in den jongsten Amerikaansch-Spaanschen oorlog (Mei 1898).

[Tertiarissen]

Tertiarissen, (r.-k.), lat. Tertiarii, monniken van de 3e orde (tertius ordo) of van den 3n regel (tertia regula) van St. Franciscus, in 1221 opgericht voor wereldlijke personen van beiderlei geslacht. In Nederland verrezen in de 15e eeuw eene groote menigte vrouwenkloosters van dezen regel. - In Zwitserland noemt men de geheel-onthouders (van alcoholische dranken) de Tertiarissen van de Kerk der 19e eeuw.

[p. 1133]

[Tertium non datur]

Tertium non datur, (lat.), een derde geval is niet gegeven, d.i. is niet denkbaar; dus: het een of het ander. - Vgl. Cicero, Epist. ad famil. IX, 22, 1, nihil esse tertium.

[Terzetto]

Terzetto, (muz.), zangstuk voor drie personen, trio. Ital. terzetta.

[Terzine]

Terzine, drieregelig vers. Ital. terzina.

[Tes]

Tes, (teth), negende letter van het hebr. alphabeth, overeenkomend met t; getalwaarde 9.

[Teschuath Israël]

Teschuath Israël, hulp van (of voor Israël). Van deze vereeniging waren in 1886 in de prov. Groningen, 101 leden uit de Israëlietische gemeente lid, Teschoegna (hebr.) = hulp; vgl. Ps. XXXVII:39; XL:11; LXXI:15.

[Tesserae sacrae]

Tesserae sacrae, koperen penningen sedert de 14e eeuw in Italië, Frankrijk en de Zuidelijke Nederlanden in gebruik om als aalmoes te dienen of bestemd voor monniken en pelgrims, om onderstand in godshuizen te krijgen; in Frankrijk later ook méreaux genoemd (z.a.). Bij de Romeinen was een Tessera (gr. Tessares) een dobbelsteen; een merk; contra-merk; een plankje, waarop het wachtwoord stond; een bewijs om geld of koren te ontvangen, een toegangskaartje.

[Test]

Test, (barg.), hoofd.

[Test-act]

Test-act, naam eener wet, die in Engeland gedurende 1½ eeuw van kracht bleef en voornamelijk ten doel had, R.-Katholieken uit invloedrijke betrekkingen te weren. In 1673 wist nl. het Parlement van Koning Karel II een wet te verkrijgen, waarbij bepaald werd, dat allen, die een burgerlijk of militair ambt bekleedden een verklaring tegen de leer der transsubstantiatie (z.a.) zouden teekenen, en openlijk het sacrament ontvangen naar den Anglicaanschen ritus. Die wet was alzoo een proef (test) waardoor de ambtenaren moesten getoetst worden. Eerst in 1829 is de test-act afgeschaft.

[Testament]

Testament of uiterste wil is eene akte, houdende eene verklaring van hetgeen iemand wil, dat na zijnen dood zal geschieden, en welke akte door hem kan worden herroepen (art. 922 B.W.). Een testament kan worden gemaakt, of bij eene oliographische of eigenhandig geschreven akte, of bij eene openbare akte, of bij eene geheime of gesloten beschikking (art. 978 B.W.).

[Testament]

Testament, dat gaat op zijn oudtestamentisch = dat zijn menschen, ouderwetsch in kleeding en manieren. De naam, volgens de Vulgata, aan de boeken des O.V. gegeven, wordt dikwijls gebruikt om iets aan te duiden, dat ouderwetsch is en tot een vroeger tijdperk behoort.

[Testament (Het oude -]

Testament (Het oude -, (barg.), gevangenisrol, voor de tweede of derde maal.

[Testoen, teston, testoa]

Testoen, teston, testoa, kopstuk, een zilveren munt met een vorstenhoofd, vooral in zwang in de 16e eeuw in Frankrijk, Italië, Spanje, Portugal. De waarde was ongeveer 10 stuivers of iets meer. De schrijfwijze festoen is verkeerd. Deze munten werden ook slapers of slepers genoemd.

[Têtes de mort]

Têtes de mort, (fr.), doodshoofden, benaming in Frankrijk van Hollandsche (Edamsche) ronde of bolvormige harde kaas. In tegenstelling met fromages plats ou en meule = Goudsche kaas (kaas uit Gouda). Zwitsersche kaas heet fromage dit de Gruyère.

[Tethys]

Tethys, (myth.), dochter van Uranus en Gaea, bij Oceanus moeder der Oceaniden en riviergoden; fig. de zee.

[Tetje Roen]

Tetje Roen, hansworst en goochelaar, op de Botermarkt te Amsterdam, die den lachlust opwekte van Czaar Peter I, tijdens zijn verblijf aan de Zaan. Hij stierf in zijn huis op de Raamgracht in 1740.

[Tetschen]

Tetschen, (o.-duitsch), blazen; in het bijzonder van het bazuinblazen op den Israël. Nieuwjaarsdag.

[p. 1134]

[Teuthonista]

Teuthonista of Duytschlender, woordenboek van den Klevenaar Gerard van der Schueren, bevattend een belangrijk gedeelte van den woordenschat van het Geldersch en Kleefsch uit het laatst der 15e eeuw. Het bestaat uit twee deelen, een Nederrijnsch-Latijnsch en een Latijnsch-Nederrijnsch gedeelte; te samen gedrukt te Keulen in 1477 bij Arnoldus then Hornen. In 1875 opnieuw bewerkt door Prof. Dr. J. Verdam (Leiden).

[Tewang]

Tewang, (Téba), vaak in de volkstaal verkort tot tewe, nieuw-hebreeuwsch = natuur, geaardheid, karakter.

[Tewielo]

Tewielo, (te biela), (hebr.) (van tabol, indoopen, baden), indompeling, bading, het nemen van een ritueel voorgeschreven bad.

[Textus receptus]

Textus receptus, (lat.), de algemeen aangenomen tekst des Bijbels, d.i. de reeks van lezingen, die men uit en naar verschillende handschriften gevolgd is. Inzonderheid geldt dit van den codex van het Nieuwe Testament, van welken, bij gedeelten, verschillende handschriften uit de eerste Christeneeuwen bestaan.

[Tfille]

Tfille, Zie Tefillo.

[Thaïs]

Thaïs, eene om hare schoonheid beroemde hetaere van Athene, ging met Alexander den Groote naar Azië, en werd na zijn dood de bijzit van Ptolemaeus Lagi. Zij zou Alexander aangespoord hebben, Persepolis in brand te steken.

[Thalatta, Thalatta!]

Thalatta, Thalatta! (gr.), de zee, de zee! was volgens Xenophon Anabasis IV, 7, de vreugdekreet van de Grieksche soldaten, toen zij voor het eerst na hun tochten onder den jongen Cyrus (pl. m. 401 v. Chr.) de zee weder zagen. Eerst Heine maakte dit ‘Thalatta, Thalatta!’ door zijn gedicht Meergruss (1825-26, Nordsee, 2e Cyclus no. 1) tot een algemeen bekend citaat.

[Thalet]

Thalet, bij de Israëlieten een bidkleed, soms van witte zijde met geborduurde hoeken en Spaansche kant.

[Thalia]

Thalia, gr. Thaleia, z.v.a., de bloeiende, - thalia = bloeiende toestand, gelukzaligheid, levensvreugd, - eene der negen Muzen, beschermster der vroolijke landelijke dichtkunst en van de komedie.

[Thalsperre]

Thalsperre, (hgd.), dalversperring, een houten, maar meestal een steenen muur, dien men door een van een berg afstroomende beek aanlegt. Deze verdeelt de beek in vakken en stuit den waterstroom. Komt er te veel water, dan overstroomt de sperre, en het water, als een kleine waterval, stort er over heen en vult het volgende bekken; en zoo vloeit het niet spoedig weg.

[Thanksgiving-day]

Thanksgiving-day, (eng.), dankdag in Noord-Amerika, door de Pilgrim-Fathers, die in 1620 landden op de kust van New-England (Mary Chilton sprong het eerst aan wal), in 1821 ingesteld, op welken dag zij, die als Puriteinen uit godsdienstige overtuiging de Engelsche manier van Kerstmis vieren veroordeelden, al de oude feestlijkheden van dit feest overbrachten. Toenmaals, en nog heden, de laatste Donderdag in November, en dan eene week lang, onder gedurige maaltijden, in denzelfden trant als Ha West-home (oogstfeest) in Engeland. Somwijlen proclameerde een President een bizonderen Th., om de eene of andere gelegenheid te vieren, o.a. George Washington, den 7n Mei 1778, als bewijs van dankbaarheid voor de hulp den opstandelingen door de Europeesche Mogendheden bewezen. President Abraham Lincoln verhief hem van een oud gebruik in 1863 tot een nationalen feestdag. In 1865, toen de vrede was geteekend, werd de dag, op bevel van den President Andrew Johnson op den 7n December gevierd. Op dien dag wordt in het gansche land kalkoen met appelmoes gegeten, waarbij het dessert steeds uit pumphus - (pompoenen-pastei) - en noten bestaat. Op die dagen wordt aan de kalkoen de voorkeur gegeven, terwijl de gans tot Kerstmis wordt bewaard.

[That speaks volumes]

That speaks volumes, (eng.), dat spreekt boekdeelen uit, z.v.a. dat (enkele woord of verzoek) karakteriseert

[p. 1135]

den ganschen toestand, doet daar een diepen blik in slaan.

[The battle of the books]

The battle of the books, (eng.), de strijd der boeken, zie Phalaris (De brieven van -).

[The child is father to the man]

The child is father to the man, (eng.), het kind is de vader van den man, m.a.w. in het kind zit reeds de kiem, van wat het als man zal zijn; ontleend aan Wordsworth (1770-1850) My heart leaps up en door Lewes als motto voor het eerste boek van Goethe's Leven gebruikt.

[The dark and bloody ground]

The dark and bloody ground, (am.), het donker bloedig veld, naam voor Kentucky en wel vertaling van dat Indiaansche woord, naar de bloedige gevechten tusschen de Indianen van het Zuiden en die van het Noorden.

[The fault of the Dutch
Is giving too little and asking too much]

The fault of the Dutch
Is giving too little and asking too much,
(eng.), het gebrek der Hollanders is, dat zij te weinig geven. en te veel vragen. In koopmanszaken geldig gezegde, dat eerder op de Engelschen toepasselijk is, vooral ten opzichte van Holland, getuige onze Vaderlandsche Historie.

[The last of the Mohicans]

The last of the Mohicans, (eng.), zie Laatste (De - der Mohicanen.

[The last rose of summer]

The last rose of summer, (eng.), de laatste roos in den zomer; zeer populair geworden woorden, ontleend aan Flotow's opera Martha.

[The proper study of mankind is man]

The proper study of mankind is man, (eng.); zie La vraie science.

[The rest is silence]

The rest is silence, (eng.), de rest is zwijgen. Shakespeare, Hamlet V, 2, de laatste woorden van den stervenden Hamlet tot Horatio.

[The right man in the right place]

The right man in the right place, (eng.), zie Right.

[The Tombs]

The Tombs, (am.), lett. de graven, de gevangenis te New-York, naar den loggen, zwaren bouw.

[The used key is always bright]

The used key is always bright, (eng.), de gebruikte sleutel is altijd blank. Een woord van Benjamin Franklin.

[The women's hour has struck]

The women's hour has struck, (eng.), het uur der vrouwen heeft geslagen, in de emancipatie dezer 19e eeuw. Woord van Stuart Mill.

[The Witten Sprinkler]

The Witten Sprinkler, Engelsch systeem van brandblusschen, berustend op het beginsel van zelfblussching, zoodra bij het ontstaan van brand een zekere warmtegraad bereikt is; waarbij het gevaar, dat een brand zich in korten tijd snel kan uitbreiden, zoo niet geheel voorkomen, dan toch aanmerkelijk verminderd wordt. Het bestaat uit een stelsel van buizen, door het gansche gebouw heenloopend en in verbinding staand met een waterreservoir, dat het water in de buizen op eene bepaalde drukking houdt. Te Londen bestaat de firma Witten & Son, 9 Victoria-Embankment, Blackfriarsbridge. Dit systeem is vooralsnog (8 Oct. '98) alleen aangebracht in de stoomspinnerij Trente te Almelo, en in ‘De Unie’, stoomrijstpellerij te Wormerveer.

[Theanthropos]

Theanthropos, Godmensch. Dogmatische betiteling van Jezus Christus bij de Grieksche Kerkvaders, doelend op eene goddelijke en eene menschelijke natuur, in den persoon van Christus vereenigd.

[Théâtre blanc (Le -]

Théâtre blanc (Le -, (fr.), het Witte tooneel, te Parijs, afzonderlijk tooneel voor jonge dames (die dus alles zien mogen, wat daar gespeeld wordt). Wit = blank, rein, zuiver. Het tegenovergestelde is een théâtre libre.

[Théâtre feministe]

Théâtre feministe, geopend Juli 1897 te Parijs door Mlle Daniel Lesueur, schrijfster o.a. van den roman Narosée. Een tooneel waarop het feminisme (z.a.) zegeviert door de kunst, door de ontroering en den hartstocht.

[Théâtre libre]

Théâtre libre, (fr.), vrij tooneel, tooneel te Parijs, waar men effect zoekt te maken, door zonder eenige terughouding alles op 't tooneel te doen zeggen

[p. 1136]

en voorvallen, wat de schrijver goed vindt. Nog wat verder gaat het théâtre moderne, waar men bij voorkeur vertoont, wat anders nauwelijks verteld wordt.

[Theedrinker]

Theedrinker, (mil.), iemand, die vaak in het hospitaal wordt opgenomen. Men is in de hospitalen met niets zoo gul als met thee.

[Theedocter (De -]

Theedocter (De -, bijnaam van den geneesheer Cornelis Bontekoe, eigenlijk Decker geheeten (1645-1685), om zijn groote ingenomenheid met de thee als universeel geneesmiddel tegen vele ziekten.

[Theekeuken]

Theekeuken, waar de dienstdoende pleegzuster in het R.-Kath. Onze-Lieve-Vrouwe-Gasthuis te Amsterdam (18 Oct. '98 plechtig gewijd door den Bisschop van Haarlem), iets kan gereed maken voor geopereerden, die niet vervoerd mogen worden.

[Theekisten]

Theekisten, spotnaam voor de inwoners van Binnenwijzend bij Hoorn.

[Theeslager]

Theeslager, (stud.), een student, die trouw de officiëele theevisites bij Professor bijwoont, die trouw ‘theeslaat’ (om in Professors gunst te geraken).

[Theevisite]

Theevisite, (toon.), slechte opkomst van het publiek.

[Theïsme]

Theïsme, staat tegenover Deïsme (z.a., - God geheel buiten de wereld staande), en is die theologische zienswijs volgens welke men God niet alleen als buiten, maar ook als in de wereld levend, zich denkt. M.a.w., niet alleen aan Gods transcendentie (z.a.), maar ook aan Gods immanentie gelooft. De wereld, in voortdurend verband met den Schepper.

[Themidi sacrum]

Themidi sacrum, (lat.), aan Themis gewijd.

[Themis]

Themis, bij de oude Romeinen de godin der gerechtigheid, uitvindster der orakels en waarzegkunst. Vanhier, de eerste bezitter van het Delphisch orakel. Dienaar van Themis = rechtsgeleerde, handhaver van het recht, rechter. Themis (gr.), datgene wat behoorlijk is, wat het gebruik, het recht medebrengt, id quod fas est.

[Theocratie]

Theocratie, eigenlijk Godsregeering; regeering door priesters of ambtenaren, die het bewind voeren in naam van het Opperwezen als Wiens plaatsvervangers zij worden beschouwd.

[Theodicee]

Theodicee, rechtvaardiging van God, noemt men de godsdienstig-wijsgeerige pogingen om te bewijzen, dat het bestaan van het kwade en booze in overeenstemming kan gebracht worden met een wijze weldadige en rechtvaardige voorzienigheid. De oudste is voorzeker het boek ‘Job’, en beroemd is die van Leibnitz, getiteld: ‘Essai de théodicée sur la bonté de Dieu, la liberté de l'homme et l'origine du mal (1612)’.

[Theologiae licenciatus]

Theologiae licenciatus, doctorandus, iemand die op promoveeren staat. Hij houdt het midden tusschen een candidaat en een doctor.

[Theologiae Magister]

Theologiae Magister, (lat.), Meester der Godgeleerdheid, titel van den professor in de theologie van Thomas van Aquino, aan de Rijks-Universiteit te Amsterdam.

[Theologicum (Collegium -]

Theologicum (Collegium -, letterl. godgeleerd college. Instelling voor kostelooze huisvesting en opleiding van aanstaande predikanten te Leiden in 1619 en daarna. Naar gelang van de examens, die de studenten aflegden, werden zij bevorderd tot de eerste, tweede enz. tafel in dat college. Gijsbert Voetius werd, na voltooiing zijner Propaedeutica, in 1607 bevorderd tot de ‘eerste tafel’.

[Theologus illuminatus]

Theologus illuminatus, (lat.), de verlichte godgeleerde, Joh. Tauler, geb. te Straatsburg in 1290, een der uitmuntendste mystici der Middeleeuwen, Dominikaner monnik, wiens geleerdheid en heldere denkwijs hem dien eeretitel verwierven. In vele predikatiën, in 't Hoogduitsch bestreed hij de misbruiken der Roomsche Kerk, ja, spaarde zelfs den Paus niet.

[p. 1137]

[Theophilanthropen]

Theophilanthropen, vrienden van God en menschen, aanhangers van eene deïstische secte, die in Frankrijk tijdens de Groote Omwenteling (1796) ontstond onder de leiding van Réveillère Lepaux. Na het bedaren der omwentelingskoorts verdween deze secte.

[Theophilus]

Theophilus, gr. Theophilos = Godsvriend. Benaming van jongelingsvereenigingen, en andere. Ontleend aan Luk. I:3, Hand. I:1.

[Theopneustie]

Theopneustie, (gr.), leer van de goddelijke ingeving der Heilige Schrift, zoodat de schrijvers en verzamelaars der Bijbelsche oorkonden rechtstreeks onder goddelijken invloed gewerkt hebben. Letterl. aangeblazenheid door God; uit theos (god) en pnein (blazen, van den wind). 2 Tim. III:16 vindt men theopneustos, en ook Plutarchus bezigt dit woord.

[Theopolis]

Theopolis, (gr.), Godsstad, in 1812 van uit Bethels dorp (z.a., Aanh.), gesticht zendingsdorp, na den dood van Dr. Johannes Theodorus van der Kemp († 7 Dec. 1811), den Apostel van Zuid-Afrika.

[Theorie]

Theorie, de beredeneering, (gr. theória van 't ww. theóreó = waarnemen), in tegenstelling met praktijk, het werkdadige (gr. pragma, daad, van 't werkw. prasso of pratto, handelen).

[Theorie aan de lucht (Er is -]

Theorie aan de lucht (Er is -, (mil.), het wordt slecht weer. Bij slecht weer worden de wapenoefeningen in de open lucht vervangen door theorie binnenskamers.

[Theorie houden]

Theorie houden, (mil.), iemand onderrichten. Ik heb er theorie met hem over gehouden = ik heb hem daarover onderricht.

[Theosophie]

Theosophie, eene wetenschap, die zich evenals de theologie bezig houdt met het opsporen van gegevens aangaande het goddelijk wezen en het onstoffelijke. Daarbij legt de theologie alleen den Bijbel tot grondslag, de theosophie daarentegen een samenstel van stellingen, waardoor zij meer gelijkenis vertoont met spiritisme mystiek en derg. Uit gr. theos (god) en sophos (wijs). Eigen aan de phantastische Oosterlingen, had ze in Europa hare vertegen woordigers, bv. den Duitscher Jacob Böhme, een mysticus, die voorgaf goddelijke openbaringen te ontvangen († 1624), en vervolgens den Zweed Emanuel von Swedenborg († 1772). Een aanhanger of voorstander der theosophie is een theosoof, een would-be-theosoof een theosofist.

[Theotokos]

Theotokos, (gr.), die God gebaard heeft. Uit theos (god) en tiktó (baren). Moeder Gods, praedikaat van de Moedermaagd. Nestorius, patriarch van Konstantinopel, weigerde haar als zoodanig te erkennen, en werd dientengevolge in 431 van zijn ambt ontzet.

[Therapeut]

Therapeut, geneesheer, (gr. therapeutès van 't ww. therapeuó, genezen). Zie ook Esseërs.

[Thérapeutride]

Thérapeutride, (fr.), vrouwelijk lid van de secte der Therapeuten. Zie Esseërs.

[There are more things in heaven and earth, Horatio, than are dreamt of in your philosophy]

There are more things in heaven and earth, Horatio, than are dreamt of in your philosophy, (eng.), daar is meer in aarde en hemel, Horatio, dan dat, waarvan uwe hooge wijsheid droomt, Shakespeare, Hamlet I, 5, zegt Hamlet dit tot Horatio, als deze (met zijn vriend Marcellus) op het zwaard van den Prins moet zweren nooit over de verschijning van den geest des ouden konings te zullen spreken, en dan den geest driemaal uit den grond ‘Zweert!’ hoort roepen, Hamlet zelf allerlei wartaal hoort spreken, en daarom verklaart, dat alles hem wondervreemd voorkomt.

[There is many a slip - t'wixt cup and lip]

There is many a slip - t'wixt cup and lip, (eng.), zie Multa cadunt enz.

[There's the humour of it]

There's the humour of it, (eng.), dit is het fijne er van, Shakespeare, The Merry wives of Windsor, I, 2; maar eerder nog Henry V, II, 1, daar zegt Nym dit tegen Pistol met zinspeling op het woord humor in zijn verschillende beteekenissen. Met miskenning

[p. 1138]

van den waren zin wordt de uitdrukking gewoonlijk gebruikt in de beteekenis van ‘dat is juist het aardige van de zaak!’

[Thermen]

Thermen, gebouwen voor warme baden, te Rome. Lat. thermae, uit gr. thermè (warmte, hitte). Bekend zijn de Thermen van Diocletianus (Keizer ao 284-305 n.C.), waaraan eene boekerij was verbonden, omdat men in sommige badgebouwen ook voordrachten of lezingen hield. De zaal der bibliotheek van deze Thermen werd later door Michel Angelo († 1564) in de kerk Santa Maria degli Angeli herschapen, in den vorm van het Grieksche kruis; een van de kleinere, maar fraaiste kerken van Rome.

[Thermidor]

Thermidor, (fr.), warmtemaand. Zie Maanden.

[Thermidoristen]

Thermidoristen, de mannen, die in de maand Thermidor het Schrikbewind van Robespierre (28 Juli 1794) omverwierpen.

[Thermopylae]

Thermopylae, (gr.), letterl. poorten der warme (zwavel-) baden; een enge bergpas, de eenige toegangsweg van Thessalia naar Locris en het oostelijk Hellas. Op sommige plaatsen was hij zóo smal, dat twee wagens elkander niet konden passeeren. In dezen pas sneuvelde in 480 Leonidas met zijne dapperen.

[Thermutis]

Thermutis, d.i. dochter van Mutis, bij Flavius Josephus de naam der in den Bijbel ongenoemde Egyptische koningsdochter, die Mozes uit het water toog en tot zich nam (Exod. II:5 vg.).

[Thersites]

Thersites, een hatelijk, boosaardig man, een volksopruier naar Thersitis, de leelijkste van alle Grieken vóor Troje, die er een boosaardig genoegen in vond, de aanvoerders te beschimpen, waarom hij algemeen gehaat was. Homerus, Ilias II, 212.

[Thespis]

Thespis, een Athener, tijdgenoot van Solon en Pisistratus, de eerste, die bij de Dionysosfeesten de dithyrambische koorliederen door gesprekken tusschen het koor en een tooneelspeler liet afwisselen, en daardoor de grondlegger werd van het treurspel. Hij zelf was zoowel tooneelspeler als dichter, en trad reeds geblanket, later gemaskerd, op.

[Thetis]

Thetis, eene Nereïde, die door Zeus en Poseidon bemind werd.

[Theuerdank]

Theuerdank, Duitsch gedicht uit het begin der 16e eeuw, ontworpen door Maximiliaan I en uitgewerkt door zijn geheimschrijver Melchior Pfinzing. Het is eene allegorische voorstelling van de aanvraag ter verloving van Maximiliaan (Tewrdanckh) met Maria van Bourgondië (Ehrenreich), dochter van Karel den Stouten (Ruhmreich). Zijne vijanden Fürwittig (Vorwitz), Unfalo (Unfall) en Neidelhart (Neid) overwint hij. Het eenmaal hooggeprezen gedicht wordt thans nergens meer gelezen.

[Thialf]

Thialf, wapendrager van Thor en uitvinder van het schaatsenrijden.

[Thibet]

Thibet, japonstof, oorspronkelijk van de wol van schapen uit Thibet.

[Thing of beauty is a joy for ever (A -]

Thing of beauty is a joy for ever (A -, (eng.), van hetgeen schoon is heeft men altoos vreugd, Keats.

[Thirsis (Een -]

Thirsis (Een -, minnaar van Galathea, in Jonathan's Waarheid en Droomen, ald. in het Melkmeisje, einde.

[Thirza]

Thirza, volgens de overlevering, de vrouw (dochter van Adam en Eva) van Abel, den door zijn broeder Kaïn doodgeslagen zoon van Adam en Eva. In den bijbel is echter van een gehuwden Abel geen sprake. T(h)irza komt meer dan eens voor, doch eeuwen later; bijv. eene der dochters van Zelafead, Mozes' tijdgenoot, heet aldus (Num. XXVI:33; XXVII:1; Joz. XVII:3).

[Thisbe]

Thisbe, zie Pyramus.

[Tho' last, not least in love]

Tho' last, not least in love, (eng.), zie Last not least.

[Thomas (Sint -]

Thomas (Sint -, de patroon der architecten, naar het verhaal, dat een

[p. 1139]

Indische Koning hem een aanzienlijke som gaf, om een groot paleis te bouwen. Thomas deed wèl aan de armen met het geld; ter verantwoording geroepen zei hij, dat hij met het geld den Koning een paleis in den hemel gebouwd had.

[Thomas (Een ongeloovige -]

Thomas (Een ongeloovige -, zie Ongeloovige Thomas.

[Thomas à Kempis (De Gereformeerde -]

Thomas à Kempis (De Gereformeerde -, Willem Teellinck, zie Teellingisten. Aldus geheeten omdat hij aandrong op beoefenende godzaligheid, en hierin een merkwaardig voorbeeld had in Thomas à Kempis († 1471), den beroemden schrijver over de Navolging van Christus.

[Thomas-christenen]

Thomas-christenen, Chaldeeuwsche christenen, uit Syrië en Antiochië naar Perzië gevluchte Nestorianen (z.a.), die zich in 489 vereenigden onder, en noemden naar Thomas Balsumas. Een gedeelte van hen werd door den aartsbisschop van Goa, Alexis de Menesis, in 1551 tot de Roomsche Kerk gebracht; zij tellen omstr. 90.000 zielen, erkennen het Pauselijk primaat en de zeven sacramenten, doch houden zich overigens aan den ritus der Grieksche Kerk.

[Thomas-luiden (St. -]

Thomas-luiden (St. -, eene oude gewoonte, die nog altijd te Katlijk, in Friesland, in eere wordt gehouden. Jongelingen, en ook ouderen, luiden de beide klokken, die naast de kerk in een klokhuis hangen, dag en nacht door, van 21 December (St. Thomas) tot de Kerstdagen. Sommigen hebben zich zóozeer daarin geoefend, dat zij de beide klokken tegelijk op de maat kunnen luiden.

[Thomasslakken]

Thomasslakken, slakken uit ijzersmelterijen afkomstig, welke veel phosphorus bevatten; naar den Engelschen ingenieur Gilchrist Thomas, die in 1879 patent verkreeg voor een middel om in den hoogoven het phosphorus aan het ijzer te onttrekken.

[Thomisten]

Thomisten, aanhangers der leer van Thomas van Aquino († 1274), den voornaamste der scholiasten. Volgelingen der Thomistische Wijsbegeerte aan de Universiteit te Amsterdam, waarvoor in 1895 ter stede een leerstoel werd opgericht, met den Dominikaner pater J.V. de Groot als hoogleeraar.

[Thor]

Thor, oudste zoon van Odin, de god van den donder en den oorlog. Als het donderde, reed hij met zijn bokkenwagen door de lucht, en sloeg met zijn hamer (miölner). Donderdag, eng. Thursday, heeft van hem zijn naam.

[Thor (Den -]

Thor (Den -, indertijd gemeenzame benaming voor den hoogleeraar Thorbecke.

[Thôra]

Thôra, (hebr.), leer. De Hebreeuwsche bijbel is verdeeld in Thora en Kethoebîm (het geschrevene). De Thora omvat de Wet, Joz. I:8; VIII:34; 2 Kon. XXII:8, 11. Nehem. VIII:2 is sprake van sépher thôrat Móschè = het boek der Wet van Mozes.

[Thorsschluss (Vor -]

Thorsschluss (Vor -, (hgd.), op het laatste oogenblik, naar de oude bepaling, dat de stadspoorten 's avonds op een bepaald uur werden gesloten, en dat slechts tegen betaling doorgang werd verleend.

[Though this be madness, yet there is method in it]

Though this be madness, yet there is method in it, (eng.), al is dit dwaasheid, zoo is er toch geléidelijke orde in; Shakespeare, Hamlet II, 2, zegt Polonius dit met betrekking tot Hamlet.

[Three little maids from school]

Three little maids from school, (eng.), drie kleine schoolmeisjes, nl. Pish, Puh en Yum Yum, drie personen uit de Mikado, klucht van Gilbert, muziek van Sullivan, het eerst in 1885 in Londen opgevoerd.

[Three removes are as bad as a fire]

Three removes are as bad as a fire, (eng.), driemaal verhuizen is even erg, als brand. Woord van Benjamin Franklin, in zijn werk The Way to Wealth = de Weg tot Rijkdom. Ons: verhuizen kost bedstroo.

[Threni]

Threni, klaagliederen. Aldus heeten die van den profeet Jeremia, in de Vulgata. Meervoud van lat. threnus, uit gr. thrènos = treurzang.

[p. 1140]

[Thug]

Thug, moorddadig roover tevens godsdienstige secte in Tanjore en elders in Britsch-Indië. Meestal, een dienaar van Kâli, de godin van den moord.

[Thugatèr]

Thugatèr, (gr.), dochter. Naam eener Dec. 1893 opgerichte vereeniging in 't belang van den Werkenden Stand, te Amsterdam, tot bevordering der belangen van het onderwijs en van vrouwen, die onderwijs geven.

[Thule]

Thule, een eiland ergens in het hooge Noorden, door den Massilischen zeevaarder Pytheas ontdekt, en door de ouden voor het noordelijkst bekende land der aarde gehouden (ultima Thule), d.i. IJsland, of een gedeelte van Noorwegen, of wel Scandinavië in het algemeen; volgens Ptolemaeus een der Shetlands- en Orkney-eilanden (Mainland).

[Thurang]

Thurang, (afr.), valsch spelen.

[Thut nichts, der Jude wird verbrannt]

Thut nichts, der Jude wird verbrannt, (hgd.), doet niets! de jood wordt toch verbrand. Woorden van den patriarch tot den tempelheer in Lessing's Nathan der Weise, IV, 2. Gebruikelijk: òf schertsend, in de beteekenis ‘het moet maar zoo blijven’ òf ernstig, in de beteekenis ‘de veroordeeling of de afkeuring is een persoonlijke wraak’.

[Thy wish was father, Harry, to that thought]

Thy wish was father, Harry, to that thought, (eng.), uw wensch, Hendrik, was de vader van deze gedachte, Shakespeare, Hendrik IV, 2e deel, IV, 4, zegt dit de koning tot zijn zoon, waar deze zich de kroon op het hoofd zet, meenend, dat zijn vader dood was; m.a.w. ‘je dacht, Hendrik, dat ik dood was, omdat je wou dat ik dood was’.

[Thymalè]

Thymalè, (gr.), eigenlijk: plaats waar geofferd wordt, offerhaard, altaar; inzonderheid een Bacchusaltaar vooraan op de orchestra; vandaar schouwburg. Altaar ten behoeve van het koor.

[Thyrsus]

Thyrsus, staf der bacchanten (z.a.), die met klimop en wijngaardloof omwonden, in een pijnappel uitliep (Euripides). Gr. thursos, stengel, vooral van varens.

[Tiara]

Tiara, de tulband of hoofdwrong, eene hoofdbedekking der oude Perzen, aan Herodotus († 408 v.C.) reeds bekend, en door dezen als pilos (gr. hoed) aangeduid. Later, de bisschopsmuts of mijter; inzonderheid die van den Paus, eene hooge muts, sedert de begiftiging met deze door der Franken koning Clovis of Chlodwig († 511) van eene gouden kroon voorzien, en sedert zijne verheffing tot Kerkvorst, omzet met drie gouden kronen in edelgesteenten, daarop geborduurd. Zie Tiare.

[Tiare]

Tiare, de drievoudige kroon, driekroon, die de Paus draagt, gedekt door een wereldbol met een kruis en twee breede vanen, die op de schouders afhangen. De drie kronen zijn het zinnebeeld der drievoudige waardigheid van leeraar, koning en priester. De drie kronen dagteekenen uit de 6e, de 11e en de 14e eeuw.

[Tibi gratias]

Tibi gratias, (lat.), dank u! vgl. Gratias.

[Tibia]

Tibia, de fluit, welk muziekinstrument in de oudheid zeer in gebruik was, en bij godsdienstige plechtigheden gebezigd werd. De oudste fluit was de Pansfluit, vervaardigd uit 7 of 9 rietpijpjes van afnemende lengte, die van onderen in eene dwarspijp uitliepen. Eene andere, de rietfluit zou de god het eerst hebben gesneden uit riet, waarin de door hem vervolgde stroomnimf Syrinx veranderd was. Uit deze ontstond de dubbelfluit, twee fluiten aan één mondstuk verbonden.

[Ticket scalper]

Ticket scalper, (am.), lett. kaartjes-scalpeerder, handelaar in deelen van mileage-tickets (zie Mileage) en retourbiljetten.

[Tien Jaren (De -]

Tien Jaren (De -, in onze geschiedenis de jaren van 1588 tot 1598, toen een groot deel van het verlorene door ons volk op Spanje herwonnen, en de inwendige toestand ten onzent voorloopig zoo goed mogelijk geregeld werd. In die jaren ontwikkelde zich het vrije Noorden van ons land tot een staat, en wel tot een door handel en nijverheid bloeienden staat. - Tien jaren

[p. 1141]

uit den tachtigjarigen oorlog, 1588-98, is een bekend werk van Prof. Dr. R. Fruin.

[Tiendaagsche veldtocht]

Tiendaagsche veldtocht, inval der Nederlandsche troepen in België na den opstand (1831).

[Tiende bataljon zijn (Van het -]

Tiende bataljon zijn (Van het -, Roomsch zijn, tot de R.-Kath. Kerk behooren; van tien een kruis, dewijl de Roomschen het kruis, als symbool eener oud-Romeinsche (slaven-) straf, vereeren.

[Tiende Muze (De -]

Tiende Muze (De -, Anna Bradstreet te Chicago, door hare landgenooten aldus geheeten. Zelfs stugge Puriteinen weenden bij hare gedichten. Ook Margaretha van Valois of van Navarre, zuster van Frans I koning van Frankrijk, gemalin van Henri d'Albret, koning van Navarre, die met bevalligheid de pen voerde in proza en in poëzie, † 21 Dec. 1549, werd de tiende Muze en de vierde Gratie genoemd.

[Tienden.]

Tienden. Beschapen of geschapen tienden in Overijsel worden, in tegenstelling met onbeschapen of ongeschapen tienden, die genoemd, welke bij overeenkomst in eene bepaalde hoeveelheid rogge veranderd, en dus tot sloptienden gemaakt zijn. Smaltienden, ook bloed- en krijtende tienden geheeten, waren tienden van biggen en lammeren; aldus in 1419 te Enspijk. Elders had men prenttienden (in 1400 in den Tielerwaard); toltienden (te Bunschoten, prov. Utrecht, in 't begin dezer eeuw); Tournooische tienden (in 1653 te Oijen), d.i. tienden in Tournooische muntspecie (geld van Tours), te voldoen.

[Tiendmaaltijdspenningen]

Tiendmaaltijdspenningen, penningen, percentsgewijs van de jaarlijksche koopsom der korentienden door den tiendheer of tiendverkooper uit te keeren aan de tiendplichtigen, waarvan deze een grooten maaltijd hielden. Bij Nijmeegsch Landdagsbesluit van 19 Dec. 1609 werd die heffing op 6 ten honderd bepaald; het laatst bekrachtigd door het landdagsrecès van 6 Dec. 1702 te Zutfen. In vervolg van tijd werden die penningen niet aan een maaltijd, maar aan kerspel, kerk of predikants-inkomsten besteed: en vanhier dat vele tienden met tienduitgangen bezwaard zijn.

[Tiendrecht]

Tiendrecht, recht op een evenredig deel van de vruchten van een (tiendplichtig) stuk grond. De wet van 12 April 1872 (Stbl. no. 25) heeft de tienden, vóór de invoering van het Burg. Wetb. gevestigd, afkoopbaar gesteld zoodra de tiendplichtige dat verlangt.

[Tienling]

Tienling, (bij Kiliaan: tienlinck), de Hollandsche vertaling van lat. denarius, dat ‘tienvoudig’ beteekent; dus eene munt, die zooveel waard is als tien kleinere. Zie Denarius.

[Tiercé]

Tiercé, (fr., wap.), in drie gelijke deelen verdeeld, door twee lijnen en in drieerlei metaal of kleur.

[Tierceering]

Tierceering, het met ⅔ verminderen van de rente der Staatsschuld, door Napoleon bij decreet van 9 Juli 1810.

[Tierces]

Tierces, (fr., wap.), drielingsbalken, smalle balken, in drietal, ieder 1/15 en met de tusschenruimten ½ van het veld uitmakend. Hgd. Drillingbalken.

[Tiers de sol d'or]

Tiers de sol d'or, munt, hetzelfde als Triens (z.a.).

[Tiers-état]

Tiers-état, derde stand, in Frankrijk, vóór de Groote Omwenteling, de burgerij in onderscheiding van den Adel en de Geestelijkheid, de beide bevoorrechte standen.

[Tijd van zwijgen en een tijd van spreken (Er is een -]

Tijd van zwijgen en een tijd van spreken (Er is een -, vermaning tot voorzichtigheid en beleid. Uit Pred. III:7.

[Tijd (Oordeel niet vóor den -]

Tijd (Oordeel niet vóor den -, oordeel niet voorbarig. Aan 1 Kor. IV:5 ontleend, doch ten onrechte, omdat aldaar den Korinthischen christenen wordt aangezegd, dat zij zich geheel van oordeel hadden te onthouden, dat de Heer oordeelen zou.

[Tijddicht]

Tijddicht, zie Tijdverzen.

[p. 1142]

[Tijdperken.]

Tijdperken. Hesiodus noemt er vijf: het gouden tijdperk, aartsvaderlijk, onder Saturnus; het zilveren tijdperk, wellust, onder Jupiter; het koperen tijdperk, strijd, onder Neptunus; het heldentijdperk, wedergeboorte, onder Mars; het ijzeren tijdperk, zijn eigen tijd, onder Pluto. Voorts onderscheiden de oudheidkundigen de navolgende tijdperken van den vóórhistorischen tijd, als:

1ohet oudste steentijdperk (het palaeolitische) waarin alleen steenschilvers vooral van vuursteen gebruikt worden;
2ohet tweede steentijdperk (het neolitische) met gepolijste steenen werktuigen;
3ohet bronstijdperk, toen koper bewerkt werd;
4ohet ijzertijdperk.

[Tijdverzen]

Tijdverzen, verzen, zóo ingericht, dat, als men de daarin voorkomende letters C, D, I, L, M, V en X als Romeinsche cijfers aanmerkt, deze, opgeteld, het jaartal geven, tot welks herinnering het vers bestemd is. Zoo geeft b.v. Vondel's grafschrift:

VIr Phoebo et MVsIs gratVs
VonDeLIVs hIC est,

Vondels sterfjaar 1679.

[Tijen]

Tijen, (k.m.a.), loopen, verbastering van tijgen = trekken.

[Tik]

Tik, (barg.), horloge. Tik met slang = horloge met ketting.

[Tikar]

Tikar, fijne mat, zooals op de bedmatrassen in O.-Indië gebruikt wordt; ze worden bijna overal in den Indischen archipel vervaardigd.

[Tikar pandan]

Tikar pandan, een matje van pandanus bladeren.

[Tikar patjar]

Tikar patjar, een rottingmat met drie kleuren, rood (patjar), zwart en de natuurlijke kleur van de rotting.

[Til]

Til, brug (Enumatil, Kloostertil). Bij Kiliaan ook tilbrug = valbrug, zulk eene brug leidt van den weg naar een huis.

[Tilanus-medaille]

Tilanus-medaille, gouden eerepenning, toe te kennen om de vijf jaren aan den schrijver van het bestgekeurde Nederlandsche werk op het gebied der heelkunde (later, uitgebreid tot allerlei geneeskunde). Spruitend uit een fonds, door vereerders in 1885 bijeengebracht als hulde aan de nagedachtenis van den chirurg-hoogleeraar te Amsterdam, C.B. Tilanus † 8 Aug. 1883. Ze werd in 1896 uitgereikt op 13 December, waarop het juist honderd jaar geleden was, dat hij werd geboren.

[Timbre]

Timbre, (fr., wap.), samenstel der stukken, die boven een wapen prijken; hgd. Oberwappen. Vanhier:

[Timbré]

Timbré, (wap.), gedekt; van de schilddekking (timbre) met helm, kroon, helmteeken(s). - Men spreekt ook van timbreeren, dat op het einde der 17e eeuw in Frankrijk aan niet-adellijken verboden werd. Zij mochten het Oberwappen niet voeren.

[Time is money]

Time is money, (eng.), tijd is geld, gezegde, dat ten onrechte aan Benjamin Franklin wordt toegeschreven en van veel oudere dagteekening is.

[Timekeeper]

Timekeeper, (sport.), tijdwaarnemer.

[Timeo Danaos etc.]

Timeo Danaos etc., zie Danaos en Quidquid id est.

[Times (The -]

Times (The -, het meest bekende dagblad in London, opgericht in 1785, allereerst onder den titel van Daily Universal Register, reeds in 1788 veranderd in den titel van The Times. Het gezag van dit blad blijkt uit de welbekende uitdrukking: ‘The Times heeft gesproken’.

[Timmer]

Timmer, (wap.), helmteeken.

[Timon van Athene]

Timon van Athene, (eng.), een heftig menschenhater, naar den held in Shakespeare's tooneelspel van dien naam.

[Timpaan]

Timpaan, onzijd., de bekkenvormige ruimte of het vak in een gevel of wand, voor het plaatsen van een standbeeld of iets dergelijks. Dus als

[p. 1143]

zoodanig geen gevelstuk (zie Elgin marbles), maar dienend voor de plaatsing van een gevelsieraad. Ook het vlak tusschen de bovenzijde van het raam en den boog, die zich daarboven welft; meestal in gekleurde steenen of tegeltjes. Van gr. tympanon = pauk, keteltrom, vanhier, wegens den vorm, rad of rondsel, en derhalve ook het hier omschreven timpaan. - Insgelijks, zeker perkament, dat de drukkers aan de pers gebruiken; fr. tympan. Komt ook van gr. tympanon, vanwege het vel van trommen en tamboerijnen. Meerv. timpanen.

[Timtim]

Timtim, (barg.), zilver.

[Timtimmer]

Timtimmer, (barg.), zilveropkooper.

[Tincti (Nummi -]

Tincti (Nummi -, bij de Romeinen, vergulde of verzilverde koperen munten, met de bedoeling om voor gouden of zilveren munten te worden uitgegeven. Tinctus = gedoopt, gedrenkt, geverfd, gekleurd.

[Tingkah]

Tingkah, (mal.), in tingkah-bertingkah, over en weder twisten. Vandaar het woord tingka, Holl. meervoud tingka's, kuren, grillen, caprices. - ‘Zij zit vol tingka's’ = vol kuren. Tot kleine kinderen zegt de baboe: ‘ajo, djangan-betingka!’ = ‘kom, geen kuren!’

[Tinnef]

Tinnef, (van hebr. en chald. tannef = bezoedelen), iets wat bezoedeld is; vandaar in het algemeen: rommel, waardeloos geworden zaken, vuil geworden goed.

[Tinnegieter (Politieke -]

Tinnegieter (Politieke -, iemand, die over staatkunde praat, zonder er in 't minst verstand van te hebben; naar het in 1722 verschenen blijspel van Holberg Den politiske Kandestöber, in 't hgd. der politische Kannegiesser.

[Tinnen]

Tinnen, (wap.), vierkante blokjes geplaatst op even gelijke afstanden, als hunne afmeting groot is.

[Tintinnabulum]

Tintinnabulum, (lat.), schel, bel, bengel. In 't mid. lat. ook kerkklokje. Zie Nolae. In Campanië (z.a.) ligt Nola.

[Tippecanoe]

Tippecanoe, (am.), bijnaam van generaal William Harrison, later President der V.S. na zijne overwinning aan de samenkomst der rivieren Tippecanoe en Wabash (6 Nov. 1811).

[Tippelen]

Tippelen, (joodsche volkst.), struikelen, over iets vallen, vallen. (Waarschijnlijk van hebr. tippal = gij valt. van naphal = vallen).

[Tirailleeren]

Tirailleeren, (mil.), het eten dat na het vullen der eetketeltjes, in de potten overblijft verdeelen (door den kok).

[Tiran.]

Tiran. Van gr. turannos, waarschijnlijk een vreemd woord, eerst opgenomen ten tijde van Archilochus (die omstr. 700 v.C. leefde); eig. heer, gebieder, en wel een heerscher, die noch door wetten noch door eene staatsregeling beperkt is; bijzonder hij, die zich in een vrijen staat tegen de wetten en tegen den wil des volks de alleenheerschappij aanmatigt. Bij uitbreiding in ongunstige beteekenis despoot [gr. despotès, eig. (huis-)heer].

[Tire la ficelle, ma femme]

Tire la ficelle, ma femme, (fr.), vrouw, trek aan het touwtje, ontstaan of populair geworden door een in 1839 in de Variété's te Parijs uitgevoerde komische scène (woorden van E. Bourget, muziek van J.B. Josse) waarin de zanger een rarekiek vertoont. Na elk tooneel voegt hij zijne vrouw de aangehaalde woorden toe, die zoodoende overeenkomen met den uitroep: ‘Rrr! ein ander Bild’ van den ‘Guckkästner’ van Brennglas (recta Glasbrenner), in diens Berlin wie es ist - und trinkt (1832-50). Bij ons: ‘Rrrt. Alweer een ander stuk!’

[Tirer les marrons du feu]

Tirer les marrons du feu, (fr.), de kastanjes uit het vuur halen. Lafontaine, Fables, IX, 17. Le Singe et le Chat.

[Tirer les vers du nez à quelqu'un]

Tirer les vers du nez à quelqu'un, (fr.), iemand uithooren. Hgd. Einem die Würmer aus der Nase ziehen. Goethe heeft die woorden aan Frosch (Faust, Auerbachs Keller) in den mond gelegd, na ze waarschijnlijk aan 't Fransch te hebben ontleend.

[p. 1144]

[Tires]

Tires, (fr., wap.), de rijen, waarin een geschakeerd schild, - in den trant der vierkante vakken van een schaakbord, - verdeeld is. De vakken dier rijen heeten fr. points.

[Tiresias]

Tiresias, (myth.), gr. Teiresias, uit teirea (hemelteekenen); zoon van Eueres en Chariclo, uit het geslacht van den autochthoon Udaios (Udaeus), beroemd waarzegger te Thebe. Hij zou òf sedert zijn 7e levensjaar blind geweest zijn, tot straf omdat hij aan de menschen den wil der goden had bekend gemaakt; òf door Athene met blindheid zijn geslagen, omdat hij haar in het bad had bespied, en zij hem badwater in de oogen wierp. Later had de godin echter berouw over deze daad, en stelde hem schadeloos door hem de gave te verleenen de stem der vogels te verstaan, en hem een stok te geven, waarmede hij even zeker kon gaan als een ziende. Hij vond den dood bij de bron Tilphossa (bij Coronaea in Boeotië), waar hij een orakel had. Tiresias komt in het bijzonder voor in de sage van Oedipus (z.a.).

[Tirez le rideau, la farce est jouée]

Tirez le rideau, la farce est jouée, (fr.), trek het gordijn dicht, de klucht is afgespeeld, het slot van alle oude kluchten, waarbij het gordijn op ringen langs eene stang gleed. Men beweert dat Rabelais (1495-1553) een oogenblik vóor zijn dood gezegd zou hebben: Je m'en vais chercher un grand peut-être; tirez le rideau, la farce est jouée; maar Verdier (1544-1600) en Colletet (1598-1659) hebben dit op afdoende gronden tegengesproken. Rabelais moet vroom gestorven zijn, doch zijne vijanden hebben zijne nagedachtenis zoeken te besmetten.

[Tironianae (Notae -]

Tironianae (Notae -, abbreviaturen of verkortingen in het schrijven, waardoor eene lettergreep of een geheel woord door éene of enkele letters, of door een teeken aangeduid worden. Tullius Tiro, de vrijgelaten slaaf van Cicero, heeft ze stelselmatig geordend. Hij was dus een der eerste voorloopers van het hedendaagsche snelschrift.

[Tisi militare]

Tisi militare, (ital.), militaire tering. Uitdrukking van Crispi, in Maart van 1896 na den tegen Menelek, koning van Abessynië, ongelukkig gevoerden krijg der Italianen, voormalig President-Minister in Italie, in een aan generaal Baratieri gezonden telegram: Questo non è guerra, è tisi militare (dat is geen oorlog, maar een militaire tering), waarin hij den generaal zijn talmen, zijn niet doortastênd strijden verweet.

[Tisiphone]

Tisiphone, zie Eumeniden.

[Tisjo-beaw]

Tisjo-beaw (tisja-beab), (hebr.), de negende (dag) in (de maand) Ab (omstr. 15 Juli-15 Aug.); vastendag, wegens de op dien datum gebeurde verwoesting van den tempel te Jeruzalem. In de volkstaal vaak verkort tot tisjebov.

[Tisri]

Tisri, eene maand der Joden; op den 3en dag er van (in September of October) valt de Joodsche vastendag; zie Gedalja. In den lateren Joodschen kalender komt Tisri, evenals bij de Syriërs, als de eerste maand des jaars voor.

[Titan]

Titan, reusachtig genie (vernuft), esprit-fort.

[Titania]

Titania, gemalin van Oberon den Koning der Elven of Feeën, en dus zij zelve de Koningin. Zie Shakespeare's Midsummer Night's Dream.

[Titanstrap]

Titanstrap, reuzentrap. De Titanen, zonen van Uranus en Gaea (Hemel en Aarde), met de Giganten, (Reuzen) verward, bestormden, volgens de fabelleer der Grieken, den hemel, waar Jupiter troonde, door rotsen op rotsen te stapelen, in de velden van Phlegra (stad in Macedonië), ten einde Jupiter (Zeus) te verdringen en hun broeder Chronas op den troon des hemels te plaatsen; doch werden door Hercules bedwongen.

[Titel]

Titel, datgeen, waaruit iemands recht zijn oorsprong neemt.

[Titel (Ein - muss sie erst vertraulich machen]

Titel (Ein - muss sie erst vertraulich machen, (hgd.), zegt Mefisto in Goethe's Faust, als hij den leerling raad geeft, hoe hij zich tegenover vrouwen te gedragen heeft, nu hij hem aanraadt in de geneeskunde te gaan studeeren.

[p. 1145]

[Titi]

Titi, de Fransche straatjongen, wanneer hij zich in een schouwburgzaal bevindt.

[Tittel of jota (Geen -]

Tittel of jota (Geen -, niet het geringste. Uitdrukking van Jezus in Matth. V:18a: ‘Geen jota of tittel van de (Mozaïsche) Wet zal voorbijgaan’. Hij noemt de jota (Jôd) als de kleinste letter van het Hebreeuwsche alphabet. Tittel (vgl. Luk. XVI:17) = letterstreep; want niet de vokaalstreepjes of de accenten (onder de Hebreeuwsche letters), die gewis van latere uitvinding zijn (zie Masoreten), maar de kleinste streepjes of haaltjes aan die letters zelve zijn hier bedoeld.

[Titulair]

Titulair, (fr.), volgens den titel, den titel hebbend, maar niet den rang zelven, die er door wordt aangeduid. Men spreekt mitsdien van ‘titulaire rang’, bijv. als een kapitein wordt gepensionneerd met den rang van majoor Onderscheiden van Titularis (lat.), den titel voerend, terwijl tevens de rang er aan beantwoordt.

[Titulo particulari]

Titulo particulari, (lat.), aansprakelijk voor een gedeelte. Letterl. krachtens bijzonderen rechtstitel.

[Titulo universali]

Titulo universali, (lat.), aansprakelijk voor het geheel. Letterl. krachtens algemeenen rechtstitel.

[Tituskop]

Tituskop, hoofd of kop met kort gesneden kroeshaar, naar de manier van den Romeinschen keizer Titus.

[Tiveli]

Tiveli, benaming voor villa's of lustplaatsen, feestzalen en derg. naar het Italiaansche stadje van dezen naam, het oude Tibur in Latium, omringd door schoone landhuizen. Het beroemdste hedendaagsche Tivoli is dat te Kopenhagen, waar men alle vermakelijkheden in één park vereenigd vindt.

[Tjaboggam]

Tjaboggam, zie Tobag(g)an.

[Tjamat]

Tjamat, (batav. mal.), Inlandsch opziener, onderopzichter; - ontvanger van pacht op Tjomas.

[Tjambang]

Tjambang, (mal.), baard, bakkebaard.

[Tjamboek]

Tjamboek, (pers. tjaboek), Bat. (Soend.) een rijtuigzweep. - Tjemeti (uit 't Famil.) roede om te slaan, garde, karwats.

[Tjamboek]

Tjamboek, (z. afr.), zie Sambok.

[Tjandi Sêwoe]

Tjandi Sêwoe, de duizend tempels, in het Zuidergebergte, bij Solo of Soerakarta, (Midden-Java). De steenen er van bleven op Java over uit den Brahmaanschen tijd.

[Tjandoe]

Tjandoe, (jav. en mal.), bereide opium. Zie Opium.

[Tjanting]

Tjanting, (jav. en mal.), klein koperen buisje met handvat en tuit, dat bij het batikken van kleedjes, gebruikt wordt.

[Tjap]

Tjap, (jav. en mal.), zegel, cachet, stempel.

[Tjap sembilan]

Tjap sembilan (Atjeh), Sultanszegel.

[Tjatjar]

Tjatjar, (mal.), pokken, zie Mantri-tjatjar.

[Tjelana]

Tjelana, (jav. ook in 't mal. in gebruik), een lange wijde broek of pantalon. De Atjehers dragen een bijzonder model met lang kruis. Een Mal. woord voor broek is ook seloewar en serawah, uit het Arab. overgenomen.

[Tjĕpoek]

Tjĕpoek, (mal.), platte ronde doos van hout, dienende ter berging van allerhande dingen, inzonderheid van artikelen van toilet, ook tot het wegbrengen van een bord met eten.

[Tjètjèlengan]

Tjètjèlengan, (mal.), varken of spaarpot.

[Tjeunken]

Tjeunken, spotnaam der inwoners van Hindelopen.

[Tjèwo]

Tjèwo, (mal.), bloemhanger.

[Tjijoem]

Tjijoem, (mal.), zoen, kus. Mentjijoem, kussen, eig. alleen door neus en mond tegen het voorwerp te brengen en met den neus op te snuiven.

[p. 1146]

[Tjintjfoe]

Tjintjfoe, oorspronkelijk chin., beteekent scheepskapitein, gewoonlijk alleen voor de navigatie, doch ook wel eens gebruikt tot aanduiding van den Chineeschen supercargo op een schip. (Supercargo = vertegenwoordiger des eigenaars eener lading aan boord van een schip).

[Tjoelim]

Tjoelim, (mal.), hoeveelheid opium voor éene pijp; ook de opiumpijp zelf.

[Tjokkers]

Tjokkers, spotnaam voor de inwoners van Arendonk (Antwerpen), wegens het eentonig heen en weer ‘tjokken’ van hunne oude weefgetouwen. Uit dit ambacht sproot ook hun tweede spotnaam, Gorteters, naar 't oude volksrijmpje:

 
Havere gort,
 
In 't water gesport,
 
Is voor de wevers.

Eene nieuwe nijverheid, het sigarenmaken, deed een thans meest gebruikten spotnaam Pinnekensmakers ontstaan.

[Tjowet]

Tjowet, (mal.), wrijfbakje.

[Tjzet]

Tjzet, (mal.), theepotje.

[To be or not to be, that is the question]

To be or not to be, that is the question, (eng.), te zijn of niet te zijn, dat is de vraag; Shakespeare, Hamlet III, 1 in de alleenspraak van Hamlet.

[To bryan (any one)]

To bryan (any one), eene bombastische redevoering tot iemand houden. Ontleend aan Bryan, den zilverman, den tegenstander van Mc Kinley (die Oct. 1896 met groote meerderheid van stemmen tot President der Vereen. Staten verkozen is).

[To err is human, to forgive divine]

To err is human, to forgive divine, (eng.), van Pope, zie Errare humanum est.

[Toast]

Toast, de geroosterde snede brood, die in Engeland bij de thee wordt rondgediend. Ook 't drinken op iemands gezondheid, daar men in Engeland gewoon was, om hem, die een gezondheidsdronk zou toebrengen, 't glas met een stuk geroosterd brood daarin aan te bieden. 't Verhaal luidt: ‘Anna Boleyn († 1536), gemalin van Hendrik VIII van Engeland, nam een bad; om aan hare zeldzame schoonheid hulde te doen, dronken de heeren uit haar gevolg ieder een glas water uit 't bad. Een enkele deed dit niet; aan hen, die hem de reden daarvan vroegen, antwoordde hij: ‘ik behoud voor mij de toast’ n.l. de dame. Dit wordt ook verteld van een ridder onder Karel II en een bekende schoone te Bath.

[Tobbedansers]

Tobbedansers, spotnaam voor de inwoners van Harlingen. Vroeger waren er vele wevers (emigrés), die hun weefsel in tobben spoelden; de beweging lijkt dansen.

[Tobias Hond]

Tobias Hond, zie Kameel.

[Tobog(g)an]

Tobog(g)an, (am.) ijsslede, waarmede men van heuvels met sneeuw afglijdt; vandaar toboggan-baan voor montagnes russes, eene kermis-vermakelijkheid, waarbij men in eene slede van de hoogten af en tegen de hoogten op, over de verschillend gebogen baan heenglijdt.

[Tochtganger]

Tochtganger, (afr.), zie Smous. Een geboren Afrikaander, die in het bovenland allerlei artikelen opkoopt, welke hij de binnenlanden uitvent.

[Toddy]

Toddy, geliefkoosde drank in Schotland, bestaande uit een of ander geestrijk vocht, heet water en suiker. 't Woord is een verbastering van taudi, de Indische naam voor 't zoete sap der palmen. (Skr. toldi of taldi, uit tal = palmsap).

[Todo es poco]

Todo es poco, het geheel is weinig. Spreuk van H. Franscesco Borgia.

[Toean besar]

Toean besar (mal.), Groote Heer, titel van den Gouverneur-Generaal van Nederl. Indië bij de Inlanders; ook zeggen zij: Toean Besar Betawi of Bogos; De Groote Heer van Batavia of van Buitenzorg (naam van de residentie). Zie Teewan.

[Toean itam]

Toean itam, (mal.), zwarte mijnheer. Toean kan ook Toewan worden geschreven.

[Toeclip]

Toeclip, (sport.), haak aan de viets om den voet in te zetten, dat de voet niet van het pedaal glipt.

[p. 1147]

[Toedoeng]

Toedoeng, Maleische naam voor een platten gevlochten in den Indischen Archipel algemeen gebruikten hoed, waarvan gelijkvormige namaaksels vóor eenige jaren bij de Europeesche dames in zwang waren.

[Toehan]

Toehan, (mal.), de Heer, God, de godheid.

[Toegewend]

Toegewend, (fr., wap.), heeten twee leeuwen, wassenaars enz. wanneer de her-rechts staande omgewend is en zij zich dus naar elkander toe keeren; twee paalswijs (z.a.) geplaatste dieren, wanneer het bovenste omgewend is.

[Toehan Allah]

Toehan Allah, de Heer God.

[Toelast (De -]

Toelast (De -, groot wijnvat, inhoudend 640 flesschen wijn. Ook de inhoud er van, van drie tot zes amen (bij Kiliaan). Naam van hotels.

[Toeloeng]

Toeloeng, (jav. en mal.), hulp, bijstand verleenen, helpen; help!

[Toemaat]

Toemaat, in Friesland tweede grassnede. In Gelderland en elders ijmat.

[Toeman]

Toeman, (molukken), van sagobladeren vervaardigde mand. Van een toeman sago kan een groot gezin 4 of 5 dagen leven.

[Toemenggoeng]

Toemenggoeng en Tĕmenggoeng, titel van de Regenten op Java; dit is de laagste titel, hoogere zijn Adipati en Pangeran. Staat er Raden of Raden Alas voor dan is dat de adellijke of geboortetitel. Algemeene titel voor een Regent op Java is ook Boepati.

[Tĕmĕnggoeng]

Tĕmĕnggoeng ook als titel in gebruik aan de Maleische hoven. Het was de titel van den 2en staatsdienaar in het voormalige rijk Djohor; de 1e was de Bendhara.

[Toee'oh]

Toee'oh (toem'ah), (hebr.), onreinheid, verontreiniging. Zie Tomei. De volkstaal past het woord ook in geestelijken zin toe op slechtheid, verkeerde wegen, zaken die tot afval verleiden. Van een verworpeling of een diepafvallige wordt gezegd: hij is een awi-awous-ha-toem'oh = vader der vaderen van onreinheid = zelf verdorven en anderen verdervend. (Deze term is ontleend aan de Rabbijnsche terminologie).

[Toen]

Toen (Doen) vlogen wy met hem te zaemen na den brand. In de Amst. spreektaal: ‘gearremd na den brand’. Vondel, Gysbreght, reg. 110 (4e Bedr.) aldus Arend van Aemstel, in het verhaal aan Badeloch van den strijd op den ‘Middeldam’, waarbij hij en Gysbreght het uiterste hebben gewaagd.

[Toendra's]

Toendra's, bevroren mossteppen in Siberië.

[Toeren varen]

Toeren varen, (mil.), strafexerceeren.

[Toertjes varen]

Toertjes varen, (mil.), zie Varen.

[Toetoel]

Toetoel, (jav.), stip, spikkel, gevlekt. Matjan, (tijger), toetoel, gevlekte tijger, panter, felis pardus.

[Toetsingsrecht]

Toetsingsrecht, recht om wetten te toetsen aan de Grondwet.

[Toetsissen]

Toetsissen, in de oudste en de nieuwere uitgaven van den statenbijbel, Jez. VII:18, vlg. de kantteekening: ‘met tsissen, schuyffelen en fluyten tot sich doen komen’. Van der Palm: herwaarts lokken (en alzoo te samen brengen, omdat de ijmker zijne bijen bijeensluit, om ze saam te houden.

[Toew]

Toew, (hebr.), goeds; kol-toew = alle goeds, al wat wenschelijk is.

[Toewan]

Toewan, (mal.), heer, meester, mijnheer, mevrouw enz.; Toewankoe, heer, mijnheer (van vorstelijke personen en hoofden); Toewan poetĕri, mevrouw de prinses; Jang dipertoewan, wie als gebieder erkend wordt, d.i. de regeerenden vorst.

[Toewan pandita]

Toewan pandita, (skr.), leeraar, schriftgeleerde, geestelijke, priester. Toewan pandita, Rom. benaming van den pastoor.

[Toewan ratoe]

Toewan ratoe, in 't Jav. keizerin, ratoe in 't Mal. titel van vorsten (ook van vorstinnen).

[p. 1148]

[Toeziende voogd]

Toeziende voogd, de voogd, die de belangen van den minderjarige waarneemt, als zij met die van den voogd in strijd zijn, en zorgt, dat de voogd zijne verplichtingen nakomt; de voogd doet hem rekening. en verantwoording.

[Tof]

Tof, zie Touv.

[Tofeil]

Tofeil (tafeel), (n. hebr. vaak verkort tot tofel), het bijgevoegde. Vandaar in het algemeen: bijzaak (in tegenoverstelling van 'ikkor = hoofdzaak).

[Tofelemenesschool]

Tofelemenesschool, (barg.), R.-Kath. Kerk.

[Toffania]

Toffania, eene oude vrouw van Napels, vereeuwigd door hare uitvinding van een smakeloos en kleurloos vergift, door haar het Manna van den H. Nicolaas van Bari genaamd, doch beter bekend als Acqua di Toffania. Meer dan 600 personen vielen als slachtoffer van dit boosaardig vocht. - Hieronyma Spara, gewoonlijk La Spara geheeten, eene bekende tooverheks, ongeveer een eeuw geleden, verkocht een soortgelijk elixer, waaraan eveneens velen stierven, en waarvan het geheim eerst na vele jaren werd ontdekt.

[Tofoes]

Tofoes, (hebr.) gevangen (van tafoos grijpen, vangen). Tofes zitten = gevangen zitten.

[Toga]

Toga, oorspr. bij de Romeinen het wijde, lange opperkleed, het algemeene kleedingstuk bij dag en nacht voor vrouwen en mannen, in vredestijd, wanneer zij in 't openbaar als burgers verschenen; ook van publieke vrouwen, die geene stola (z.a.) dragen mochten. Dus, bekleeding, lichaamsbedekking. Verwant met tego (ik bedek). - Bij de koningen was ze geheel van purper; de magistraat droeg alleen den rand van deze stof (toga praetexta, d.i. toga met boord of rand omzoomd). Ook (r.k.) priesterkleed. Zie Cedant arma togae en bij Ovatio.

[Toga pura]

Toga pura, (lat.), de eenvoudige toga, d.i. niet gerand (praetexta), van de ambtelooze burgers, en die de jongeling aankreeg, als hij den mannelijken leeftijd intrad; vanhier ook toga virilis geheeten, en die op het feest der Liberalia (z.a., Aanh.) werd toegewezen.

[Tohn-wabohu]

Tohn-wabohu lees: Tohoe-wabohoe (Touhoe wowouhoe) (hebr.), woest en ledig. Een aan Genesis I:2 ontleende uitdrukking, om een chaotischen toestand, een toestand van verwarring aan te duiden.

[Toilet]

Toilet, van fr. toile = linnen; oorspronkelijk een doek, dien men over de tafel spreidt om daarop al de zaken te leggen, die tot den opschik behooren; later de tafel en de benoodigdheden voor den tooi, en eindelijk de opschik zelf.

[Tokei]

Tokei of Toké, (mal.), groote hagedis, gekko. Jav. tèkek.

[Token]

Token, (eng.), door particulieren, inrichtingen en steden uitgegeven koperen muntstukken, alleen eigen aan Groot-Brittanje en de Engelsche koloniën. In 1653 ontvingen de kooplieden van de regeering verlof, tokens in omloop te brengen; maar vóór dien tijd hadden ook eenige steden de koninklijke goedkeuring daartoe. Sedert de 16e eeuw zijn bijna 3000 verschillende soorten van tokens in omloop gebracht.

[Toko]

Toko, (chin.), beteekent in N.-I. winkel in 't algemeen.

[Tolas]

Tolas, Britsch-Indische geldswaarde, 1½ = ± éen ons.

[Tolletje maken]

Tolletje maken, (toon.) eene aardigheid hebben ten koste van een ander.

[Tolosa (Goud uit -]

Tolosa (Goud uit -, zie Goud uit Tolosa.

[Tolstoïsme]

Tolstoïsme, energieke poging om aan de ellende zoowel van de wereld als van het eigen hart een einde te maken, door afsnijding van alle onwezenlijke behoeften. Ze voldoet aan het mystieke gemeenschapsgevoel der Russen. De Russ. graaf Leo Tolstoï deed afstand van al zijne goederen, om van eigen handenarbeid te leven. Ten opzichte van het huwelijk ligt zijn ideaal in geheel-onthouding. Zijn godsdienst is een leven voor anderen, waarvan de grondgedachte ligt in Matth. XVI:25. De studie der Evangeliën en speciaal van de Bergrede (Matth. V, VI en VII), alsmede de invloed van een geestverwant Soutajeff (zie Soutajeffsky) leidden hem tot

[p. 1149]

de veroordeeling van de hedendaagsche maatschappij op alle punten. De kern van het Christendom ziet hij in Matth. V:39: ‘Wedersta den boozen mensch niet’; daarom beschouwt hij de rechtbanken en het leger als verderfelijk voor 't geluk der menschen.

[Tolverbond]

Tolverbond, (hand.), de vereeniging van de meeste Duitsche staten, tot eene gelijke heffing van de invoerrechten of tollen, wier opbrengst jaarlijks na aftrek der kosten van inning, evenredig onder de verschillende staten verdeeld werd.

[Tom]

Tom, hebr. tam, letterl. volmaakt, schuldeloos. In de Joodsche volkstaal meer in den zin van: eenvoudig, geduldig, goedig; hij is een iesch tom = hij is een goede sul, letterl. een braaf man (vgl. Gen. XXV:27). Hebr. tôm beduidt rechtschapenheid enz.

[Tom Pouce]

Tom Pouce, (fr.), klein-duimpje. De dwerg Jan Hannema, van St. Anna-Parochie, reisde jaren geleden als Admiraal Tom Pouce de wereld door, en vertoefde lang te Amsterdam. Hij wandelde Januari 1895 in de uniform van een heilsoldaat door de straten van Almeloo, waar hij in het lokaal van het Heilsleger oefeningen leidde en toespraken hield. - Uit New-York werd 3 Aug. 1895 de dood bericht van Generaal Tom Pouce of Tom Thumb, den Amerikaanschen dwerg die omstr. 1858 eene rondreis door Europa deed. Hij was de kleinste man ter wereld, wiens ware naam heette te zijn Charles Stratton, maar eigenlijk Ernest Gepey (1838-88) en die door Barnum ontdekt werd.

[Tom-fool]

Tom-fool, (am.) dwaze Tom, een dwaas of koddig mensch.

[Tomahawk]

Tomahawk, strijdbijl der Indianen van N.-Amerika. Ook symbool van den oorlog, blijkbaar in het spreekwoord de tomahawk begraven = vrede houden. In het omgekeerde geval heet het: ‘de vredespijp (z.a.) wordt opgeborgen, en de tijdelijk begraven tomahawk weder opgedolven.

[Tombe sur moi le ciel, pourvu que je me venge]

Tombe sur moi le ciel, pourvu que je me venge, moge de hemel op mij vallen, als ik mij maar kan wreken; Corneille, Rodogune (1646) V, 1 woorden van Cléopatra in de alleenspraak, waarin zij wraak begeert te nemen op Rodogune en haar aanhang. Meer bekend dan deze regel is Périsse l'univers pourvu que je me venge uit de Agrippine van Cyrano de Bergerac van 1643; zoodat Corneille dezen regel aan Cyrano kàn ontleend hebben.

[Tomber avec grâce]

Tomber avec grâce, (fr.), met gratie vallen, zooals de gladiatoren der oudheid, die, zelfs wanneer zij doodelijk waren getroffen, met bevalligheid zochten neer te zijgen, om den bijval der toeschouwers te verwerven.

[Tomber en quenouille]

Tomber en quenouille, (fr.) een spilleleen worden, d.i. van de regeering door mannen overgaan tot de regeering door eene vrouw, aan eene vrouw vervallen. Volledig: tomber de lance en quenouille (a lancea ad fusum transire), omtrent een leengoed. De Salische wet bepaalde bijv. dat Frankrijk niet door eene vrouw geregeerd mocht worden. Zie No woman en In terram.

[Tomei]

Tomei (tomee), vaak verkort tot tome, (hebr.) onrein; vooral omtrent ritueele onreinheid, (bijv. van iemand, die des ochtends na het opstaan zich nog niet gewasschen heeft). De vrouwelijke vorm temeioh = eene onreine, duidt in de volkstaal aan: eene ontuchtige of publieke vrouw.

[Tomerniks]

Tomerniks, in de joodsche volkstaal zooveel als òns kruidje-roer-meniet; gezegd van iemand, die zeer gevoelig, al te fijn voelend, spoedig geraakt is. De uitdrukking is eene verbastering van het Duitsche thu-mir-nichts.

[Tommer]

Tommer, eigenlijk toumer (hebr.), (letterl.: ge zoudt kunnen zeggen) = misschien. Van hebr. amar (zeggen), 2e pers. fut.

[Tommy Atkins]

Tommy Atkins, (eng.), de verpersoonlijking van den soldaat.

[Tom-pouce]

Tom-pouce, klein, zeer fijn en lekker taartje. Naar den dwerg Tom Pouce (z.a.).

[p. 1150]

[Ton]

Ton, (hand.), eene aangenomen maat tot bepaling van den inhoud van schepen, of van de grootte der lading van schepen, zijnde gelijk of ongeveer gelijk aan 1000 kilogrammen.

[Ton amour m'a refait une virginité]

Ton amour m'a refait une virginité, (fr.), uw liefde heeft mij weder tot maagd gemaakt. Woorden van Marion Delorme, in Victor Hugo's drama van dien naam (V, 2), tot haren minnaar Didier, of liever tot de muren der gevangenis, waarin hij opgesloten is.

[Ton que fait la musique (C'est le -]

Ton que fait la musique (C'est le -, de toon geeft de muziek aan. Uit den toon, waarop iets gezegd wordt, blijkt de bedoeling van den spreker.

[Tonder]

Tonder, (barg.), praatje; die tonder is vermuft, dat praatje geloof ik niet.

[Tong is een klein lid (De -]

Tong is een klein lid (De -, uit Jak. III:5.

[Tong raakt los (Zijne -]

Tong raakt los (Zijne -, hij raakt aan 't praten. Vgl. Mark. VI:35; Luk. I:64.

[Tong-alchimist]

Tong-alchimist, werd William Ewart Gladstone († te Hawarden 19 Mei 1898, oud ruim 88 jaar, op staatskosten in Westminster-Abbey bijgezet), omdat hij met zijne tong (spraak) zooveel uitrichtte, getiteld in een Juni 1895 verschenen bundel gedichten van Richard le Gallienne -:

 
‘th'alchemic tongue that turned poor themes
 
Of statecraft into golden glowing dreams.

Dat is:

 
Tong-alchimist die dorre staatsproblemen
 
Tot gouden droomen maakte -’.

Zie Alchemie.

[Tonitruant]

Tonitruant, (fr.), donderend (van eene stem). Van het lat. tonitrus = donderslag.

[Tonkinois (Le -]

Tonkinois (Le -, (fr.), de Tonkinees. Bijnaam, den Franschen ministerpresident Jules Ferry (1832-93), door diens vijanden gegeven, omdat hij de expeditie tegen Tonkin had doen ondernemen.

[Tonnegeld]

Tonnegeld, belasting, geheven naar het aantal tonnen, 't welk de inhoud van een schip bevatten kan. Deze belasting was bij ons geregeld geworden bij de Algemeene Wet van 26 Augustus 1822 (Stbl. no. 38) Hoofdstuk 25 artt. 292-310; doch is in 1855 afgeschaft.

[Tonsuur]

Tonsuur, hoofd- of kruinschering der priesters, onderscheiden in de paulinische, boven 't voorhoofd, en de petrinische, op de kruin. De eerste is in de Grieksche kerk in gebruik, de tweede in de Latijnsche. Men kan de clericale en monachale tonsuur onderscheiden. De eerste bestaat in het wegscheren der haren van de kruin en is voorgeschreven voor alle geestelijken, van den laagsten tot den hoogsten rang; bij bisschoppen is zij iets grooter dan bij gewone priesters; de tweede, in vele monniksorden voorgeschreven, laat slechts een smallen haarkrans om het hoofd over. De tonsuur wordt aan de seculiere geestelijken gewoonlijk tegelijk met de vier mindere orden toegediend.

[Tontels op de kien]

Tontels op de kien, (barg.), sleutels.

[Tontine (Eene -]

Tontine (Eene -, aldus genoemd naar den Napolitaanschen bankier Lorenzo Tonti, die zich in de 17e eeuw in Frankrijk vestigde, is een kapitaal, door verschillende personen bijeengebracht, waarvan de voordeelen door de langstlevenden genoten worden. De deelnemers bepalen, dat het fonds op zeker tijdstip, vermeerderd met de oploopende renten, onder de alsdan nog levenden verdeeld zal worden; of men bezigt de inkomsten als lijfrenten, en stelt vast, dat de lijfrente van elk, die komt te overlijden, weder verdeeld zal worden onder de overlevenden. De uitvinder zag in de Tontines een uitstekend middel om gelden te verkrijgen ten behoeve der schatkist. In onzen tijd heeft men iets dergelijks in de overlevingskassen der levensverzekering-maatschappijen.

[Too full o' the milk of human kindness]

Too full o' the milk of human kindness, (eng.), zie Die Milch enz.

[Tooches]

Tooches (afgeleid van hebr. tachas, tachat = onder), eig. het onderste. De volkstaal duidt met dit woord aan: het achterste, het achterdeel.

[To-oes]

To-oes (ta-oeth), (n. hebr.) fout, dwaling, vérgissing; zie Tou-eh. Meervoud: To-i-jous, Ta-i-jotte = fouten, dwalingen, vergissingen.

[p. 1151]

[Toolbag]

Toolbag, (sport), gereedschapstasch.

[Toon.]

Toon. De tonen der Meesterzangers (z. a) waren strophenvormen met melodie. Die tonen hadden verschillende namen, naar Frauenlob, Mügling, Regenbogen, Marner e.a. zangers; dit waren de oudste tonen, waarmee het onderwijs op de zangschool dier zangers aanving. Verder had men de ‘schwarze Tintenweise’, de ‘Hagelblütweise’, de ‘Rosmarinsweise’, enz.

[Toondag]

Toondag of Beste toondag, een der voornaamste veemarkten van Zeeland, te Goes, invallend op den tweeden Dinsdag in November, wanneer van heinde en ver het beste, wat de boer op stal heeft, naar Goes gevoerd, daar ten toon gesteld en verhandeld wordt. Op dien dag heeft ook de verwisseling der dienstboden bij de landbouwers plaats; de knechts en meiden, vrijaf hebbend, maken dien tot een halve kermis.

[Tootelokken]

Tootelokken, oud Zeeuwsch gebruik op den Toondag (z.a.), hierin bestaande, dat een paar, hetwelk danste, een stuk koek neemt, en, ieder een eind in den mond, zóo den andere nadert, totdat het op een kussen gaat. Hierop volgt dan de officiëele vrijerij. Tootelokken z.v.a. (elkander) uitlokken tot tooten, tueten = kussen.

[Tootschoenen]

Tootschoenen, (wap.), schoenen met lange puntige neuzen, faaswijs.

[Toovenaars]

Toovenaars, spotnaam voor de inwoners van Schiedam, naar aanleiding van een heksenproces, daar gevoerd tegen van tooverij verdachte vrouwen.

[Tooveraars]

Tooveraars, spotnaam voor de inwoners van Iddergem, bij Denderleeuw (Oost-Vlaanderen) omdat het op den grooten kouter, die beide gemeenten scheidt, niet zelden spookt, gelijk beweerd wordt. Die kouter is naar het volksgeloof eene soort van vergaderplaats voor heksen en toovenaars.

[Tooveressen]

Tooveressen, spotnaam voor de inwoners van Onkerzele (Oost-Vlaanderen) bij Geeraardsbergen, omdat daar vroeger heksen zijn verbrand geworden. Men vindt er nog een tooveressenplein. Een inwoner van Onkerzele kon eertijds in 't omliggende land geen nachtverblijf bekomen.

[Toovermolen te Apolda]

Toovermolen te Apolda, waar men oud en rimpelig boven in geworpen werd, en er beneden jong, glad en gaaf weer uitkwam. Apolda ligt in het voormalig vorstendom Weimar.

[Tooverteeken]

Tooverteeken, zie Stigma diabolicum.

[Toow]

Toow, laatste letter van het hebr. alphabet, overeenkomend met th (of, zonder Dages lene, in de uitspraak der Asckenaz-Israëlieten, met s). De getallen waarde is 400.

[Topaas]

Topaas, roode steen; oorspronkelijk de naam, dien de ouden aan een groenen steen gaven, afkomstig van een eiland in de Roode zee, genaamd Topazos.

[Topje]

Topje, (barg.), hoedje.

[Topo]

Topo, (fr.), plan, uittreksel. Verkorting van topographie.

[Toren der winden (De -]

Toren der winden (De -, achthoekig marmeren gebouw te Athene, met voorstellingen in relief van de acht hoofdwindstreken; op het dak stond een Triton (z.a.), wiens staf zich naar den wind keerde als windwijzer; van binnen een wateruurwerk. Opgericht door Andronicus van Cyrrhus (zijne geboorteplaats, in Syrië) of Cyrrhestes in de 3e of 2e eeuw v.C.

[Toren van David (De -]

Toren van David (De -, een met de minaret eener moskee bekroond, prachtig, indrukwekkend bouwstuk, bij de Middeleeuwsche Jaffapoort te Jeruzalem, van welke het gescheiden is door wallen, die ten deele met zand en steen zijn gevuld.

[Torenkruiers]

Torenkruiers, spotnaam voor de inwoners van Zieriksee. Deze wilden eens een hoogen toren bouwen, doch kwamen niet verder dan tot het kruien van grond voor de fundeering.

[Torenmeters]

Torenmeters, spotnaam voor de bewoners van Oldeboorn, die heimelijk

[p. 1152]

de maat namen van den toren van Tzum, om voor zich een hoogeren te bouwen. Maar iemand, die den toeleg ontdekt had, sneed een stuk van hun maattouw af, en de toren van Oldeboorn werd nu lager, dan die van Tzum.

[Torenstad]

Torenstad, oudtijds benaming voor Zutphen, wegens de vele daar aanwezige kerk- en kloostertorens.

[Torenvijver]

Torenvijver, zie Patriarchen-vijver.

[Torenvreters]

Torenvreters, bijnaam voor de bewoners van Wirdum, bij Leeuwarden. Tot 1680 had hier de Hervormde kerk twee torens; doch eens heeft de gemeente, wegens geldgebrek éen toren voor afbraak verkocht.

[Tories]

Tories, de conservatieve staatkundige, de koningsgezinde partij in Engeland, in tegenstelling met Whigs, de liberale. Sedert 1680 ongeveer in zwang geraakt. Oorspronkelijk schimpnamen onder de regeering van Karel II († 1685). Tory wordt afgeleid van het Iersche tar a ry (kom, o koning!), dewijl de volkspartij beweerde, dat de conservatieve, de Hofpartij, geleek op de R.-Kath. rooverbenden, die ten tijde van Karel I († 27 Jan. 1649), onder voorwendsel van koningsgezindheid Ierland verwoestten, om den koning binnen te halen. Is dit zoo, dan kan men Tory met veel meer recht als ‘Iersche straatroover’ duiden, wat het woord in 't Engelsch nog heden beteekent. Men spreekt ook van high-Tories of hoog-T. = ultra-conservatieven

[Tornekeel]

Tornekeel, (wap.), zie Wapenrok.

[Tornooi]

Tornooi, (wap.), zie Steekspel.

[Tornooihelm]

Tornooihelm, (wap.), open helm, traliehelm (z.a.). Hgd. offener of Turnierhelm.

[Tornooihoed]

Tornooihoed, (wap.), in Engeland en vrij algemeen in Duitschland heeft de gewone hoed in de heraldiek ongeveer den vorm van een parallelogram met afgeronde hoeken, terwijl de rand ver naar achteren uitspringt; hij is doorgaans purper of rood, met hermelijnen opslagen, en heet fr. chapeau de tournoi, eng. cap of maintenance of cap of dignity, hgd. Turnierhut. In Nederland, en ook veelmalen in Duitschland, bedient men zich van een vrij lagen hoed met ronden bol en breede randen.

[Tornooikraag]

Tornooikraag, (wap.), ring, bezet met uitsteeksels als de driehoekige hangers van den barensteel, die zelf ook wel tornooikraag genoemd wordt.

[Toroed]

Toroed, (n. hebr., van hebr. tarod en chald. terad), steeds voortbewogen, voortgedreven; vandaar in de volkstaal: sterk bezig gehouden, geheel in beslag genomen.

[Torpedo]

Torpedo, vernielingswerktuig, in 't water gelegde mijn, ter verdediging van havens en riviermonden, waardoor men vijandelijke schepen in de lucht laat springen. Fulton, de uitvinder van het stoomschip, nam er in 1801 de eerste proef mede. Ontleend van den naam visch, sp. torpedo, ten onzent trilvrij of sidderaal, bij de oude Grieken reeds als narkè bekend, een visch, door wiens aanraking men een verlammenden electrischen schok krijgt, begint te trillen of te sidderen, en verlamd geraakt. Lat. torpibus, fr. torpide = verstijfd, gevoelloos.

[Torpedo (Aerial -]

Torpedo (Aerial -, lucht-torpedo, een projectiel, dat van boven af, uit de lucht op den vijand inwerkt, uitgevonden Mei 1896, en vervaardigd in ‘The Aerial Torpedo Syndicate Ltd.’ Het heeft den vischvorm, met van onderen en van boven zeilen, eene schroef van voren en eene soort van roer van achteren. Onderaan hangt eene lading dynamiet. Door een eigen motor stijgt de machine tot zekere verlangde hoogte op, en vertrekt dan met eene snelheid van 12 Eng. mijlen in het uur, alleen bij stil weer of bij een gunstigen wind. Na een vooraf bepaalden tijd moet het projectiel boven de vijandelijke stad gekomen zijn, en laat dan zijne lading van een ton dynamiet vallen.

[Torpedo (Een -]

Torpedo (Een -, (rest.), cognac met spuitwater.

[Torquemada]

Torquemada, een ketterjager naar een Dominicaan, bekend om zijn heftige

[p. 1153]

vervolging van Joden, Mooren en ketters, toen hij aan het hoofd stond der Spaansche Inquisitie.

[Torso]

Torso, romp van een beeld, d.i. een beeld, waaraan hoofd en ledematen ontbreken. Beroemd is de torso van Heracles, die in het begin der 17e eeuw in het Campo del Fiore werd opgedolven, en zich in het Vaticaan bevindt.

[Tortillant]

Tortillant, (fr. wap.), kronkelend om eene zuil (slangen, linten enz.).

[Tortillé]

Tortillé, (fr. wap.), met een hoofddoek.

[Tory]

Tory, zie Tories.

[Tostao]

Tostao, de Portugeesche testoen, z.a.

[Tot er de dood aan volgt]

Tot er de dood aan volgt, oorspronkelijk Fransch: Pendu jusqu à ce que mort s'ensuive, bij vonnis van 24 April 1524 door het parlement van Bordeaux vastgesteld, naar aanleiding van het overgroot aantal terdoodveroordeelden, die volgens de wet vrij kwamen omdat de strop brak, hetzij vanzelf, hetzij door tusschenkomst van beul of stroppenmaker.

[Tot hiertoe en niet verder]

Tot hiertoe en niet verder, uit Job XXXVIII:11. Toegepast op veroveraars (Napoleon I aan de Beresina), op groote euveldaders, enz. Vgl. Plus Oltre (z.a.). Maar ook in scherts.

[Tot op de koppen]

Tot op de koppen, (toon.), stampvol.

[Toten reiten schnell (Die -]

Toten reiten schnell (Die -, (hgd.), de dooden rijden snel; refrein uit Bürger's Lenore, waar Lenore in waanzinsdroom meent, door haren Wilhelm meegevoerd te worden, en gelooft, dat hij deze woorden tot haar spreekt.

[Totidem verbis]

Totidem verbis, (lat.), met even zoovele woorden.

[Totok]

Totok, (jav.), echt, onvervalscht, volbloed; totok wĕlanda = een volbloed Hollander; of wel iemand, die zich nog niet in Indië thuis gevoelt.

[Totopong woelong]

Totopong woelong, (mal.), zwarte hoofddoek.

[Touaf]

Touaf en tawaph, (ar.), jav. tawap, godsdienstige plechtigheid, waarbij de bedevaartganger naar Mekka zevenmaal met snellen tred en hardop biddend rondom de kaba loopt.

[Touché]

Touché, (wap.), zie Geraakt.

[Touchet (Marie -]

Touchet (Marie -, eene bekoorlijke vrouw, aldus naar eene bekende gunstelinge van Karel IX van Frankrijk, op welke (men zegt door Hendrik van Navarre) het anagram werd gemaakt: Je charme tout.

[Touchocho]

Touchocho (Tochacha), (hebr.), bestraffing, berisping. Iemand touchocho zeggen = tot iemand bestraffende vermanende woorden spreken (zie Mouchiach). Als term duidt touchocho (vaak verbasterd tot toucheche) een der beide boetredenen aan, Lev. XXXIII:14 vv. en Deut. XXVIII:15 vv.

[Tou-eh]

Tou-eh (To-ek), (hebr.), dwalend, vergissend. Zich toue zijn = zich vergissen, in dwaling verkeeren.

[Toujours en vedette]

Toujours en vedette, (fr.), altijd op post; Frederik de Groote in het Exposé du gouvernement prussien.

[Toujours perdrix]

Toujours perdrix, (fr.), altijd patrijzen. Toen Hendrik IV zoo verhaalt men, door zijn biechtvader om zijn vele minnarijen berispt werd, liet hij hem eenige dagen lang patrijzen opdisschen, totdat deze eindelijk zeide, dat hij ook weleens wat anders zou willen eten. De koning antwoordde, dat hij hem alleen de noodzakelijkheid van afwisseling had willen duidelijk maken. Het volle woord is: Toujours perdrix, toujours la reine!

[Touhoe]

Touhoe, zie Tohu.

[Toulet-biljard]

Toulet-biljard, of Billard-Toulet, biljart, naar den uitvinder-fabrikant Toulet, te Brussel en te Amsterdam, benoemd.

[Toulonsaansch kruis]

Toulonsaansch kruis, (wap.), geledigd (z.a.) kruis met verbreede armen, niet tot de schildranden reikend en elk drie knoppen dragend.

[p. 1154]

[Toumer]

Toumer, zie Tommer.

[Tour d'ivoire]

Tour d'ivoire, (fr.), letterl. ivoren toren, eigenlijk de tent, waaronder iemand zich, in figuurlijken zin, terugtrekt, zonder zich verder te storen, om hetgeen daarbuiten voorvalt. Dat beeld werd door Sainte-Beuve (1804-69) uitgedacht en gebezigd in een gedicht van zijn bundel Consolations, waar hij het, bij de opsomming der voornaamste dichters van het romantische tijdvak, op de terugtrekking uit den strijd van Alfred de Vigny (1797-1863), toepaste.

[Tourmaline]

Tourmaline, (fr.), lett. asch-aantrekker, sorte de pierre precieuse (Abt Olinger), steen die lichte stoffen aantrekt, bijv. asch, haar, vezels, wol en derg. In het midden der 18e eeuw werd deze steen in Frankrijk bekend en had toen allerlei namen: aphrisite, siberite, aimant de Ceylon, daourite, indicolite, rubilite, apyrite. - De groene heet tegenwoordig: Braziliaansche smaragd; de geelgroene: Ceylonsche péridot; de groenachtig-blauwe: Braziliaansche saphir; de karmozijn-roode: siberiet of Siberische tourmalijn, die veel op een robijn gelijkt.

[Tourné]

Tourné, (fr., wap.), gewend = rechtsgewend (wassende manen); ook bands- en baarswijs. Omgewend = (croissant) contourné, d.i. linksgewend.

[Tournez-vous (Mais -, de grâce et l'on vous répondra]

Tournez-vous (Mais -, de grâce et l'on vous répondra, (fr.). Deze woorden van Lafontaine, die ongeveer met ons kijk liever naar je zelf overeenkomen, worden gewoonlijk aangehaald als antwoord op de critiek of de verwijten van iemand, op wien deze minstens in dezelfde mate zouden passen; hgd. Kehre vor deiner eigenen Thür.

[Tourte (Vieille -]

Tourte (Vieille -, (fr.), oud wijf. Alleen in de volkstaal gebruikelijk.

[Tourteaux]

Tourteaux, (fr., wap.), koeken in het algemeen, in het bijzonder koeken van keel.

[Tourteaux-besants]

Tourteaux-besants, (fr., wap.), schijven gedeeld van kleur en metaal, dus rechts koek, links penning; gedeeld van metaal en kleur heeten ze besantstourteaux.

[Tous les genres sont bons, hors le genre ennuyeux]

Tous les genres sont bons, hors le genre ennuyeux, (fr.), alle genres zijn goed, behalve het vervelende; Voltaire in de voorrede van L'Enfant prodigue.

[Tous les hommes sont fous, et qui n'en veut pas voir,
Doit rester dans sa chambre, et casser son miroir]

Tous les hommes sont fous, et qui n'en veut pas voir,
Doit rester dans sa chambre, et casser son miroir,
(fr.), alle menschen zijn gek, en die er geen wil zien, moet in zijne kamer blijven en zijn spiegel stuk slaan, of wel, gelijk P. Boddaert (1694-1759) zegt:

 
Die nimmer zot wil zien, moet deur en venster sluiten,
 
Koom' nimmer uit zijn huis en houde er andren buiten;
 
Maar, opdat hem zijn wensch onfeilbaar moog' gelukken,
 
Sla hij de spiegels door zijn gansche huis aan stukken.

In de 17e eeuw onder eene plaat Chariot de la Mère folle; in 1686 bij Claude Le Petit in de Discours satiriques ook onder den datum van 19 Maart 1783 in de Correspondance secrète, deel XIV. - Ten onrechte beweert dus Jules Janin, dat deze regels afkomstig zijn van den markies de Sade.

[Tous les méchants sont buveurs d'eau:
C'est bien prouvé par le déluge]

Tous les méchants sont buveurs d'eau:
C'est bien prouvé par le déluge,
(fr.), alle slechte menschen zijn waterdrinkers, dat is wel bij den zondvloed gebleken; de Ségur, Chanson morale (1801).

[Toussaint]

Toussaint, (fr.), Allerheiligen, 1 November. Uit: la feste tous sains, daarvan la tous sains, toen la Toussaint; feest in 835 door paus Gregorius IV ingesteld.

[Tout à l'huile]

Tout à l'huile, (fr.), alles met olie; spreuk ter kenschetsing van het toppunt van gevoelloosheid. Volgens Grimm (Corresp. litt., février 1757) een der encyclopaedisten, had Fontenelle l'abbé Terrasson bij zich ten eten genoodigd; de gastheer at de asper-

[p. 1155]

ges met olie, en had bevolen eene helft met boter gereed te maken, daar zijn gast ze met boter at. De arme abt kreeg eene beroerte voordat hij aan tafel ging, en 't eerste, wat Fontenelle deed, was naar de keuken te loopen en te zeggen: Tout à l'huile! tout à l'huile!

[Tout à treize]

Tout à treize, (fr.), alles voor dertien. Eertijds te Parijs, naam van winkels, waar men allerlei snuisterijen voor 13 stuivers (65 centimes) kon koopen. Naar den kreet van den uitroeper, aan den ingang. Thans is dat de benaming van hetgeen wij een ‘bazar’ plegen te noemen.

[Tout arrive en France]

Tout arrive en France, (fr.), in Frankrijk is alles mogelijk. Dat gezegde, dikwerf aan De Talleyrand toegeschreven werd integendeel door den hertog De la Rochefaucauld aan Pierre Lenet toegevoegd, toen, den 4n Oct. 1650, beiden, na een onderhoud met Mazarin, te Bourg, in dezelfde koets als deze en de hertog Van Bouillon plaats hadden genomen en Lenet de opmerking maakte, dat niemand dat 14, ja 8 dagen te voren had durven voorspellen.

[Tout ça, c'est des histoires de femmes]

Tout ça, c'est des histoires de femmes, (fr.), dat zijn altemaal vrouwenpraatjes; woord van Fritz, den slechten soldaat, tot generaal Boum in La Grande Duchesse de Géroldstein, opera bouffe in drie bedrijven door Meilhac en Halévy, muziek van Offenbach, voor 't eerst opgevoerd in het Théâtre des Variétés op 12 April 1867.

[Tout citoyen est roi sous un roi citoyen]

Tout citoyen est roi sous un roi citoyen, (fr.), ieder burger is koning onder een koning, die burger is; Favart, Les trois Sultanes III, 3.

[Tout comme chez nous]

Tout comme chez nous, (fr.), juist als bij ons; Nolant de Fatouville, Mequin Empereur dans la lune.

[Tout est dans tout (Le -]

Tout est dans tout (Le -, (fr.), in alles is alles, de grondslag van de eenmaal zeer beroemde méthode Jacotot, voor taalonderwijs, in 1818 op vele plaatsen ingevoerd; en uitgevonden door J. Jacotot, lector aan de hoogeschool van Leuven, en verklaard in Enseignement universel, Langue maternelle (1823). - In 1786 verscheen te Bern een werkje Désordre régulier door Antoine de La Salle, waarin op blz. 5 de woorden: Tout tient à tout, et il y a de tout dans tout.

[Tout est perdu fors l'honneur]

Tout est perdu fors l'honneur, zie Alles is verloren enz.

[Tout est pour le mieux dans le meilleur des mondes possibles]

Tout est pour le mieux dans le meilleur des mondes possibles, (fr.), alles is zoo goed mogelijk in de beste der mogelijke werelden; Voltaire, Candide ou l'Optimisme (1759) de stelregel van doctor Pangloss, die aan Candide de ‘métaphysico-théologo-cosmolo-néologie’ onderwijst. Oorspronkelijk is dit gezegde van Leibnitz in de Theodicaea (1710), waarin hij verklaart, dat God oneindig vele werelden schiep, maar daarvan de best mogelijke koos, waar stoffelijk en zedelijk goed en kwaad zoo juist elkaar in evenwicht houden.

[Tout fait ventre (Chez eux -]

Tout fait ventre (Chez eux -, (fr.), zegt men van lieden, die het bij eten niet al te nauw nemen.

[Tout finit par des chansons]

Tout finit par des chansons, (fr.), alles eindigt met een deuntje m.a.w. niemand trekt zich aanhoudend de zaken aan. Mariage de Figaro van Beaumarchais (1784) laatste regel van het couplet van Brid'oison aan 't einde van het stuk, ter kenschetsing der luchthartigheid van het Fransche volk. Vandaar dat de Chamfort (1741-94) van den tijd vóor de Revolutie getuigt: le gouvernement de France était une monarchie absolue tempérée par des chansons. Zie Ils chantent, ils payeront.

[Tout homme a deux pays, le sien et puis la France]

Tout homme a deux pays, le sien et puis la France, (fr.), elk mensch heeft twee vaderlanden, het zijne en dan Frankrijk, Vicomte de Bornier, la Fille de Roland III, 2 woord van Charlemagne tegen Berthe, niet als bewering uitgesproken, maar in een aanval van zwaarmoedigheid bij herlevende hoop, als wensch nl.; hij wenscht dat

[p. 1156]

Frankrijk groeie en bloeie en geheel de menschheid ten zegen zij,

 
Afin qu'on dise un jour, selon mon espérance:
 
Tout homme a deux pays, le sien et puis la France.

[Tout lasse, tout casse, tout passe]

Tout lasse, tout casse, tout passe (fr.), alles vermoeit, alles breekt, alles gaat voorbij, alles om ons heen vergaat en wordt vergeten.

[Tout Paris]

Tout Paris, (fr.), allen, die in de Fransche hoofdstad den toon aangeven.

[Tout Paris pour Chimène a les yeux de Rodrigue]

Tout Paris pour Chimène a les yeux de Rodrigue, (fr.), geheel Parijs heeft voor Chimène de oogen van Rodrigue. Deze woorden, die men aanhaalt ter aanduiding der verblinde ingenomenheid eener partij of van een land met eenigerhande zaak, zijn ontleend aan de XIe satire van Boileau, r. 232: A mon esprit, waar de dichter gewaagt van den bijval door Corneille's Cid ontmoet, niettegenstaande dat treurspel door de Regeering en de Academie werd bestreden.

[Tout (Sur le -]

Tout (Sur le -, (fr. wap.), staat een figuur, die over andere heengaat; ook een hart- of middenschild.

[Tout savoir c'est tout pardonner]

Tout savoir c'est tout pardonner, (fr.), alles weten is alles vergeven. Bij nauwkeurig en gestreng onderzoek ontdekt men veelal verschoonbare althans verzachtende omstandigheden. De oorsprong is onbekend.

[Tout soldat français porte dans sa giberne le bâton de maréchal]

Tout soldat français porte dans sa giberne le bâton de maréchal, (fr.), ieder soldaat draagt den. maarschalkstaf in zijn ransel; kan tot den hoogsten rang opklimmen. Gezegde aan Napoleon toegeschreven. Daarentegen weet men thans zeker, dat zij den 8 Aug. 1819 door Lodewijk XVIII gericht werden aan de leerlingen der militaire school te St. Cyr.

[Tout va par degrés dans la nature, et rien par saut]

Tout va par degrés dans la nature, et rien par saut, (fr.), alles gaat trapsgewijs in de natuur, en niets bij sprongen; Leibnitz. Vgl. Natura in operationibus etc. (z.a.).

[Toute femme varie]

Toute femme varie, (fr.), elke vrouw verandert; spreuk volgens Brantôme, Vies des Dames galantes, Discours IV, door hem gelezen op de raampost (au costé de la fenestre) in de kamer des konings op het kasteel van Chambord en volgens getuigenis van den ouden concierge, gewezen kamerdienaar des konings, door Frans I geschreven. Voor de bewering dat het versje op de ruit, vgl. Souvent femme varie (z.a.), zou gestaan hebben, bestaat geen enkel bewijs.

[Touv]

Touv (tof), (hebr.), goed. Mazzel touv (Mazzal-tof) = goed geluk! gewone gelukwensch bij heugelijke omstandigheden.

[Touwelen]

Touwelen, verhollandscht van het hebr. werkw. towoul (tabol) = indompelen, indoopen, baden. Het wordt gezegd van den joodschen ritueelen plicht, om nieuwe aarden, glazen, metalen vaatwerken, voor spijs of drank te gebruiken, in water te dompelen, voordat men ze in gebruik neemt.

[Tower of London (The -]

Tower of London (The -, (eng.), een kasteel van uitgebreiden omvang aan de Theems te Londen. Volgens de overlevering werden de grondslagen door Julius Caesar gelegd; schoon als historische bouwmeester Gundulphus, bisschop van Rochester, genoemd wordt. Het gebouw strekte als residentie, als staatsgevangenis en vesting. Verschillende personen, o.a. Anna Boleyn, Thomas More enz., zijn er begraven.

[Touwtjessnijders]

Touwtjessnijders, spotnaam voor de bewoners van Tzum, bij Franeker. Zie Torenmeters.

[Toynbee-werk]

Toynbee-werk, armverzorging in den trant van Arnold Toynbee, die in 1875, als jongman van 23 jaar, student aan de hoogeschool te Oxford, onder het ontzenuwde proletariaat van het oostelijk deel van Londen ging wonen, † 1883. Zijne vrienden stichtten hem een gedenkteeken in het midden van East-Londen, nl. den beroemden Toynbeehall (in 1897 met Dr. Barnett aan het hoofd), het middelpunt voor Oxfordsche studenten, die in Whitechaple's armenbuurten

[p. 1157]

willen gaan werken naar de inzichten van Arnold Toynbee, die met zijn werk beoogde de verhooging van het verstandelijk en zedelijk peil des volks. Dit sociale werk was reeds lang vóordat het ‘Toynbeewerk’ heette, in theorie verdedigd en aangeprezen, en in praktijk uitgevoerd door een der vurigste christenen van zijn tijd, nl. Henri Maurice, die een werk schreef Working and Learning, en wiens volgelingen, hem ter eere in Whitechapel Oxfordhouse stichtten, met het beroemde ‘Workmencollege’. - Toynbeewerk vindt men te Verviers (België) onder leiding van Gilon; te Leiden voerde de student Steinmetz het in; te Amsterdam en 's-Gravenhage zetelt het in ‘Ons Huis’; te Winschoten vindt men eene Toynbee-vereeniging, welker leden onderwerpen van staatsinrichting, natuur- en scheikunde behandelen. Tegenwoordig is het doel van het Toynbee-werk tweeledig: 1o. volksontwikkeling, 2o. verbroedering. Het eerste bereikt 't meer dan het laatste.

[Trabe]

Trabe, (wap.), de dwarsbalk van een anker. Ook: de staf, aan welken een vaandel of banier is gehecht, wanneer 't nl. geen lans of piek is.

[Trabes]

Trabes, (bouwk.), van 't Latijnsche woord trabs of trabes: balk. Deze benaming werd in de Middeleeuwen gegeven aan den balk, welke in den triumfboog (boog, die het priesterkoor van 't ruim der kerk scheidt), geplaatst is. Op dezen balk staat gewoonlijk het groote kruis met de beelden van de H. Moeder Maria en St. Jan, tusschen deze worden groote waskaarsen geplaatst welke in de diensten ontstoken worden.

[Tracé]

Tracé, (wap.), zie Geschaduwd.

[Trade unions.]

Trade unions. In Groot-Brittanje, volgens de verklaring der sociologen S. en A. Webb, ‘permanente groepen van gesalarieerden, die ten doel hebben, de voorwaarden, waaronder deze arbeiden, te waarborgen en te verbeteren.’ Voor zoover men weet, ontstonden zij omstreeks twee eeuwen geleden. Volgens het 9e verslag van den Chief Labour Correspondent (1897), bestonden er in 1896, voor zoover zij hare verslagen bij de Regeering hadden ingediend, 1330 trade unions met 1,487,562 leden.

[Tradedollar]

Tradedollar, handelsdollar, sedert 1873 ingevoerd in Amerika voor den handel in Oost-Azië; bijna 2 pCt. meer waard dan de gewone dollar.

[Trade-mark]

Trade-mark, (eng.), handelsmerk

[Traduttore, traditore]

Traduttore, traditore, Italiaansche woordspeling: vertaler, verrader; om er mee aan te duiden, dat een vertaler dikwijls het oorspronkelijke gebrekkig of geheel onjuist weergeeft.

[Trage handen en slappe knieën oprichten]

Trage handen en slappe knieën oprichten, uit een toestand van werkeloosheid opstaan, tot wakkerheid en ijver. Ontleend aan Hebr. XII:12.

[Tragedie]

Tragedie, oude naam voor comedie (bij Aristophanes). Gr. tragooidia = bokkezang (uit tragos = bok, en ooidè uit aoidè = gezang), òf omdat bij de oudste tragediën een bok geofferd werd, òf omdat een bok de prijs der overwinning was, òf omdat de tooneelspelers (die oorspr. saters voorstelden) zich met bokkevellen bekleedden.

[Tragedie (De vader der -]

Tragedie (De vader der -, Aeschylos, de Athener, (525-426 v.C.) Thespis (omstr. 530 v.C.), die in een wagen met zijn tooneelgezelschap rondreisde, was de eerste, die op de feesten van Dionysos (Bacchus) aan de koorgezangen eene theatrale voorstelling der mythen van Dionysos toevoegde en wordt daarom niet zelden ‘De vader van het treurspel of drama’ genoemd.

[Trahit sur quemque voluptas]

Trahit sur quemque voluptas, (lat.), elk wordt door zijne hartstocht medegesleept, woorden van Corydon. Vergilius, Ecl., II, 65.

[Train (Etre dans le -]

Train (Etre dans le -, (fr.), op de hoogte der mode, der heerschende denkbeelden blijven, met zijnen tijd medegaan.

[Trail]

Trail, (fr. wap.), zie Trek.

[Trainwrecker]

Trainwrecker, (amer.), spoortrein-ongeluk-veroorzaker, de gemeene Amerikaansche trainwrecker, de verderver uit lust tot verderven, die aan 't werk is, en vernielt, wat hij een ander niet gunt.

[p. 1158]

[Traite]

Traite of Tratte (hand.), een getrokken wissel, is iedere wissel, waarin de gever (trassant) aan een derden op eene andere plaats wonenden persoon (trassaat) order geeft, aan den in den wissel genoemden nemer (remittant) of diens order, op een bepaalden tijd eene zekere som uit te betalen.

[Traliehelm]

Traliehelm, (wap.), hgd. Spangenhelm, helm met traliën, meestal vijf in getal, door middel eener dwarsstaaf aan elkander verbonden. Later ook tornooihelm, hgd. offener of Kolbenturnierhelm geheeten. Op dezen lieten de adellijken van lieverlede een uitsluitend recht gelden.

[Tram]

Tram, (eng.), naar weleens beweerd wordt, naar Thos. Outram, die in 1801 rails op houten dwarsleggers zou hebben geplaatst. Deze bewering wordt echter weersproken door het feit, dat men reeds in 1740, toen de eigenaars der ijzersmelterij van Coalbrookdeal besloten, de houten spoorwegen, aldaar, door ijzeren te vervangen, den naam ‘tramway’ kende (Prof. Moll in Die gesammten Naturwissenschaften, 3e druk, I, 788). Men vergete overigens niet, dat in het Noorden van Engeland een kolenwagen sinds lang ‘tram’ wordt genoemd. De oudste trams zijn van 1602, die voor personen van 1832.

[Tramontane]

Tramontane, Italiaansche benaming der poolster, die men, op de Middellandsche zee zijnde, boven de Alpen ziet, en dus stella tramontana, d.i. de ster aan gene zijde der bergen, noemt. Spreekwijze: de tramontane kwijt zijn = zijn koers kwijt zijn, in de war zijn; omdat vóor de uitvinding van het kompas, een schipper, die ster uit het oog verliezend, waar hij zich naar richtte, gevaar liep, zijn koers kwijt te raken. Ook verstaan de Italianen door het woord den Noordenwind, den wind van over de bergen.

[Tranché]

Tranché, (wap.), rechtsgeschuind.

[Tranen zaaien, zullen maaien met gejuich (Die met -]

Tranen zaaien, zullen maaien met gejuich (Die met -, uit Ps. CXXVI:5, waar echter van der Joden gelukkigen terugkeer uit de Babylonische ballingschap sprake is.

[Trangles]

Trangles, (wap.), smalle balken in oneffenen getale; elk ter breedte van 1/15 der schildhoogte. Hgd. Strichbalke.

[Tranquille comme Baptiste]

Tranquille comme Baptiste, (fr.), gerust als Baptiste, ter aanduiding van de grootst mogelijke gelatenheid. De uitdrukking stamt uit den tijd, toen de naam van Baptiste Deburau (1796-1846), die uitmuntte door de wijs waarop hij de rol van Pierrot in sommige pantomimes vervulde en die door soberheid der gebaren inderdaad bij zijne voorgangers gunstig afstak, in aller mond leefde, vooral bij de Parijsche werklieden, die hem met zijn voornaam pleegden aan te duiden.

[Transactie]

Transactie of dading, ‘eene overeenkomst, waarbij partijen, tegen overgave, belofte of terughouding eener zaak, een aanhangig geding ten einde brengen, of een te voeren geding voorkomen’. (Art. 1888 B.W.). Zij moet schriftelijk worden aangegaan.

[Transatlantiques]

Transatlantiques, (fr.), overzeeschen, noemt men te Parijs de leden der Amerikaansche kolonie. Abel Hermant heeft dien naam van nieuwerwetsche vinding door eene comedie vereeuwigd, die den 21 Jan. 1898, in den schouwburg du Gymnase voor 't eerst werd opgevoerd.

[Transcendentaal philosophie]

Transcendentaal philosophie, de Metaphysica.

[Transeat]

Transeat, (lat.), het ga voorbij, worde vergeten, of niet verder vermeld. Ook: transeat cum ceteris (het ga met het overige voorbij).

[Transept]

Transept of transsept, elk dwarsschip der groote Middeleeuwsche kerken, waardoor de lengte van 't gebouw wordt afgebroken, en dwarsvleugels worden gevormd. Uit lat. trans (overheen, dwars doorheen) en septum (of saeptum) = omheining, afschutsel, afgesloten plaats. Zoo vroeger algemeen in de groote R.-Kath. kerken, is het orgel met koor in de Nieuwe St. Bavo, kathedraal te Haarlem, aan de Leidsche vaart, in de transept geplaatst.

[p. 1159]

[Transfiguratie]

Transfiguratie, (r.k.), zie Kerkdagen. Lat. transfiguratio = verandering, gedaanteverwisseling. Bekend is de transfiguratie van Christus (Matth XVII:2, Mark. IX:2: transfiguratus est, Vulgata), ook in schilderij door Rafaël († 1520).

[Transsix]

Transsix, (oork.), oorkonde aan een oudere bevestigd door den staart (z.a.), door eene insnijding in deze te steken alvorens het was er aan te hechten; bv. een koopbrief aan een ouderen van hetzelfde huis of stuk grond.

[Transsumpt]

Transsumpt, (oork.), oorkonde, afgeschreven in eene jongere, die een gevolg is van de eerste; wanneer bv. een landsheer een privilegie, door een zijner voorgangers gegeven, bevestigt, wordt in den bevestigingsbrief de giftbrief als transsumpt opgenomen; dus wel te onderscheiden van vidimus (z.a.).

[Transsubstantiatie]

Transsubstantiatie, d.i. omzetting van zelfstandigheid, overgang van wezen, naam door Hildebert van Tours in zwang gebracht voor het leerstuk der R.-K. Kerk, dat bij het H. Avondmaal de wijn werkelijk verandert in het bloed, en het brood in het lichaam des Heeren. Paus Innocentius III heeft op het vierde Lateraanconcilie (in 1215) de leer van de werkelijke tegenwoordigheid van Christus door transsubstantiatie, tot een R.-K. leerstuk verheven.

[Trappen]

Trappen, (afr.), bijv.: hij het goed vastgetrapt, hij is zwaar ziek geweest.

[Trappers]

Trappers, (barg. en mil.), schoenen.

[Trappers]

Trappers, (am.), vallenzetters, van eng. trap (een val); naam voor avonturiers in het verre Westen, die onder de Indianen leven en jacht maken op wilde dieren (om de huid).

[Trappisten]

Trappisten, (r.k.), naam van een tak der oude Cisterciensen-orde, hervormd door de Rancé (geb. 9 Jan. 1626 te Parijs, † 26 Oct. 1700) en aldus geheeten naar La Trappe, de abdij der Cisterciënsers bij Mortagne, in het departement Orne. Ze was reeds in 1122 gesticht, en droeg aanvankelijk den naam van ‘Notre dame de la maison Dieu’, maar verkreeg later dien van ‘La Trappe’ = Valdeur, wegens den zeer nauwen toegang tot het dal.

[Trappistenbier]

Trappistenbier, bier, dat in de Trappisten-brouwerij ‘de Schaapskooi’ te Tilburg en te Chimay in België wordt gebrouwen.

[Trassi]

Trassi, (jav. en batav. = belatjan mal.), eene deegachtige zelfstandigheid, van donkerbruine kleur, tot koekjes gevormd uit gezouten en fijn gestampte kleine garnalen en andere vischjes. Dit praeparaat verspreidt een onaangenamen geur doch is onmisbaar bij eene piquante bereiding van de toespijzen, gebruikt bij de Indische rijsttafel.

[Travaglinootje]

Travaglinootje, (rest.), een halfje advocaat (morgendrank), naar het bekende Kamerlid Travaglino, die zeer klein van gestalte is en vroeger Advocaat te Amsterdam was.

[Travailler pour le roi de Prusse]

Travailler pour le roi de Prusse, werken voor niets, zonder eenige geldelijke belooning te ontvangen. Onder Frederik den Groote (1740-86) schijnt de armoede van Pruisen spreekwoordelijk te zijn geweest. De soldaten werden slecht betaald, en de officieren genoten een mager traktement. De maand werd onveranderlijk op 30 dagen gerekend, dat is 360 per jaar, zoodat de brave lieden 5 à 6 dagen per jaar voor niets dienden. Bovendien was de koning streng en veeleischend in den dienst. In Frankrijk heet bij het Lotto of kienspel No. 31: ‘jour sans pain, misère en Prusse’, doelend op bovengenoemde soldij berekening. Men schrijft het sprw.: travailler pour le roi de Prusse toe aan Voltaire, kardinaal Fleury, e.a.

[Travaillez, prenez de la peine,
C'est le fonds qui manque le moins]

Travaillez, prenez de la peine,
C'est le fonds qui manque le moins,
(fr.), werk, geef u moeite; dat is het kapitaal, dat het minst in gebreke blijft; inleiding op Le Labóureur et ses Enfants, Lafontaine, Fables V, 9.

[p. 1160]

[Travée]

Travée, (bouwk.), boogstelling, om aan te duiden, dat gedeelte van eene bouwkunstige zamenstelling dat tusschen de dragende hoofdpunten of tusschen twee gordelbogen begrepen is; ook noemt men travée van een dak het gedeelte dat tusschen twee hoofdspanten besloten is.

[Travers]

Travers, gedeelte van een Rijksweg door de straten eener stad loopende. Het woord werd zeer bekend, toen in Den Haag, eene commissie het standbeeld van Thorbecke wilde plaatsen; wat de minister J. Heemskerk Az., met het oog op de nabijheid van het paleis, nog al bedenkelijk vond; daarom heette het, dat de weg een Rijkstravers was, en dus open moest blijven.

[Traversé]

Traversé, (fr. wap.), met een lang voorwerp dwars er door of door een ruimte in stuk.

[Travesti]

Travesti, (fr. toon.), verkleed, d.i. eene vrouw, die eene mannenrol speelt, of het omgekeerde.

[Travestie]

Travestie, eene comische of satyrische dichtsoort, die een ernstig gedicht daardoor bespottelijk maakt, dat ze den inhoud daarvan behoudt, maar in een ongepasten vorm verkleedt; terwijl bij de parodie (z.a.) de vorm behouden en de inhoud gewijzigd wordt.

[Tread]

Tread, (sport.), trapwijdte.

[Treaty-ports]

Treaty-ports (eng.), verdragshavens, ten getale van zes tusschen 1850 en '60 in Japan opengesteld, waar vreemdelingen in afzonderlijke kwartieren vrij mogen wonen. Tot daartoe was Nagasaki de eenige haven voor vreemdelingen; aldaar toch op het kunstmatig eilandje Desjima (Decima), niet grooter dan het Centraal-Station te Amsterdam, bezat eene Nederlandsche factorij het monopolie van den handel. Eng. treaty = traktaat, verdrag, overeenkomst.

[Trécheur]

Trécheur, (fr. wap., spr. uit trékeur), smalle geleliede binnenzoom (z.a.).

[Trederikkers]

Trederikkers, (barg.), voeten.

[Tredmolen]

Tredmolen, (eng. treadmill), marteltuig, of, gelijk de Engelschen beweren, straftuig; de veroordeelde heeft drie uren daags de uitstekende planken van een wentelend rad te trappen, waarbij hij zich aan eene lat boven zijn hoofd vasthoudt. Trapt hij niet, dan loopt hij gevaar door de planken gekwetst, trapt hij mis, dan heeft hij kans verbrijzeld te worden.

[Treemaker]

Treemaker, (barg.), schoenmaker.

[Treflé]

Treflé, (fr. wap.), zie Geklaverd.

[Treife (Wij zijn - verschut]

Treife (Wij zijn - verschut, (barg.), wij zijn ingerekend. Zie Trijfe en Trijfel.

[Treillis]

Treillis, (fr. wap.), samenstel van versmalde en verkorte balken en palen, met spijkerkoppen op de kruispunten.

[Treillissé]

Treillissé, (fr., wap.), van zeer nauw aaneengesloten netwerk voorzien, betralied.

[Trek]

Trek, (wap.), waterpasse rij veldjes in een geschaakt (z.a.) schild of balk; in een gescheiden paal de loodrechte rij.

[Trekken]

Trekken, (barg.), zakkenrollen.

[Tremblers]

Tremblers, (eng., am.), bevers. Zie Kwakers.

[Tremblez, tyrans, vous êtes immortels!]

Tremblez, tyrans, vous êtes immortels! (fr.), beeft, tirannen, gij zijt onsterfelijk; l'abbé Delille in Dithyrambe sur l'immortalité de l'âme.

[Tremolo]

Tremolo, (it., muz.), bevend, sidderend, d.i. snel herhalend dezelfde tonen (intermitteerend) of wel opvolgende versterkingen van den toon.

[Treppenwitz]

Treppenwitz, (hgd.), zie Esprit d'escalier.

[Tres faciunt collegium]

Tres faciunt collegium, (lat.), drie personen zijn noodig voor eene wettige rechtspraak, of eenige andere bijeenkomst, welke ook. Vandaar: De professor, die éen student op zijn college vond, hield toch college, ‘want’, zeide hij, ‘er zijn er drie: God, gij en ik!’ of Deus, tu et ego, naam van een

[p. 1161]

Utrechtsch studentengezelschap, waar alles à trois gebeurt: drie paarden, drie in een rijtuig enz.

[Tres Tabernae]

Tres Tabernae, (lat.), letterl. de Drie Hutten, naam van een dorp aan den Appischen weg, waar de Appius-markt of het Forum Appii lag, eene kleine stad aan den kunstweg van Puteoli naar Rome, dien Appius had aangelegd, aan 't begin der Pontijnsche moerassen. Vermeld Hand. XXVIII:15.

[Trestaillon]

Trestaillon, (fr.), heette de aanvoerder van elke bende, die in 1815, in de Zuidelijke departementen van Frankrijk de zoogenaamde terreur blanche inrichtten.

[Trescheur]

Trescheur, (fr. wap.), (spr. uit trékeur), geleliede binnenzoom.

[Treuga Dei]

Treuga Dei, (mid. lat.), Godsvrede. Zie Trève-Dieu.

[Treurige figuur]

Treurige figuur, zie Chevalier de la triste figure.

[Trève des confiseurs (La -]

Trève des confiseurs (La -, (fr.), te Parijs, het tijdperk loopende van vóor Kersttijd tot na Nieuwjaar, gedurende hetwelk de Wetgevende Kamers gemeenlijk niet vergaderd zijn, de staatkunde rust en zoodoende de verkoop van geschenken door deze niet wordt gestoord.

[Trève-Dieu]

Trève-Dieu, Godsvrede; in de Middeleeuwen, toen het oorlogvoeren der kleinere en grootere kasteelen onderling zóo onhoudbaar was geworden en de roof- en plunderzucht der edelen zóo toenam, dat de geestelijkheid, die zich machteloos gevoelde tegenover het kwaad zelf, eenige verbetering trachtte te bewerken, door het maken eener bepaling, waarbij het, op straffe van ex-communicatie, verboden was te dooden of gewapenderhand te vellen, van Woensdagavond tot Maandagmorgen. Die bepaling heette Trève-Dieu.

[Trèves-kamer]

Trèves-kamer of Trèveszaal op het Binnenhof te 's-Gravenhage, ook als de Bestandskamer bekend, omdat er het Twaalfjarig Bestand tusschen Spanje en onzen Staat (1609-21) in den 80-jarigen oorlog, gesloten werd. Door eene deur heeft ze gemeenschap met het Hof der oude Graven van Holland. Het Maandags-congres of de wekelijksche bijeenkomst der uitheemsche gezanten, werd er in 1749 gehouden. Eene afbeelding er van bevindt zich in ‘Tegenw. staat der Vereen. Nederl.’, dl. XI, tegenover blz. 248.

[Trèves-kamer (De -]

Trèves-kamer (De -, zaal in het stadhuis te Nijmegen; dus geheeten omdat in 1678 daarin de Vrede van Nijmegen tusschen onze Staten, den Keizer van Duitschland en Frankrijk, Spanje en Engeland gesloten werd.

[Triangle]

Triangle, (fr. wap.), gelijkzijdige driehoek met de waterpas staande zijde omlaag.

[Trianglé]

Trianglé, (fr. wap.), door waterpassen en rechtsche en linksche schuine lijnen in gelijkzijdige driehoekjes verdeeld.

[Trianon (Groot]

Trianon (Groot en klein -, naam van twee vorstelijke lustsloten bij Versailles; het eerst door Lodewijk XIV voor madame de Maintenon, het andere door Lodewijk XV ten behoeve zijner losbandige feesten gebouwd en ingericht. Ter plaatse lag eerder een dorp Triarnum (reeds vermeld in de 12e eeuw), waaruit de benaming sproot. Triarnum kan driehoek beduiden.

[Trias]

Trias, (gr., lat.), drietal. De Platonische of liever Neoplatonische Trias = God opzichzelf als denkend en scheppend Wezen, dat het Goede (to agathon), het Verstand (nous) en de Ziel of het Zieleleven (psuchè) vertegenwoordigt. De Christelijke Trias = Vader, Zoon en Heilige Geest; de drie onderscheidene personen in het éene goddelijke wezen.

[Trias]

Trias, Triastijdperk, een tijdperk uit de historische geologie, het oudste der Mesosoïsche periode. De gesteenten voor de Triasformatie kenmerkend zijn keuper, schelpenkalk en bonte zandsteen, en naar deze drie gesteenten ontving de formatie en het tijdperk den naam Trias.

[p. 1162]

[Trias politica]

Trias politica, (de leer van) de drie staatsmachten: wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht.

[Triboulet]

Triboulet, de type van den hofnar, naar den hofnar van dien naam (1479-1536) van Koning Lodewijk XII. Hij heette eigenlijk Feurial.

[Tribunal]

Tribunal, verhevenheid van hout of steen, desnoods van aarde of zoden; de plaats van den praetor, wanneer hij zitting hield.

[Tribuni]

Tribuni, oorspronkelijk hoofden der tribus; doch alras ging deze naam over op ambtenaren, wier werkkring een geheel andere was; terwijl zij, die aan het hoofd der onderscheidene tribus stonden en de lijsten der in elke tribus ingeschreven burgers moesten bewaren, den naam kregen van curatores tribuni.

[Tribunus plebis]

Tribunus plebis, (lat.), volkstribuun, Romeinsche benaming voor de plebejische beambten (oorspronkelijk ten getale van twee), die de belangen des volks tegen de patriciërs hadden te verdedigen; in 494 v.C. na de secessio plebis als auxilium (hulp, bijstand) voor de plebs ingesteld; zij waren sacrosancti (onschendbaar), en alleen uit de plebs verkiesbaar.

[Trichiner]

Trichiner, (fr.), in de gemeenzame taal varkensvleesch eten. Het woord ontstond onmiddellijk nadat Prof. Virchow de trichine had gevonden (1865), en als een paskwil op die ontdekking, die men toenmaals in Frankrijk eene ‘uitvinding’ (‘l'invention des trichines’) durfde noemen.

[Tricht]

Tricht, in Maastricht enz. trecht in Utrecht enz. drecht in Dordrecht enz. beteekent overtocht. Uit lat. trajectum.

[Triclinium]

Triclinium, eig. dischbank; tafel om te eten, met drie aanlegsofa's, ook wel het eetvertrek zelf.

[Tricolour]

Tricolour, iedere vlag uit drie kleuren bestaande, zooals de Nederlandsche, de Belgische enz. In Frankrijk werd de Tricolour, rood, wit en blauw, de vlag van de opstandelingen tegenover de witte vlag met de leliën van de Bourbons. Het was eigenlijk de vlag van Parijs, in 1789 door de malcontenten aangenomen tegenover de koningspartij.

[Tricongius]

Tricongius, zie Bicongius. Alzoo, iemand die drie congii in éene teug ledigen kon.

[Tricycle]

Tricycle, (sport.), driewieler.

[Tridominaat]

Tridominaat, drievoudig beheer, bijv. van Amerika, Duitschland en Engeland over de Samoa-eilanden.

[Triens]

Triens, het derde deel van den solidus, gouden munt der Romeinen; het eerst onder Constantijn den Groote (306-37 n.C.) in gebruik gekomen, en evenzeer door Franken en andere barbaren nagebootst. Eerst pl. m. 25 denarii, later slechts de helft waard. Waarde aan goud pl. m. f 2. - De Merovingische koningen sloegen in navolging van het Oost-Romeinsche rijk ook trientes in goud, veelal tiers de sol genaamd. Deze vindt men o.a. ook van de steden Utrecht, Wijk-bij-Duurstede, Maastricht. Door de oude wiskunstenaars werd ook het tweetal triens genoemd, als derdedeel van 6, het volmaakte getal, numerus perfectus.

[Trijfe worden]

Trijfe worden, (barg.), vastgezet worden.

[Trijfel verschut]

Trijfel verschut, (barg.), op heeterdaad betrapt.

[Trilby]

Trilby, portemonnaie, in verschillende grootte, voor heeren en dames, ook in verschillend leder. Geleverd in een doosje, waarop de photographie van Trilby. Men heeft ook Trilby-hoeden, -corsetten, -sigaren, -rijwielen. Trilby, op wie Billee verliefd wordt, is de hoofdpersoon van een Engelschen sensatieroman van den Punch-illustrator George du Maurier, waaruit een tooneelspel in vier bedrijven is getrokken (11 Maart 1896 te Amsterdam vertoond). Met zinspeling op miss O'Ferrale's bloote voetjes, spreken de dames in Engeland niet meer van ‘voeten’, maar doen zich door den schoenmaker een bekleedsel voor hare trilbies aanmeten.

[p. 1163]

[Trilbyisme]

Trilbyisme, het half-geëmancipeerde, ongegeneerde, half-slechte, schaamtelooze, in een meisje, in den trant van Trilby, gelijk ze in den gelijknamigen roman wordt geschetst.

[Trilithon]

Trilithon, (gr.), letterl. drievoudige steen. Aldus, of het Heiligdom der Drie Steenen, noemde men den Zonnetempel te Baälbek (Syrië), waarvan de ruïnen nog overig zijn), omdat in eenen der zijgevels drie reusachtige steenen zijn gemetseld, 62, 63 en 64 voet lang, 13 voet breed en hoog, die niet tot de grondlaag van den muur behooren, doch zich bevinden op eene hoogte van 21 voet. Onder dit drietal steenen gelijkvloers, ligt de hoeksteen, de koning der kwadraten geheeten, 67 voet lang.

[Triljoen]

Triljoen = miljoen tot de 3e macht of 1000,000 × 1000,000 × 1000,000. Biljoen = 1000,000 × 1000,000 De Franschen noemen 1000 × 1000 × 1000,000 een triljoen, terwijl zij 1000 × 1000,000 een biljoen of een milliard noemen.

[Trilogie van Aeschylus]

Trilogie van Aeschylus, bestaat uit drie treurspelen Agamemnon, Choèphoroi en Eumenides, omdat ze bij elkander behooren. Agamemnon handelt over den moord van Agamemnon, koning van Mylene, door Clytemnestra en Aegisthos; Choèphoroi (de lijkoffers biedenden) over den moord van Clytemnestra door Orestes en zijne zuster Electra; Eumenides (de wraakgodinnen) over de vrijspraak en ontzondiging van den door de wraakgodinnen vervolgden moedermoorder Orestes door de rechtbank van den Areopagus te Athene. In 458 v.C. op het tooneel gebracht.

[Trimard]

Trimard ook trimar, (fr. arg.), de weg. Vandaar trimarder = langs de wegen dwalen, landloopen en trimardeur = iemand, die van eene gemeente naar eene andere trekt, onder voorgeven naar arbeid te zoeken, maar die in werkelijkheid van bedelarij en diefstal leeft.

[Trinacria]

Trinacria, het eiland der voorgebergten; als zoodanig stond Sicilië bij de Ouden bekend. Van gr. tri (voor tris = treis, drie) en akron (spits). Bij de Romeinen Triquetra (z.a.).

[Trinitariërs]

Trinitariërs, monnikenorde, aan de heilige Drieëenheid (Triniteit) gewijd, in 1198 gesticht door Felix van Valois en Johan van Maltha, - vanhier ook Maltharijnen geheeten, - met het doel om Christenen uit de handen der Saracenen los te koopen en naar hun vaderland te doen wederkeeren. De eerste schare van zulke vrijgekochte slaven in Marokko keerde in 1200 naar hunne bakermat terug; zij heetten ook wel eens Frères aux ânes (z.a.), omdat zij op ezels naar de Mohammedaansche streken togen. Cerfroy werd de hoofdzetel der orde.

[Trinitates]

Trinitates, (r.k.), zie Kerkdagen.

[Triniteit (De -]

Triniteit (De -,

Van de Amerikaansche Indianen: Otkon, Messou en Athuata.

Van de Brahmanen: Brahma, Vishnu en Siva, voorgesteld als een lichaam met drie hoofden.

Van Plato: T'agathon of het Goede; ‘Nous’, (eeuwig) verstand, de bouwheer der wereld; en Psuchë of de wereldziel.

Van de Perzen: Oromasdes. Mithras en Arimanes.

Van Orpheus (stichter eener mystische secte van Orphici omstr. 600): Phanès, Uranus en Chronos.

Van de Egyptenaars: Eicton, Cneph, de demiurgus, en Phtha. - Jamblichus.

Van Pythagoras: De Atoom of Eenheid; Nous of de wereldgeest (die de stof ordent); Psuche of de wereldziel.

Van de Romeinen: Jupiter of Goddelijke Macht, Minerva of goddelijke Logos, Juno als Amor ac Delicium Jovis, d.i. liefde en wellust van Jupiter. G.J. Vossius ‘De Theol. Gentil’. VIII 2.

Van de Scandinaviërs: Odin, die adem des levens gaf; Haenir, die het verstand en de beweging gaf; Lodor, die het bloed, de kleur, spraak, het gezicht en het gehoor gaf.

Van de Noord-Hollandsche boeren: de rijksdaalder, de kaas en de koe.

In de Christelijke kerk werd het woord het eerst ingevoerd door Tertulianus (160-240).

[p. 1164]

[Trinkgeld (Hölzernes -]

Trinkgeld (Hölzernes -, (hgd.), houten drinkgeld, d.w.z. een pak slaag.

[Trinquer]

Trinquer, (fr.), klinken. Alweder een uit het hgd. overgewaaid woord; 't is toch blootelijks eene verbastering van trinken = drinken. Toch heeft het eene vrij talrijke nakomelingschap. Zoo heet een drinkend man in de volkstaal een trinckmann of een mannetrinque, waarvan men tevens een mannestrifigue heeft gemaakt. Ook manneringue = slijter van wijn enz. (waarbij klaarblijkelijk tevens het zinken dekblad van de toonbank dier lieden eene rol heeft gespeeld), behoort eveneens tot die groep. Men zegt ook minziguin.

[Triobolos.]

Triobolos. Zie Obolus.

[Trip]

Trip, (wap.), schoeisel, bestaande alleen uit een houten zool met een riem over den voet.

[Tripatouiller]

Tripatouiller, (fr.), vrij wel overeenkomende met ons knoeien, werd door Coliban (recta Emile Bergerat) uitgedacht, en voor 't eerst door hem gebezigd in een door hem aan het dagblad Le Figaro (22 Dec. 1887) gericht schrijven, waarin hij zich beklaagde, over het plan van den directeur van den Odéon-schouwburg, om zekere wijzigingen te brengen in Bergerat's bewerking voor het tooneel van Le Capitaine Fracasse van Théophile Gautier. Vandaar tripatouillage = geknoei en tripatouilleur = knoeier, welk laatste woord eveneens in het aangehaalde schrijven voorkomt.

[Triple Alliantie]

Triple Alliantie, Drievoudig Verbond, in 1668 tusschen Engeland, Nederland en Zweden gesloten, om tegenover Lodewijk XIV voor de vrijheid van Europa te waken. - Door het beleid van Visconti-Venosta, herhaaldelijk minister van Buitenl. Zaken, als monarchist, en raadgever van koning Victor Emanuël, wien hij in 1876 naar Berlijn begeleidde, werd toenmaals de grondslag gelegd tot de vriendschap tusschen Duitschland, Oostenrijk en Italië op aanstiften van Crispi, bij wien Bismarck en Kalnocky. zich aansloten, kwam in 1881 een verbond tot stand, dat men de hedendaagsche Triple Alliantie zou kunnen noemen en dat ook Triplice genoemd wordt.

[Triplet]

Triplet, (sport), rijwiel voor drie personen.

[Triplice]

Triplice, (fr. en it.), het, in 1881 tusschen Italië, Duitschland en Oostenrijk gesloten verbond tot bescherming van den vrede. Het Ital. woord beteekent drievoudig; de daarbij behoorende uitdrukking alleanza = bondgenootschap is echter weggelaten. Vgl. Triple Alliantie.

[Tripoli]

Tripoli, (fr.), bij de Belgische soldaten het kort en klein slaan van huisraad, enz., in een kroeg, waar zij met burgers in botsing zijn geraakt. Waarschijnlijk afkomstig van het fr. argot, waarin dat woord brandewijn beteekent.

[Trippenhuis]

Trippenhuis, vroeger het museum van schilderijen voordat dit naar het Rijksmuseum overgebracht werd, een gebouw op den Kloveniersburgwal. 't Is zoo genoemd, omdat het gesticht was en bewoond werd, door de gebroeders Trip. Later als het eigendom der stad werd het tot museum van schilderijen ingericht; thans vergadert er nog de Koninklijke Academie van Wetenschappen, wier boekerij er ook geplaatst is.

[Tripping]

Tripping, (eng.), stappend (van herten).

[Triptikon]

Triptikon, drieluik, d.i. eene schilderij, bestaande uit drie houten paneelen, die door scharnieren met elkander samenhangen; zie Diptyk.

[Triptyque]

Triptyque, (fr.), bij den Belgischen verkiezingsstrijd, in 1894, door de Indépendanee Beige uitgedacht, ter aanduiding van een verbond tusschen gematigde vrijzinnigen, radikalen en socialisten. Een verbond tusschen de beide eersten dier partijen noemde het blad een diptyque.

[Triquetra]

Triquetra, bij Horatius Sicilië, naar de driehoekige gedaante van dit schiereiland.

[p. 1165]

[Triquetra]

Triquetra, (wap.), figuur van drie beenen bij de heup aaneengevoegd, o.a. het wapen van het eiland Man, in de Iersche zee.

[Tristan en Isolde]

Tristan en Isolde, de beide hoofdpersonen eener sage, welke in verband staat met die van Arthur en de Ridders van de Ronde Tafel (z.a.). Ze werd in de 12e eeuw door verschillende Noord-Fransche dichters behandeld, en vervolgens in de letterkunde van andere landen overgenomen. Wagner ontleende er de stof aan voor eene opera van dien naam. De inhoud der sage is deze: Tristan, een toonbeeld van alle ridderlijke deugden, vraagt voor zijn oom Marke de hand der blonde Isolde, eene Iersche koningsdochter, die vroeger eene wond heeft genezen, hem (Tristan) door een vergiftigd wapen toegebracht. Toen hij zich op reis bevond met Marke, dronken beiden onwetend van een minnedrank, door Isolde's moeder voor haren bruidegom bestemd; en nu ontwaakte in hen de liefde met hartstochtelijken gloed. Isolde treedt met Marke in het huwelijk, maar kan den band niet verbreken, die haar aan Tristan verbindt. Marke ontdekt beider betrekking, en vervolgt de minnenden, die hem op velerlei wijzen misleiden en ook eenigen tijd ver van zijn hof vertoeven. Eindelijk keert Isolde naar Marke terug, en Tristan treedt in den vreemde met een andere Isolde in het huwelijk. Niettemin bezoekt hij gedurig de eerste Isolde, ontvangt eene gevaarlijke wonde, en zendt om laatstgenoemde, welke alleen in staat is hem te genezen. Doch bij hare komst is hij reeds gestorven, en zij zelve blaast bij zijn lijk den laatsten adem uit. Marke verneemt nu ook de geschiedenis van den tooverdrank, doet beiden in één graf begraven, en daarna boven Isolde eene rozenstruik, en boven Tristan een wijngaard planten, die eerlang zoo vast inéengroeien, dat niemand ze kan scheiden.

[Triste exilé sur la terre étrangère]

Triste exilé sur la terre étrangère, (fr.), arme banneling op vreemden bodem. Woorden van de Lusignan, in La Reine de Chypre, opera van Saint-Georges, muziek van Halévy (III, 7), den 22 Dec. 1841 voor 't eerst opgevoerd.

[Tritheïsme]

Tritheïsme, driegodendom, het welk zij voorstaan, die wel aan Vader, Zoon en H. Geest als Goddelijke personen gelooven, maar daarbij de eenheid Gods niet handhaven.

[Triton]

Triton, zoon van Poseidon en Amphitrite, (volgens anderen, de nymph Salacia), die met zijn vader en moeder in een gouden paleis op den bodem der zee woont. Er wordt ook gesproken van een groot aantal Tritons, wezens van monsterachtig voorkomen, met een lichaam, dat in een grooten staart uitloopt, groen haar, breeden mond met groote tanden, schubben, kieuwen enz. Gewoonlijk hebben zij eene groote schelp in de handen, die zij als trompet gebruiken, (Triton canorus) en door welker geluid zij op bevel van Poseidon de onstuimige golven tot bedaren brengen. Triton zelf werd als de fluitspeler van Neptunus beschouwd.

[Triumphus]

Triumphus, (lat.), de groote, plechtige door den Senaat toegestane intocht in het oude Rome, van een veldheer en zijn leger, na het behalen eener gewichtige overwinning, de zegepraal of zegepralende intocht. Vanhier òns triomf. Onderscheiden van de ovatio (z.a.)

[Triumvir]

Triumvir, (lat.), drieman. Ook wel IIIvir geschreven, bijv. IIIviri A.A.A.F.F. = triumviri aero, argento, auro flando feriundo, d.i. driemannen, gesteld over het blazen en slaan van koper, zilver, goud, - als muntmeesters (triumviri monetales).

[Triumviraat]

Triumviraat, (lat.), driemanschap. Als zoodanig wordt, - hoewel oneigenlijk, daar het een privaat, niet door den Staat erkend, verbond was, - de verbintenis aangemerkt, door Julius Caesar, alvorens zijn Consulaat te aanvaarden, in 60 v.C. met. Pompejus en Crassus onder eede aangegaan. Het eigenlijke triumviraat was dat van den jare 43 v.C., nl. van Antonius, Octavianus en Lepidus; zij toch namen toenmaals den door den Staat gewettigden titel aan van tresviri of triumviri reipublicae constituendae, waarbij zij nochtans eigen heerschappij beoogden.

[Trivia]

Trivia, bijnaam van Hecate (z.a.)

[p. 1166]

Van trivium (driesprong). Ook de godin der straten en openbare wegen.

[Triviaal]

Triviaal, plat, alledaagsch, komt van het lat. trivium (z.a.). Aan den daar vermelden driesprong placht zich namelijk allerlei volk van gering gehalte te vereenigen. Zoo kreeg het woord een slechten bijsmaak. Cicero (Mur. VI, 13) gewaagt dan ook van arripere maledictum ex trivio = een scheldwoord aan de straat of aan het plebs ontleenen, m.a.w. gemeen uitschelden.

[Triviale scholen]

Triviale scholen, zie Trivium.

[Trivium]

Trivium, (lat.), eig. driesprong, de plaats, waar tres viae, drie wegen, samenkomen. - In de Middeleeuwen de samenvatting der drie vakken van toenmalig onderwijs, grammatica, rhetorica en logica of dialectica. Van het Trivium ging de leerjeugd tot het Quadrivium (z.a.) over.

[Trocadéro]

Trocadéro, plein te Parijs, waarop thans sedert 1867 het voor tentoonstellingen en muziekuitvoeringen bestemde palais du Trocadéro staat; de heuvel ontleende zijn naam aan een fort der Spaansche vesting Cadix, dat door de Franschen in 1823 ingenomen werd.

[Trocken rasieren]

Trocken rasieren, (hgd.), letterl. droog scheren, d.w.z. plagen, kwellen. Scheren schijnt immer aan iets pijnlijks, onaangenaams te hebben doen denken. Getuige de kreet: Lass mich ungeschoren! = laat mij ongeschoren, d.i. met rust

[Trockenwohner]

Trockenwohner, (hgd.), zie Sécher.

[Troffelbink]

Troffelbink, (barg.), metselaar.

[Troglodyten]

Troglodyten, holbewoners, in 't algemeen die volken, welke, voornamelijk in sommige landen van Azië, in holen en onder den grond woonden. Van gr. troglè (gat, holte) en duein (intrans. duiken). Ook: scheldnaam voor mijnwerkers en voor eenzijdige critici.

[Troïka]

Troïka, eene slede met paarden bespannen, die op de Newa bij St. Petersburg en ook op 't land gebruikt wordt.

[Troilus]

Troilus, de ridderlijke prins, een der zonen van Priamus, door Achilles bij het beleg van Troje (Homerus, Ilias) gedood.

[Trois choses sont absolument nécessaires: premièrement de l'argent, secondement de l'argent, troisièmement de l'argent]

Trois choses sont absolument nécessaires: premièrement de l'argent, secondement de l'argent, troisièmement de l'argent, (fr.), drie dingen zijn volstrekt noodzakelijk: eerstens geld, in de tweede plaats geld, in de derde plaats geld. Antwoord van den maarschalk Trivulce (1448-1518), op de vraag van Lodewijk XII, wat men behoefde, om met goeden uitslag oorlog te voeren.

[Trois cotillons (Les -]

Trois cotillons (Les -, de drie rokken, spotnaam door Frederik den Groote († 1786) gegeven aan keizerin Elisabeth van Rusland, Maria Theresia van Oostenrijk, en aan Pompadour, de maîtresse van Lodewijk XV.

[Trois reines (Les -]

Trois reines (Les -, (fr.), de drie koninginnen, volksbenaming voor de gemalin van Lodewijk XIV, de infante (Maria Theresia), en diens beide maîtressen: de hertogin de la Vallière en de markiezin de Montespan.

[Trolden]

Trolden, (n.myth.), bergreuzen, geheimzinnige wezens, ook Kabouters.

[Trommelen op de beurs]

Trommelen op de beurs, te Amsterdam in de eerste kermisweek (September), met vergunning der stadsregeering krachtens privilegie, verworven door een weesjongen, die in 1622 den snooden toeleg ontdekte van Balthasar Paul, een steenhouwersgezel, die met eenige eedgenooten de stad in vlammen wilde doen opgaan, en de Beurs poogde te laten springen door eene met buskruit geladen vlotschuit, die hij onder den middenboog had weten te voeren. De belooning van f 300 sloeg de knaap, die de vlotschuit ontdekt had, terwijl hij al spelend naar zijn bal zocht, af, maar verzocht om dat privilegie in vervolg van tijd. Deze volksoverlevering gaf aan Mr. Jac. v. Lennep in de pen een tooneelspel ‘Een Amsterdamsche jongen of het buskruitverraad in 1622’. In 1850 wilde de stadsregeering dit privilegie afschaffen, doch het werd besten-

[p. 1167]

digd tengevolge van een door de jongens ingediend request op rijm, vervaardigd door den volksdichter en kindervriend Jan Schenkman. De jongens verschijnen nog altoos na de afschaffing der kermis, niet meer in de eerste kermisweek, maar in den vaeantie-tijd der kostelooze scholen in Augustus, op de Beurs, maar, jammer genoeg, nog slechts enkelen in soldatenpakjes en steeds minder met trommels.

[Tromp]

Tromp, (wap.), olifantstromp, steeds twee in getal en als helmteeken dienend. De meeste heraldisten beschouwen ze als verminkte buffelhorens.

[Trompenburg]

Trompenburg, buitengoed onder 's-Graveland, gebouwd in den vorm van 't achterste deel van een oorlogschip door admiraal Cornelis Tromp. Een ander Trompenburg was vroeger voormalige buitenplaats aan de buiten-Amstel thans groote rijtuigfabriek.

[Trône? Qu'est-ce qu'un - quatre morceaux de bois, garnis de velours]

Trône? Qu'est-ce qu'un - quatre morceaux de bois, garnis de velours, (fr.), wat is een troon? Vier stukken hout, met fluweel bekleed. Gezegde van Napoleon I.

[Tronk]

Tronk, (afr.), gevangenis.

[Tronk-Ieuve]

Tronk-Ieuve, (afr.), gevangen leeuwen.

[Troois gewicht]

Troois gewicht, (hand.), het oude goudgewicht, een voormalig handelsgewicht, waarvan de eenheid was de op de jaarmarkt te Troyes in Frankrijk, gebruikelijke Mark; 1 Mark Trooisch = 246.86 Ned. W. Ook Engelsch gewicht (Troy-weight) voor goud, zilver, platina en juweelen, alsmede voor apothekerswaren. Het pond troys, verdeeld in 12 ons, weegt 373,242 Nederl. wichtjes.

[Troonzegel]

Troonzegel, (zeg.), zie Majesteitszegel.

[Trop de fleurs]

Trop de fleurs, (fr), te veel bloemen, woord van den opper-priester Calchas in La Belle Hélène van Meilhac en Halévy, het eerst opgevoerd in het Théâtre des Variétés, op 17 Dec. 1864. Calchas is nl. ontevreden, dat men den opperste der goden zooveel offers brengt, waarvan de bloemen het hoofdbestanddeel uitmaken.

[Trop de zèle]

Trop de zèle, (fr.), te veel ijver, verbasterd uit pas de zèle (z.a.). Vgl. Surtout pas de zèle.

[Tropaeum]

Tropaeum, gr. tropaion, zegeteeken, door een leger op het slagveld opgericht, wanneer het de vijanden op de vlucht geslagen had. Door na den slag de oprichting van een tropaeum toe te laten en verlof te vragen om de gesneuvelden van het slagveld te halen en te begraven, erkende men als het ware de nederlaag geleden te hebben. Het tropaeum bestond uit een hoop buitgemaakte wapens, soms aan een boomstam opgehan gen, waaraan men vooraf min of meer eene menschelijke gedaante gaf. In latere tijden waren tropaea (tropeeën) in het algemeen gedenkteekenen ter eere eener overwinning of van een overwinnaar opgericht.

[Trossuli]

Trossuli, waarschijnlijk etruskisch voor equites, de latere voor Celeres onder Romulus en Flesumines opgekomen naam voor de Romeinsche ridders, nadat de oud-Romeinen de Etrurische stad Trossulum, alleen door ruiters, zonder behulp van voetknechten, hadden ingenomen. Later werd het woord een spotnaam: praalhans, fat, petitmaître.

[Trophee]

Trophee, ten onrechte zoo geschreven en uitgesproken. Zie Tropaeum.

[Troteters]

Troteters, schimpnaam voor de inwoners van Pollare (bij Ninove in België). Einde September 1830, op kermisavond, verspreidde zich de mare in 't dorpje, dat het Hollandsche leger naderde en alles zou plunderen. Men redde, wat men redden kon. De koster was met zijne 17 teilen trot (= appelmoes) op den toren gevlucht, maar het volk, dat daar eene schuilplaats had gezocht, at al zijnen trot met de handen uit.

[Trou (Faire un - à la lune]

Trou (Faire un - à la lune, (fr.), heimelijk vluchten, vooral met

[p. 1168]

achterlating van schulden of van een tekort in zijne kas. De oorsprong ligt in het duister.

[Troubadour, Trouvere, Trovatore]

Troubadour, Trouvere, Trovatore, woorden van dezelfde beteekenis, van troubar = trouver, vinden, uitdenken. Het eerste was in Zuid-Frankrijk, het tweede in Noord-Frankrijk, het derde in Italië in gebruik voor de rondreizende dichters of meistreels.

[Trouserclip]

Trouserclip, (sport.), broekvasthouder; (eng.) trousers = matrozenbroek).

[Trouwe vrienden]

Trouwe vrienden,

Castor en Pollux.
David en Jonathan.
Orestes en Pylades.
Damon en Pythias.
Achilles en Patrokles.

[Trouwen met den handschoen]

Trouwen met den handschoen, zie Handschoen.

[Trouwen met den hoed]

Trouwen met den hoed, van een Europeaan met eene inlandsche vrouw in Nederl.-Indië (te Semarang Februari '99), in Mohammedaanschen trant, in de messigit door een panghoeloe; wanneer de bruidegom niet aanwezig kan zijn, die dan aan dezen zijn hoed zendt, om zijn persoon, naar inlandsch gebruik, te vertegenwoordigen. Vgl. Handschoen (Trouwen met den -).

[Trouwen (Het is beter te - dan te branden]

Trouwen (Het is beter te - dan te branden, 1 Kor. VII:9. Met dit woord, bedoelt Paulus, dat het ter voldoening zijner neigingen beter is, een wettig huwelijk aan te gaan, dan een onheilig vuur in zichzelf te laten woeden, en daardoor tot ongeoorloofde blussching van dien hartstocht vervoerd te worden. Verg. Cats, Zinne- en Minnebeelden no. 41: beter gemand, dan gebrand!

[Trouwt doet goed, die niet trouwt doet beter (Die -]

Trouwt doet goed, die niet trouwt doet beter (Die -, ook wel met het toevoegsel: zegt Paulus, op den klank af ontleend aan 1 Kor. VII:38, waar niet van ‘trouwen’, maar van ‘ten huwelijk uitgeven’ sprake is.

[Troysgewicht]

Troysgewicht, zie Trooisgewicht.

[Truchmonen]

Truchmonen, zie Turkomanen.

[Trublot]

Trublot, (fr.), de type van den man, die aan geene andere vrouwen dan dienstboden het hof maakt. Naar een persoon van dien aard in den roman Pot-Bouille, van Emile Zola.

[Truisme]

Truisme, (fr.), eene banale, onnoozele waarheid. Van het eng. truism, dat van true = waar afstamt.

[Trusts]

Trusts, (eng.), in de handelswereld een vereeniging van de groothandelaars in eenig artikel, die den prijs er van vaststellen, om zeker te zijn van een groote winst. De handel berust dan op het vertrouwen (trust), dat geen der contractanten onder dien prijs zal verkoopen.

[Trullanische synoden]

Trullanische synoden, concilia Trullana. Als zoodanig staan twee conciliën bekend; het eerste in 680 (= het 6e oecumenisch concilie), het tweede in 692 - te Konstantinopel gehouden Concilie. Omdat het tweede als een aanhangsel, ter aanvulling van het 5e (dat te Chalcedon in 451) en 6e (dat te Konstantinopel in 553) beschouwd wordt, heet het ook Quinisextum. Het is door de Roomsche Kerk nimmer voor geldig erkend, omdat het zich uit kerkrechtelijk oogpunt gedeeltelijk tegen hare beweringen kantte; trullanum geheeten, omdat dit het paleis des Keizers van het Oostersche Rijk was, waarin die Synoden gehouden zijn, als op aandrang van den Keizer zelven, en niet door dien Keizer op verzoek van den Patriarch van Kontantinopel, samengeroepen.

[Trustwoman]

Trustwoman, (am.), zie Reformatory.

[Truven]

Truven, (k.m.a.), het iemand lastig maken, iemand voor den gek houden.

[Tryanon]

Tryanon, dochter van den koning der Feeën, die op het eiland Oléron leefde. ‘Zij was zoo wit als de lelie in Mei, of als versch gevallen sneeuw’, ‘heur haar glinsterde als gouddraad’, en ‘zij was onmetelijk rijk’. Zij huwde met Sir Launfal, koning Arthur's hofmeester. Thomas Chestre, Sir Launfal (15e eeuw).

[p. 1169]

[Tsaar]

Tsaar, naam van den keizer aller Russen. Oorspronkelijk cesar, dat echter, in het Germaansche Latijn der Middeleeuwen als tsesar werd uitgesproken, waarvan men later tsar maakte. De keizerin draagt den naam tsaritsa, en de vermoedelijke troonopvolger heet cesarevitch (niet tsarevitch).

[Tsa'är]

Tsa'är, (hebr.), (in de volkstaal verkort tot tsaar), smart, droefenis.

[Tsaddik]

Tsaddik, (hebr.), rechtvaardige, vrome, echt godsdienstig man. Meervoud: Tsaddikîm.

[Tschoerka]

Tschoerka, (russ.), soldatenbrood van halfronde gedaante. Grofetschoerka = grof soort van dit brood.

[Tsedoko]

Tsedoko (tsedaka), (hebr.), lett. deugd, rechtvaardigheid. In de Rabb. literatuur en in de volkstaal kreeg dit woord de bepaalde beteekenis van: weldadigheid, gaven aan armen. Een baältsedoko = een man die zeer weldadig is, vele behoeftigen steunt.

[Tseilem]

Tseilem (tselem), (hebr.), beeld, afbeelding. In de volkstaal ook als aanduiding van kruisbeeld, kruis. In het kaartspel: klaveren (verg. het Duitsche Kreuz).

[Tsenioes]

Tsenioes (Tsenioeth), (hebr.), ingetogenheid, kuischheid. In het bijzonder: de vrouwendeugd van kuischheid en ingetogenheid. Het ritueel symbool daarvan is de haar-toer of andere bedekking, waarmede eene joodsche gehuwde vrouw haar hoofdhaar omhult. Vandaar: zij gaat bi-tsenioes = zij gaat met het zinnebeeld der kuischheid; - gezegd van eene joodsche vrouw, die dezen plicht naar behooren inacht neemt.

[Tsewe-oh]

Tsewe-oh, (Tsewa-ah), (n. hebr.), (van het hebr. tsiwa = gebieden), gebiedenis. In het bijzonder: de door een overledene nagelaten beschikking.

[Tsibboer]

Tsibboer, (afgeleid van het Hebr. werkw. tsabar, ophoopen, in het oud-Hebr. = hoop, ophooping. In het n. hebr. en vandaar in de volkstaal: de gemeenschap, de gemeente, de verzameling van gemeenteleden.

[Tsitsies]

Tsitsies, (hebr.), letterlijk: het helderzichtbare; het duidelijk aanschouwde. Als term duidt het aan de aanschouwingsdraden aan het vierkant kleed, dat de Israëlieten vooral ook ter Synagoge dragen. Num. XV:38. Zie Talles.

[Tsjoender]

Tsjoender, (Friesch), toovenaar, tsjoenster, tooverheks, van tiona, tjoena, beschadigen, (iemand) kwaad doen.

[Tsjoensters]

Tsjoensters of heksen. Spotnaam voor de bewoners van Molkwerum (bij Stavoren).

[Tsoeng-Li-Yamen]

Tsoeng-Li-Yamen, naam van het lichaam, dat voor China de betrekkingen en onderhandelingen met het buitenland zou voeren, na den dood, in 1875, van keizer Tsjoeng-Tsji, gedurende het regentschap der Keizerin-moeder over het door dien keizer achtergelaten driejarig zoontje Kwan-Soe. Voorzitter van dit lichaam was Li-Hung-Chang, grootkanselier van het Chin. rijk. Volgens de Duitsche spelling: Tsung-Li-Yamen.

[Tsoro]

Tsoro (Tsara), (hebr.), onheil, ongeluk, vandaar ook smart. Zie Tsa'är.

[Tsung-Li-Yamen]

Tsung-Li-Yamen, (chin.), ministerie van (afdeeling voor) Buitenlandsche Zaken. Zie Tsoeng.

[Tu dors, Brutus, et Rome est dans les fers]

Tu dors, Brutus, et Rome est dans les fers, (fr.), gij slaapt, Brutus, terwijl Rome in ketenen zucht; Voltaire, la Mort de César II, 2, en op verschillende andere plaatsen bij denzelfden schrijver.

[Tu habes nullum,
Naf, nullum benullum,
Nullum benullum de artibus!
Opus tuum magnum prullum]

Tu habes nullum,
Naf, nullum benullum,
Nullum benullum de artibus!
Opus tuum magnum prullum,
(lat.), gij hebt geen, waarlijk, niet het allerminste benul (verstand) van (dicht-) kunst! Uw werk is een groot prul. Een bragiaantje, zie Braga. Gr. nai = waarlijk, inderdaad.

[Tu l'as voulu, George Dandin, tu l'as voulu]

Tu l'as voulu, George Dandin, tu l'as voulu, (fr.), verkeerd voor vous l'avez voulu enz. Zie Dandin.

[p. 1170]

[Tu quoque?]

Tu quoque? (lat.), ook gij? Die woorden zou Julius Cesar hebben uitgeroepen, toen hij Brutus onder zijne moordenaars herkende.

[Tu trembles, Bailly?]

Tu trembles, Bailly? (fr.), Bailly, beeft gij? Toen Bailly, een geleerde van grooten naam, den 21en Brumaire, jaar II (12 Nov. 1793), krachtens een vonnis der revolutionnaire rechtbank, naar de guillotine werd gevoerd, richtte een soldaat die vraag tot hem. Maar hij antwoordde: C'est de froid = van de koude. Inderdaad was het dien dag ruw weder. In Shakespeare's King Henry VI (2e part, IV, 7) vindt men schier hetzelfde. Op Dick's vraag: Why dost thou quiver, man? (Wat siddert gij, man?) antwoordt Lord Say: the palsy, and not fear, provokes my (mij plaagt een zenuwkwaal; het is geen vrees).

[Tua res agitur, paries cum proximus ardet]

Tua res agitur, paries cum proximus ardet, (lat.), uw eigen belang staat op het spel, wanneer de u naastgelegen huismuur brandt. Horatius, Epistolae I, 18, 84. Verg. òns ‘als uw buurman's huis brandt, is het tijd om uit te zien’.

[Tuba]

Tuba, metalen blaasinstrument, recht van vorm, op de wijze eener bazuin of lange spreektrompet.

[Tubalkaïn]

Tubalkaïn, zoon van Lamech en Zilla, Gen. IV:22 vermeld als uitvinder van allerlei werk (gereedschap) in koper en ijzer. Eigenlijk wordt van hem t.a. pl. gezegd, dat hij met den hamer allerlei werktuigen van koper en ijzer scherpte. Hij arbeidde dus in geslagen, niet in gegoten, koper en ijzer; en als zoodanig vertolkt men zijn on-Semietischen naam door ‘metaal-bewerker’. Intusschen duiden anderen zijn naam als ‘werkman in slakken’, d.i. den onreinen afval, welke bij het smelten van koper en ijzer ontstaat; uit arab. kaino (werkman) en perz. toepâl (metaal-slak). Zoo zou dan dit bericht der hooge oudheid dien man reeds voor den uitvinder van het meerdere beschaving veronderstellend ‘metaal-gieten’ verklaren, en zou het metaal-gieten aan het metaal-smeden zijn voorafgegaan. Gen. X:2 (de volkentafel) komt een Tubal voor, welke naam voor een persoon zonderling is, indien hij ‘metaalslak’ (metalli scoria) beduiden zou.

[Tube]

Tube, (sport), buis.

[Tuberculine]

Tuberculine, uitvinding van prof. Koch te Berlijn, als geneesmiddel tegen longtering niet toereikend bevonden; werkt gunstig als middel om tuberculose te onderkennen bij vee, alsook om door inspuiting er mede krankzinnigen minstens kalmer en beter te maken, indien zij er niet rechtstreeks door worden genezen.

[Tuberoos]

Tuberoos, (Polianthes tuberosa) tot de Amaryllis gewassen behoorende; bolgewas; van lat. tuberosus, en dit van tuber = buil, gezwel.

[Tübinger School (De -]

Tübinger School (De -, gevormd door den godgeleerde Ferdinand Christian Baur en zijne volgelingen te Tübingen. Een kring van vrijzinnige mannen, die op het voetspoor van David Friedr. Strauss de geschriften des Bijbels onderworpen hebben aan eene wetenschappelijke kritiek, waardoor volgens hen de onechtheid bleek van menig gedeelte, dat als ingegeven, en derhalve als onfeilbaar werd beschouwd. Tot die school behooren Zeller, Schwegler, Köstlin, Hilgenfeld, e.a.

[Tübingsche kritiek]

Tübingsche kritiek, de rationalistische, uiterst vrijzinnige leer omtrent de echtheid en het ontstaan der Bijbelboeken, vooral die van het N. Testament, welke, uitgenomen de vier Paulinische hoofdbrieven en de Openbaring, door hen als tendenzschriften van later eeuw, en als producten van vroom bedrog worden aangemerkt. Voor die scherpe kritiek gebruikt de Genestet in de romance ‘Machteld en Léonard’ den naam ‘Tübingsch zwaard’. Zie Tübinger school.

[Tuchnepper]

Tuchnepper, (hgd.), zekere venters, die, onder het verhalen van een hun overkomen ongeluk, zak-, handdoeken, enz., tegen ware spotprijzen te koop aanbieden. Doch komt 't op be-

[p. 1171]

talen aan, dan verklaart de Tuchnepper, die voorwerpen alleen te kunnen leveren, wanneer men tegelijk eene zekere hoeveelheid andere stoffen van zijnen voorraad, gemeenlijk laken, koopt. Later, na de levering en betaling dier laatste artikelen, komt de kooper echter tot de ontdekking, dat zij eene oneindig geringere waarde hebben, dan hij er voor betaalde.

[Tuckoes]

Tuckoes, (am.), stekers, naam voor de bewoners van North Carolina, van tuck, korte degen; vgl. Old North State.

[Tuer le ver]

Tuer le ver, (fr.), den worm dooden, eigenlijk de eerste borrel, dien men 's ochtends verorbert; ned. pierenverschrikkertje.

[Tuez-les-tous, Dieu reconnaîtra bien ceux qui sont à lui]

Tuez-les-tous, Dieu reconnaîtra bien ceux qui sont à lui, (fr.), doodt ze allen, God zal hen wel herkennen, die met hem zijn. Die woorden zouden, bij de verdelging der Albigenzen, te Béziers (1209), door den legaat Milon, tot aanvuring der moordenaars gebezigd zijn. Hoewel ze door mannen van naam zooals Guizot en Royer-Collard voor waar gehouden, worden zij door anderen in twijfel getrokken. Men haalt het gezegde somtijds ook met eene wijziging aan, zooals Frappez! frappez toujours, Dieu, enz.

[Tugendbund]

Tugendbund of Tugend-bond, zie Deugdverbond.

[Tuig (]

Tuig (ook: bokkentuig) omhangen (Het -, (mil.), de wapens en het ledergoed aandoen.

[Tuig van Laban]

Tuig van Laban, ook ‘vee van Laban’, uitdrukking ontleend aan Gen. XXIX:25 en XXXV:7, 38-42, waar Laban in een zeer ongunstig licht voorkomt. 't Volk heeft deugnieten of lieden van een gemeen geslacht willen voorstellen, en, om de spreekwijs nog wat harder en scherper te maken, gezegd: tuig of vee van Laban.

[Tuilerieën]

Tuilerieën, voormalig vorstelijk kasteel te Parijs, dat Catharina de Medicis liet verrijzen op eene plek, waar zich te voren pannebakkerijen (tuileries) bevonden. In 1871 is het bij den opstand der Commune gedeeltelijk verbrand. Zie Sablonnière.

[Tuin]

Tuin oorspronkelijk de van teenen gevlochten omheining van een gaard (vergel. hgd. Zaun en Garten). Men zegt, dat toen graaf Willem VI in 1406 het slot Hagestein bij Gorkum belegerde, hij zijn kamp met een tuin insloot en ter gedachtenis daaraan dien tuin op zijne munten (dubbele grooten) plaatste, welke munten den naam van tuinen ontvingen. Sedert werd de ‘tuin’ het symbool van het goed verdedigde grondgebied van Holland; vandaar: de Hollandsche tuin. Binnen die omheining beeldde men de Hollandsche maagd (dichterlijk ‘tuinmaagd’) af, of den Hollandschen leeuw met den hoed op eene speer (zie de oude Hollandsche duiten, en ook het watermerk van het Hollandsche schrijfpapier). Eene enkele maal komt ook het Borgondische kruis in den tuin voor. Buitendien vindt men ook een Henegouwschen tuin, met eene brandende kaars er in, van het jaar 1576; alsmede een tuin van Montferrat met een hert er in. Volgens anderen is de tuin het symbool der grafelijke residentie: des Graven hage. De Hollandsche tuin in bovenvermelden vorm komt nog vaak voor als uithangteeken aan herbergen, en verder op gedenkpenningen. De z.g. tuinorde is louter fictie.

[Tuin]

Tuin, zilveren munt, dubbele groot, van Graaf Willem VI, Jan van Brabant en Gravin Jacoba, voorstellend den Hollandschen leeuw met een wapenschild, zittend in eene omheining van takken gevlochten; zie hier boven, Tuin.

[Tuin (De -]

Tuin (De -,

van Joseph van Arimathea, de plaats waar het gebouw van het Heilige Graf staat;

- of tuin-secte, de leerlingen van Epicurus, die hen in zijn eigen afzonderlijken tuin onderrichtte;

van Engeland: Worcestershire en Kent.
van Europa: Italië.
van Frankrijk: Amboise, in het departement Indre-et-Loire.

[p. 1172]

van Italië: het eiland Sicilië.
van Spanje: Andalusië.
van het Westen: Kansas, in den staat Illinois.
der wereld: het gebied van den Mississippi.

[Tuinen]

Tuinen, (wap.), vierkante uitsteeksels aan de randen van een heraldiek stuk, ook aan den bovenrand van een muur of burcht, op onderlingen afstand gelijk aan hun breedte.

[Tuinlelie]

Tuinlelie, (wap.), de lelie in natuurlijken vorm; waarvan de heraldieke geheel verschilt. Zie Lelie.

[Tulband]

Tulband, (perz.), oorspr. dulband, het hoofddeksel der Turken; naar het model daarvan de naam van het gebak. Ook de tulp wordt zoo genoemd, oudt. it. tulipano, oorspr. hetzelfde woord als tulband.

[Tulit alter honores]

Tulit alter honores, (lat.), zie Hos ego, enz.

[Tulle]

Tulle, fijn weefsel, naar de stad Tulle in Frankrijk, waar uitstekende soorten gemaakt werden.

[Tulpenhandel]

Tulpenhandel, een onzinnige handel in tulpenbollen in de eerste helft der 17e eeuw. Sommige bollen, bijv. de Semper Augustus, werden met fabelachtige prijzen betaald. Men zocht in het bijzonder naar de bol van een zwarte tulp. De razernij, die velen ten ondergang voerde, heerschte vooral in Holland, maar verbreidde zich ook over andere landen van Europa.

[Tult.]

Tult. Bij verzending van balken wordt voor de vrachtberekening als grondslag aangenomen de Tult; 1, tult = 216 loopende voeten of = 12 balken van 18 engelsche voet lengte en 10 × 11 engelsche duim breedte en dikte. Voor verdere bijzonderheden en tabellen zie: Vademecum voor den Houtkooper, van R.W. Roggenkamp, Groningen, bij Jan Haan, en Vademecum voor den Houtkooper, van G. Key, Amsterdam, bij Allert de Lange.

[Tunc et nune]

Tunc et nune, (lat.), toen en nu, voorheen en thans.

[Tune tua res agitur, paries cum proximus ardet]

Tune tua res agitur, paries cum proximus ardet, zie Tua res agitur (Tune is voor nam = want, in de plaats gesteld).

[Tunica]

Tunica, (lat.), onderkleed bij de Romeinen, een soort van hemd. Men had dit kleedingstuk in verschillende lengten, met en zonder mouwen; terwijl men bij koud weder er zelfs nog meer dan twee over elkaar kon aantrekken. Augustus droeg er soms vier. De Tunica (eig. tunicella) (r.k.) is het bovenkleed der subdiakens en als zoodanig ook een der kleedingstukken van het plechtgewaad eens bisschops.

[Tunique]

Tunique, wapenrok der Fransche militairen. Ze kwam onlangs weder in zwang, nadat ze een korten tijd vervangen was door de vareuse = een wijd buis. Van lat. tunica, het kleed, dat bij de Romeinen mannen en vrouwen op het bloote lijf droegen. Daar dit kleedingstuk bij de oude Romeinen denzelfden dienst deed als bij ons het hemd, en het pallium hun opperkleed was, is hun, bij Plautus voorkomend tunica propior (nml. corpori) pallio nagenoeg eensluidend met ons het hemd is nader (bij het lijf) dan de rok.

[Tunkers]

Tunkers, naam voor een secte in Noord-Amerika, ook tumblers geheeten. Zij verzetten zich tegen het voeren van het zwaard en het voeren van rechtsgedingen; het celibaat is boven alles te roemen, maar niet gebiedend. Zij noemen zich zelven: het volk des vredes (harmless people) en onderscheiden zich door eenvoud in kleeding en spraak.

[Tunnel]

Tunnel, 1) De buisvormige gang door een heuvel of berg. 2) Een koker van machinekamer naar achtersteven in een stoomboot waar de schroefas door heen loopt.

[Turbin]

Turbin of turbine, (fr. argot), arbeid, vermoeienis. Vandaar: Turbiner (fr. arg.), werken, zich veel moeite geven.

[p. 1173]

[Turco's]

Turco's, Turkomanen, die bij voorkeur tot de lijfwacht des Sultans van Turkije gekozen worden. Turkomanen of Truchmonen, is de vrij onbepaalde naam, waarmede eenige volksstammen der Turksch-Tataarsche volkerenfamilie worden aangeduid, inzonderheid de nomaden ten W. en O. van de Kaspische zee, in West-Turkistan. De Turco's vormen ook eene afdeeling der Fransche ruiterij, behoorende tot het vreemdenlegioen, evenals de Spahi's en de Zouaven.

[Turf (De -]

Turf (De -, de renbaan, ontleend aan de Engelsche sport en races. Letterlijk, de zode, omdat de renbanen met laag, kort gras begroeid zijn. De held van de turf, de held, de winner in de races. In 't fr. soms synoniem met chic.

[Turf]

Turf, (barg.), beurs; stevige turf = welvoorziene beurs.

[Turftrappers]

Turftrappers, (mil.), schoenen.

[Turftrekker]

Turftrekker, (barg.), zakkenroller, bedrieger, oplichter.

[Turken]

Turken, spotnaam voor de inwoners van Opperdoes, bij Medemblik, wegens hunne beweerde ruwheid.

[Turkoois]

Turkoois, edelsteen van verschillende kleur; de westerschen zijn uit beenderen en tanden van zoogdieren, ontstaan, gewoonlijk onder den invloed van ijzer of koper. De oostersche komt uit Indië of Perzië, en ontstaat niet uit beenderen; hoog geschat en kostbaar. Zelden vindt men twee dezer steenen van gelijken vorm en gelijke kleur; zelfs hebben zij bij daglicht eene geheel andere kleur dan bij kunstlicht; de kostbaarsten zijn blauw, andere groen.

[Turksch pond]

Turksch pond, (hand.), heeft eene waarde van 101 piasters (zilver) of pl. m. f 11 Nederl. ct.

[Turksche broek]

Turksche broek, zie Skirt.

[Turksche pas]

Turksche pas, schrift of gedrukt papier, dat volgens eene willekeurig gekozen lijn in tweeën is gesneden. De persoon, die de helft meebracht passend aan de andere, was de bedoelde, aan wien men dus vertrouwen kon schenken. Denkelijk Turksch, omdat ook geheel ongeletterden zich van zulk een pas konden bedienen. De wet van 14 Maart 1819 (Stbl. no. 12) ‘over de algemeene bepalingen op het stuk der zeebrieven en Turksche paspoorten’, is ingetrokken bij art. 24 der wet van 28 Mei 1869 (Stbl. no. 96), betrekkelijk de afgifte van zeebrieven en vergunningen tot het voeren der Nederlandsche vlag. Daardoor is de Turksche pas afgeschaft en dus ook vervallen art. 357-3o Wetb. v. Koophandel, hetwelk bepaalde, dat de schipper aan boord moest hebben ‘den Turkschen pas ingeval de strekking van de reis zulks vordert’. Evenals de zeebrieven werden de Turksche passen vroeger afgegeven door den Minister van Financiën.

[Turksche schop]

Turksche schop, zie Koliska.

[Turlupinade]

Turlupinade, (fr.), flauwe aardigheid. Volgens Voltaire (Vie de Molière, précédant les Oeuvres complètes de Molière, Paris, Garnier Frères, 1877, p. VI), afkomstig van Turlupin, gelijk de acteur Legrand zich in het kluchtspel noemde, terwijl hij zich als treurspelacteur Belleville titelde. Turlupin (fr.) = jachtmaker op flauwe aardigheden.

[Turn-en-Taxis (De vorsten van -]

Turn-en-Taxis (De vorsten van -, Duitsche vorsten, die sedert de vijftiende eeuw het monopolie van het brievenvervoer en de posterij in Duitschland bezaten. Dit recht werd door het Rijk, na 1866, voor eenige millioenen afgekocht.

[Turner]

Turner, een gymnastieker, van 't hgd. turnen, dat in verband staat met tornooi, tournooi.

[Turnvater (Der -]

Turnvater (Der -, Friedrich Ludwig Jahn (1778-1852), als de schepper van het gymnastie-onderwijs in Duitschland.

[Turven]

Turven, (wap.), blokken op de langste zijde liggend.

[p. 1174]

[Turpe dictu]

Turpe dictu, (lat.), het is schandelijk om te zeggen. Eng. For shame!

[Turpe est laudari ab illaudatis]

Turpe est laudari ab illaudatis, (lat.), het is geen eer, geprezen te worden door niet-lofwaardigen.

[Turpentine-State]

Turpentine-State, (am.), terpentijn-staat, nl. North Carolina, naar de vele terpentijnfabrieken aldaar. Zie Old North State.

[Tusculum]

Tusculum, oude stad in Latium (Italië), ten tijde van de oude Romeinen met schoone villa's in den omtrek, waaronder Cicero's Tusculanum. Vanhier noemt een geleerde de landhoeve, waar hij zich voor studie en bespiegeling afzondert, wel zijn Tusculum, hoewel eigenlijk een ‘Tusculanum’ wordt bedoeld.

[Tusschen uit gaan (Er -]

Tusschen uit gaan (Er - of uitbreken, (mil.), zich zonder verlof van 't korps verwijderen, deserteeren. In de Neder-Betuwe = sterven.

[Tutela parentum]

Tutela parentum, (lat.), ouderlijke voogdijschap. Ook: voogdijschap van bloedverwanten.

[Tustu]

Tustu, (fr.), gazen onderkleed der tooneel-danseressen.

[Tutt' occhi, tutto spirito]

Tutt' occhi, tutto spirito, (it.), een en al oog, een en al geest.

[Tuut]

Tuut, politie-agent te Utrecht; van lat. tutus = veilig.

[Twaalf tafelen]

Twaalf tafelen, het vroegste Romeinsche wetboek, samengesteld door de Decemviri (tienmannen), en gesneden in twaalf bronzen tafels. Liv. III:57; Diodorus XII, 56.

[Twaalf tafelen der Wet]

Twaalf tafelen der Wet, (lat.), Leges duodecim Tabularum.

[Twaalfde]

Twaalfde, zie Voorloopig twaalfde.

[Twaalfde Nacht]

Twaalfde Nacht (avond), nog in het Engelsch: Twelfth Night, Drie-Koningenavond, zijnde de twaalfde avond na Kerstmis. De oude Germanen rekenden bij nachten en niet bij dagen.

[Twee bij elkaar]

Twee bij elkaar, (rest.), voor twee personen koffie.

[Twee heeren dienen (Niemand kan -]

Twee heeren dienen (Niemand kan -, Matth. VI:24 ten aanzien van twee aldaar als tegenstrijdig beschouwde machten (God en den Mammom) gezegd.

[Twee, waarvan een]

Twee, waarvan een, (rest.), twee sneedjes roggebrood, waarvan éen met kaas.

[Twisting the Lion's tail]

Twisting the Lion's tail, (eng.), het vlechten (strengelen) van de staart van den leeuw; d.i. het verrichten van handelingen die de gevoeligheid van de Engelsche natie kunnen opwekken, tergen.

[Twistappel.]

Twistappel. Zie Appels. Uit spijt, dat zij op de bruiloft van Peleus en Thetis niet genood was, wierp Eris, de godin der Tweedracht, een appel, met het opschrift: ‘aan de schoonste’ onder de gasten. Paris, zoon van Priamus, koning van Troje, en Hekuba, wien het oordeel was opgedragen, terwijl vooral de godinnen Juno, Minerva en Venus over de schoonheid van gedaante aan het twisten waren, wees den appel aan Venus toe. Daarom ook wel Erisappel geheeten. Het spraakgebruik is aan de herkomst getrouw, door te zeggen: ‘een twistappel werpen’ in gezelschap, vergadering of gemeente.

[Two-Hour-Pictures-club]

Two-Hour-Pictures-club, in 1898 te Londen opgerichte vereeniging van snelschilders, die wekelijks bijeenkomen, om binnen twee uren tijds een schilderij of aquarel te maken. Zij telde 19 Oct. '98 reeds 70 leden, en hield 26-29 Oct. '98 eene tentoonstelling van hare werken in de Modern Gallery.

[Tyburn]

Tyburn, (eng.), voormalige gerichtsplaats in Londen, oorspronkelijk Twa-burne d.i. twee stroomen, die vroeger samen kwamen op de plaats, waar nu de marmeren boog staat; vandaar, een candidaat voor Tyburn = een galgebrok.

[p. 1175]

[Tympané]

Tympané, (fr. wap.), zie Geklepeld.

[Typhoon]

Typhoon, de booze Geest der Egyptische mythologie. Ook de naam van een hevigen wind in de Chineesche zee, doch dit woord heeft niets te doen met het voorgaande, het is de verbastering van een Chineesch woord, dat stormwind beteekent.

[Tyre]

Tyre, (sport), wielband.

[Tyrtaeus]

Tyrtaeus, (gr.), elegisch dichter, die ten tijde van den tweeden Messenischen oorlog te Sparta leefde. Hij wordt soms een Spartaan of een Milesiër genoemd; maar volgens het meest verbreide verhaal was hij een Athener. De Spartanen zouden nl. van het Delphisch orakel den raad gekregen te hebben, aan Athene eenen aanvoerder tegen de Messeniërs te vragen; waarop de Atheners hun Tyrtaeus, een kreupelen schoolmeester, zouden gezonden hebben, die echter door zijne liederen den gezonken moed der Spartanen deed herleven, zoodat de krijgskans spoedig keerde.

[Tyrtaeus (De Nederlandsche -]

Tyrtaeus (De Nederlandsche -, Jacobus Bellamy (1757-86), de bekende Zeeuwsche dichter van ‘Roosje’, die in zijn eersten tijd hoogdravende patriottische verzen maakte.

[Tyrtaeus (De Spaansche -]

Tyrtaeus (De Spaansche -, Manuel José Quintana (1772-1857), wiens oden de Spanjaarden aanspoorden om hunne vrijheid te verdedigen bij het uitbreken van den Onafhankelijkheidsoorlog. De Koningin heeft hem in 1855 persoonlijk tot dichter gekroond.